14. Bijlage 1. Bestemmingsplan Fietspad Waterlelie - Dorpsweide - toelichting (2775359)
Tekst van het document
Tabel 3.1 Emissies ten gevolge van de inzet van de mobiele werktuigen Bron
Omschrijving
Inzet (uren)
NO 2 emissie (kg/s)
PM10 emissie (kg/s)
PM2,5 emissie (kg/s)
01
heistelling
16
0,00017
0,0000030
0,0000030
02
rupskraan
80
,00011
0,0000023
0,0000023
03
graafmachine
40
0,00008
0,0000004
0,0000004
Ten behoeve van de uitvoerfase vinden in totaal 80 voertuigbewegingen plaats voor de aan - en afvoer van gronden. Deze transportbewegingen lopen vanaf de provinciale weg N206 naar de projectlocatie en vice versa. Het aantal voertuigen en transportbewegingen is eerder toegelicht in de stikstofdepositieberekening en is overgenomen bij het berekenen van de luchtkwaliteit. Tabel 3.2 geeft het overzicht weer van de emissies ten gevolge van de inzet van de vrachtwagens. Er is uitgegaan van een projectduur van 4 weken. Met 80 vrachtwagenbewegingen in totaal is er sprake van 0,31 vrachtwagen per werkdag. Er is een stagnatiefactor van 5 % aangehouden en een gemiddelde snelheid van 30 kilometer per uur. De vrachtwagens begeven zich namelijk door de bebouwde kom.
Tabel 3.2 Overzicht transportbewegingen zware motorvoertuigen Bron
Omschrijving
Etmaalintensiteit
M01
vrachtwagens
0,31
3.3
Rekenmodel
Om de emissiebijdrage van de uitvoerfase van het Botenpad aan de jaargemiddelde concentraties NO 2 en PM10 te bepalen zijn modelberekeningen uitgevoerd met het rekenprogramma GeoMilieu STACKS, v4.50. In het rekenmodel zijn de toetspunten waarop de concentraties zijn berekend gekozen aan de hand van het toepasbaarheidsbeginsel en het blootstellingscriterium. In bijlage II tot en met III zijn de modelgegevens gedetailleerd weergegeven. 1
TNO Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet (EMMA).
2
TNO Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet (EMMA) .
4|5
Witteveen+Bos | 112421/21-000.582 | Definitief 03
Als zichtjaar is 2020 gehanteerd: dit is het maatgevende zichtjaar aangezien in latere jaren de voertuigemissies afnemen door de inzet van schonere voertuigen.
4
RESULTATEN EN CONCLUSIE
In de onderstaande tabel 4.1 staan de resultaten van de verspreidingsberekening op de maatgevende toetspunten samengevat weergeven.
Tabel 4.1 Resultaten berekening uitvoerfase langzaam verkeerroute Stof
Grenswaarde (µg/m3)
Totale concentratie (µg/m3) max*
Achtergrond concentratie (µg/m3) max*
Bijdrage project (µg/m3) max*
Aantal overschrijdingen etmaal-, jaar- of uurgemiddelde grenswaarde
NO 2
40
17,77
16,80
0,97
0 > uur-norm [-]
PM10
40
19,34
19,29
0,05
7 > 24u-norm [-]
PM2,5
25
11,37
11,33
0,05
niet van toepassing
*
De resultaten zijn hier weergegeven als maximale waarde van alle relevante rekenpunten.
De maximale bijdrage op de relevante toetspunten bedraagt 0,97 μg/m3 voor NO2, 0,05 μg/m3 voor PM10 en 0,05 μg/m3 voor PM2,5. Een volledig overzicht van de resultaten is opgenomen in bijlage III. Uit bovenstaande resultaten blijkt dat in de realisatiefase de NO2-, PM10, en PM2,5 concentraties ruim onder de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer blijven. Het project draagt in niet betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit indien materieel ingezet wordt dat tenminste past binnen de emissie-eisen van STAGE IIIB of hoger. Het gehele project is hiermee niet strijdig met de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
5|5
Witteveen+Bos | 112421/21-000.582 | Definitief 03
I BIJLAGE: GEGEVENS EMISSIEBEREKENINGEN STOF
Tabel I.1 Inzet van mobiele werktuigen en bijbehorende stofemissies (PM10 en PM2,5) Type werktuig
Vermogen (kW)
Inzet (uur/jaar)
Belasting (%)
Emissiefactor (g/kWh)
TAFfactor
Emissie (kg PM/jaar)
heistelling
320
16
80
0,02
1,97
0,16
hijskraan
260
80
80
0,02
1,97
0,66
graafmachine
105
40
80
0,02
0,89
0,06
totaal
0,88
Witteveen+Bos | 112421/21-000.582 | Bijlage I | Definitief 03
II BIJLAGE: EMISSIEBEREKENINGEN NOX
Witteveen+Bos | 112421/21-000.582 | Bijlage II | Definitief 03
projectcode
112421
datum opmaak
3 december 2020
titel
Emissieberekeningen Langzaam Verkeerroute
Aandeel Vermogen Omschrijving materieel
(kW)
Draaiuren Inzet totaal (uur) (#)
Belasting (%)
stationair
emissiefactor Uur stationair Cilinderi belast
STAGE-klasse draaien (%) draaien (uur)
nhoud (l) (g/kWh)
emissiefactor
NH3
emissiefactor
NOx
NH3
stationair
emissiefactor
stationair
emissie
emissie
(g/kWh)
belast (g/kWh) (g/kWh)
NOx emissie
(kg/jaar) (kg/jaar) (kg/sec)
STAGE III B Heistelling (dieselblok)
320
16
11
80%
STAGE IIIB
30
5
16
3
14,2
0,00278717
0,0033
9,69216 0,008245 0,000168267
Rupskraan
260
80
56
80%
STAGE IIIB
30
24
13
3
14,2
0,00278717
0,0033
39,3744 0,033495 0,000136717
Atlaskraan
105
40
28
80%
STAGE IIIB
30
12
5,25
4,4
14,2
0,00252556
0,0033
11,2434 0,006148 7,80792E-05 60,31
0,04789 0,000383063
STAGE IV Heistelling (dieselblok)
320
16
11
80%
STAGE IV
30
5
16
1
10
0,00276061
0,003142
3,6352 0,008157 6,31111E-05
Rupskraan
260
80
56
80%
STAGE IV
30
24
13
1
10
0,00276061
0,003142
14,768 0,033136 5,12778E-05
Atlaskraan
105
40
28
80%
STAGE IV
30
12
5,25
0,8
10
