14. Bijlage 1. Bestemmingsplan Fietspad Waterlelie - Dorpsweide - toelichting (2775359)
Tekst van het document
Stikstofdepositieberekening In het kader van het project is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de uitvoerfase van het project. De stikstofdepositieberekening is opgenomen als bijlage V bij dit rapport. Er is geen
27 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase van het project, omdat het fietspad geen verkeersaantrekkende werking heeft van gemotoriseerd (auto)verkeer. In de stikstofdepositieberekening is de totale emissie als gevolg van de inzet van mobiele werktuigen tijdens de uitvoerfase berekend. De berekeningen zijn uitgevoerd voor de inzet van STAGE IV mobiele werktuigen en STAGE IIIB mobiele werktuigen. De emissies voor de uitvoerfase zijn gemodelleerd per bron, bestaande uit mobiele werktuigen en verkeersintensiteiten (vrachtwagens). Op basis van de stikstofberekening naar de effecten van de stikstofdepositie ten gevolge van de uitvoerfase van de ontwikkeling van het Botenpad, kan worden vastgesteld dat mogelijke significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet optreden, zowel met gebruik van louter STAGE IIIB voertuigen als STAGE IV voertuigen. Dit betekent dat het thema stikstof geen belemmering is voor de uitvoer van de werkzaamheden binnen dit project. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen kunnen op basis van dit onderzoek op voorhand worden uitgesloten. Een vergunning in het kader van de Wnb is daarom niet noodzakelijk voor effecten die optreden als gevolg van stikstofdepositie. Tabel 3.2 geeft de totale emissies weer van stikstofoxiden en ammoniak tijdens de aanlegfase voor zowel STAGE IIIB en STAGE IV.
De specifieke emissieberekeningen zijn terug te vinden in bijlage V. Deze emissies van stikstofoxiden en ammoniak leiden niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Tabel 3.2 Emissies van NOx en NH3 tijdens de aanlegfase voor STAGE IIIB en STAGE IV Situatie
NOx emissie (kg/totaal)
NH3 emissie (kg/totaal)
STAGE IIIB
52,16
0,05
STAGE IV
18,59
0,05
Conclusie Natura 2000 en stikstofdepositie Op basis van de uitgevoerde stikstofdepositieberekening is de conclusie dat voor zowel de inzet van enkel STAGE IV mobiele werktuigen als enkel STAGE IIIB mobiele werktuigen, stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de uitvoerfase van het project (voor de gebruiksfase zijn geen berekeningen uitgevoerd omdat negatieve effecten voor de gebruiksfase op voorhand uitgesloten waren). Het aspect Natura 2000 en stikstofdepositie vormen geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
3.5.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het plangebied grenst aan verschillende zones van het NNN-netwerk. Het plangebied zelf valt echter buiten de contouren van dit NNN-netwerk. In de provincie Zuid-Holland kent de bescherming van het NNN geen externe werking. Doordat de werkzaamheden niet plaatsvinden binnen gebieden die behoren tot het NNN, zijn significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hier uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet nodig. Conclusie Natuurnetwerk Nederland Voor de natuurgebieden van het NNN zijn, omdat er geen sprake is van externe werking, vervolgstappen niet nodig. Het aspect NNN vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
28 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
3.5.3
Soortenbescherming
Onder de Wnb bestaat de soortenbescherming uit 3 beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en ‘andere soorten’ (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In tabel 3.3 (uit de ecologische Quickscan, zie bijlage V) zijn de bevindingen en conclusies, ten aanzien van de beschermde soorten, samengevat. Ter plaatse van het perceel Botenpad 33 betreft het enkel een herbestemming. Er zijn geen werkzaamheden voorzien, waardoor effecten op beschermde soorten op dit perceel zijn uitgesloten.
Tabel 3.3 Overzicht beoordeling soortenbescherming Soortgroep
Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?
Kans op overtreding verboden Wnb?
Gevolgen?
Ontheffing aanvragen Wnb?
vaatplanten
ja, aanwezigheid van kluwenklokje in de directe omgeving van het plangebied
nee
geen, wel zorgplicht
nee
zoogdieren
ja, voorkomen van bijlage A-soorten zoals bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, ree, vos, wezel en verschillende algemeen voorkomende muissoorten is niet uit te sluiten
nee, vrijstelling binnen de provincie Zuid-Holland
geen, wel zorgplicht
nee
nee, voorkomen van eekhoorn en otter alleen in de wijdere omgeving van het plangebied
nee, binnen het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig voor deze soorten
geen, wel zorgplicht
nee
ja, aanwezigheid van soorten als baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis
nee, indien gedurende zowel de aanleg- als de gebruiksfase het gebruik van kunstmatige verlichting dat het wateroppervlak verlicht wordt voorkomen. Tevens dient in het ontwerp van de bruggen rekening te worden gehouden met een mogelijk aanwezige vliegroute van vleermuizen boven de haarvaten
ja, in het ontwerp van de brug dient rekening te worden gehouden met een minimale onderdoorgang van 1 m boven het wateroppervlak. Daarbij dient lichtverstrooiing naar het wateroppervlak van de Rijn en de haarvaten te worden voorkomen
nee, mits mitigerende maatregelen worden uitgevoerd
vleermuizen
29 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
Soortgroep
Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?
Kans op overtreding verboden Wnb?
Gevolgen?
Ontheffing aanvragen Wnb?
vogels
ja, aanwezigheid van algemeen voorkomende broedvogels in en nabij het plangebied is niet uit te sluiten
ja, indien broedgevallen opzettelijk worden verstoord of nesten worden vernietigd
3 mogelijkheden: buiten het broedseizoen werken; vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken, zodat vogels niet gaan broeden; het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels
nee, mitigerende maatregelen dienen in acht genomen te worden
Voor zowel vogels als vleermuizen is geen ontheffing Wnb noodzakelijk als de mitigerende maatregelen in acht worden genomen. Verstoring van vogels tijdens de werkzaamheden is uitgesloten omdat de bomen in het plangebied worden gekapt, waardoor er geen kans is op broedende vogels in het plangebied tijdens de werkzaamheden. Met betrekking tot vleermuizen is er geen kans op overtreding van de Wnb, mits gedurende zowel de aanleg- als de gebruiksfase wordt voorkomen dat kunstmatige verlichting het wateroppervlak verlicht. Tevens dient in het ontwerp van de bruggen rekening te worden gehouden met een mogelijk aanwezige vliegroute van vleermuizen boven de haarvaten, waarbij een minimale onderdoorgang van 1 m boven het wateroppervlak noodzakelijk is. Lichtverstrooiing Op basis van het verlichtingsplan (bijlage VI) wordt geadviseerd om langs het fietspad speciale vleermuisvriendelijke armaturen te plaatsen, om lichtverstrooiing en daarmee verstoring van vleermuizen te voorkomen. Vrije (vlieg)ruimte onder de bruggen Voor wat betreft het ontwerp van de bruggen: brug A heeft een vrije ruimte onder de brug van 1,20 m en brug B heeft een vrije ruimte van 1,75 m. Beide bruggen voldoen dus ruimschoots aan de minimale onderdoorgang van 1 m.
