CConstaterende datKatwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

14. Bijlage 1. Bestemmingsplan Fietspad Waterlelie - Dorpsweide - toelichting (2775359)

Raad 17 februari 2022, gemeente KatwijkBij agendapunt: Bestemmingsplan fietspad Waterlelie-Dorpsweide29.546 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

25 | 39

Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden de bomen gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten. In de bomen aan de oostzijde van het plangebied, die in het kader van de langzaam verkeerroute gekapt moeten worden, werden ten tijde van het veldbezoek geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. De bomen en struiken binnen het plangebied bieden geschikt nestgelegenheid voor verschillende algemeen voorkomende broedvogels. Tijdens het veldbezoek werd een nest van houtduif vastgesteld. Het voorkomen van algemeen voorkomende broedvogels in en nabij het plangebied gedurende het broedseizoen is dan ook aannemelijk. Effecten en conclusies Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (art. 3.1 Wnb). In de mogelijk te kappen bomen zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig. Wel zijn op een afstand van 1 km jaarrond beschermde nesten van buizerd, huismus en sperwer aanwezig. De werkzaamheden laten deze nesten echter ongemoeid en zijn op een voldoende grote afstand van deze nesten. Van een vernietiging, aantasting of verstoring van jaarrond beschermde nesten als gevolg van de werkzaamheden is dan geen sprake.

De aanwezige bomen en struiken binnen het plangebied alsook de weilanden en akkers in de (wijdere) omgeving van het plangebied bieden een geschikt broedbiotoop voor verschillende algemeen voorkomende broedvogelsoorten. Werkzaamheden in het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) kunnen leiden tot verstoring van broedende vogels nabij het plangebied. Verstoring treedt op door aanwezigheid van mensen en materiaal, trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing hiervoor is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Als werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden, moet een deskundige vaststellen of er broedende vogels aanwezig zijn in of rondom het plangebied.

Wanneer wordt geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. In het geval dat er wel broedende vogels aanwezig zijn, dient te worden bepaald of er significante verstoring plaatsvindt. Wanneer verstoring van wezenlijke invloed aan de orde is, zijn in sommige gevallen maatregelen mogelijk waardoor werkzaamheden (deels-) kunnen door gaan. Een mogelijkheid is bijvoorbeeld door binnen een ruime zone rondom het betreffende broedgeval (buiten de verstoringscontour) geen werkzaamheden te laten plaatsvinden. De grootte van de verstoringscontour is afhankelijk van de vogelsoort. Wanneer verstoring van het broedgeval onvermijdelijk is, dan mag er pas worden gestart met de verstorende werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden.

5.2.5

Amfibieën en reptielen

Bureaustudie Op basis van de NDFF-database [lit. 3] zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van enkele algemeen voorkomende amfibiesoorten zoals bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Voor het verstoren van deze bijlage A-soorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling.

26 | 39

Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief

Wat betreft niet-vrijgestelde onder de Wnb beschermde amfibiesoorten zijn in de wijdere omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van rugstreeppad en boomkikker (afbeelding 5.7). De boomkikker werd eenmaal waargenomen op circa 1,9 km ten zuidwesten van het plangebied, net op de grens van het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’. Hier werd tevens de rugstreeppad verschillende keren waargenomen, alsook eenmalig op circa 450 m ten zuiden van het plangebied. Andere niet-vrijgestelde onder de Wnb beschermde amfibiesoorten werden in de omgeving van het plangebied in de afgelopen vijf jaar niet waargenomen. Deze soorten komen dan ook voor in zeer specifieke biotopen. Zo zijn ze te vinden in heidevennen (heikikker) en voedselarme en schone wateren in hoogveengebieden (poelkikker). Van belang voor al deze soorten is tevens de aanwezigheid van voortplantingswater met structuurrijke oevers. Beschermde reptielsoorten werden in de omgeving van het plangebied in de afgelopen vijf jaar niet waargenomen. Deze soorten komen dan ook voor in zeer specifieke biotopen zoals heiden en hoogveengebieden (levendbarende hagedis en adder), houtwallen en (spoor)wegbermen (hazelworm), zonbeschenen, oude stenen muren (muurhagedis) en structuurrijke oevers (ringslang).