0,00250544
0,003142
2,5116 0,006091 1,74417E-05 20,9148
1|1
Witteveen+Bos | 112421 | 3 december 2020
0,04738 0,000131831
III BIJLAGE: INVOERGEGEVENS GEOMILIEU
Witteveen+Bos | 112421/21-000.582 | Bijlage III | Definitief 03
Witteveen+Bos Luchtkwaliteitsonderzoek langzaam verkeerroute Model: Groep:
Naam MB_01 MB_02 MB_03
Bijlage - modelgegevens Lijst met oppervlaktebronnen
eerste model (hoofdgroep) Lijst van Oppervlaktebronnen, voor rekenmethode Luchtkwaliteit - STACKS Omschr. Heistelling Hijskranen Graafmachine
Geomilieu V4.50
Vorm Rechthoek Rechthoek Rechthoek
X-1 90321,34 90321,75 90322,31
Y-1 466088,26 466087,99 466088,75
Rel.H 2,00 2,00 2,00
Emis NOx 0,00016827 0,00010841 0,00007808
Emis PM10 0,00000300 0,00000230 0,00000040
Emis PM2.5 0,00000300 0,00000230 0,00000040
%NO2 5,00 5,00 5,00
Bedr. uren 16,00 80,00 40,00
Min.lengte 15,15 15,15 15,15
Max.lengte 91,79 91,79 91,79
Hoogte 2,00 2,00 2,00
22-12-2020 14:59:29
Witteveen+Bos Luchtkwaliteitsonderzoek langzaam verkeerroute Model: Groep:
eerste model (hoofdgroep) Lijst van Oppervlaktebronnen, voor rekenmethode Luchtkwaliteit - STACKS
Naam MB_01 MB_02 MB_03
Vormpunten 4 4 4
Geomilieu V4.50
Omtrek 213,87 213,87 213,87
Bijlage - modelgegevens Lijst met oppervlaktebronnen
Oppervlak 1390,17 1390,17 1390,17
22-12-2020 14:59:29
Witteveen+Bos Luchtkwaliteitsonderzoek langzaam verkeerroute Model: Groep:
Naam MB_01
Bijlage - modelgegevens Lijst met wegen
eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Luchtkwaliteit - STACKS Omschr. Vrachtwagenbewegingen
Geomilieu V4.50
Type Verdeling
Wegtype Normaal
V 30
Breedte 7,00
Vent.F 0,00
Hscherm. 0,00
Int.diam. 1,00
Ext.diam. 1,10
Flux 0,100
Gas temp 285,0
Warmte 0,000
Hweg 0,00
Totaal aantal 0,31
%Int(D) 8,33
%Int(A) --
%Int(N) --
22-12-2020 15:17:39
Witteveen+Bos Luchtkwaliteitsonderzoek langzaam verkeerroute Model: Groep:
Bijlage - modelgegevens Lijst met toetspunten
eerste model (hoofdgroep) Lijst van Toetspunten, voor rekenmethode Luchtkwaliteit - STACKS
Naam TP_01 TP_02 TP_03 TP_04 TP_06
Omschr. Korenbloemlaan 4 Dorpsweide 20 Botenpad 31 Botenpad 33 Botenpad 29
TP_07 TP_05
Waterlelie 12 Botenpad 34
Geomilieu V4.50
ItemID 6 7 9 10 14
Vorm Punt Punt Punt Punt Punt
X 90197,91 90300,22 90256,52 90277,50 90246,49
Y 466094,83 466060,93 466113,93 466102,55 466104,74
15 16
Punt Punt
90222,73 90284,20
466117,14 466079,83
22-12-2020 14:56:56
IV BIJLAGE: RESULTATEN VERSPREIDINGSBEREKENING
Witteveen+Bos | 112421/21-000.582 | Bijlage IV | Definitief 03
Witteveen+Bos Luchtkwaliteitsonderzoek langzaam verkeerroute
Bijlage - resultaten NO2
Rapport: Model: Resultaten voor model: Stof: Referentiejaar:
Resultatentabel eerste model eerste model NO2 - Stikstofdioxide 2020
Naam TP_01 TP_02 TP_03 TP_04 TP_06
Omschrijving Korenbloemlaan 4 Dorpsweide 20 Botenpad 31 Botenpad 33 Botenpad 29
X coördinaat 90197,91 90300,22 90256,52 90277,50 90246,49
Y coördinaat 466094,83 466060,93 466113,93 466102,55 466104,74
NO2 Concentratie [µg/m³] 16,84 16,94 17,18 17,77 17,77
NO2 Achtergrond [µg/m³] 16,80 16,80 16,80 16,80 16,80
NO2 Bronbijdrage [µg/m³] 0,04 0,15 0,38 0,97 0,97
NO2 # Overschrijdingen uur limiet [-] 0 0 0 0 0
TP_07 TP_05
Waterlelie 12 Botenpad 34
90222,73 90284,20
466117,14 466079,83
16,90 17,28
16,80 16,80
0,11 0,49
0 0
Geomilieu V4.50
22-12-2020 15:18:29
Witteveen+Bos Luchtkwaliteitsonderzoek langzaam verkeerroute
Bijlage - resultaten PM10
Rapport: Model: Resultaten voor model: Stof: Zeezoutcorrectie: Referentiejaar:
Resultatentabel eerste model eerste model PM10 - Fijnstof Nee 2020
Naam TP_01 TP_02 TP_03 TP_04 TP_06
Omschrijving Korenbloemlaan 4 Dorpsweide 20 Botenpad 31 Botenpad 33 Botenpad 29
X coördinaat 90197,91 90300,22 90256,52 90277,50 90246,49
Y coördinaat 466094,83 466060,93 466113,93 466102,55 466104,74
PM10 Concentratie [µg/m³] 19,29 19,30 19,31 19,34 19,34
PM10 Achtergrond [µg/m³] 19,29 19,29 19,29 19,29 19,29
PM10 Bronbijdrage [µg/m³] 0,00 0,01 0,02 0,05 0,05
PM10 # Overschrijdingen 24 uur limiet [-] 7 7 7 7 7
TP_07 TP_05
Waterlelie 12 Botenpad 34
90222,73 90284,20
466117,14 466079,83
19,29 19,32
19,28 19,29
0,01 0,03
7 7
Geomilieu V4.50
22-12-2020 15:18:51
Witteveen+Bos Luchtkwaliteitsonderzoek langzaam verkeerroute
Bijlage - resultaten PM2.5
Rapport: Model: Resultaten voor model: Stof: Referentiejaar:
Resultatentabel eerste model eerste model PM2.5 - Zeer fijnstof 2020
Naam TP_01 TP_02 TP_03 TP_04 TP_06
Omschrijving Korenbloemlaan 4 Dorpsweide 20 Botenpad 31 Botenpad 33 Botenpad 29
X coördinaat 90197,91 90300,22 90256,52 90277,50 90246,49
Y coördinaat 466094,83 466060,93 466113,93 466102,55 466104,74
PM2.5 Concentratie [µg/m³] 11,33 11,33 11,35 11,37 11,37
PM2.5 Achtergrond [µg/m³] 11,33 11,33 11,33 11,33 11,33
PM2.5 Bronbijdrage [µg/m³] 0,00 0,01 0,02 0,05 0,05
TP_07 TP_05
Waterlelie 12 Botenpad 34
90222,73 90284,20
466117,14 466079,83
11,33 11,35
11,33 11,33
0,01 0,03
Geomilieu V4.50
22-12-2020 15:19:05
IV BIJLAGE: ECOLOGISCHE QUICKSCAN
Witteveen+Bos | 124688/21-019.129 | Bijlage IV | Definitief 04
Langzaam verkeerroute Botenpad Ecologische quickscan
Gemeente Katwijk 23 juli 2019