Conclusie soortenbescherming Op basis van de ecologische Quickscan zijn negatieve effecten, als gevolg van het voornemen, op de Wnb beschermde soorten uit te sluiten, mits enkele mitigerende maatregelen (beschreven in paragraaf 7.3 van de ecologische Quickscan, zie bijlage IV) in acht worden genomen ten aanzien van vleermuizen en vogels. Indien deze maatregelen worden genomen zijn verdere vervolgstappen of ontheffingsaanvragen in het kader van het Wnb niet nodig. Verstoring van broedende vogels is uitgesloten omdat de bomen in het plangebied worden gekapt. Specifiek met betrekking tot vleermuizen is beargumenteerd dat de mitigerende maatregelen uitvoerbaar zijn. Dit heeft betrekking op: - voorkomen lichtverstrooiing naar het wateroppervlak: tijdens de uitvoering wordt er niet ’s nachts gewerkt, dus is er geen lichtverstrooiing naar het wateroppervlak vanwege bouwlampen. Voor de gebruiksfase wordt vleermuisvriendelijke verlichting geplaatst om verstoring van vleermuizen te voorkomen; - vrije (vlieg)ruimte onder de bruggen: deze is voor beide bruggen minimaal 1 m en daarmee voldoende. Er is geen sprake van overtreding Wnb omdat de mitigerende maatregelen genomen worden. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
30 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
3.5.4
Houtopstanden
Volgens de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) gemeente Katwijk (2011) is het verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen. Voor het kappen van een houtopstand is een omgevingsvergunning nodig, tenzij de te kappen boom een diameter van 30 cm of kleiner heeft op borsthoogte (DBH). In het kader van dit bestemmingplan worden 8 bomen gekapt: 2 sierkersen, 1 lijsterbes, 1 appel, 1 larix, 1 berk en 2 schietwilgen. 2 bomen hiervan zijn niet kapvergunningsplichtig omdat deze kleiner zijn dan 30 cm op borsthoogte. Dit zijn een sierkers (DBH van 22 cm) en een larix (DBH van 16 cm). Ondanks dat niet alle bomen kapvergunningsplichtig zijn, worden (lees: zijn) wel alle 8 bomen gecompenseerd. Het compenseren van deze bomen is reeds gedaan bij de aanleg van het Park Dorpsweide (2012) en aanleg woonwijk ‘t Duyfrak (2007 tot 2021). Conclusie houtopstanden De 8 bomen die in het kader van dit bestemmingplan gekapt worden zijn reeds (voor)gecompenseerd bij de aanleg van het Park Dorpsweide (2012) en aanleg woonwijk ‘t Duyfrak (2007 tot 2021). Het aspect houtopstanden vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
3.5.5
Conclusie
Op basis van de deelconclusies in paragraaf 3.5.1 tot en met 3.5.4 kan voor het aspect natuur in het algemeen worden geconcludeerd dat dit geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
3.6
Water
De aanleg van het fietspad Waterlelie - Dorpsweide kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. Voorkomen van wateroverlast Wateroverlast ten gevolge van de aanleg van verhard oppervlak en de gedeeltelijke demping van de Oude Rijn dient te worden voorkomen. Hieronder wordt op deze 2 punten ingegaan. De herbestemming van het perceel Botenpad 33 leidt niet tot een toename van verhard oppervlak. Aanleg verhard oppervlak Bij de aanleg van het fietspad Waterlelie - Dorpsweide is er sprake van toename van verhard oppervlak. Het versneld afvoeren van neerslag bij een toename van verhard oppervlak, is een toegestane handeling in het watersysteem wanneer deze toename meer dan 500 m2 en minder dan 5.000 m2 bedraagt (artikel 3.2 lid 2 sub i en ii Keur hoogheemraadschap van Rijnland 2020). De oppervlakte van de fietspaden bedraagt circa 330 m2 en de oppervlakte van de 2 bruggen circa 80 m2, in totaal dus circa 410 m2. Omdat de toename van het verhard oppervlak nog onder de ondergrens van de 500 m2 blijft is deze ook niet meldingsplichtig.
Daarbij bestaat het wegdek van de bruggen uit houten planken met tussenruimtes van circa 1 cm waardoor de bruggen waterdoorlatend zijn, waardoor het daadwerkelijke oppervlak waar het hemelwater niet meer op een natuurlijke manier kan infiltreren beperkt blijft tot 330 m 2. Gedeeltelijke demping Oude Rijn De aanplempingen bij de kavels aan Botenpad 31 en 33 zijn feitelijk gedeeltelijke dempingen in de Oude Rijn. In het project Dorpsweide van de gemeente Katwijk is reeds een grote waterpartij aangelegd welke dient als compensatielocatie voor het verlies aan waterbergend vermogen vanwege dit bestemmingsplan. Op 29 maart 2019 is hiervoor een aanvraag bij het hoogheemraadschap Rijnland voor het graven van
31 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
oppervlaktewater ter hoogte van kadastraal perceel sectie A, nummer 5018 in Valkenburg (kenmerk 2019005352). Het bleek dat de aanvraag voldeed aan de algemene regel 5.3 Graven van oppervlaktewater, waardoor dit zonder melding of vergunning mag worden uitgevoerd. Conclusie Zowel de aanleg van verhard oppervlak als de gedeeltelijke demping van de Oude Rijn, zijn activiteiten die niet meldingsplichtig zijn op grond van de Keur van het hoogheemraadschap Rijnland. Het betreffen daarmee activiteiten met weinig tot geen invloed op de waterhuishouding. Het aspect water levert geen belemmering op in het kader van dit bestemmingsplan.
3.7
Bodem
In verband met de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s zijn. Bovendien is het van belang te weten of er mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Omdat voor de realisatie van de fietsbruggen het oppervlaktewater van de 2 watergangen haaks op de Oude Rijn tijdelijk gedempt moet worden en er ten behoeve van de aanleg van 2 bruggen in de waterbodem geheid moet worden, dient de kwaliteit van de waterbodem te worden onderzocht. In dat kader is een waterbodemonderzoek, inclusief milieuhygiënisch vooronderzoek, uitgevoerd.
