CConstaterende datKatwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

25. Brief van het college van 22 december 2021 inzake transitieplan gemeente Katwijk 2022-2029 (2760785)

Raad 20 januari 2022, gemeente KatwijkBij agendapunt: A. Voor kennisgeving aan te nemen:28.373 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Postbus 589 – 2220 AN Katwijk

Contactpersoon:

José Soepboer

Gemeenteraad van Katwijk

Afdeling:

Projecten Programma's en Opgaven Te bereiken op:

071- 406 5000 j.soepboer@katwijk.nl Ons kenmerk:

Z2760785D2774825 Bijlage(n): Verzenddatum:

22 december 2021

Onderwerp: Transitieplan gemeente Katwijk 2022-2029 Katwijk, 21 december 2021

Geachte leden van de raad,

In het kader van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 juli 2022 is in mei 2021 het collegebesluit “Transitiedocument omgevingsplan: strategische en ontwerpkeuzes voor het omgevingsplan” genomen. Met dit besluit zijn algemene en noodzakelijke uitgangspunten ingenomen over het opstellen van het omgevingsplan van de gemeente Katwijk (zie voorstel met kenmerk Z13465D13473). Uw raad heeft besloten de definitieve keuzes voor de inrichting van het omgevingsplan vast te leggen bij de vaststelling van het transitieplan voor het gehele wetgevingstraject. Na een periode van oefenen is geconcludeerd dat er niet afgeweken hoeft te worden van de reeds door uw raad vastgestelde uitgangspunten. In het transitieplan zijn de uitgangspunten praktisch uitgewerkt. Het transitieplan is de opmaat voor de verdere ontwikkeling van de instrumenten van de Omgevingswet en de Wet Kwaliteitsborging (Wkb) en het aanpassen van de organisatie gedurende de transitieperiode. In het transitieplan worden de acties die voortvloeien uit de komst van de Wkb en de gehele beleidscyclus van de Omgevingswet voor de transitieperiode beschreven. Het is een praktisch plan waarin stilgestaan wordt bij wie wat wanneer zal oppakken en op welke wijze dit zal gebeuren. Omdat het transitieplan praktisch van aard is, wordt het transitieplan door het college vastgesteld en ter informatie aan uw raad aangeboden.

gemeente Katwijk: Koningin Julianalaan 3, 2224 EW Katwijk, Postbus 589, 2220 AN Katwijk, website: www.katwijk.nl, (T) 071 - 406 5000, (F) 071 - 406 5065, IBAN: NL13BNGH0285120271, BIC: BNGHNL2G, KvK: 27.37.09.56 Op alle opdrachten zijn, tenzij anders overeengekomen, de algemene inkoopvoorwaarden leveringen en diensten gemeente Katwijk 2017 van toepassing. Deze zijn te raadplegen op www.katwijk.nl en www.overheid.nl

*2774825*

2/2

Ons kenmerk: Z2760785D2774825

Toezegging onderzoek aanvullende ondersteuning participatie

Op 29 april 2021 is tijdens de raadssessie over het Omgevingswet-proof participatiebeleid (1888867) toegezegd tijdens de oefenperiode met de participatiehandleiding en de participatieaanpak te onderzoeken hoe bij participatietrajecten onder de Omgevingswet aanvullende ondersteuning voor inwoners gefaciliteerd kan worden. In paragraaf 2.6.1 van het transitieplan zijn de onderzoeksresultaten uiteengezet. De toezegging wordt hiermee afgedaan. Wij vertrouwen erop u zo voldoende geïnformeerd te hebben. Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Katwijk, de secretaris, de burgemeester,

mr. drs. R.T. Jie Sam Foek

ir. C.L. Visser

Transitieplan gemeente Katwijk 2022-2029 Transitieplan Omgevingswet en Wkb na inwerkingtreding

Inhoud 1.

Inleiding ...........................................................................................................................................6 1.1

De Omgevingswet....................................................................................................................6

1.1.1 1.2

De Wkb ....................................................................................................................................7

1.2.1

2.

De relatie tussen de Omgevingswet en de Wkb......................................................................7

1.4

De relatie tussen de Omgevingswet en sociaal-maatschappelijke opgaven ...........................8

1.5

Uitgangspunten berekening van de benodigde middelen ......................................................9

1.6

Leeswijzer ................................................................................................................................9

Toelichting op de instrumenten onder de Omgevingswet............................................................10 2.1

De omgevingsvisie .................................................................................................................10

2.2

Het omgevingsplan................................................................................................................10

2.3

Het programma .....................................................................................................................10

2.4

De omgevingsvergunning ......................................................................................................11

2.5

Het ambitiekader van de raad ...............................................................................................11

2.6

Participatie ............................................................................................................................12

2.7

4.

5.

Gefaseerde ingang Wkb ..................................................................................................7

1.3

2.6.1 3.

Transitieperiode omgevingsplan .....................................................................................6

Toezegging onderzoek aanvullende ondersteuning participatie...................................13

Transformatiekosten .............................................................................................................14

Instructieregels..............................................................................................................................16 3.1

Uitvoering ..............................................................................................................................16

3.2

Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag ..............................................................................17

3.3

Noodzakelijke inzet en middelen ..........................................................................................17

Omgevingsvisie..............................................................................................................................18 4.1

Uitvoering ..............................................................................................................................18

4.2

Participatie en communicatie................................................................................................18

4.3

Monitoring en evaluatie ........................................................................................................19

4.4

Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag ..............................................................................19

4.5

Sociale kwaliteit.....................................................................................................................19

4.6

Noodzakelijke inzet ...............................................................................................................19

Omgevingsplan ..............................................................................................................................20 5.1

Het omgevingsplan................................................................................................................20

5.1.1

Uitvoering ......................................................................................................................21

5.1.2

Beheer ...........................................................................................................................24

5.1.3

Participatie.....................................................................................................................24

5.1.4

Communicatie................................................................................................................25 1

5.1.5

Monitoring en evaluatie ................................................................................................25

5.1.6

Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag.......................................................................25

5.1.7

De vertaling naar de organisatie....................................................................................25

5.1.8

Noodzakelijke inzet........................................................................................................25

5.2

5.2.1

Uitvoering ......................................................................................................................26

5.2.2

Beheer ...........................................................................................................................27

5.2.3

Participatie.....................................................................................................................27

5.2.4

Communicatie................................................................................................................27

5.2.5

Monitoring en evaluatie ................................................................................................28

5.2.6

Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag.......................................................................28

5.2.7

De vertaling naar de organisatie....................................................................................28

5.2.8

Noodzakelijke inzet........................................................................................................28

5.3

Bruidsschat ............................................................................................................................28

5.3.1

Uitvoering ......................................................................................................................28

5.3.2

Participatie.....................................................................................................................29

5.3.3

Communicatie................................................................................................................29

5.3.4

Monitoring en evaluatie ................................................................................................29

5.3.5

Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag.......................................................................29

5.3.6

Noodzakelijke inzet........................................................................................................29

5.4

6.