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Langzaam verkeerroute Botenpad Gemeente Katwijk
Ecologische quickscan Definitief 23 juli 2019 112421/19-012.230
112421 ir. D.J. Biron ing. M.T. Marshall MTech
mevrouw ir. J. Aernouts ir. W.B. Roosen ir. D.J. Biron
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel
5
1.3
Leeswijzer
5
2
PLANGEBIED & GEPLANDE WERKZAAMHEDEN
6
2.1
Plangebied
6
2.2
Geplande werkzaamheden
6
3
TOETSINGSKADER
7
3.1
Wnb
7
3.1.1 3.1.2
Gebiedsbescherming Soortenbescherming
7 7
3.2
NNN
9
3.3
Houtopstanden
10
4
GEBIEDSBESCHERMING
11
4.1
Natura 2000 (Wnb)
11
4.1.1 4.1.2
11 13
4.2
Gegevens Effecten & conclusies
NNN 4.2.1 4.2.2
13 Gegevens Effecten & conclusie
13 14
5
SOORTENBESCHERMING
15
5.1
Methode
15
5.2
Resultaten per soortgroep
15
5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4
15 18 19 24
Flora Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels
5.2.5 5.2.6 5.2.7
Amfibieën en reptielen Vissen Vlinders, libellen en andere ongewervelden
26 29 30
6
BOMENINVENTARISATIE
33
7
CONCLUSIE
35
7.1
Effecten op beschermde gebieden
35
7.1.1 7.1.2
Natura 2000 NNN
35 35
7.2
Effecten op beschermde soorten
35
7.3
Conclusie
38
8
LITERATUUR
39
Laatste pagina
39
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide
3
II
Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Coepelduynen
2
III
Instandhoudingsdoestellingen Natura 2000-gebied Kennemerland-zuid
3
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
In de gemeente Katwijk is een nieuwe doorgaande fiets- en wandelroute ontwikkeld langs de Oude Rijn. In deze langzaam verkeersverbinding ontbreekt echter een belangrijke schakel, ter hoogte van het Botenpad. Het gaat om een verbindingsweg ter hoogte van het Botenpad, over de twee ‘haarvaten’ en smalle waterringen, haaks op de Oude Rijn. Om deze verbinding te realiseren is een nieuw bestemmingsplan nodig. In het kader van dit bestemmingsplan, zijn verschillende conditionerende onderzoeken nodig. Eén van deze onderzoeken betreft een ecologische quickscan. Deze quickscan is uitgewerkt in onderliggende rapportage.
1.2
Doel
Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden hebben op: · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb); · beschermde soorten in het kader van de Wnb; · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen).
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 3 beschrijft het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving. Hoofdstuk 4 en 5 betreffen de effectenbeoordeling voor gebiedsbescherming (hoofdstuk 4) en soortenbescherming (hoofdstuk 5). Hierin wordt nagegaan welke beschermde natuurwaarden in en nabij het plangebied aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen hierop zijn. Hoofdstuk 6 betreft een overzicht van de belangrijkste conclusies uit deze ecologische quickscan. In hoofdstuk 7 is ten slotte de geraadpleegde literatuur weergegeven.
5 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
2 PLANGEBIED & GEPLANDE WERKZAAMHEDEN 2.1
Plangebied
Het plangebied is gelegen aan de zuidkant van de Rijn, ter hoogte van het Botenpad 31 en 33 te Katwijk (afbeelding 2.1). Het gebied strekt zich uit over een oppervlak van circa 0,06 hectare en loopt over verschillende kadastrale percelen. Er is één schuur aanwezig in het plangebied dat gesloopt wordt. In de privétuinen binnen het plangebied bestaat het aanwezige groen uit enkele hoogstammige bomen (eik, prunus, vogelkers, lariks en berk) en uitheemse struiken. Het gebied omvat tevens twee waterlopen, de hiervoor genoemde ‘haarvaten’. De oevers van deze haarvaten zijn voorzien van een houten beschoeiing. In het water voor de houten beschoeiing zijn alleen enkele exemplaren van waterlelie aanwezig.
Afbeelding 2.1 Ligging van het plangebied
2.2
Geplande werkzaamheden
De gemeente Katwijk is voornemens een langzaam verkeersverbinding ter hoogte van het Botenpad te realiseren. De werkzaamheden omvatten het kappen van acht bomen, het slopen van een stenen schuur en het aanleggen van twee bruggen en een verbindingsweg. Een start- en einddatum voor deze werkzaamheden is nog niet vastgelegd. De werkzaamheden nemen naar verwachting een aantal weken in beslag.
6 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
3 TOETSINGSKADER 3.1
Wnb
3.1.1
Gebiedsbescherming
In hoofdstuk 2 van de Wnb zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen (IHD), verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wnb vergunningplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een ‘passende beoordeling’ te worden uitgevoerd. Kunnen dergelijke significante effecten wel worden uitgesloten, maar kan er wel enige verslechtering plaatsvinden, dan is een verslechteringtoets vereist.
In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q. de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt. Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de IHD die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. IHD betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de IHD en of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden.