Tevens is er ter plaatse van de aan te kopen gronden een verkennend milieukundig bodemonderzoek en een verkennend bodemonderzoek, inclusief milieuhygiënisch vooronderzoek, uitgevoerd. Op de overige gedeelten is op basis van bestaand onderzoek (welke zijn uitgevoerd in het kader van bestemmingsplan ’t Duyfrak 2015) en de bodemonderzoeken en saneringen die daarna hebben plaatsgevonden, in combinatie met het feit dat er na de saneringen geen activiteiten hebben plaatsgevonden die hebben kunnen leiden tot een verslechtering van de bodemkwaliteit, de conclusie dat de bodemkwaliteit voldoet. Resultaten Tijdens de bemonstering zijn in het slib en de onderliggende vaste waterbodem van beide monstervakken geen bodemvreemde bijmengingen, waaronder asbestverdacht materiaal, waargenomen. De kwaliteit van het slib ter plaatse van monstervak A (west) is onder andere niet toepasbaar op of in landbodem en niet verspreidbaar op aangrenzend perceel. De kwaliteit van de onderliggende vaste bodem is geclassificeerd als klasse Industrie bij toepassing op of in landbodem en is verspreidbaar op aangrenzend perceel. De kwaliteit van het slib ter plaatse van monstervak B (oost) is onder andere geclassificeerd als klasse Industrie en is verspreidbaar op aangrenzend perceel. De kwaliteit van de onderliggende vaste bodem is geclassificeerd als altijd toepasbaar en is verspreidbaar op aangrenzend perceel.
Op basis van het verkennend milieukundig bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de grond van de aan te kopen percelen licht verontreinigd is met enkele zware metalen. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium aangetoond, die een natuurlijke oorsprong kent. Er is geen asbesthoudend materiaal waargenomen in de landbodem. De lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek en vormen geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling, zijnde de aanleg van een fietspad.
32 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
Conclusie Het aspect bodem levert geen belemmering op in het kader van dit bestemmingsplan. Het volledige waterbodemonderzoek inclusief milieuhygiënisch vooronderzoek en het verkennend milieukundig bodemonderzoek zijn te vinden in bijlage VI en bijlage VIII.
3.8
Archeologie
De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2021 een overgangsregeling opgenomen. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien er sprake is van een hoge trefkans of indien het plangebied niet is gekarteerd. In september 2019 is een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd in het plangebied van fietspad Waterlelie - Dorpsweide. Resultaten Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt verwacht dat er in het plangebied weinig tot geen intacte archeologische resten aanwezig zijn. Zie hiervoor samenvattende tabel 3.4 en 3.5.
Tabel 3.4 Samenvatting bureaustudie Onderzoeksvraag
Resultaat
Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie?
het onderzoeksgebied ligt in de oeverzone van de restgeul van de Oude Rijn met afzettingen die pas zijn ontstaan in de 12e eeuw bij de laatste uitbreiding van de meanderbocht of daarna bij het opvullen van de oeverzone. Deze natuurlijke afzettingen zijn in de 20e eeuw bedekt met een dik ophoogpakket
Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen?
in het plangebied is sprake van een antropogene bodem aangezien er een ophogingspakket voorkomt met een dikte van 1,2 tot 1,4 m. Direct achter de aanwezige kade is de bodem geroerd tot dieper dan 2,7 m -mv
Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP?
in het plangebied en in het onderzoeksgebied komen geen archeologische waarden voor
Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd?
op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt verwacht dat er in het plangebied weinig tot geen intacte archeologische resten aanwezig zijn
Het veldonderzoek heeft de zeer lage archeologische verwachting van het onderzoeksgebied bevestigd. In de oeverzone en in het dikke ophoogpakket komen geen archeologische waarden voor.
33 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
Tabel 3.5 Samenvatting veldonderzoek Onderzoeksvraag
Resultaat
Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, kunnen er toch archeologische indicatoren worden aangetroffen. Indien deze worden aangetroffen, dan gelden tevens de volgende vragen: wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied?
er zijn geen archeologische indicatoren waargenomen
In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden?
hoewel niet exact bekend is hoe diep de bodemverstorende werkzaamheden zullen reiken, vormen deze hoe dan ook geen bedreiging voor archeologische waarden
Conclusie Het plangebied ligt in de oeverzone van de middeleeuwse restgeul van de Oude Rijn met een dik ophoogpakket uit de 20e eeuw. Vanwege dit ophoogpakket is het uitgesloten dat er archeologische resten aanwezig zijn. Het plangebied kan daardoor, voor wat betreft het aspect archeologie, vrijgegeven worden voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Gelet op de bovenstaande conclusies van het archeologische onderzoek is het niet langer noodzakelijk om de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologisch verwachtingsgebied’ van bestemmingsplan Valkenburg Dorp te handhaven in dit bestemmingsplan. Het archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek is te vinden in bijlage IX.
3.9
Niet-gesprongen explosieven
Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland niet-gesprongen explosieven achtergebleven. Deze vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze niet-gesprongen explosieven uitgesloten te worden en dienen eventuele aanwezige niet-gesprongen explosieven verwijderd te worden. In het kader van het historisch vooronderzoek Conventionele Explosieven (CE) is enerzijds nagegaan of er historische vooronderzoeken CE bekend zijn die betrekking hebben op het onderzoeksgebied of de directe omgeving ervan, en anderzijds een literatuurstudie uitgevoerd. Naast de standaard boekwerken over de gevechtshandelingen in de Tweede Wereldoorlog op het land en in de lucht, zijn ook regionale en streekgebonden publicaties bestudeerd. Het volledige historisch vooronderzoek CE is te vinden in bijlage X. Resultaten Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat er in (de omgeving van) het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Er zijn echter te weinig indicaties om vast te kunnen stellen dat hierdoor CE zijn achtergebleven in het onderzoeksgebied.
Conclusie Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek en de conclusies, is het onderzoeksgebied onverdacht op CE. Het is niet noodzakelijk om vervolgstappen te ondernemen in de CE-opsporing voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden.
34 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
3.10
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: - ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; - rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. De bestemmingen van dit bestemmingsplan maken in de toekomst: - geen functies mogelijk die het aanvaardbaar woonklimaat in het gedrang brengen; - geen functies mogelijk die bedrijven gaan belemmeren in hun bedrijfsvoering. Omdat er geen nieuwe woningen of bedrijven mogelijk worden gemaakt in het plangebied, hoeft er geen onderlinge belangenafweging tussen bedrijven en woningen plaats te vinden.
De aanleg van ontbrekende schakel/het fietspad staat het aangename woonklimaat niet in de weg en belemmert bedrijven ook niet in hun bedrijfsvoering. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de realisatie van het fietspad Waterlelie - Dorpsweide niet in de weg.
3.11
Externe veiligheid
Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Externe veiligheid maakt onderscheid tussen risicobronnen en risico-ontvangers. De risicobronnen zijn in 2 groepen te verdelen: - transportassen, zoals wegen en spoorwegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; - inrichtingen waarin productie, gebruik, verstrekking en/of opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Deze 2 soorten (kwetsbare) objecten zijn de risico-ontvangers. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel externe veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar 2 soorten risico’s, plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij of zij zich permanent en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.
Het groepsrisico is de kans per jaar dat in 1 keer een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en gaat om het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen 2 verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een LPG-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen.
35 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
Resultaten Op onderstaande kaart (afbeelding 3.3) zijn de risicobronnen en (rood en zwart) en meerdere risicoontvangers (groen) in de buurt van het planvoornemen weergegeven.