Toepasbare regels .................................................................................................................26

Omgevingswaarden...............................................................................................................29

5.4.1

Uitvoering ......................................................................................................................29

5.4.2

Beheer ...........................................................................................................................30

5.4.3

Participatie.....................................................................................................................30

5.4.4

Communicatie................................................................................................................30

5.4.5

Monitoring en evaluatie ................................................................................................31

5.4.6

Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag.......................................................................31

5.4.7

Sociale kwaliteit.............................................................................................................31

5.4.8

De vertaling naar de organisatie....................................................................................31

5.4.9

Noodzakelijke inzet........................................................................................................31

Programma’s / programmatische aanpak .....................................................................................32 6.1

Uitvoering ..............................................................................................................................32

6.1.1

Het aanvullingsspoor geluid ..........................................................................................32

6.1.2

Het programma geluid...................................................................................................33

6.2

Participatie ............................................................................................................................34

6.3

Communicatie .......................................................................................................................34 2

7.

6.4

Monitoring en evaluatie ........................................................................................................35

6.5

Noodzakelijke inzet en middelen ..........................................................................................35

Omgevingsvergunning...................................................................................................................35 7.1

7.1.1

Uitvoering ......................................................................................................................35

7.1.2

Communicatie................................................................................................................36

7.1.3

Monitoring en evaluatie ................................................................................................37

7.1.4

Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag.......................................................................37

7.1.5

Noodzakelijke inzet........................................................................................................37

7.2

Adviescommissie omgevingskwaliteit ...................................................................................38

7.2.1

Uitvoering ......................................................................................................................38

7.2.2

Monitoring en evaluatie ................................................................................................38

7.2.3

Noodzakelijke inzet........................................................................................................38

7.3

8.

Vergunningverlening .............................................................................................................35

Intake- en Omgevingstafel.....................................................................................................38

7.3.1

Uitvoering ......................................................................................................................38

7.3.2

Participatie.....................................................................................................................41

7.3.3

Communicatie................................................................................................................41

7.3.4

Monitoring en evaluatie ................................................................................................41

7.3.5

Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag.......................................................................41

7.3.6

Noodzakelijke inzet........................................................................................................41

Toezicht en handhaving (incl. Wkb) ..............................................................................................42 8.1

Toezicht en handhaving onder de Wkb .................................................................................42

8.1.1

Uitvoering ......................................................................................................................42

8.1.2

Beheer ...........................................................................................................................43

8.1.3

Participatie.....................................................................................................................43

8.1.4

Communicatie................................................................................................................43

8.1.5

Monitoring en evaluatie ................................................................................................43

8.1.6

Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag.......................................................................43

8.1.7

De vertaling naar de organisatie....................................................................................44

8.1.8

Noodzakelijke inzet........................................................................................................44

8.2

Toezicht en handhaving onder de Omgevingswet ................................................................44

8.2.1

Uitvoering ......................................................................................................................44

8.2.2

Communicatie................................................................................................................45

8.2.3

Monitoring en evaluatie ................................................................................................45

8.2.4

Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag.......................................................................45

8.2.5

Noodzakelijke inzet........................................................................................................45 3

9.

Samenwerking met ketenpartners................................................................................................46 9.1

Uitvoering ..............................................................................................................................46

9.2

Beheer ...................................................................................................................................46

9.3

Communicatie .......................................................................................................................46

9.4

Monitoring en evaluatie ........................................................................................................46

9.5

Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag ..............................................................................47

9.6

Noodzakelijke inzet ...............................................................................................................47

10.

DSO / RAK ..................................................................................................................................48

10.1

DSO ........................................................................................................................................48

10.1.1

Beheer ...........................................................................................................................48

10.1.2

Communicatie................................................................................................................49

10.1.3

Noodzakelijke inzet........................................................................................................49

10.2

RAK ........................................................................................................................................49

10.2.1

Uitvoering ......................................................................................................................50

10.2.2

Noodzakelijke inzet en middelen...................................................................................50

11.

Overig ........................................................................................................................................51

11.1

Raadsmonitor ........................................................................................................................51

11.1.1

Monitoring en evaluatie ................................................................................................51

11.1.2

Noodzakelijke inzet........................................................................................................51

11.2

Budgetten ..............................................................................................................................51

11.2.1

Monitoring en evaluatie ................................................................................................51

11.2.2

Noodzakelijke inzet........................................................................................................51

11.3

Bodemtaken ..........................................................................................................................51

11.3.1

Noodzakelijke inzet........................................................................................................52

Bijlagen ..................................................................................................................................................53 Bijlage 1. Middeleninzet ........................................................................................................................54 1.

...................................................................................................................................................54

2.........................................................................................................................................................54 3.

Instructieregels..........................................................................................................................54

4.

Omgevingsvisie..........................................................................................................................54

5.

Omgevingsplan ..........................................................................................................................54

6.

5.1

Omgevingsplan ..................................................................................................................54

5.2

Toepasbare regels .............................................................................................................55

5.3

Bruidsschat ........................................................................................................................56

5.4

Omgevingswaarden...........................................................................................................57

Programma’s .............................................................................................................................57 4

7.

Omgevingsvergunning...............................................................................................................57 7.1

Vergunningverlening .........................................................................................................57

7.2

Adviescommissie omgevingskwaliteit ...............................................................................58

7.3

Intake- en omgevingstafel .................................................................................................59

8.