3.1.2
Soortenbescherming
Onder de Wnb bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en ‘andere soorten’ (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht. Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied.
7 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wnb. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen.
Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wnb zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld: steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil).
Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern. Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wnb worden aangevraagd. ‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘andere soorten’ heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wnb. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden.
8 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of - te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wnb is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het Ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wnb nodig. Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wnb is de zorgplicht beschreven: ’Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Een ieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd.
3.2
NNN
Het plangebied ligt in de provincie Zuid-Holland. Het Provinciale NNN-beleid is uitgezet in de Visie Ruimte en Mobiliteit en verder uitgewerkt in het Programma Ruimte. In de Verordening Ruimte 2014 is de nadere regelgeving omtrent de NNN opgesteld. Hierin wordt verder verwezen naar het Natuurbeheerplan en de Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland 2013 (hierna Beleidsregel Compensatie), waarin bepalingen met betrekking tot het beheer en de compensatie bij aantasting van de NNN zijn opgenomen. Verordening Ruimte 2014 In de provincie Zuid-Holland kent de bescherming van het NNN geen externe werking. In artikel 2.3.4 van de Verordening Ruimte 2014 is wel vastgesteld dat geen bestemmingen in gebieden aangeduid als NNN of als strategische reservering natuur mogelijk zijn als deze de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit en/of samenhang.
Indien dat wel gebeurt, moet er compensatie plaatsvinden, waaraan de volgende voorwaarden zijn verbonden: 1 de compensatie leidt niet tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; 2 de compensatie vindt plaats: 1 aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat; 2 door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied als fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het gebied niet mogelijk is; of 3 op financiële wijze als zowel fysieke compensatie als compensatie door kwalitatief gelijkwaardige aarden op korte termijn redelijkerwijs niet mogelijk is. In artikel 3.2 zijn de ontheffingsbepalingen gegeven, waarin als voorwaarden aan een ontheffing bij bestemmingen in NNN-gebied of in gebieden aangewezen als Belangrijk weidevogelgebied in aanvulling op artikel 2.3.4 is gesteld dat, er geen reële alternatieve mogelijk zijn en dat de aangetaste waarden gecompenseerd worden.
9 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
Nee, tenzij-regime Het Nee, tenzij-regime is van toepassing op ingrepen in de NNN ‘op het land’, in de belangrijke weidevogelgebieden, in de recreatiegebieden in de Zuidvleugel en in de gebieden in de strategische reservering natuur. Dat wil zeggen dat er in deze gebieden geen nieuwe (ruimtelijke en niet-ruimtelijke) ontwikkelingen zijn toegestaan die de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant aantasten, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële andere mogelijkheden voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resteren schade gecompenseerd worden. In principe zijn alle plannen of projecten die ertoe leiden dat delen van de NNN, Belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden in de Zuidvleugel en gebieden in de strategische reservering natuur een andere bestemming moeten krijgen, en daardoor in oppervlakte afnemen, als significant aan te merken.
3.3
Houtopstanden
Volgens de APV (Algemene Plaatselijke Verordening) gemeente Katwijk (2011) is het verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen. Voor het kappen van een houtopstand is een omgevingsvergunning nodig, tenzij de te kappen boom een diameter van 30 cm of kleiner heeft op borsthoogte. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften, beschreven in het bomenbeleidsplan gemeente Katwijk (2011).
10 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
4 GEBIEDSBESCHERMING 4.1
Natura 2000 (Wnb)
4.1.1
Gegevens
Op een afstand van circa 1,8 km ten westen van het plangebied, bevindt zich het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’ (afbeelding 4.1). Dit gebied werd in 2013 definitief aangewezen als Habitatrichtlijngebied van het Natura 2000-netwerk in Nederland [lit. 1]. Meijendel en Berkheide bestaat uit een brede duinstrook met een gevarieerd en uitgestrekt, kalkrijk duinlandschap, dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. Het zuidelijke deelgebied Meijendel is een relatief laag gelegen gebied met grote 'uitgestoven duinvlakten'. Het noordelijke deelgebied Berkheide is gevormd door overstuiving van oude duinen, waardoor het een relatief hooggelegen duinmassief is. Het landschap heeft een kenmerkende opbouw van evenwijdige duinenrijen met opeenvolgende hoge paraboolduinen en moerassige laagten met struweel, waarin grote valleien liggen zoals Kijfhoek, Bierlap en de vallei Meijendel. In Berkheide is, met name in de buurt van Katwijk, een groot areaal goed ontwikkeld kalkrijk duingrasland aanwezig, ontstaan door het eeuwenlange menselijke gebruik van het zogenaamde zeedorpenlandschap. Het gebied is aangewezen voor twee habitatrichtlijnsoorten, nauwe korfslak en meervleermuis en voor vijf habitattypen waaronder vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (H2130).
Een volledig overzicht van deze typen en soorten en de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen (IHD) is opgenomen in bijlage l. Op een afstand van circa 4 km ten noordwesten van het plangebied, bevindt zich het Natura 2000-gebied ‘Coepelduynen’ (afbeelding 4.1). Dit gebied werd in 2010 definitief aangewezen als Habitatrichtlijngebied van het Natura 2000-netwerk in Nederland [lit. 1]. De Coepelduynen omvatten de smalle strook kustduinen tussen Katwijk en Noordwijk. Het gebied behoort tot de kalkrijke jonge duinen. Er is geen duidelijke binnenduinrand aanwezig, waardoor de overgang naar het polderlandschap vrij abrupt is. Delen zijn in het verleden door de mens beïnvloed en gebruikt voor het drogen van netten, het weiden van vee en als duinakkers. Hierdoor is een specifiek open duinlandschap ontstaan met een afwisseling van duingraslanden, struwelen en bos waarin waardevolle flora en fauna voorkomt. Er komen op grote schaal goed ontwikkelde, kalkrijke duingraslanden voor die kenmerkend zijn voor het zeedorpenlandschap, met daarin veel zeldzame plantensoorten. Het gebied is aangewezen voor vier habitattypen waaronder vochtige duinvalleien (H2190). Een volledig overzicht van deze typen en de bijhorende instandhoudingsdoestellingen (IHD) is opgenomen in bijlage ll.