Afbeelding 3.3 Aanduiding risicobronnen ten opzichte van plangebied (blauw kader)
De risicobronnen in de buurt van het plangebied betreft een gasontvangstation van Gasunie West (Ringweg 3, Valkenburg) en 2 hogedruk aardgasleidingen. De risicocontour 10-6 afstand van het gasontvangstation bedraagt 25 m en het station ligt 610 m van het plangebied. De externe veiligheidsberekeningen die uitgevoerd zijn voor bestemmingplan ’t Duyfrak vanwege de hogedruk aardgasleidingen A-560 en W-535-01 (circa 250 m van het plangebied) hebben niet geleid tot een 10-6 plaatsgebonden risicocontour. Tevens worden binnen dit bestemmingsplan geen functies mogelijk gemaakt die externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen, waardoor er ook geen effecten zijn op de risico-ontvangers in de buurt van het plangebied. Conclusie De veiligheidscontour van het gasontvangstation Gasunie West valt niet binnen het plangebied van het fietspad, waardoor er geen groepsrisicoberekeningen uitgevoerd hoeven te worden. Tevens hebben de hogedruk aardgasleidingen geen risicocontour. De risicobronnen hebben geen consequenties voor het plangebied. Ook zullen de risico-ontvangers vanwege de aard van de ontwikkeling van dit bestemmingsplan geen bijkomende externe veiligheidsrisico’s ondervinden. Het aspect externe veiligheid staat de realisatie van het fietspad Waterlelie - Dorpsweide niet in de weg.
3.12
Cultuurhistorie
Valkenburg is ontstaan uit het (middeleeuwse) ambacht Valkenburg-Katwijk. Een ambacht was vroeger een rechtsgebied, een ambtsgebied of vrije heerlijkheid, in Holland, Zeeland of Vlaanderen. Valkenburg was het oudste van de 3 dorpen in het ambacht, waar Katwijk aan Zee en Katwijk ook toebehoorden. Daarmee kent het dorp een brede cultuur, architectonische en historische waarde. Het gebied kenmerkt zich door een verscheidenheid aan karakteristieke laagbouw in een dorpsomgeving, een combinatie van traditionele en historische bebouwing. Het gebied rondom de Oude Rijn is in de Omgevingsvisie Zuid-Holland 2019 aangegeven als identiteitdrager ‘Atlantikwall’ (zie ook paragraaf 2.2.1). Identiteitsdragers zijn de bijzondere plekken die de wordingsgeschiedenis van Zuid-Holland vertellen. De Atlantikwall is 1 van de grootste verdedigingslinies uit de westerse geschiedenis. De Duitsers bouwden deze tijdens de Tweede Wereldoorlog
36 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
om een invasie van geallieerden aan de westzijde van hun 'Derde Rijk' te voorkomen. Hierdoor is het gebied een belangrijke bestemming voor de recreatieve fietsers en wandelaars langs de Oude Rijn. Conclusie Het aanleggen van het fietspad Waterlelie - Dorpsweide draagt bij aan de beleving van de cultuurhistorische waarde van Valkenburg. Het aspect cultuurhistorie staat de beoogde ontwikkelingen niet in de weg.
3.13
Nautiek/scheepvaart
De aanleg van het fietspad Waterlelie - Dorpsweide van Valkenburg behelst onder andere de bouw van 2 fietsbruggen over de 2 ‘zijwatergangen’ van de Oude Rijn. Deze watergangen zijn niet voor de beroepsscheepvaart, maar wel toegankelijk voor recreatievaart. Uitgangspunt voor dit bestemmingsplan is de plaatsing van 2 vaste bruggen, hierbij is: - brug A, de meest westelijk gelegen fietsbrug (kant Waterlelie); - brug B, de meest oostelijk gelegen fietsbrug (kant Dorpsweide). Brug A heeft een vrije ruimte onder de brug (wateroppervlak - onderkant brug) van 1,20 m en brug B heeft een vrije ruimte onder de brug van 2,20 m. Zowel 1,20 m als 2,20 m is voldoende hoog voor kleine recreatievaart. Het aspect nautiek/scheepvaart staat de beoogde ontwikkelingen niet in de weg. Bijlage XI bevat de variantenstudie van de bruggen.
3.14
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: 1 gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; 2 aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; 3 defensiebrandstoffen; 4 warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Conclusie In of nabij het plangebied van het fietspad Waterlelie - Dorpsweide zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.
37 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
4 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de algemene opzet van de planregels, toelichting op de bestemmingen en de overgangs- en slotregels.
4.1
Algemeen
4.1.1
Wat is een bestemmingsplan?
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1 de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; 2 de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). De regels van het bestemmingsplan bevatten regels voor gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het (juridische) bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking; maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
4.1.2
Hoofdstukopbouw van de regels
De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken: 1 inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2); 2 bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, dan worden deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend worden afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels opgenomen. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsplanbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld;
38 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
3
4
algemene regels. In de laatste 2 hoofdstukken zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan. Het betreffen achtereenvolgens algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels; overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
4.2
Dit bestemmingsplan
De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hierboven is beschreven. Tevens is aangesloten bij de meest actuele landelijke standaarden voor de regels en de verbeelding, te weten de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) en IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012). Qua inhoud en opzet is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘t Duyfrak 2015 en een meer recenter bestemmingsplan Fietspad Westerbaan, Cantineweg en de Laan van Nieuw Zuid Katwijk aan Zee.
4.3
Artikelsgewijze toelichting op de regels
4.3.1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen Begrippen die in de regels worden gebruikt en die uitleg behoeven, worden in dit artikel uitgelegd. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel bevat technische regelingen om onder andere oppervlaktes, hoogtes, dieptes en breedtes te kunnen bepalen.
4.3.2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Enkelbestemming: Groen De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor groen, water, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, kunstwerken, straatmeubilair, nutsvoorzieningen en brughoofden. Artikel 4 Enkelbestemming: Recreatie De voor Recreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor dagrecreatie en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals voet- en fietspaden, groen, speel-, en nutsvoorzieningen en water. Artikel 5 Enkelbestemming: Tuin De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bij het op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouw en de hierbij behorende voorzieningen en bouwwerken. Artikel 6 Enkelbestemming: Tuin - Woonschepenligplaats De voor Tuin - Woonschepenligplaats aangewezen gronden zijn bestemd voor bij de op de naastgelegen woonschepenligplaats behorende tuinen en erven, ontsluitingswegen en -paden en de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, nutsvoorzieningen, erven, tuinen, verhardingen en water. Artikel 7 Enkelbestemming: Verkeer De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen met een (boven) lokale functie ontsluiting, ontsluitingswegen, opstelstroken, busstroken, fiets- en voetpaden, alsook: kruisingen, overbruggingen, tunnels en viaducten.
Binnen de bestemming Verkeer zijn bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals verkeersvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, parkeer-, groen-, speel- en nutsvoorzieningen en water toegestaan.