Afbeelding 5.7 Waarnemingen van de afgelopen vijf jaar van beschermde amfibieën in de nabijheid van het plangebied [lit. 3]1

De biotoopeisen van boomkikker en rugstreeppad zijn in onderstaand kader beschreven [lit. 8]. Boomkikker De boomkikker plant zich voort in visvrije, zonnig gelegen en matig voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie. Buiten de voortplantingstijd leven boomkikkers op het land en ook tijdens de voortplantingstijd zitten ze overdag vaak in de oevervegetatie of aangrenzend struweel. Ze

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

27 | 39

Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief

overwinteren op het land. De boomkikker heeft een voorkeur voor het landschapstype ‘bos en struweel’ en stelt hoge eisen aan zijn leefgebied. Als landhabitat zijn vooral zonnig gelegen zoom- en mantelvegetaties, vegetaties van meerjarige kruiden en braamstruwelen van belang. Rugstreeppad De rugstreeppad komt voor in open, zandige gebieden zoals duinen, open rivieroevers, stuifzanden en heidevelden. Ook op industrieterreinen, militaire oefenterreinen en in zandgroeves. Ze hebben een voorkeur voor dynamische milieus en verschijnen vaak als eerste in nieuw ontstane biotopen als afgravingen en opgespoten land. Een echte pionierssoort. Voor de voortplanting worden meestal ondiepe, vegetatiearme, tijdelijke kleine wateren gebruikt. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werd een waarneming gedaan van vrijgestelde, doch onder de Wnb beschermde amfibiesoort gewone pad (afbeelding 5.8). Er werden geen waarnemingen gedaan van onder de Wnb beschermde reptielsoorten. Ter hoogte van de oever van de Rijn nabij het plangebied, is wel geschikt leefgebied aanwezig voor algemeen voorkomende amfibiesoorten (bijlage A-soorten Wnb) zoals bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker.

Door het ontbreken van zandige terreinen met hoge dynamiek, structuurrijke oevers, bos en struweel, is het plangebied en haar directe omgeving niet geschikt voor niet-vrijgestelde amfibiesoorten zoals boomkikker en rugstreeppad. Het voorkomen van deze soorten kan hier worden uitgesloten.

Afbeelding 5.8 Waarneming van gewone pad

28 | 39

Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief

Effecten en conclusies De aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibiesoorten in de omgeving van het plangebied zoals bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker (allen bijlage A-soorten), is op basis van waarnemingen en het aanwezige biotoop niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt echter een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wnb (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van ruimtelijke ingrepen. Vervolgstappen zijn niet nodig. Wel geldt de zorgplicht. Het voorkomen van niet-vrijgestelde onder de Wnb beschermde amfibiesoorten of reptielsoorten binnen de grenzen van het plangebied is, gezien de afstand tot de bekende populaties in de omgeving en het ontbreken van een geschikt biotoop, uit te sluiten. Negatieve effecten op deze soortgroepen zijn zodoende bij voorbaat uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

5.2.6

Vissen

Bureaustudie Volgens de NDFF-database [lit. 3] zijn in de afgelopen vijf jaar geen waarnemingen bekend van onder de Wnb beschermde vissoorten in of nabij het plangebied. Binnen de Habitatrichtlijn zijn alleen de vissoorten houting en steur beschermd. Dit zijn beiden trekvissen van grote wateren (zee, rivieren). Deze soorten migreren doorgaans door diep en open water. Binnen het soortenbeschermingsregime ‘Andere soorten’ zijn alleen de vissoorten beekprik, elrits, gestippelde alver, beekdonderpad, kwabaal en grote modderkruiper beschermd. Dit zijn soorten van zuurstofrijke, schone en stromende wateren (beekprik, elrits, gestippelde alver, beekdonderpad, kwabaal) of verlandende wateren (grote modderkruiper) [lit. 3, 8]. Veldbezoek Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig voor onder de Wnb beschermde vissoorten (zuurstofrijk, schoon stromend water of verlandende wateren, grote rivieren, et cetera). De aanwezige waterlopen zijn smal, rechtgetrokken, nutriëntrijke sloten met een zeer steile en tevens beschoeide oever en zeer beperkte oevervegetatie (afbeelding 5.9).