Op een afstand van 8 km ten noorden van het plangebied, bevindt zich het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’(afbeelding 4.1). Dit gebied werd in mei 2013 definitief aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HR) van het Natura 2000-netwerk [lit. 1]. Het gebied ‘Kennemerland-Zuid’ is een uitgestrekt duingebied aan de zuidkant van het Noordzeekanaal. Het is een reliëfrijk en landschappelijk afwisselend gebied, dat grotendeels bestaat uit kalkrijke duinen. De overgang tussen de kalkrijke jonge duinen en ontkalkte oude duinen levert een soortenrijke en kenmerkende begroeiing op, met duinroosvegetaties in het open duin, duingraslanden, vochtige en droge duinvalleien, plasjes, goed ontwikkelde struwelen en diverse vormen van duinbossen. Het Kennemerstrand is de enige locatie langs de Hollandse vastelandsduinen waar een jonge strandvlakte met embryonale duinen en een uitgestrekte oppervlakte met kalkrijke duinvalleien aanwezig is. Het gebied is aangewezen voor drie habitatrichtlijnsoorten, nauwe korfslak, meervleermuis en groenknolorchis, en voor acht habitattypen
11 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
waaronder vochtige duinvalleien [lit. 1]. Een volledig overzicht van deze typen en soorten en de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen (IHD) is opgenomen in bijlage Ill.
Afbeelding 4.1 Ligging van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied [lit. 2]
Overige Natura 2000-gebieden bevinden zich op een afstand van meer dan 10 km vanaf het plangebied. Door de afstand en de tussenliggende barrières (uitgestrekte agrarische gebieden, grote autowegen, et cetera) zijn negatieve effecten op deze gebieden als gevolg van geplande werkzaamheden bij voorbaat uit te sluiten. In onderliggende paragrafen wordt daarom enkel ingegaan op de effecten van het voornemen op de Natura 2000-gebieden ‘Meijendel & Berkheide’, ‘Coepelduynen’ en ‘Kennemerland-Zuid’. Alle drie de Natura 2000-gebieden bevatten habitattypen die stikstofgevoelig zijn. Het gaat om grijze duinen kalkrijk en kalkarm (H2130), duinbossen (H2180), vochtige duinvalleien (H2190), witte duinen (H2120), duinstruwelen (H2160), embroyale duinen (H2110), duinheide met struikhei (H2150) en kruipwilgstruweel (H2170). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen (kalkrijke grijze duinen H2130) is gelegen op een afstand van 1,8 km westen van het plangebied.
12 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
4.1.2
Effecten & conclusies
Op een afstand van circa 1,8 km ten westen van het plangebied bevindt zich het Habitatrichtlijngebied ‘Meijendel & Berkheide’. Verder naar het noordwesten, vanaf 4 km van het plangebied bevindt zich het Habitatrichtlijngebied ‘Coepelduynen’. Ten slotte, op een afstand van circa 8 km ten noorden van het plangebied bevindt zich het Habitatrichtlijngebied ‘Kennemerland-Zuid’. Gezien de nabijheid van deze beschermde gebieden, is mogelijke sprake van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden als gevolg van het voornemen. Aanlegfase Directe effecten De werkzaamheden voor de aanleg van de twee bruggen en de verbindingsweg en het kappen van 8 bomen vinden plaats buiten de contouren van de Natura 2000-gebieden. Hierdoor zijn directe effecten zoals oppervlakteverlies binnen het Natura 2000-gebied uitgesloten. Ook een verstoring van de aangewezen habitatsoorten kan worden uitgesloten. Verstoring door bijvoorbeeld trillingen in de aanlegfase treedt zeer lokaal op. Doorgaans reikt dit effect enkele tientallen meters (tot circa 50 m) van de trillingsbron en neemt dit vervolgens zeer snel af zodat effecten op enkele honderden meters van de bron nagenoeg niet meer voelbaar zijn. Gezien de afstand tussen het geschikt leefgebied en het plangebied is van een significante verstoring van de aangewezen soorten dan ook geen sprake.
Een overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van soorten met een IHD als gevolg van directe effecten is niet aan de orde. Externe werking Negatieve effecten als gevolg van extra stikstofdepositie door het voornemen kan echter niet worden uitgesloten. Door de huidige (juli 2019) onduidelijkheden omtrent de aanpak van de stikstofdeposite als gevolg van het vervallen van de PAS, kan momenteel niet worden uitgesloten dat het voornemen extra stikstofdepositie in beide Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Geadviseerd wordt een berekening van de extra stikstofdepositie in de beide gebieden als gevolg van het voornemen uit te voeren en op basis daarvan te bepalen of negatieve effecten van stikstofdepositie in beide gebieden optreden. Gebruiksfase Het voornemen betreft de aanleg van een langzaam verkeersroute voor voetgangers en fietsers. De verbinding veroorzaakt dus geen bijkomende stikstofdepositie in de gebruiksfase. De verbinding wordt in de gebruiksfase verlicht. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide is echter 1,8 km van het plangebied verwijderd waardoor negatieve effecten als gevolg van lichtverstoring binnen het gebied uitgesloten zijn.
4.2
NNN
4.2.1
Gegevens
In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende gebieden behorende tot het NNN-netwerk van de provincie Zuid-Holland (afbeelding 4.2). De contouren van de NNN-gebieden komen hier grotendeels overeen met deze van het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’. Ten oosten van het plangebied bevinden zich enkele bestaande en nieuwe natuur NNN-gebieden. Het plangebied zelf valt daarmee buiten de contouren van het NNN-netwerk.
13 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
Afbeelding 4.2 Ligging NNN-netwerk provincie Zuid-Holland in de omgeving van het plangebied
In de nabijheid van het plangebied bevinden zich gebieden van het NNN-netwerk waar onder meer de natuurbeheertypen open duin (N08.02), duinbos (N15.01), kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) en zoete plas (N04.02) aanwezig zijn.
4.2.2
Effecten & conclusie
Het plangebied valt buiten de contouren van dit NNN-netwerk. In de provincie Zuid-Holland kent de bescherming van het NNN geen externe werking. Doordat de ingreep niet plaatsvindt binnen gebieden die behoren tot het NNN, is een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hier uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet nodig.
14 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
5 SOORTENBESCHERMING 5.1
Methode
Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestond uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 3]. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor was, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Ter verificatie van en als aanvulling op de bureaustudie is door een ecoloog van Witteveen+Bos een veldbezoek uitgevoerd op 4 juli 2019. Soortgerichte inventarisaties en tellingen van afzonderlijke dier- en plantensoorten waren geen onderdeel van het veldbezoek; wel zijn toevallige waarnemingen van soorten of verblijfplaatsen genoteerd. Daarnaast is een habitatscan uitgevoerd. De inventarisatie is niet vlakdekkend en slechts indicatief, maar is voor deze fase voldoende gedetailleerd. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek voor nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringsgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb.