39 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
Artikel 8 Enkelbestemming: Water De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor de waterhuishouding en de waterberging, waterstaatkundige kunstwerken en voorzieningen, watergangen, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, waaronder bruggen, stuwen, dammen en/of duikers, verkeer te water, recreatief gebruik en ligplaatsen voor recreatievaartuigen. De ligging van de fietsbruggen is specifiek geregeld via de aanduiding 'brug'. In het kader van onderhoud aan de woonschepen die aan het Botenpad liggen, moeten brugdelen zodanig verplaatsbaar of uitneembaar zijn dat de dagmaat van de opening van de brug ten minste 7 m bedraagt. Binnen deze bestemming is tevens een specifieke aanduiding opgenomen voor een ligplaats van een woonschip en is een specifieke aanduiding opgenomen voor een tuin. Ter plaatse van de aanduiding ‘tuin’ binnen deze bestemming is het mogelijk om een stuk land aan te plempen. Artikel 9 Enkelbestemming: Wonen-1 De voor Wonen-1 aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-gebonden beroep en de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, nutsvoorzieningen, erven, tuinen, verhardingen en water.
4.3.3
Algemene regels
Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Artikel 10 Anti-dubbeltelregel Deze regel dient te voorkomen dat situaties ontstaan welke niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van het plan. Daar voor een gebouw een zeker open terrein is vereist, wordt via de anti-dubbeltelregel voorkomen dat eenzelfde terrein 2 keer wordt ‘meegenomen’ bij de beoordeling van een bouwaanvraag. Grond die al eerder moest worden meegeteld bij de beoordeling van een bouwplan mag niet nog eens worden meegeteld bij een nieuwe bouwaanvraag.
4.3.4
Overgangs- en slotregels
In artikel 3.2.1 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Artikel 11 Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt strijdig gebruik beschreven wat voor het hele plangebied (dus ongeacht de bestemming) van het bestemmingsplan geldt. Artikel 12 Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan bestaan of waarvoor een bouw- dan wel omgevingsvergunning is aangevraagd, mogen blijven bestaan, ook wanneer dit strijdig is met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd worden. Artikel 13 Slotregel In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Fietspad Waterlelie-Dorpsweide.
40 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
4.4
Toelichting op de verbeelding
Allereerst is er voor gekozen om 1 aansluitende verbeelding te maken, ondanks dat grote delen van het fietspad reeds passen binnen het bestemmingsplan. Enkel de strijdige delen van het fietspad opnieuw bestemming zal resulteren in een versnipperde verbeelding. Dat komt de leesbaarheid van de verbeelding niet ten goede en daarom is ervoor gekozen om voor het gehele plangebied een nieuwe verbeelding op te stellen. Tevens is met de eigenaar van het perceel Botenpad 33 overeengekomen de huidige bestemming van het perceel Botenpad 33 te wijzigen van enkelbestemming ‘Recreatie’ naar de enkelbestemmingen ‘Wonen-1’ en ‘Tuin’. Ook deze herbestemming is opgenomen in de verbeelding. Voor de bestemmingslegging zijn zoveel mogelijk de vigerende bestemmingen overgenomen om te zorgen dat de verbeelding van het bestemmingsplan aansluit op omliggende bestemmingen. Uitzondering hierop is de bestemming ‘Groen’ voor het fietspad tussen de 2 fietsbruggen in. In het bestemmingsplan ’t Duyfrak 2015 ligt daar de bestemming ‘Recreatie’ en ‘Tuin - Woonschepenligplaats’. In dit bestemmingsplan is gekozen voor de bestemming ‘Groen’, omdat dit duidelijker de functie van de gronden weergeeft dan bestemming ‘Recreatie’ en ‘Tuin - Woonschepenligplaats’.
In plaats van bestemming ‘Groen’ was in principe de bestemming ‘Verkeer’ hier ook een optie geweest, maar omdat de bestemming ‘Verkeer’ suggereert dat gemotoriseerd verkeer is toegelaten, en dit uitdrukkelijk niet de bedoeling is, is gekozen voor de bestemming ‘Groen’.
41 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
5 UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid van het plan.
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden. Het plan is in het kader van het vooroverleg ter advisering naar de diverse overleginstanties, waar onder de provincie Zuid-Holland en het hoogheemraadschap van Rijnland, heeft er een bestuurlijk vooroverleg (in het kader van 3.1.1 Bro) plaatsgevonden. De communicatie over dit project heeft plaatsgevonden/vindt plaats via informatieavonden, de website https://extra.katwijk.nl/projecten/fietspad-dorpsweide/ en tijdens 1-op-1 gesprekken plaats met eigenaren en bewoners met wie specifieke zaken zijn afgestemd.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
5.2.1
Grondverwerving
Dit bestemmingsplan biedt de juridisch-planologische basis voor de realisatie en het gebruik van een fietspad dat de ontbrekende schakel vormt in de langzaamverkeersverbinding langs de Oude Rijn in Valkenburg. Hiervoor is het noodzakelijk om particuliere gronden aan te kopen, te weten bij Botenpad 31 en Botenpad 33 te Valkenburg.
5.2.2
Financiering
Het project is een ontwikkeling van de gemeente Katwijk. De gemeente Katwijk financiert de aanleg van de ontbrekende schakel in het fietspad. De aanplemping van de gronden gebeurt door de eigenaren zelf en valt daarmee niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Katwijk. De gronden benodigd voor de aanleg van de ontbrekende schakel zijn in het bezit van de gemeente Katwijk. Het opstellen van een exploitatieplan is niet nodig omdat de gemeente eigenaar zal worden van de gronden waarop het fietspad wordt gerealiseerd. Voor de realisatie van de langzaamverkeerroute tussen de Dorpsweide en de Waterlelie is in 2016 een raming gemaakt, op basis waarvan in de gemeentebegroting voor 2016 400.000 EUR was gereserveerd vanuit de BSI gelden.
42 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
5.3
Handhaafbaarheid
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Katwijk vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Uitvoering van bestemmingsplannen dient strikt te worden toegepast en gehandhaafd, omdat met het bestemmingsplan het waarborgen en verbeteren van het leefmilieu kan worden aangestuurd. Een recent bestemmingsplan met duidelijke en hanteerbare regels maakt handhaving eenvoudiger. Wat hierbij wel noodzakelijk is, zijn eenduidige en eenvoudige bestemmingsplanbepalingen die goed werkbaar zijn.
De doeleindenomschrijving is daarbij belangrijk. Een duidelijke uitleg in de toelichting van het bestemmingsplan van de voorkomende bestemmingen kan verwarring en interpretatieverschillen voorkomen.