Toezicht en handhaving (incl. Wkb) ..........................................................................................59 8.1

Wkb ...................................................................................................................................59

8.2

Omgevingswet...................................................................................................................60

9.

Samenwerking met ketenpartners ............................................................................................61

10.

DSO / RAK ..............................................................................................................................61

10.1

DSO ....................................................................................................................................61

10.2

RAK ....................................................................................................................................62

11.

Overig ....................................................................................................................................62

11.1

Raadsmonitor ....................................................................................................................62

11.2

Budgetten ..........................................................................................................................63

11.3

Bodemtaken ......................................................................................................................63

12.

Effecten van de Omgevingswet en de Wkb op de leges........................................................63

13.

Overzicht benodigde middelen per hoofdstuk......................................................................64

14.

Berekening op basis van het Integraal financieel beeld ........................................................67

Bijlage 2. Overzicht communicatie per hoofdstuk.................................................................................68 Bijlage 3. Overzicht monitoring en evaluatie per hoofdstuk .................................................................72 Bijlage 4. Overzicht structurele effecten van de Omgevingswet en Wkb .............................................74 Bijlage 5. Overzicht relevante besluiten ................................................................................................77

5

1. Inleiding Voor u ligt het transitieplan voor de gemeente Katwijk. Het transitieplan is de opmaat voor de verdere ontwikkeling van de instrumenten van de Omgevingswet en de Wet Kwaliteitsborging (Wkb) en het aanpassen van de organisatie gedurende de transitieperiode. In het transitieplan worden de acties die voortvloeien uit de komst van de Wkb en de gehele beleidscyclus1 van de Omgevingswet voor de transitieperiode beschreven. Het is een praktisch plan waarin stilgestaan wordt bij wie wat wanneer zal oppakken en op welke wijze dit zal gebeuren. Daarnaast wordt een doorkijkje gegeven naar de hiervoor benodigde inzet en middelen. Het transitieplan fungeert tevens als een overdrachtsdocument van programma naar lijn en van bestuur naar bestuur. Het wordt van belang geacht te benoemen dat dit document enkel de periode 01-07-2022 tot en met 31-12-2029 belicht. De acties tot 01-07-2022 zijn gericht op het realiseren van een verantwoorde overgangssituatie naar de nieuwe wetgeving. Daarvoor zijn een afzonderlijke Routeplanning, actiebord en plan van aanpak opgesteld. De minimale actie van de VNG zijn daarbij als ondergrens gebruikt.

1.1 De Omgevingswet In de Omgevingswet wordt alle bestaande wetgeving over de fysieke leefomgeving gebundeld, vereenvoudigd en geïntegreerd in één wet. De Omgevingswet treedt naar verwachting op 1 juli 2022 in werking. De Omgevingswet vraagt om een andere werk- en denkwijze van overheden, burgers en bedrijven. Open, samenhangend, flexibel, uitnodigend en innovatief zijn daarbij de kernwoorden. Door minder en overzichtelijke regels, meer ruimte voor initiatieven, lokaal maatwerk en het geven en vragen van vertrouwen. Daarbij moet het doel van een initiatief in de fysieke leefomgeving centraal staan in plaats van de vraag: ‘mag het wel?’.

1.1.1 Transitieperiode omgevingsplan De afgelopen jaren is er binnen de gemeente Katwijk flink ingezet op de implementatie van de Omgevingswet. Daarbij is als doel gesteld dat het dienstbetoon naar inwoner en ondernemer minimaal gelijk moet blijven aan de huidige situatie. De verbeterdoelen moeten in de transitie verder worden uitgebouwd. Daartoe moet ook na 1 juli inzet getoond worden op dit gebied. Voor gemeenten geldt dat zij 31 december 2024 een omgevingsvisie en uiterlijk 31 december 2029 een gemeentedekkend nieuw omgevingsplan moeten hebben2. Het omgevingsplan raakt aan alle instrumenten uit de beleidscyclus (figuur). Voor veel van deze instrumenten geldt echter, in tegenstelling tot het omgevingsplan, dat zij per inwerkingtreding van 1 https://iplo.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/uitgangspunten-doelen-omgevingswet/beleidscyclus/

2 https://iplo.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/omgevingswet-in-ontwikkeling/hoofdlijnen-omgevingswet/

6

de Omgevingswet ‘up and running’ moeten zijn. Voor het omgevingsplan wordt in dit transitiedocument uiteengezet wat er voor eind 2029 moet gebeuren om dit te realiseren.

1.2 De Wkb Tegelijk met de Omgevingswet treedt ook de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) in werking. De Wkb heeft als doel de bouwkwaliteit en het bouwtoezicht te verbeteren door inschakeling van private kwaliteitsborgers. Daarnaast wordt de aansprakelijkheid van aannemers ten opzichte van particuliere en professionele opdrachtgevers uitgebreid. De belangrijkste wijziging in deze wet is dat de ‘papieren’ toets op het bouwplan door de gemeente wordt vervangen door een toets in de praktijk. Daarnaast wordt door de vergunninghouder zelf een kwaliteitsborger ingeschakeld die voor hem de bouwtechnische voorschriften toetst. Deze kwaliteitsborger is verplicht zijn bevindingen te verwerken in een risicoanalyse. Dit plan wordt beoordeeld door de gemeente. Indien er geen melding wordt gedaan of de melding onvolledig is, geldt een verbod tot ingebruikname van het bouwwerk.

1.2.1 Gefaseerde ingang Wkb De Wkb gaat gefaseerd in. Er wordt gestart met de eenvoudigere bouwprojecten, daarna volgen eventueel de meer complexere. In eerste aanleg gaat het toetsen door een particuliere kwaliteitsborger op grond de Wkb alleen gelden voor bouwwerken in gevolgklasse 13. Voor bouwwerken in gevolgklasse 2 en 3 is de verwachting dat deze in 2024 en 2025 ook onder de Wkb zullen vallen. De Wkb raakt aan veel van de instrumenten uit de beleidscyclus van de Omgevingswet, met name bij toezicht en handhaving speelt deze wet een grote rol. In dit hoofdstuk wordt dan ook de nodige aandacht geschonken aan de in de komende jaren verwachte acties n.a.v. de komst van de Wkb.

