1. Bijlage Ontwerp programmabegroting 2022 Gemeenschappelijke regeling VRHM ontvangen op 25 maart 2021 (1901457)
Tekst van het document
2.6.5
Risico’s
Taakdifferentiatie: Onder invloed van de WNRA en veranderende Europese regelgeving is er in opdracht van het Veiligheidsberaad een notitie opgesteld over de (juridische) positie van de vrijwilliger bij de brandweer. Dit heeft effect op onze bedrijfsvoering omdat aanstellingen,
taken en de verdeling van specialismen anders georganiseerd (moeten) worden. Naast een financiële component kan dit een grote weerslag hebben op de beschikbare capaciteit. Het tweede loopbaanbeleid (maximaal contact 20 jaar) heeft tot gevolg dat de uitstroom van personeel versneld plaatsvindt. De volledige 20 jaar wordt niet vol gemaakt, wat vervolgens leidt tot meerkosten voor opleiden, training en werving. Daarnaast kunnen de effecten van de investering minder lang worden geconsumeerd. Door corona is er in 2020 en 2021 een groter verschil tussen instroom en uitstroom van personeel ontstaan. In 2019 zijn aanvullende middelen gevraagd om het eerdere verschil op te heffen. Doordat er minder is opgeleid in 2020 en 2021, er minder is geworven, maar de uitstroom door is gegaan is dit verschil alleen maar toegenomen. We verwachten in 2022 een grote opleidingsbehoefte. Daarnaast kan de onderbezetting op lokaal niveau een ‘dip’ in de paraatheid opleveren, omdat de beperkende maatregelen inmiddels zijn opgeheven. Dit heeft vermoedelijk een negatief effect op de beschikbaarheid van mensen in de dag situatie. In 2022 start de aanbesteding voor de software van het Landelijk Meldkamersysteem. Hierbij wordt gestreefd naar landelijke uniformiteit.
Op regionaal niveau bestaat er binnen de brandweer behoefte aan flexibiliteit en de mogelijkheid tot sturing op de inrichting van het meldkamersysteem. Er ligt een risico in route naar standaardisering vs. de wenst tot flexibiliteit Een wezenlijk risico is overbelasting van de organisatie door een combinatie van corona gerelateerde werkzaamheden en doorgeschoven noodzakelijke werkzaamheden uit 2020 en 2021. Bij het schrijven van deze tekst is de duur en de impact van de coronapandemie nog niet inzichtelijk. Het is echter aannemelijk dat dit van invloed is op onze plannen en prestaties.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
52
2.6 Programmataak Brandweerzorg
In 2022 rollen we de zelfstandige kazerne verder uit. Dat wil zeggen dat de visie, de opgestelde kaders en de afspraken over het gewenste kwaliteitsniveau rondom de zelfstandige kazerne daadwerkelijk leiden tot ruimte voor lokale invulling. Het thema samen- en zelfredzaamheid en de zelfstandige kazerne worden in 2022 op onderdelen aan elkaar verbonden.
2.6 Programmataak Brandweerzorg
2.6.6
Raming van de lasten Brandweerzorg
Brandweerzorg
Realisatie
Begroting
Begroting (in €)
2020
2021
2022
Exploitatiebaten
-54.979
-57.159
(bedragen x € 1.000,00)
Meerjarenramingen 2023
2024
2025
-57.379.179
-57.380
-57.380
-57.380
Gemeentelijke bijdrage
-47.391
-49.704
-50.120.277
-50.120
-50.120
-50.120
Rijksbijdrage (BDUR)
-6.313
-6.149
-6.320.102
-6.321
-6.321
-6.321
Subsidies en Overige bijdragen
-1.275
-1.306
-938.800
-939
-939
-939
Exploitatielasten
27.337
28.947
29.184.272
29.183
29.183
29.183
Salarislasten
20.140
19.531
20.084.472
20.084
20.084
20.084
Opleiden en Oefenen
1.525
1.979
1.966.400
1.966
1.966
1.966
Mobiliteit
3.653
4.121
3.767.000
3.767
3.767
3.767
Personele Functionele Uitrusting
1.290
2.295
2.090.400
2.090
2.090
2.090
729
1.021
1.276.000
1.276
1.276
1.276
27.337
28.947
29.184.272
29.183
29.183
29.183
448
-259
-150.000
-150
-150
-150
27.785
28.688
29.034.272
29.033
29.033
29.033
Overige lasten Geraamde saldo baten en lasten Onttrekking reserves Storting reserves Geraamde resultaat
De afname in subsidies en overige bijdragen wordt veroorzaakt door het wegvallen van de subsidie Externe Veiligheid en een afname van detacheringsvergoedingen vanwege uitstroom gedetacheerd personeel.