43 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
6 PROCEDURE De voorbereiding en bekendmaking van dit bestemmingsplan en de uitvoeringsbesluiten van het project Fietspad Waterlelie - Dorpsweide worden gecoördineerd op grond van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening. Het voorontwerpbestemmingsplan is vrijgegeven voor het wettelijk vooroverleg ex art. 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met verschillende (semi)overheden en belangenorganisaties. De gemeente heeft in deze periode een informatiebijeenkomst georganiseerd over het nieuwe bestemmingsplan. De reacties naar aanleiding van het wettelijk vooroverleg en informatiebijeenkomst, hebben niet geleid tot aanpassing van het voorontwerpbestemmingsplan Fietspad Waterlelie - Dorpsweide. Vervolgens hebben burgemeester en wethouders het ontwerp bestemmingsplan vastgesteld. Het ontwerp bestemmingsplan is, samen met de ontwerp uitvoeringsbesluiten, vrijgegeven voor ter visie legging. Na publicatie zijn het ontwerp bestemmingsplan en de ontwerp uitvoeringsbesluiten, gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Binnen de termijn van terinzagelegging zijn er 6 zienswijzen ingekomen. 1 zienswijze heeft aanleiding gegeven tot aanpassing van het bestemmingsplan. De Nota van beantwoording gaat hierop in.
Na verwerking van de zienswijzen en mogelijke ambtelijke aanpassingen zal de gemeenteraad - binnen 12 weken na afloop van de zienswijzentermijn - besluiten over de vaststelling van het bestemmingsplan. Na aanpassing van het bestemmingsplan met inachtneming van de door de raad aangebrachte wijzigingen wordt het vastgestelde bestemmingsplan samen met de uitvoeringsbesluiten wederom 6 weken ter inzage gelegd (aanvang beroepstermijn). Belanghebbenden kunnen beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
44 | 44
Witteveen+Bos | 124688/21-019.398 | Definitief 05
Bijlage(n)
I BIJLAGE: ONTWERPTEKENING FIETSPAD
Witteveen+Bos | 124688/21-019.129 | Bijlage I | Definitief 04
Verklaring -3.3
-5.0
-6.1
-6.8
-6.9
-6.9
-6.9
-6.9
Bestaande situatie
0. 10-
D
-5.8
-6.9
0.24
0.81 -0.10
Aslijn 5 , 1 : 1
Re-flex fietspadpaal, RAL9003 signaalwit / reflectiestroken rood, met led verlichting en dropbox opbergelement, leverancier: Velopa of gelijkwaardig
-0 . 27 0 . 3 5
-0.10 Nieuwe maaiveldhoogte Betontegels 300x300 mm, grijs
-0.24
-0.80
-0.80
wp=-0.64 Balk naaldhout 63x125mm 1 RVS slotbout per 3 perkoenpalen
Betonstraatstenen KF heidepaars, halfsteensverband
0 . 2 0 -
-0.22
1. 50
-0.03
0 . 1 2
Perkoenpalenrij naaldhout ø140mm, lang 3 en 4m, zie doorsnede C
3. 00
Perkoenpalen naaldhout ø140mm, lang 4 en 5m, h.o.h. 0,75m
+ 1 1 . 0
-0.05
B0. 1 1 +
7 0 . 0 -
5 1 . 0 -
-0.16
5 . 4 9
1 . 0 1 + 1 . 1 6 +
1 . 0 1 +
0 . 1 0 +
0 2 . 1 + 0 1 . 0
1 . 3 1 + 1 . 1 6 +
0.05+
Schaal1:50
-0 . 20
0 . 0 7 +
5 1 . 0 -0 . 20
SPU
0 . 2 0 +
1 . 3 1 +
B r u gB
op ge ne de em el ba te r e va n de
0 . 1 7 +
0 . 1 7 +
+ 0 . 1 5 + 0 . 1 7
0 . 1 7 +
+ 0 . 2 0
0 . 2 0 + +
0 . 1 7 + 0 . 1 5
B
0 . 1 7 +
br ug +2.35
5.00 3.50 0.75
1.75
1.75
0.75
5095
3 2
2. 20
5018
2. 20
3217
Do r p s we i d e
2 5
3 0
1.75
0.75
Schutting: Greenwall Compact, dik 120 mm hoogte 2,20 m t.o.v. as fietspad, beplant met mix: - Lonicera henryi (Kamperfoelie) - Clematis - Lonicera japonica
0.55
0.45
Deur in schutting
Trapelement beton, grijs 550x220x1000 mm repeteer
Keerwand beton 750x2000x600 mm of opsluitband 100x300 mm afhankelijk van hoogteverschil +0.15
3537
perceel grens
0.02+
5 . 7 4
-0.18
0 . 1 5 +
Schaal1:50
2. 20
0.13+
0 9 . 1
0.04+
75 0.
3 4
0 . 1 1 +
5 . 4 9 0 . 1 0 + 0 . 1 1 +
Schutting, Greenwall Compact XL, dikte 120 mm, beplant
3. 00
0.01+
-0.05
50 3.
0. 1 0. 1+ 10 +
0 . 2 4 +
2 7
0. 15 +
00 5.
9 2 B o t e n p a d
R
+ 1 1 . 0
0. 1 0. 0+ 11 +
75 0.
2802
Doorsnede C
7. 00
n e l a t es d n a a t s e b n e s t a a l tp r o o -0.01 p m 7 6 , d1 e e r b
0.06+
Doorsnede D
as
R
0 . 1 8 +
Stalen leuning brug
perceel grens
0.07+
7 1 . 0 -0.02
1. 85+
0. 11 +
0.00
R 1 0. 00 R 6. 00
+ 4 0 . 0
0. 15 +
7. 50
0 . 0 1 0.02+
0.0.16+ 11 +
0. 75
0.05+
-4.80
Stalen damwand, bekleed met houten planken
as
1. 20
-9.60
Beschoeiing 3 2 . 0 -
0.06+
6. 00
0 . 0 3 +
0.07+
R 1 0. 00
0.05+
0.12+
Struiken, hoogte 1,50 - 2,00m
0.03+
3. 50
berging
0 . 0 8 +
5020
perceel grens
-0.17
Aaneengesloten perkoenpalenrij naaldhout ø140mm, lang 4m
-3.80
Gras Tuin
3 3
-0.14
28 01
6. 00
+ 2 0 . 0
0 . 1 9
R 10 . 00
0. 07+
0. 10 +
Damwand AZ12-700 lang 9,5m
Lichtmast, lichtpunthoogte 4m, zonder uithouder Armatuur: Innilumis Mini Nicole LED Moonlight 10W
0 . 2 0
-0 . 01
+
Aaneengesloten perkoenpalenrij naaldhout ø140mm, lang 3m
Opsluitband beton 100x200 mm, grijs
Water
0. 10 +
. 15 +
Gronddicht doek
Trottoirband beton 130/150x250 mm, grijs
2 . 4 0 0 . 2 0 -
-0.17
5. 00
0
-3.0
-0.28
+ 5 0 . 0 0
. -0.26 11 + 5 0 . 0
0 . 2 6
0 . 1 7 -0.23-
0. 75
0. 90+
0. 11 +
-2.30
Brugdek, kunststof planken -2.3
-0.38 0 . 1 0 -
-0.38
-1.80
Betonstraatstenen KF zwart, elleboogverband
0 . 3 2
Aanbrengen grond
wp=-0.64
Betontegels 300x300 mm, rood
5642 0 . 1 0 -
-0.39
0. 05 +
-6.9
0.10+
-0.41
C
A
11. 00
-6.9
0.20
5 planken Azobé 200x50 mm
Asfaltverharding, kleur zwart
-0.39
2 . 0 0
-6.7
SPU
0 . 3 0
B r u gA
1.25
Perceelnummer Nieuwe erfgrens
3. 50
0. 10-
5020
0 . 1 0 0 . 1 0 --0.33
3. 00
Kadastrale grens o.b.v. grensreconstructie kadaster op 15-12-2017
1. 85+
0. 80-
0 . 1 0 -
1. 80-
-0. 30
0. 90+
0. 43+
3 . 4 5 0 . 2 0 -
Bestaande maaiveldhoogte Kadastrale grens
-4.6
25 1.