1.3 De relatie tussen de Omgevingswet en de Wkb Bij de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen gaat de toetsing van de bouwtechnische eisen van een bouwwerk van de gemeente over naar een onafhankelijke partij, de zogenaamde kwaliteitsborger. Onder de Omgevingswet wordt de huidige omgevingsvergunning voor het bouwen in twee activiteiten opgesplitst. Enerzijds de (technische) bouwactiviteit en anderzijds de (ruimtelijke) omgevingsplanactiviteit. Dit wordt de zogenaamde ‘knip’ genoemd. De vergunning voor de (technische) bouwactiviteit betreft de toetsing van een bouwplan aan de bouwtechnische voorschriften in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)4. Deze benodigde toestemming voor een bouwactiviteit is landelijk bepaald en kan een vergunning, melding of vergunningvrij zijn. De vergunning voor de (ruimtelijke) omgevingsplanactiviteit betreft de toetsing aan de ruimtelijke regels van het omgevingsplan. Het vergunningstelsel voor de omgevingsplanvergunning wordt – behoudens enkele van rijkswege vergunningvrije activiteiten – door gemeenten bepaald. Gemeenten kunnen zelf bepalen of en zo ja wat voor type toestemming vooraf voor een bouwplan nodig is. 3 https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/publicaties/2021/03/01/factsheet-de-wet-

kwaliteitsborging-voor-het-bouwen-gevolgklassen/72081_BZK_Factsheet+Gevolgklassen+%282%29.pdf 4 https://iplo.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/omgevingswet-in-ontwikkeling/

7

Een nieuwe ontwikkeling binnen de Omgevingswet in combinatie met de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, is dat bouwen onder kwaliteitsborging in de Omgevingswet voor bouwwerken in gevolgklasse 1 een meldingsplichtige activiteit wordt. Bij bouwen onder kwaliteitsborging is de inschakeling van een kwaliteitsborger verplicht.

1.4 De relatie tussen de Omgevingswet en sociaal-maatschappelijke opgaven Nieuwe thema’s in de Omgevingswet zijn gezondheid en veiligheid. Dit is een verbreding die al raakt aan het sociaal domein. De gemeente Katwijk wil dit nog verder verbreden. De gebouwde omgeving en de openbare ruimte zijn immers randvoorwaardelijk voor de dagelijkse kwaliteit van leven van onze inwoners. De fysieke leefomgeving kan onze inwoners belemmeren, beschermen (gezondheid, veiligheid, milieu) of bevorderen. Door te kijken naar de fysiek-ruimtelijke omgeving door de bril van sociaal-maatschappelijke vraagstukken kunnen we zowel de ruimtelijke als de sociale kwaliteit vergroten. Sociale kwaliteit is de methode die we hanteren om te kunnen sturen op de analyse (wat speelt er?, de integratie van onderwerpen (wat zijn dan onze opgaven?), afweging (waar kiezen we voor?) en interventies (wat staat ons concreet te doen?). Daarnaast is het een participatieve methode. Deze werkwijze helpt ons om efficiënter, integraler, consequenter, participatiever, systematischer, pro-actiever en explicieter te werken. Hierdoor kan de belangenafweging beter en gelijkwaardiger plaatsvinden en kunnen eventuele onwenselijke effecten van uitnodigingsplanologie worden voorkomen. De methode is op diverse niveaus, diverse momenten en met diverse intensiteit in te zetten, zeker bij ontwikkelingen met veel impact.

Daarnaast is het toe te passen bij diverse instrumenten uit de Omgevingswet. Door het zo vroeg mogelijk in het proces in te zetten is de meeste winst te behalen. Dit raakt ook onze te ontwikkelen vaardigheden, organisatiecultuur en opgavegericht werken. Het kwadrant aan de linkerkant is een hulpmiddel bij met name de analyse en objectivering. We hebben hier belangrijke ‘sociale principes’ aan gekoppeld. In dit transitieplan wordt bij verschillende instrumenten van de wet kort aangegeven of en zo ja hoe sociale kwaliteit kan worden ingezet, incl. de implicaties voor inzet en middelen.

8

1.5 Uitgangspunten berekening van de benodigde middelen De betrokken collega’s zijn voor een aantal onderwerpen gevraagd na te gaan hoeveel uren zij hier gemiddeld aan besteden of denken te gaan besteden. Om de benodigde middelen te berekenen is dit aantal uren vermenigvuldigd met €65,- (gemiddelde uurtarief Cluster Beleid Fysieke Leefomgeving en Cluster Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving).

1.6 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt per instrument uit de beleidscyclus van de Omgevingswet ingegaan op de acties die er na inwerkingtreding van de Wkb en de Omgevingswet liggen, waaronder de uitvoering, het beheer, participatie, communicatie en monitoring en evaluatie. Daarnaast wordt per instrument ingegaan op de te ontwikkelen vaardigheden en gedrag, de vertaling naar de organisatie, noodzakelijke inzet en middelen. Hierbij wordt de volgorde van de beleidscyclus van de Omgevingswet aangehouden. Elk instrument beslaat één hoofdstuk. Toegevoegd zijn vijf bijlagen waarin een overzicht wordt gegeven van de middelen, communicatie, monitoring en evaluatie, structurele effecten van de Omgevingswet en Wkb en de relevante eerder genomen besluiten.

Dit Transitieplan is een dynamisch document, opgesteld met de kennis en inzichten van dit moment (december 2022). Mocht blijken dat het effectiever kan of anders moet, wordt dit uiteraard aangepast.

9

2. Toelichting op de instrumenten onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet krijgt de gemeente een aantal belangrijke instrumenten, te weten de omgevingsvisie, het omgevingsplan, het programma en de omgevingsvergunning. Hieronder wordt ingegaan op de inhoud van de verscheidene instrumenten.

2.1 De omgevingsvisie De omgevingsvisie is het overkoepelende strategische plan voor de leefomgeving en moet zijn vastgesteld voor 31 december 2024. In de omgevingsvisie legt de gemeente haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. De gemeente stelt één omgevingsvisie voor het hele grondgebied vast. Een omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. De omgevingsvisie is vormvrij: de gemeenteraad bepaalt het detailniveau, de gebieden, de sectoren en de thema's. Ook kan de gemeente met de visie de mate van sturing bepalen, meer regulering of meer deregulering.