De stijging onder overige lasten hangt samen met toekomstige kapitaallasten. Een deel van de materiële index is hiervoor gereserveerd. In 2022 is dit nog incidentele ruimte, maar naar de toekomst toe zal dit worden ingezet als dekking voor stijgende kapitaallasten, vanwege de diverse vervangingsinvesteringen.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
53
2.7 Programmataak Bedrijfsvoering
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
54
Aad Oosterlee / Bedrijfsvoering
‘Meer grip op onderhoud’ Kunnen we dat aantal leveranciers terugdringen? En tegelijkertijd ook scherp definiëren wat we precies aan onderhoud en van onze leveranciers verwachten? Daarvoor is het nodig dat we meer aan de voorkant komen. Nu betalen we vaak rekeningen als het werk gedaan is. Beter is als we van tevoren in kaart brengen wat we precies beogen qua onderhoudsniveau en welk werk er dan moet worden gedaan tegen welke kosten. Dat kan vast slimmer, goedkoper en eenvoudiger dan we nu doen.”
‘Contracten tegen het licht’
‘Huisvestingsplan’ “Meer in control komen op het gebied van huisvesting: dat is een belangrijke opgave waar we komende tijd voor staan. Want we lopen nu nog te veel achter de feiten aan. Niet zozeer waar het onze eigen panden betreft, maar vooral bij de panden die wij huren van anderen. Om meer in control te komen zijn we een visie op huisvesting aan het ontwikkelen. Die visie moet uiteindelijk resulteren in een huisvestingsplan en een meerjarig onderhoudsplan.”
‘Meer aan de voorkant’ “Hoe zorgen we ervoor dat onze gebouwen op tijd een nieuwe lik verf krijgen, dat onze liften werken zoals ze moeten, dat de dakbedekking op onze gebouwen in orde is en dat alle installaties in die panden goed onderhouden worden? Om dat soort vragen gaat het dan. We hebben op onze locaties te maken met heel veel verschillende partijen die allemaal iets aan onderhoud doen.
“Dat betekent ook dat we meer zullen gaan overleggen met onze partners. Wanneer gaan we precies welk onderhoud doen? Wat is noodzakelijk en wat kan wel even wachten? Leveranciers worden dan ook meer contractpartners die met ons meedenken. Ook is het nodig dat we de huidige contracten tegen het licht houden. Als die er al zijn, want ook dat is niet altijd het geval. Wat zijn – als er geen contract is - precies de afspraken die gemaakt zijn? Dat is een simpele vraag, maar het antwoord kom ik niet altijd tegen. Dat moet en kan beter.”
‘Heldere contracten’ “Natuurlijk is het niet zo dat we ons werk niet kunnen doen als de kachel er een keer mee stopt of als we tegen een afgebladderde deurpost aan kijken. Maar het zorgt wel voor veel ‘gedoe’. Als we dat kunnen voorkomen, dan profiteren we daar allemaal van. Bovendien kunnen we kostentechnisch en in tijd winst boeken als we ons onderhoud slimmer organiseren. Met minder partijen, duidelijke afspraken en heldere contracten.”