5.2
Resultaten per soortgroep
5.2.1
Flora
Bureaustudie Op basis van de NDFF-database [lit. 3] is in de afgelopen vijf jaar in de nabijheid van het plangebied één waarneming bekend van een onder de Wnb beschermde florasoort. Het gaat om het kluwenklokje. Deze soort werd waargenomen op begraafplaats Rhijnhof, op een afstand van circa 1,9 km ten zuidoosten van het plangebied (afbeelding 5.1). Overige onder de Wnb beschermde flora soorten werden niet waargenomen. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn dan ook zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren.
15 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
Afbeelding 5.1 Waarnemingen van beschermde flora in de nabijheid van het plangebied [lit. 3]1
De biotoopeisen van het kluwenklokje zijn in onderstaand kader beschreven [lit. 4]. Kluwenklokje Kluwenklokje komt oorspronkelijk in Nederland in het wild voor langs de rivieren. Het kluwenklokje wenst een zonnige, soms licht beschaduwde plaatsen op matig droge tot vaak vochtige, matig voedselrijke, kalkhoudende en humushoudende grond (lemig zand, leem, zavel, mergel en stenige plaatsen). De soort komt voor in bermen, (kalk)grasland, iets ruderale plaatsen, rivierdijken, zandige ruggen in uiterwaarden, bosranden, struwelen en soms in lichte bossen. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen waarnemingen gedaan van onder de Wnb beschermde florasoorten. Binnen het projectgebied is geen geschikt biotoop aanwezig voor het kluwenklokje. De aanwezige vegetatie bestaat voornamelijk uit goed onderhouden tuinen met verschillende algemeen voorkomende uitheemse bomen, struiken en sierplanten (afbeelding 5.2).
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
16 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
De oevervegetatie is tevens beperkt. Een groot deel van de oevers is voorzien vaneen houten oeverbecherming en/of wordt afgeschermd door woonboten. Verder betreft de vegetatie voornamelijk soorten van voedselrijke, vochtige bermen zoals gewoon speenkruid, scherpe boterbloem, madeliefje en grote brandnetel (afbeelding 5.2).
Afbeelding 5.2 Tuin ter hoogte van Botenpad 33 (boven) en woonhuizen aan de oevers van de haarvaten (onder)
Effecten en conclusies Het voorkomen van beschermde flora in en rond het plangebied is al gevolg van de afwezigheid van geschikt biotoop binnen het plangebied uit te sluiten. Hierdoor zijn negatieve effecten op beschermde plantensoorten uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.
17 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
5.2.2
Grondgebonden zoogdieren
Bureaustudie Op basis van de NDFF-database [lit. 3] zijn in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten. Het betreft soorten als bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, ree, vos, wezel en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten. Voor het verstoren van deze bijlage A-soorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling bij ruimtelijk ingrepen. Wat betreft niet-vrijgestelde soorten zijn in de nabijheid van het plangebied waarnemingen bekend van eekhoorn en de Habitatrichtlijnsoort otter. De eekhoorn werd verschillende keren waargenomen in een bosgebied nabij de Geverstraat, ten oosten van het plangebied op een afstand van 1,6 km. Van otter, ten slotte, zijn drie waarnemingen bekend uit 2014. Telkens gaat het over een dood exemplaar. De waarnemingen concentreren zich rond Royal FloraHolland Rijnsburg, ten noordoosten van het plangebied (afbeelding 5.3).
Afbeelding 5.3 Waarnemingen van (niet-vrijgestelde) grondgebonden zoogdiersoorten in de nabijheid van het plangebied [lit. 3]1
De biotoopeisen van de relevante soorten zijn in onderstaand kader beschreven [lit. 5]. Eekhoorn Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40 tot 80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is.
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
18 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
Otter De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Maar ook in kustzones, rotskusten en estuaria. Ze leven in schoon en zoet water, waar voldoende voedsel, dekking en rust is. In brakke en zoute wateren (in Europa) komen ze alleen voor als er zoet water in de omgeving is, omdat ze dat nodig hebben voor het schoonhouden van hun pels en als drinkwater. Veldbezoek De beperkt begroeide oevers, de bomen en de verspreide struikvegetaties die in het plangebied aanwezig zijn, bieden een geschikt leefgebied aan verschillende algemeen voorkomende zoogdiersoorten zoals egel, konijn, haas en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten. Het voorkomen van deze soorten is hier dan ook aannemelijk. Het opgaand groen in het plangebied is te klein en te geïsoleerd gelegen om dienst te kunnen doen als leefgebied voor eekhoorn. Het voorkomen van eekhoorn binnen de grenzen van het plangebied is zodoende uitgesloten. Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig voor de otter. De ideale leefomgeving van de otter bestaat uit een groot aaneengesloten waterrijk gebied met een goede waterkwaliteit en ruig begroeide oevers. Het plangebied ontbreekt aan oeverzones met voldoende dekking en schoon water.
Tevens is de omgeving (woonkern) van het plangebied te sterk verstoord door verharding, auto’s, boten en mensen voor deze soort. Het voorkomen van otter tot binnen de grenzen van het plangebied is zodoende uitgesloten. Effecten en conclusies Het voorkomen van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten (bijlage A Wnb) binnen het plangebied, zoals bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, ree, vos, wezel en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten is op basis van aanwezige biotopen en ligging niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wnb (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten is niet nodig. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht. De niet-vrijgestelde soort eekhoorn maakt geen gebruik van het plangebied als onderdeel van het foerageergebied. Het bosschage is immers te klein en te geïsoleerd gelegen. Van vaste verblijfplaatsen van deze soorten binnen de grenzen van het plangebied is ook geen sprake. Het plangebied vormt dan ook geen onderdeel van het leefgebied van deze soort. Van een significante aantasting/vernietiging van het leefgebied of een verstoring van deze soort is als gevolg van de werkzaamheden geen sprake.
Vervolgstappen zijn niet nodig. De otter ten slotte, vindt geen geschikt leefgebied binnen het plangebied. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden op de otter zijn daarmee uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.
5.2.3
Vleermuizen
Bureaustudie Op basis van de NDFF-database zijn in de afgelopen vijf jaar in de nabijheid van het plangebied waarnemingen bekend van acht vleermuissoorten [lit. 3]. Het gaat om baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (afbeelding 5.4).