2.2 Het omgevingsplan Onder de omgevingsvisie hangt het omgevingsplan. In het omgevingsplan staan de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving. Iedere gemeente heeft één omgevingsplan. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan samen leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij het stellen van regels houdt de gemeente rekening met alle betrokken belangen. De gemeente kan de regels specificeren voor verschillende delen van het grondgebied. Ook kan de gemeente functies of kenmerken van locaties of gebieden aanwijzen. Aan deze aanwijzing kan de gemeente regels koppelen voor het gebruik van die locatie of dat gebied. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstaat door het overgangsrecht een tijdelijk deel van het omgevingsplan, het omgevingsplan van rechtswege. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • De bestaande ruimtelijke plannen • Drie gemeentelijke verordeningen: de Erfgoedverordening met betrekking tot de archeologische monumentenzorg, de Hemelwaterverordening en de Geurverordening • De bruidsschat (rijksregels die worden gedecentraliseerd naar gemeenten) Alle regels moeten op 31 december 2029 zijn opgenomen in het definitieve omgevingsplan. In de overgangsfase moet de gemeente dus alle regels vanuit het tijdelijk omgevingsplan ‘overbrengen’ naar het definitieve plan.

Ook moet de gemeente de regels uit de gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en waarvan zij dat nodig vindt op dat moment hebben toegevoegd.

2.3 Het programma Om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken kunnen overheden aanvullend op bovenstaande een programma opstellen met maatregelen. Een programma is een verzameling van tijdelijke inspanningen (projecten, routines en improvisaties) om meerdere, unieke doelen te bereiken die zonder deze coördinatie niet gerealiseerd kunnen worden. Anders dan bij projecten 10

gaat het om meerdere resultaten. Daarnaast is een programma uitvoeringsgericht; in een programma wordt concrete uitvoering gegeven aan beleidsdoelen door middel van gebiedsgerichte of thematische/sectorale maatregelen. Het programma is zelfbindend. Dit betekent dat het alleen het bestuur zelf bindt. Een programma kan wel burgers en bedrijven stimuleren om die dingen te doen die helpen om de doelstellingen te halen. Overheden kunnen kiezen hoe ze programma’s inzetten. Ze kunnen de omgevingsvisie globaal houden en het beleid verder uit werken in programma’s. Of ze kunnen ervoor kiezen om de omgevingsvisie veel specifieker te maken en zo minder met programma’s werken. Het programma bevat drie soorten maatregelen: • maatregelen voor de uitwerking van het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving; • maatregelen om aan omgevingswaarden te voldoen (met een omgevingswaarde legt de gemeente de kwaliteit vast die ze voor de fysieke leefomgeving wil bereiken); • maatregelen om 1 of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken.

2.4 De omgevingsvergunning De gemeente kan via de omgevingsvergunning invloed uitoefenen op de leefomgeving. Burgers, bedrijven en overheden kunnen toestemming vragen om activiteiten in de fysieke leefomgeving te mogen uitvoeren door het aanvragen van een omgevingsvergunning.

2.5 Het ambitiekader van de raad In 2017 zijn door de raad voor de invoering van de Omgevingswet in Katwijk een zestal ambities op verschillende thema’s uitgesproken. Aan deze ambities wordt invulling gegeven middels de voorgestelde werkwijze. De ambities zijn als onderstaand weergegeven. Thema 1. Sectoraal beleid versus gebiedsgericht integraal We zetten in op zoveel mogelijk gebiedsgericht beleid. Dit betekent dat de gemeente gebieden en wijken in zal delen naar een beperkt aantal functies (bv wonen, werken, natuur, industrie, recreatie) waarvoor de gewenste omgevingskwaliteit wordt omschreven. Hierbij wordt tevens de sociale component meegenomen zoals zorg en welzijn, onderwijs en cultuur. Met de beoogde kwaliteit van het gebied als uitgangspunt voor het beleid wordt een gezamenlijke integrale afweging gemaakt over 11

functies en kwaliteiten. Tevens wordt proactief gewerkt en/of een programma opgesteld om de gewenste waarden te bereiken. Thema 2. Wettelijke taken voor participatie versus meer betrekken omgeving Inzet is het vroegtijdig betrekken van de omgeving bij ontwikkelingen, maar per situatie wordt bepaald of dit relevant is. Participatie wordt ingezet voor meer inbreng door burgers en andere partijen uit de omgeving in het ruimtelijk beleid, maar de regie daarvoor wordt niet volledig bij de omgeving neergelegd. De ambitie op het gebied van participatie is recent vastgelegd in het kader van het traject Participatie & Bestuursstijl en dat is ook het uitgangspunt voor de implementatie van de Omgevingswet. Dit betekent ook dat de onderste twee treden van de participatieladder niet zullen worden toegepast. Thema 3. Omgevingswaarden: verplicht versus verplicht en meer We leggen de in de AMvB’s opgenomen verplichte omgevingswaarden (bijvoorbeeld op het gebied van luchtkwaliteit, geluid, bodem, water etc.) vast in het omgevingsplan en verder alleen die onderwerpen die echt van groot belang zijn. Denk daarbij aan mate van groen, schoon, duurzaam (bv energieneutraal bouwen), lokale milieueisen (stank) en stedenbouwkundige kwaliteit. Te bepalen per gebied, onder meer uit te werken vanuit de op te stellen omgevingsvisie. Thema 4.

Rechtszekerheid versus meer flexibiliteit We zetten in op het vaststellen van meer of minder bandbreedte van waarden, bijvoorbeeld door een bandbreedte op te nemen voor geluidswaarden of bouwhoogten. Hierdoor is er meer ruimte voor initiatieven en minder sprake van rechtszekerheid voor belanghebbenden. Dit is echter wel afhankelijk van het gebied of het onderwerp: strengere regels of juist meer ruimte moet mogelijk zijn. Thema 5.Transparantie: verplicht versus zoveel mogelijk De gemeente streeft naar zo veel mogelijk transparantie, zowel in de informatievoorziening als in regelgeving en het besluitvormingsproces. Mits het voorziet in een behoefte en uitvoerbaar is. Dit hangt dus van de noodzaak-wenselijkheid-haalbaarheid af. Thema 6. Mate van regionale samenwerking We gaan in ieder geval voor de onderlinge consultatie bij Omgevingsvisie en Omgevingsplan (beleidsinhoud). En idem bij de inrichting van de werkprocessen (werkprocessen). Regionale samenwerking is geen doel op zich maar de gemeente staat er zeker voor open, als het maar meerwaarde heeft voor Katwijk. Wanneer ontwikkelingen grensoverschrijdende consequenties hebben of thema’s betreffen, zal er sprake zijn van afstemming met andere gemeenten, al dan niet vast te leggen in een gezamenlijke agenda.