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
55
2.7 Programmataak Bedrijfsvoering Wat doen wij
De uitvoering van onze wettelijke taken als veiligheidsregio kan niet zonder de ondersteuning vanuit de sector Bedrijfsvoering. De sector Bedrijfsvoering levert een belangrijke bijdrage aan het realiseren van ons beleidsplan. Een aantal ontwikkelingen binnen bedrijfsvoering is ondersteunend aan c.q. randvoorwaardelijk voor de uitvoering van het beleidsplan. Gelet op de veiligheidsregio-taakuitvoering door verschillende organisaties, is deze paragraaf alleen van toepassing op de organisatie en medewerkers van de Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio Hollands Midden. De sector Bedrijfsvoering is verantwoordelijk voor het hoofdproces Ondersteunen van de organisatie. De sector heeft een belangrijke adviserende, ondersteunende en ontwikkelende rol in het kader van integraal management richting onze leidinggevenden, de managementteams en het directieteam. Binnen de sector zijn de volgende taken/bedrijfsprocessen ondergebracht: ■ Het ontwikkelen en beheren van P&O-beleid en –instrumenten en het beheren en voeren van de personeels- en salarisadministratie (personeelsmanagement). ■ Het beheren en voeren van de financiële administratie en controleren en rapporteren van alle financiële gegevens, processen en transacties (financieel management).
■ Het ontwerpen en onderhouden van informatiearchitectuur, ondersteunen van gegevensgebruik, het leveren van informatievoorzieningsdiensten, en ondersteunen van het ICT-gebruik en de ICT-projecten (informatiemanagement). ■ Het specificeren, selecteren, contracteren, bestellen en bewaken van de levering van een product of dienst waar uiteindelijk een externe factuur tegenover staat (inkoop- en contractmanagement).
■ Het coördineren en uitvoeren van de interne en externe
communicatie ten behoeve van de corporate communicatie (communicatiemanagement). ■ Het intern verlenen van diensten, ter beschikking stellen, plannen, investeren in en onderhouden van de huisvestingsfaciliteiten die nodig zijn voor de ondersteuning van de VRHM activiteiten (facilitairmanagement).
2.7.3
Wat gaan we oppakken
Wij werken aan duurzaamheid van materieel, materiaal en mensen In het kader van duurzaamheid kijken wij naar onze gebouwen, onze voertuigen, onze materialen en het bijbehorende inkoopen aanbestedingsbeleid. Waar mogelijk, gelet op onze specifieke taakuitvoering en de budgettaire mogelijkheden, stappen wij bij vervanging of renovatie over op duurzame varianten. In de tussenliggende tijd inventariseren wij welke andere mogelijkheden er zijn om een bijdrage te leveren aan een duurzame samenleving. Op basis van de in 2021 opgestelde visie op duurzaamheid worden in 2022 belangrijke stappen gezet in het verduurzamen van onze bedrijfsvoering. Deze visie is ook verwerkt in de nieuwe strategische visie op huisvesting. Wij hebben vakmensen in dienst en zonder hun betrokken en deskundige inzet is onze taakuitvoering niet mogelijk. Daarom werken we ook aan hun duurzaamheid, zodat zij nu en in de toekomst gezond, veilig, gemotiveerd, competent en productief hun werk kunnen doen. Van onze medewerkers verwachten wij vitaliteit, vakbekwaamheid, integriteit en motivatie.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
56
2.7 Programmataak Bedrijfsvoering
2.7.2
Samen met het ontwikkelprogramma voor onze mensen binnen de VRHM-academie zal bijdragen aan een slagvaardige en transparante organisatie. Onderdeel van deze ontwikkeling is ook het uitvoeren van een visie op kwaliteitszorg in 2022. Het leervermogen van de organisatie zal toenemen door het ontwikkelen en toepassen van nieuwe evaluatiemethodieken.
Wij werken aan een wendbare organisatie
Wij werken aan een presterende organisatie Woorden omzetten in daden. Van beleid naar uitvoering; en weer terug. Wij versterken ons proces- en projectmatig werken, zodat wij slagvaardig en transparant zijn in het uitvoeren van onze taken en dit beleidsplan.