-0. 02 0. 27+
-0. 59
5770
o p n e e mb a g r e e d e e l t ev a nd eb r u g
0. 19 +
-3.5
3 1
7 . 5 0 7 . 0 0
0. 17+
U P
S 0 . 2 8 +
Ou d eR i j n
5769
0. 40 +
4 . 0 0
0 . 2 8 + 0 . 2 8 +
0. 39+
4248
3. 50
2. 00
0. 25+
3895
-0.28
0 . 2 8 + 0 . 2 8 +
W a t e r l e l i e
AR
0 0 . 2
0. 30+
R
0. 22+
0. 28+
1 2
Bestaande boom
0. 35+
0. 28+
3561
-0. 54
0. 17+
0. 18+
-2.2
3216
+0.15
+0,11
+0,10
perceel
Trapelement beton, grijs 1000x220x1000 mm repeteer
+0,11 +0.15
+0.15
+0,11
perceel
Principedoorsnede fietspad
Principedoorsnede trap
Schaal1:50
Schaal1:50
Situatie Schaal1:200
3.35 0.175
Opneembare gedeelte van de brug 1.25
4.00
7.50
3.00
0.175
0.08 0.07
2.40
Stalen koker 80x40x4 mm
11.50 0.15 3.35
0.08 0.07
+2.90 3.00 +2.60 +2.35 +2.00
Stalen strip 60x10mm
0. 55
Kunststof dekplanken d=50mm (fiberline o.g.) met slijtlaag
0.15
0.50
2.05
Leuningwerk en brugliggers kleur RAL7021 (zwartgrijs)
0.50
Afwateringsgat ø15mm h.o.h. 1,5m 0. 29
0. 1 8
0. 24
Dwarsligger rondom vastlassen
0. 26
0. 05
0. 29 0. 04
Leuningstijl rondom vastlassen
IPE160
3.05
0. 03
0. 40
3.50
Leuningwerk en brugliggers kleur RAL7021 (zwartgrijs)
0. 25
-1.80
-1.80
0. 15
Dwarsligger IPE160
0. 26
Hoofdligger IPE240 -0.90
0. 03
-0.64
wp=-0.64
1 . 39
1 . 36
1 . 36 Kunststof dek d=50mm Met slijtlaag
3.50
1 . 10
1 . 10
0. 29
Stalen buis ø60,3x4
0.17
+0.15
3,00x1,20
7.00
0.61
1 . 25
-0.30
Stalen buis ø60,3x4
0. 55
+0.61
pvr
0. 55
2. 20
1 . 10
2. 26
2. 00 Hoofdligger IPE240
8 : 1
Stalen stijl T=20mm 0.90
1 : 8
+0.28
Stalen koker 80x40x4 mm
2.00
+0.90
8 : 1
0. 55
Stalen stijl T=20mm
IPE240
Doorsnede A-A
Dwarsdoorsnede brug A
Principedoorsnede brug
Detail leuning
Schaal1:50
Schaal1:50
Schaal1:20
Schaal1:20
0
250mm
500mm
500mm
1.000mm
1.250mm
2.500mm
Opneembare gedeelte van de brug 3.72
9.29
3.72
3.35
16.72 5.49
SCHAAL 1:10
3.00 5.74
5.49
+3.45
0
+3.15 +2.95
2.95
+2.85 1 . 60
SCHAAL 1:20
+2.60 2. 30
1 . 10
+2.35
+1.85
1.85 0. 29
2. 20
Hoofdligger IPE240
8 : 1
1.56
SCHAAL 1:50
1 : 8
+1.56
0
pvr
1 : 8
4,00x2,20
+0.20
5m
10m
Opmerkingen; SCHAAL 1:200 - materiaalmaten in millimeter; - hoogtematen in meters t.o.v. NAP; - maatvoering in meters; - juridische kadastrale grenzen kunnen afwijken van de digitale kadastrale kaart.
2. 20
8 : 1 +0.15
0
-0.25 -0.64
wp=-0.64
G
GEMEENTE KATWIJK
F
DORPSWEIDE
E
-1.80
-1.80
D
Definitief ontwerp
C
Fietspad Waterlelie - Dorpsweide Situatie, doorsneden en details
B
A
Wijzigingen
Doorsnede B-B
Dwarsdoorsnede brug B
Postbus 12205
Schaal1:50
Schaal1:50
Telefoon 020 312 55 55
1101 BA Amsterdam Zuidoost
Telefax
057 069 73 44
Getekend
Ing. C.W. Kerkhof
Gecontroleerd
Ir. D.J. Biron
Goedgekeurd
Ir. D.J. Biron
Datum
01-06-2021
Schaal
1:200/50/20/10
124688-2001 Formaat
A0
II BIJLAGE: COÖRDINATIEBESLUIT
Witteveen+Bos | 124688/21-019.129 | Bijlage II | Definitief 04
g^atwijk Raadsbesluit Kenmerk
: 1549692
Programma
: Sport, cultuur en recreatie : Toepassen coördinatieregeling Wro op procedures fietsverbinding Waterlelie ■ Dorpsweide Valkenburg (Botenpad)
Onderwerp
De raad van de gemeente Katwijk; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Katwijk van 10 december 2019; gelet op artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening;
BESLUIT
De coördinatieregeling als bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wro van toepassing te verklaren op het bestemmingsplan en alle uitvoeringsbesluiten voor de fietsverbinding Waterlelie - Dorpsweide te Valkenburg.
Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Katwijk in zijn openbare vergadering van 16 januari 2020 De griffier
De voorzitter
III BIJLAGE: LUCHTKWALITEITSONDERZOEK
Witteveen+Bos | 124688/21-019.129 | Bijlage III | Definitief 04
NOTITIE
Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Luchtkwaliteitsonderzoek Langzaam verkeerroute Gemeente Katwijk 112421 Definitief 03 14 januari 2021 112421/21-000.582 ir. E. Logemann ing. S. Veenstra, V. Meulenberg MSc ir. D.J. Biron
Paraaf
Bijlage(n)
Gegevens emissieberekeningen Emissieberekeningen NOX Invoergegevens Geomilieu Resultaten verspreidingsberekening
Aan
Gemeente Katwijk Witteveen+Bos
Kopie
1
J.J. Jonker, F. Grant D.J. Biron, mevrouw M.J. Janssen
INLEIDING
In de gemeente Katwijk is een nieuwe doorgaande fiets- en wandelroute ontwikkeld langs de Oude Rijn. In deze langzaam verkeersverbinding ontbreekt echter een belangrijke schakel, ter hoogte van het Botenpad. Voor de realisatie van de langzaam verkeersverbinding worden diverse mobiele werktuigen ingezet die NO 2 en fijnstof (PM 10 en PM2,5) uitstoten. Voor het opstellen van het bestemmingsplan dienen de effecten van het project op de luchtkwaliteit in kaart te worden gebracht. Het onderhavig document toetst aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Dit onderzoek betreft alleen de aanlegfase van het fietspad. De gebruiksfase van het fietspad veroorzaakt geen emissies: gemotoriseerde voertuigen zijn niet toegestaan. Om die reden geldt de aanlegfase als maatgevend. In deze notitieversie zijn de kengetallen voor stikstofdioxide gewijzigd ten gevolge van de nieuwste wetenschappelijke inzichten van TNO en het RIVM en zijn de uitgangspunten in lijn met de geactualiseerde rapportage stikstofdepositie.
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Koningin Julianaplein 10, 12e etage | Postbus 85948 | 2508 CP Den Haag | +31 (0)70 370 07 00 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751
Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied
2
WETTELIJK KADER
2.1
Wet milieubeheer
De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit Europese richtlijnen en is vastgelegd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Artikel 5.16, 1ste lid geeft de grondslagen waarmee kan worden onderbouwd dat een plan aan de eisen met betrekking tot luchtkwaliteit voldoet: - het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden; - ten gevolge van het project is sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of de concentratie blijft gelijk; - het plan draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat de projectbijdragen NO2 en PM10 maximaal 3 % van de jaargemiddelde grenswaarde bedragen, oftewel maximaal 1,2 μg/m3. Wanneer een plan voldoet aan één of meerdere van de bovenstaande grondslagen, vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor realisatie van het plan.
2.2
Grenswaarden
De concentraties van stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM 10 en PM2,5) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de normen. In tabel 2.1 zijn de grenswaarden voor deze stoffen samengevat. Aan de grenswaarden van de overige stoffen uit titel 5.2 van Wet milieubeheer wordt ruim voldaan.
Tabel 2.1 Grenswaarden NO 2, PM10 en PM2,5 uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer Stof
Criterium
NO 2
jaargemiddelde concentratie
40
uurgemiddelde concentratie (mag maximaal 18 keer per jaar worden overschreden)
200
jaargemiddelde concentratie
40
PM10
2|5
Witteveen+Bos | 112421/21-000.582 | Definitief 03
Grenswaarde (µg/m 3)
Stof
PM2,5
Criterium
Grenswaarde (µg/m 3)
etmaalgemiddelde concentratie (mag maximaal 35 keer per jaar worden overschreden)
50
jaargemiddelde concentratie
25
In dit onderzoek wordt alleen getoetst aan de grenswaarden uit tabel 2.1.
3
UITGANGSPUNTEN
3.1
Algemene omschrijving van werkzaamheden
De werkzaamheden betreffen de aanlegwerkzaamheden van het fietspad en de constructie van de brug. Hiervoor is de inzet van enkele mobiele werktuigen vereist. De mobiele werktuigen betreffen een heistelling, rupskraan en een graafmachine. Daarnaast is ook de aan- en afvoer van gronden noodzakelijk. Hiervoor worden vrachtwagens ingezet. Als rekenjaar is 2020 gehanteerd. De aanlegfase duurt enkele weken.
3.2
Bepalen van de emissies
Bij het berekenen van de emissies voor NO 2 is rekening gehouden met het onderscheid tussen emissie bij belasting en emissie bij stationair draaien. Om tot de totale emissie te komen, wordt de emissie bij stationair draaien en de emissie bij belasting bij elkaar opgeteld. Conform onderstaande formule wordt de emissie bij belasting berekend: emissie bij belasting = vermogen x inzet x belasting x emissiefactor / 1000 Waarbij geldt: - emissie bij belasting = emissie van het werktuig (g NO x/jaar) of (g NH 3/jaar); - vermogen = het gemiddelde volle vermogen van het werktuig (kW); - inzet = het gemiddelde aantal uren dat het werktuig per jaar wordt ingezet (uur/jaar); - belasting = de fractie van het volle vermogen dat daadwerkelijk wordt gebruikt tijdens belasting (%) ; - emissiefactor = emissiefactor tijdens belast draaien (g/kW). De emissie bij stationair draaien wordt op de volgende manier berekend: emissie bij stationair draaien = stationaire draaiuren x emissiefactor x cilinderinhoud / 1000 Waarbij geldt: - emissie bij stationair draaien = emissie van het werktuig (g NO x/jaar) of (g NH 3/jaar); - stationaire draaiuren = aantal draaiuren stationair (uur/jaar); - emissiefactor = emissiefactor tijdens stationair draaien per liter cilinderinhoud (gram/liter/uur); - cilinderinhoud= cilinderinhoud (liter), met: cilinderinhoud = vermogen / 20.
De belasting en emissiefactoren van het mobiele werktuig zijn afkomstig van TNO 1. De emissiefactor is gebaseerd op de emissiestandaard (STAGE-klasse) en het vermogen van het werktuig.
1
TNO getallen voor AERIUS 2020v6 mobiele werktuigen, TNO, 16 oktober 2020.
3|5
Witteveen+Bos | 112421/21-000.582 | Definitief 03
Een overzicht van de in te zetten mobiele werktuigen en het aantal draaiuren is aangeleverd door de opdrachtgever. De vermogens zijn gebaseerd op soortgelijke voertuigen die binnen andere projecten van Witteveen+Bos. Voor de luchtkwaliteitsberekeningen is uitgegaan van STAGE IIIB werktuigen. De emissiefactoren voor STAGE IIIB zijn identiek aan die van STAGE IV. Alleen de kentallen voor NO x zijn hoger1. In deze notitie zijn de emissieberekeningen aangepast op basis van de nieuwste inzichten van TNO voor de emissiekengetallen van NOx. De emissiefactoren voor stof zijn niet geactualiseerd door TNO en derhalve wijzigen de uitgangspunten niet. De emissie van stof is bepaald aan de hand van de belasting, emissiefactor en TAF-factor voor mobiele werktuigen die afkomstig zijn uit het Emissiemodel Mobiele Machines 2.
Tabel 3.1 geeft het overzicht weer van de verschillende emissies ten gevolge van de inzet van mobi ele werktuigen. De uitgangspunten zijn overgenomen uit het stikstofdepositieonderzoek d.d. 14 januari 2021 2020 met referentienummer 112421/21-000.581. Voor de concentratie PM 2,5 wordt uitgegaan van dezelfde concentratie als PM 10. Deze benadering geldt als een conservatieve worstcase.