19 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
Afbeelding 5.4 Waarnemingen van de afgelopen vijf jaar vleermuizen in de nabijheid van het plangebied [lit. 3]1
De biotoopeisen van deze soorten zijn in onderstaand kader beschreven [lit. 6]. Baardvleermuis Baardvleermuizen worden vooral aangetroffen in bossen, aan bosranden en in kleinschalige gesloten landschappen. Daarbij jagen ze vooral in open ruimtes, zoals boven paden, beken, open plekken en langs houtwallen. Meer dan de andere soorten jaagt hij ook in of bij naaldbos. De baardvleermuis vliegt bij voorkeur langs lijnvormige structuren in het landschap. Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt: mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. De baardvleermuis bewoont in de zomer bomen, nest- of vleermuiskasten, zolders, of de ruimte achter gevelbetimmeringen en vensterluiken van gebouwen. Franjestaart Waarnemingen van jagende franjestaarten zijn bekend van bosrijke gebieden met waterpartijen of waterrijke gedeelten. Daarbij jaagt de franjestaart meestal in een besloten omgeving zoals in en tussen de boomkronen en tussen de takken van grote struiken. Soms jagen franjestaarten ook wel boven open water en boven begroeide oevers. Recent is duidelijk geworden dat franjestaarten ook wel boven en langs kleinschalige weilanden of akkers jagen en in open veestallen.
Kolonies zijn in Nederland vooral gevonden in bomen en recent ook in gebouwen (spleetvormige ruimten en zolders van kerken en boerderijen), en enkele keren in nestkasten en vleermuiskasten. Lijnvormige elementen als lanen, bosranden, bomenrijen, houtwallen en oeverbegroeiing van belang als oriëntatielijnen tijdens het vliegen tussen verblijfplaats en jachtgebied. In Nederland gebruiken franjestaarten vooral ondergrondse ruimten zoals groeven, forten, ijskelders en bunkers als winterverblijfplaats. Daarbij kruipen ze meestal diep weg in scheuren en kieren.
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
20 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
Gewone dwergvleermuis Gedurende het hele jaar worden vooral gebouwen als verblijfplaats gebruikt. Uit het buitenland zijn ook paarverblijven uit nest- en vleermuiskasten en boomholtes bekend. Kraamkolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. De groepsgroottes lopen uiteen van enkele tientallen tot meer dan tweehonderd dieren. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. De soort is met betrekking tot vliegroutes sterk gebonden aan (lijnvormige) landschapsstructuren (opgaande begroeiing en oevers). In stedelijk gebied zijn vliegroutes niet zo duidelijk. De soort jaagt in gesloten tot halfopen landschap. gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen. Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in nest- en vleermuiskasten. Ze vormen meestal groepen van 5 tot 25 dieren, in uitzonderingen tot 80 dieren. Deze gebruiken in kleine groepjes verspreid een groot aantal verblijfplaatsen naast elkaar. Ze verhuizen vaak.
Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders. Overwinterende gewone grootoorvleermuizen zijn echter ook op zolders en in kerktorens, en een enkele keer in boomholtes gevonden. De winterslaapperiode duurt van oktober tot november tot maart tot april. Het zijn echter geen stabiele slapers. Vooral grootoorvleermuizen die in winterverblijven met wisselende temperaturen overwinteren, worden, ook bij koud weer, regelmatig wakker. Ze jagen dan bijvoorbeeld op zolders op de daar overwinterende vlinders. Laatvlieger Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. In vleermuiskasten worden laatvliegers zelden aangetroffen. Solitaire mannetjes worden soms achter vensterluiken gevonden. In de paartijd (september tot oktober) worden vergelijkbare verblijven gebruikt. De jachtgebieden liggen in een straal van 1 tot 5 km (zelden meer) rondom de kolonie. Vliegroutes volgen waar mogelijk lijnvormige structuren, maar laatvliegers vliegen bij gunstige weersomstandigheden ook wel grote afstanden door open gebied.
De laatvlieger vliegt meestal op enige afstand van de vegetatie boven (vochtige) graslanden en weilanden, langs kanalen en vaarten, in tuinen en in parken met vijvers. Bij windstil weer wordt het open gebied belangrijker. Rosse vleermuis Kraamkolonies zijn hoofdzakelijk bekend uit laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boom bewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. In MiddenEuropa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort. De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en jaagt ook wel bij straatverlichting. Ruige dwergvleermuis Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Twee Nederlandse kolonies bewoonden spouwmuren. Ruige dwergvleermuizen jagen in vooral half open bosrijk landschap. Vaak jagen ruige dwergvleermuizen langs bosranden, door lanen, boven open plekken in bos en langs houtwallen. Waterpartijen en beschutte oevers in voedselrijke gebieden vormen een belangrijk aspect van het biotoop. Ze jagen ook graag bij straatlantaarns, maar bebouwing en open gebied zijn minder in trek.
21 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
Watervleermuis De watervleermuis is een boom bewonende soort van half open tot gesloten, waterrijk en bosrijk landschap. De verspreiding toont een duidelijke binding met de oudere bossen in de duinen in het westen van Nederland. De (kraam)groepen in de zomer zijn vooral bekend van spleten en gaten in holle bomen, maar worden soms ook op kerkzolders, in vleermuiskasten, bunkers en oude forten gevonden. Als winterverblijf gebruiken ze voornamelijk ondergrondse objecten, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders. Daarnaast worden ook overwinterende dieren gevonden in overkluizingen en oude rioolsystemen, kerktorens en in boomholten. De watervleermuis jaagt vlak boven het wateroppervlak van beschutte waterpartijen. Veldbezoek De in het plangebied gelegen bosschages grenzend aan smalle beschutte watergangen (haarvaten) en de beschutte zones nabij straatlantaarns in en in de directe omgeving van het plangebied bieden een geschikt foerageergebied voor vleermuissoorten zoals franjestaart en rosse vleermuis en gewone en ruige dwergvleermuis. Daarnaast kunnen de nabijgelegen Rijn en de twee ‘haarvaten’ gebruikt worden door vleermuizen als begeleidende elementen in het landschap. Het is niet uit te sluiten dat deze elementen deel uitmaken van een foerageerbied of vliegroute.