29 | 39

Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief

Afbeelding 5.9 Eén van de haarvaten in het plangebied

Effecten en conclusies Bij gebrek aan geschikt biotoop is het voorkomen van onder de Wnb beschermde vissoorten binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op deze soortgroep als gevolg van het voornemen zijn daarmee tevens uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.

5.2.7

Vlinders, libellen en andere ongewervelden

Bureaustudie Op basis van de NDFF-database [lit. 3] zijn in de omgeving van het plangebied in de afgelopen vijf jaar waarnemingen bekend van twee onder de Wnb beschermde vlindersoorten aardbeivlinder en de grote vos en de habitatrichtlijnsoort platte schijfhoren. Van beide vlindersoorten is slechts één waarneming bekend, ten noordwesten van het plangebied op een afstand van 2 km. De Habitatrichtlijnsoort platte schijfhoren werd tweemaal waargenomen in landbouwgebied ten zuidwesten van het plangebied (afbeelding 5.10). Andere ongewervelden zoals beschermde dag- of nachtvlinders werden in de directe omgeving van het plangebied niet waargenomen. Deze beschermde soorten worden voornamelijk gevonden in en rondom

30 | 39

Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief

natuurgebieden in schrale vochtige biotopen, in moerassen, bosranden en bloemrijke graslanden. Een belangrijke voorwaarde voor het voorkomen van dagvlinders is het voorkomen van waardplanten [lit. 9]. Ook ongewervelden zoals libellen werden in de directe omgeving van het plangebied niet waargenomen. Als landbiotoop hebben libelsoorten de voorkeur voor gebieden met veel beschutting zoals bosranden, houtwallen, zonnige bospaden, ruige graslanden en open rietlanden. Een belangrijke factor is dat libellen voor het grootste deel van hun levenscyclus afhankelijk zijn van natte elementen. De aanwezigheid van beken en rivieren, vennen en hoogveen, laagveenmoerassen, plassen, poelen, sloten, kanalen of vijvers in bebouwde omgeving is dan ook cruciaal. De onder de Wnb beschermde libelsoorten zijn tevens zeldzaam in Nederland en komen voor in een aantal zeer specifiek biotopen zoals voedselarme vennen op zandgronden of laagveenmoerassen (gevlekte witsnuitlibel, oostelijke witsnuitlibel, Noordse winterjuffer), beschutte oevers rond water met een rijke submerse vegetatie (sierlijke witsnuitlibel), traagstromende beken en rivieren (bronslibel) of grote rivieren met een bodemsubstraat van kiezels of grof zand (gaffellibel). Ook zijn er soorten die gebonden zijn aan een specifiek vegetatie zoals een dichte krabbenscheermat (groen glazenmaker) [lit. 9].

Afbeelding 5.10 Waarnemingen van de afgelopen vijf jaar van onder de Wnb beschermde ongewervelden in de nabijheid van het plangebied [lit. 3]1

De biotoopeisen van deze soorten zijn in onderstaand kader beschreven [lit. 9]. Aardbeivlinder Geschikte droge gebieden zijn droge graslanden, zeeduinen, heiden, lage pioniersvegetaties, kapvlakten en schrale zomen langs bosranden. De vegetatie is er laag en de waardplanten groeien in een hoge dichtheid (vijf tot twintig planten per m2). Zo wordt in de duinen dauwbraam met kruipende uitlopers gebruikt die

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

31 | 39

Witteveen+Bos | 112421/19-012.230 | Definitief

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11159913/1