2.6 Participatie In de Omgevingswet wordt uitgegaan van het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het besluitvormingsproces over een project of activiteit. Dat is niet nieuw. Nieuw is dat de Omgevingswet meer ruimte wil geven aan initiatieven uit de samenleving door bijvoorbeeld te werken met globalere omgevingsplannen en open normen. In dit kader wordt vaak gesproken over een “ja, mits …”-benadering. Deze benadering geeft aan dat de gemeente zich welwillend en meewerkend opstelt. Tegelijkertijd zorgt de gemeente voor de kwaliteit van de leefomgeving. Het gaat om de balans van benutten en beschermen van de leefomgeving. Nieuw is dat van inwoners een sterke betrokkenheid en eigen initiatief worden verwacht. Zowel meedenken en meedoen bij het ontwikkelen van een omgevingsvisie binnen de gemeente, maar ook bij het 12

oppakken van eigen initiatieven en het zoeken van draagvlak daarvoor bij andere betrokkenen. Hoe participatie vorm krijgt, schrijft de wet niet voor. Dat is afhankelijk van de specifieke lokale omstandigheden en de context per initiatief. De Omgevingswet schrijft voor dat wordt toegelicht hoe participatie heeft plaatsgevonden. Bij het vaststellen van de omgevingsvisie, het omgevingsplan en programma’s geeft Katwijk invulling aan het reeds vastgestelde Omgevingswet-proof participatiebeleid (Kenmerk: 1888867).

2.6.1 Toezegging onderzoek aanvullende ondersteuning participatie Op 29 april 2021 is tijdens de raadssessie over het Omgevingswet-proof participatiebeleid (1888867) toegezegd tijdens de oefenperiode met de participatiehandleiding en de participatieaanpak te onderzoeken hoe bij participatietrajecten onder de Omgevingswet aanvullende ondersteuning voor inwoners gefaciliteerd kan worden. Hierbij gaat het ook om ondersteuning op het meest basale niveau. Toegezegd is om dit terug te koppelen aan de raad vóór de invoeringsdatum van de Omgevingswet. De komende tijd zal er met de Participatiehandleiding en de Participatie aanpak geoefend worden. Op basis van het oefenen kan overwogen worden in hoeverre aanvullende ondersteuning nog nodig is. Het reflectieteam heeft aangegeven het in ieder geval van belang te vinden dat er in de loop der tijd succesverhalen worden gedeeld. Inmiddels krijgen alle aanvragers per mail de handleiding, aanpak en infographic met het verzoek om voor hun aanvraag, geheel vrijblijvend, participatie toe te passen en daar de documenten bij te gebruiken. Dit heeft tot nu toe niet geleid tot aanpassingen of actieve signalen om advies of ondersteuning. We moeten hier nog actief feedback op vragen.

In het reflectieteam op 30 november is de vraag centraal gesteld wat aanvragers aanvullend op deze documenten nodig zouden kunnen hebben van de gemeente om goed te participeren. Hierbij zijn de volgende resultaten opgehaald. De leden van het reflectieteam vinden de documenten van de gemeente: 1. helder, met een duidelijke opdracht; 2. lang; 3. theoretisch correct en 4. een goed stappenplan. Om de tekst gemakkelijker behapbaar te maken is door het reflectieteam het idee aangedragen om een persona-afhankelijk stroomschema op te stellen, met kernachtige toelichting. Bijvoorbeeld: “Bent u een particulier/bedrijf/ketenpartner? Lees dan paragraaf…” Aanvullend op deze documenten zien de leden van het reflectieteam een ondersteunende rol van de gemeente bij participatie door: 1. in de komende tijd oefenen met participatie; 2. een kort en duidelijk filmpje; 3. een folder; 4. een stappenplan; 5. een Q&A op de gemeentelijke website; 6. een informatieavond; 7. het delen van succesvolle voorbeelden en ervaringen (bijvoorbeeld de participatie door de provincie over de N206); 8. een vraagbaak bij de gemeente (met hoog kennisniveau van participatie); 9. een checklist bij het indienen van een vergunning en 13

10. taalhulp. Hiernaast adviseert het reflectieteam om te helpen door: 1. inzicht te geven hoe het proces binnen de gemeente wordt ingericht; 2. inzicht te geven in de doorlooptijd en de houvast die de initiatiefnemer heeft; 3. het overtuigen van mogelijke participanten om te participeren; 4. vragen te formuleren die gesteld kunnen worden bij deelname aan participatie; 5. duidelijk te maken dat participatie niet hetzelfde is als je zin krijgen en 6. te adviseren bij het vinden van een mediator bij eventuele conflicten, gedacht wordt aan wijkhulp. We hebben de leden van het reflectieteam ook gevraagd naar hun persoonlijke motivatie om te participeren. Daarbij gaven ze de volgende motieven: 1. het daadwerkelijk hebben van een belang; 2. de mogelijkheid om alternatieven aan te dragen; 3. als er oprecht geluisterd wordt; 4. als zij invloed hebben; 5. als zij een plan beter inpasbaar kunnen maken in de omgeving; 6. duidelijkheid over de kwaliteiten en zorgen; 7. als zij vroegtijdig worden betrokken; 8. als duidelijk is waar wel/niet iets van gevonden mag worden; 9. als duidelijk is wat er met de input wordt gedaan en 10. door ingewikkelde te technische onderwerpen niet voor te leggen. Met het reflectieteam is afgesproken de resultaten van het oefenen met bovenstaande terug te koppelen en binnenkort samen met het reflectieteam participatie te oefenen (ook in het DSO).