Van verblijfplaatsen voor vleermuizen binnen de grenzen van het plangebied is geen sprake. Het ontbreekt immers aan gebouwen en bomen met geschikte holten zoals spechtholten of holten in ingerotte takstompen. De te slopen berging op het perceel van nummer 31 is niet geïsoleerd en strak afgewerkt zonder spleten of holtes waardoor dit object geen functie heeft voor vleermuizen (afbeelding 5.5).
22 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
Afbeelding 5.5 Te slopen berging Botenpad 31
Effecten en conclusies Vlieg- en foerageergebied Het plangebied biedt een geschikt foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger, franjestaart en rosse vleermuis. Daarnaast kunnen de Rijn en de twee ‘haarvaten’ deel uitmaken van een (essentiële) vliegroute voor vleermuizen. Wat betreft foerageergebied zijn in de wijdere omgeving van het plangebied verschillende geschiktere zones aanwezig waarnaar vleermuizen (tijdelijk) kunnen uitwijken. Gezien de aanwezigheid van voldoende alternatieve foerageergebieden, is hier geen sprake van een essentieel foerageergebied. Van een aantasting van deze essentiële functies voor vleermuizen als gevolg van het voornemen is aldus geen sprake Vleermuizen die gebruik maken van (de omgeving van) het plangebied als vlieg- en/of foerageergebied, kunnen in de uitvoeringsfase van het voornemen (aanleggen van bruggen en verbindingsweg, kappen van bomen) wel worden verstoord door licht- en geluidverstoring en trillingen. Verstoring van vleermuizen is een overtreding volgens de Wnb (art. 3.5 lid 2), waarvoor een ontheffing moet worden aangevraagd. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen.
Verstoring door licht en geluid treedt immers alleen op als de werkzaamheden plaatsvinden in de actieve periode van vleermuizen: een uur voor zonsondergang tot een uur na zonsopkomst gedurende de maanden maart tot november (bij een temperatuur van boven de
23 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
7 graden). Om verstoring te voorkomen dienen werkzaamheden daarom buiten de actieve periode, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkost tot een uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december tot februari) plaats te vinden. Indien toch gewerkt wordt tijdens de actieve periode voor vleermuizen dient men gebruik te maken van vleermuisvriendelijke lichtbeheer waarbij de hoeveelheid licht beperkt wordt tot waar het strikt noodzakelijk is. Dit kan door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurige verlichting); - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht) en dit zo te doen dat deze weg van het foerageergebied of vliegroute schijnt. Dit kan door gebruik te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bunder één bepaalde kant op richten en hiermee verstrooiing van het licht minimaliseert, of van LED-verlichting; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties. De werkzaamheden laten de Rijn ongemoeid. Vernietiging van deze mogelijke vliegroute als gevolg van de werkzaamheden is zodoende uitgesloten.
Wel is er kans op vernietiging van een mogelijke vliegroute langs de twee ‘haarvaten’ haaks op de Rijn als gevolg van de aanleg van de bruggen en de daarbij behorende verlichting. Voor het ontwerp van de nieuwe verbindingsweg dient daardoor rekening te worden gehouden met mogelijke aanwezige beschermde functies van vleermuizen. De bruggen die worden aangelegd dienen een minimale hoogte van 1 meter boven het wateroppervlak te hebben zodat een eventueel aanwezige vliegroute niet wordt verstoord of vernietigd doordat de watergangen geblokkeerd raken. Tevens is op de bruggen en nabij de watergangen een vleermuisvriendelijk lichtbeheer noodzakelijk, waarbij lichtverstrooiing ter hoogte van het wateroppervlak van de Rijn en de haarvaten moet worden voorkomen en lichtverstrooiing binnen het plangebied zoveel mogelijk dient te worden beperkt. Indien deze maatregelen in acht worden genomen, is een vernietiging of verstoring van eventueel aanwezige vliegroute of foerageergebied te voorkomen en zijn vervolgstappen in het kader van de Wnb niet nodig. Indien deze maatregelen onuitvoerbaar zijn, dan dient een nader soortgericht (jaarrond) onderzoek naar vleermuizen plaats te vinden om de exacte functie van het plangebied en aangrenzende watergangen te bepalen en zo nodig op basis van dit onderzoek voor het voornemen een ontheffing van de Wnb aan te vragen.
Verblijfplaatsen Binnen het plangebied ontbreekt het aan gebouwen (gebouw bewonende soorten) en bomen met geschikte holten (boom bewonende soorten). De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen binnen het plangebied is zodoende uit te sluiten. Van een vernietiging van verblijfplaatsen is geen sprake. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
5.2.4
Vogels
Bureaustudie In de afgelopen vijf jaar werden in de omgeving van het plangebied verschillende vogelsoorten waargenomen [lit. 3]. Het betreft zowel soorten van urbaan gebied als water- en weide gebonden soorten. Enkele veelvoorkomende soorten in deze omgeving zijn grasmus, kievit, kleine karekiet, tjiftjaf en zwarte roodstaart. Daarnaast zijn waarnemingen bekend van enkele soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, met name boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer en wespendief. Het gaat dan voornamelijk om waarnemingen van foeragerende of overvliegende soorten. Waarnemingen die wijzen op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten zijn beperkt. Op een afstand van 1 km ten oosten van het plangebied werd nestindicerend gedrag van huismus waargenomen. Ten zuidoosten van het plangebied zijn verschillende waarnemingen bekend van parende en waarschijnlijk broedende sperwer, allen op een afstand van minstens 1,4 km van het plangebied. Tot slot zijn er nog twee waarnemingen bekend van parende en broedende buizerd, tevens op een afstand van 1,4 km ten zuidoosten van het plangebied (afbeelding 5.6).
24 | 39
Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief
Afbeelding 5.6
Nest-indicerende waarnemingen van de voorbije vijf jaar van soorten met jaarrond beschermde nesten in de nabijheid van het plangebied [lit. 3]1
De biotoopeisen van deze soorten zijn in onderstaand kader beschreven [lit. 7]. Huismus Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder. Talrijkst in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. Als er veel hoge bomen staan, verdwijnt de huismus. Sperwer Broedt in bossen, soms tuinen en parken, meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen. Soms ook in de stad of in tuinen, in open boerenland in windsingels, bosjes en op erven. Buiten de broedtijd vaak in open land, vooral de vrouwtjes. Mannetjes jagen meer in bos. Jaagt soms ver van het nest. Buizerd Is te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Combinatie van geschikte nestgelegenheid (bos of een bosje) met open land met veel voedsel is ideaal. Jaagt ook wel midden in (ouder bos) en in Nederland ook graag in weilanden en steeds vaker in steden.