Wij zijn een lerende organisatie. Wij luisteren naar onze omgeving en leren van eventuele fouten. Dit doen wij niet alleen door het borgen van de evaluatiefunctie en het opzetten van een kwaliteitszorgsysteem, maar ook door leren te stimuleren, kennis te ontwikkelen, te delen en toe te passen. Om een presterende organisatie te zijn binnen een veranderende en complexere omgeving is het belangrijk dat wij ons kennis- en expertiseniveau bij de tijd houden en onze advieskracht versterken. Hiervoor investeren wij in onze medewerkers en in middelen die hen hierbij helpen. Op basis van de stappen die we in 2021 hebben gezet in het versterken van het project- en procesmatig werken, zullen deze manieren van werken in 2022 meer en meer gemeengoed worden.
Onze organisatie, werkwijzen en middelen moeten zich steeds vaker en sneller aanpassen aan veranderende omstandigheden en verwachtingen. Dit betekent dat wij in staat moeten zijn om hierop snel en flexibel in te kunnen spelen. Het stelt extra eisen aan inzicht in en anticipatie(mogelijkheden) op mogelijke veranderingen in onze organisatie, werkwijzen en middelen. Wij werken aan een verdere digitalisering van onze werkprocessen, waarbij wij niet alleen om redenen van bedrijfsvoering maar zeker ook als crisisorganisatie, ons bewust zijn van het belang van continuïteit van onze systemen. In 2021 is gewerkt aan de doorontwikkeling van de strategische personeelsplanning. Op basis van deze inzichten en systematiek wordt in 2022 gericht beleid ontwikkeld op mobiliteit en diversiteit. In 2020 is het meerjaren beleidsplan Informatiemanagement opgesteld. Op basis van dit beleidsplan wordt in 2022 invulling gegeven aan het verstevigen van onze informatiepositie, het versterken van het informatie gestuurd werken en het meer datagedreven werken. Uiteraard blijven we hierbij werken aan onze informatieveiligheid. In 2020 zijn we gestart met het tussentijds evalueren van ons organisatieplan.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
57
2.7 Programmataak Bedrijfsvoering
Ook in 2022 investeren we in onze mensen op basis van het ontwikkelprogramma. Via de VRHM-academie geven we invulling aan gerichte ontwikkeling van onze mensen en daarmee van onze organisatie. Onze zorg voor het veilig kunnen werken van en door onze mensen geven we invulling door het uitrollen van een nieuw veiligheidssysteem RI&E. Het tweede loopbaanbeleid voor 24 uurs medewerkers vergt ook in 2022 een zorgvuldige uitwerking.
Nieuwe ontwikkelingen
2.7.5
De verwachte nieuwe ontwikkeling die niet in het Regionaal Beleidsplan 2020-2023 is opgenomen is de oprichting van de werkgeversvereniging Samenwerkende veiligheidsregio’s. In 2021 zullen voorbereidingen worden getroffen met als doel de formele oprichting per 1 januari 2022. De overgang naar een arbeidsvoorwaardenregeling veiligheidsregio’s is uiterlijk per 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de CAR-UWO van kracht, met ondersteuning van de VNG. Samen met de oprichting van de werkgeversvereniging zal er een landelijk expertisecentrum worden opgericht met als doel ondersteuning van de verschillende veiligheidsregio’s bij diverse (landelijke) dossiers (w.o. de oprichting werkgeversvereniging). De corona-pandemie zal naar verwachting ook op een aanzienlijk deel van 2021 z’n weerslag op diverse aspecten gaan hebben. Dit zal naar alle waarschijnlijkheid ook effect gaan hebben op de realisatie van de in het Regionaal Beleidsplan 2020-2023 geformuleerde doelen. In 2022 zullen we daarom versterkt invulling gaan geven aan en extra voortgang moeten boeken op de gestelde doelen uit het Regionaal Beleidsplan 2020-2023. Vanaf 2022 komen we mogelijk weer in de situatie dat we terug kunnen naar de oude situatie, maar zullen we meer ‘hybride’ gaan werken: de werknemer kiest een (flexibele) combinatie van werken op kantoor en vanuit huis.
De nadruk in 2022 zal naar alle waarschijnlijkheid liggen op het in al z’n facetten goed implementeren van het ‘nieuwe werken’ na deze corona-periode.