2.7 Transformatiekosten Vorig jaar is de VNG samen met een aantal gemeenten (waaronder Katwijk) de Werkgroep Transformatiekosten gestart. Zij richtten zich op het vraagstuk: op welke gebieden krijgt de gemeente of uitvoeringsorganisatie te maken met transformatiekosten? Transformatiekosten zijn de kosten die de overgang van de huidige omgevingsrechtssystematiek naar de Omgevingswet met zich meebrengt. De werkgroep heeft verkend waar de behoefte ligt op het vraagstuk: op welke gebieden krijgt de gemeente of uitvoeringsorganisatie te maken met transformatiekosten? Daarbij is een overzicht ontwikkeld van de belangrijkste effecten in de transformatie en de bijbehorende aandachtspunten. Het overzicht wordt op de volgende pagina weergegeven. De onderwerpen komen in de verschillende onderdelen van dit transitieplan terug. In de periode in de aanloop naar en de periode na inwerkingtreding van de Omgevingswet zal hier blijvend aandacht naar uitgaan.

14

15

3. Instructieregels Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten.

3.1 Uitvoering Het Rijk stelt instructieregels op die decentrale bestuursorganen moeten volgen. De instructieregels gaan over het uitvoeren van taken en het gebruiken van instrumenten. De instructieregels van het Rijk staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over de volgende onderwerpen: • het uitvoeren van specifieke taken - ter uitvoering van de kaderrichtlijn mariene strategie (afdeling 3.1) - kwaliteit en beheer van zwemlocaties (afdeling 3.2) - beheer van watersystemen (afdeling 3.3) - ontwerp, bouw en beheer openbare vuilwaterriolen en ontwerp en bouw zuiveringtechnische werken (afdeling 3.4) • het opstellen van programma's - programma's kwaliteit van de buitenlucht (afdeling 4.1) - waterprogramma's (afdeling 4.2) - actieplannen geluid (afdeling 4.3) - beheerplannen Natura 2000-gebieden (afdeling 4.4) - programmatische aanpak stikstof (afdeling 4.5) • het opstellen van omgevingsplannen (hoofdstuk 5) - waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2) - beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3) - beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4) - beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5) - behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) - behoeden van de staat en werking van infrastructuur of

voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7) - bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8) - de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving (afdeling 5.2) • het opstellen van waterschapsverordeningen (hoofdstuk 6) • het opstellen van omgevingsverordeningen (afdeling 7.1) - met het oog op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels van afdeling 5.1 zijn ook van toepassing voor situaties waarin de provincie de toedeling van functies aan locaties regelt in de omgevingsverordening. - met het oog op het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed (afdeling 7.2) - met het oog op natuurbescherming (afdeling 7.3) • over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving (afdeling 7.4) - over beoordelingsregels voor een milieubelastende activiteit (afdeling 7.5) 16

•

het opstellen van een projectbesluit - over het projectbesluit van provincie en waterschap (art. 9.2, lid 1) - over het projectbesluit van het Rijk (art. 9.2, lid 2)

Er zijn ook onderwerpen die de provincie moet regelen in de omgevingsverordening5.

Figuur. Schematische weergave van de instructieregels

In de transitieperiode zal voor het eerst echt met de instructieregels gewerkt worden. De ervaring met instructieregels zal worden opgedaan door learning-by-doing.

3.2 Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag Er hoeven geen specifieke vaardigheden te worden ontwikkeld. Wel moeten de collega’s ervaring opdoen met de geldende instructieregels en waar zij deze kunnen vinden. De werkzaamheden sluiten nauw aan op de huidige werkzaamheden binnen de clusters.

3.3 Noodzakelijke inzet en middelen Er zijn geen bijzondere inzet en middelen voorzien.

5 https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/omgevingsverordening/mogelijke-verplichte-onderdelen/

17

4. Omgevingsvisie De omgevingsvisie is het overkoepelende strategische plan voor de leefomgeving en moet zijn vastgesteld voor 31 december 2024. In de omgevingsvisie legt de gemeente haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. De gemeente stelt één omgevingsvisie voor het hele grondgebied vast. Een omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. De omgevingsvisie is vormvrij: de gemeenteraad bepaalt het detailniveau, de gebieden, de sectoren en de thema's. Ook kan de gemeente met de visie de mate van sturing bepalen; meer regulering of meer deregulering.

4.1 Uitvoering De geactualiseerde Omgevingsvisie Katwijk is op 7 oktober 2021 door de raad vastgesteld. De huidige visie is onder de vigerende Wet ruimtelijke ordening (Wro) op ruimtelijkeplannen.nl gepubliceerd. In het overgangsrecht zal deze IMRO gecodeerde visie automatisch omgezet worden naar de landelijke voorziening die onder de DSO rechtsgeldig is. IMRO is een standaard voor de ruimtelijke ordening waarin de plannen, visies, besluiten e.d. met hun objecten zijn gedefinieerd. Het IMRO is gekoppeld aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In deze standaard zijn een aantal praktijkrichtlijnen gedefinieerd over hoe bestanden moeten worden aangeleverd. Om omgevingsdocumenten te valideren en publiceren, zijn er ook onder de Omgevingswetdag informatiemodellen voor overheidspublicaties ontwikkeld. Zoals de Standaard voor officiële publicaties (STOP) en de bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Op uiterlijk 1 juli 2025 zal de visie volgens de standaard STOP/TPOD gepubliceerd moeten zijn. In de omgevingsvisie staat wat de gemeente wil bereiken. In het uitvoeringsprogramma staat hoe de gemeente dit wil bereiken door concrete acties te benoemen die in een bepaalde periode uitgevoerd kunnen worden. De eerste vaststelling van het definitief Uitvoeringsprogramma valt samen met het vaststellen van de Investeringsagenda in het eerste kwartaal.

De investeringsagenda zal onderdeel worden van de kaderbrief 2023. Onderdeel van de uitvoering van de visie is het stimuleren van het gebruik van de Roos van Katwijk, het beoordelingskader dat mede op verzoek van de Cie MER in de visie is opgenomen. Door het toepassen van de roos zowel extern (bij de aanvraag van een vergunning of initiatief) als intern (aan de intaketafel of bij de Investeringsagenda) zal niet alleen naar de letter maar ook in de geest van de visie gewerkt worden aan de ambities voor Katwijk.

4.2 Participatie en communicatie De actuele Omgevingsvisie Katwijk is middels participatie tot stand gekomen. Er zal worden ingezet op het bevorderen van de bekendheid en het gebruik van die omgevingsvisie. Dit zal intern en extern gebeuren. Speciale aandacht is nodig voor communicatie met de interne doelgroepen die vanuit de omgevingsvisie beleid en uitvoeringsprogramma’s moeten schrijven. En voor de (nieuwe) gemeenteraad en het (nieuwe) college die moeten sturen op de realisatie van de omgevingsvisie op lange termijn. Ook hier zal de Roos van Katwijk benut kunnen worden als toetsingskader en als inspiratiebron.

18

Er wordt een publieksvriendelijke versie van de visie opgesteld. Met het beschikbaar stellen van de publieksvriendelijke versie van de visie wordt bijgedragen aan de participatie en informatieplicht rond de instrumenten uit de Omgevingswet. Deze versie is naar verwachting in het eerste kwartaal van 2022 gereed. De publieksvriendelijke versie zal in het tweede kwartaal van 2022 via het RAKextern beschikbaar worden gesteld. De gemeentelijke website en de webpagina Katwijk-extra over de omgevingsvisie dienen actueel te worden gehouden. Er dient hierop aandacht geschonken te worden aan de omgevingsvisie als wettelijk instrument onder de Omgevingswet. De omgevingsvisie gaat meer leven onder interne en externe doelgroepen als consistent en frequent de relatie wordt gelegd tussen de visie en daaruit voortkomend beleid en uitvoeringsprogramma’s als bewijs dat de omgevingsvisie werkt.

4.3 Monitoring en evaluatie Op basis van voortschrijdend inzicht zal de inhoud van de omgevingsvisie geactualiseerd moeten worden. Hieraan zijn geen wettelijke termijnen gebonden. De Omgevingsvisie wordt bij voorkeur uiterlijk herzien op 1 juli 2025. Dit is de datum waarop de visie volgens de DSO-standaard (STOP/TPOD) moet worden gepubliceerd.

4.4 Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag Het gebruik van de visie en het beoordelingskader dat hierin is uitgewerkt moet worden geborgd in de beleidsontwikkeling. Denk hierbij aan het leren toepassen en eigen maken van het gebruik van het beoordelingskader aan de intake- en omgevingstafel, maar ook aan de investeringsagenda, vastgoednota etc. Dit leren door te doen wordt onverkort voortgezet.

4.5 Sociale kwaliteit We onderzoeken hoe de methode sociale kwaliteit bij kan dragen aan de verdieping van de ambitie ‘sociale gemeente’ en de verschillende doelstellingen. De doelenboom Omgevingswet / Maatschappelijke Agenda zal hiervoor worden uitgewerkt, evenals van het beoordelingskader. Daarnaast verkennen we hoe sociale kwaliteit meegenomen kan worden in de investeringsagenda en andere stukken.

4.6 Noodzakelijke inzet Er is inzet nodig voor het DSO-proof maken en het publiceren volgens de standaard STOP/TPOD van de visie. Voor de doorwerking van sociale kwaliteit is ook inzet nodig. Deze moet nog nader worden bepaald. Zie voor een specificatie bijlage 1. 19

5. Omgevingsplan 5.1 Het omgevingsplan In het omgevingsplan staan de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving. Iedere gemeente heeft één omgevingsplan. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan samen leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij het stellen van regels houdt de gemeente rekening met alle betrokken belangen. De gemeente kan de regels specificeren voor verschillende delen van het grondgebied. Ook kan de gemeente functies of kenmerken van locaties of gebieden aanwijzen. Aan deze aanwijzing kan de gemeente regels koppelen voor het gebruik van die locatie of dat gebied. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstaat door het overgangsrecht een tijdelijk deel van het omgevingsplan, het omgevingsplan van rechtswege. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • De bestaande ruimtelijke plannen • Drie gemeentelijke verordeningen: de Erfgoedverordening met betrekking tot de archeologische monumentenzorg, de Hemelwaterverordening en de Geurverordening • De bruidsschat (rijksregels die worden gedecentraliseerd naar gemeenten) Alle regels moeten op 31 december 2029 zijn opgenomen in het definitieve omgevingsplan. In de overgangsfase moet de gemeente dus alle regels vanuit het tijdelijk omgevingsplan ‘overbrengen’ naar het definitieve plan.

Ook moet de gemeente de regels uit de gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en waarvan zij dat nodig vindt op dat moment hebben toegevoegd. In het kader van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 juli 2022 is in mei 2021 het collegebesluit “Transitiedocument omgevingsplan: strategische en ontwerpkeuzes voor het omgevingsplan” genomen waarmee algemene en noodzakelijke uitgangspunten zijn ingenomen over het opstellen van het omgevingsplan van de gemeente Katwijk (zie voorstel met kenmerk Z13465D13473). De raad heeft besloten: 1. de volgende strategische kaders voor verdere invulling en inrichting van het omgevingsplan vast te stellen: a. het omgevingsplan zal zoveel als mogelijk globaal worden opgesteld, dit gebeurt met inachtneming van de gebiedstypering; b. het omgevingsplan zal in beginsel gebiedsgericht worden omgezet naar het volwaardige omgevingsplan; c. de indeling van de gebieden zal plaatsvinden aan de hand van gebiedstyperingen/samenhangende gebieden en wordt gefaseerd opgepakt; d. het omgevingsplan zal met inachtneming van de gebiedstypering gericht zijn op uitnodigingsplanologie; 2. de volgende ontwerpkaders voor verdere invulling en inrichting van het omgevingsplan vast te stellen: a.

bij het gebiedsgericht opstellen van het omgevingsplan zullen regels uit verordeningen stapsgewijs worden overgezet, dit betekent dat er geen afzonderlijke Verordening Fysieke Leefomgeving wordt opgesteld; b. de opbouw van het omgevingsplan zal vanuit activiteiten plaatsvinden, gedurende de ontwikkeling van het omgevingsplan zal de lijst met activiteiten steeds verder worden ontwikkeld en opgebouwd; 20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10973074/1