Risico’s
Het is onzeker wat de gevolgen van de corona-periode op personeelsgebied zijn. Mogelijk gaan we in 2022 de na-ijleffecten van de corona-periode op personeelsgebied zien en heeft dit uitval van medewerkers tot gevolg. Hiermee wordt bedoeld dat we het risico lopen dat medewerkers, nadat ze in de negativiteit van de corona-periode zowel thuis als op het werk continue ‘onder druk’ hebben gestaan om alles te managen, de effecten van deze periode lichamelijk en geestelijk gaan merken en tot klachten gaat leiden. Als gevolg van de corona-periode is er beperkt voortgang geboekt op de doorontwikkeling van de organisatie. Dit moet worden gecontinueerd. Het niet door ontwikkelen van de organisatie/ medewerkers zorgt er mogelijk voor dat doelstellingen uit het RBP 2020-2023 niet of maar gedeeltelijk worden gehaald. Naast risico’s zien we ook een kans. Na de corona-periode is de naamsbekendheid van de Veiligheidsregio’s toegenomen. Een aanname is dat dit ook gepaard gaat met een verhoging van het maatschappelijk vertrouwen in de Veiligheidsregio’s. Het is een kans om dit vertrouwen uit te bouwen en er voor te zorgen dat de ‘blos op de wangen’ van de Veiligheidsregio die nu is ontstaan ook werkelijk blijft bestaan of zelfs intenser wordt. Daar kunnen we ook vanuit bedrijfsvoering een steentje aan bijdragen.
Daarnaast zal het organisatie-ontwikkelprogramma ‘Samen Verder’ in 2022 verder worden ontwikkeld en worden vormgegeven. In de afgelopen periode is, als gevolg van corona, op dit onderdeel beperkt voortgang geboekt.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
58
2.7 Programmataak Bedrijfsvoering
2.7.4
Raming van de lasten Bedrijfsvoering
Bedrijfsvoering
Realisatie
Begroting
Begroting (in €)
(bedragen x € 1.000,00)
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Exploitatielasten
8.323
8.865
8.271.086
8.272
8.272
8.272
Meerjarenramingen
Salarislasten
782
772
887.000
887
887
887
Huisvesting
6.761
6.734
6.299.504
6.300
6.300
6.300
-
-
-
-
-
-
Informatiemanagement & ICT
Mobiliteit
666
1.050
791.682
792
792
792
Overige lasten
114
309
292.900
293
293
293
8.323
8.865
8.271.086
8.272
8.272
8.272
8.323
8.865
8.271.086
8.272
8.272
8.272
Geraamde saldo baten en lasten Onttrekking reserves Storting reserves Geraamde resultaat
De afname in de lasten van € 594.000 ten opzichte van het jaar 2021 wordt voornamelijk veroorzaakt door lagere lasten voor Huisvesting (€ 435.000) en Informatiemanagement &ICT (€ 258.000). De salarislasten nemen met € 115.000 toe tot € 887.000 en wordt veroorzaakt door een administratieve wijziging van een ICT-functie. Deze lasten waren in de Programmabegroting 2021 onder ‘Overhead’ verantwoord.
De oorzaak van de lagere huisvestingskosten is enerzijds de lagere schoonmaakkosten ( € 130.000). Eind 2020 is de schoonmaak opnieuw aanbesteed met lagere kosten als resultaat. Anderzijds zijn de begrote afschrijvingskosten van investeringen in 2022, als gevolg van de uitloop/ vertraging van geplande investeringen als LeidenSchipholweg en de verbouwing van het pand Leiden-Zuid en de GMK,. fors lager (€ 328.000).
2.7 Programmataak Bedrijfsvoering
2.7.6
2.8 Overzicht van de algemene dekkingsmiddelen 2.8 Overzicht van de algemene dekkingsmiddelen
De Algemene dekkingsmiddelen bestaan uit een drietal componenten, zijnde: Gemeentelijke bijdragen, Rijksbijdrage en overige bijdragen die zijn onder te verdelen in Subsidies en Overige baten.
Algemene dekkingsmiddelen Voorlopig
Begroting
Begroting (in €)
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Bijdragen
55.238
57.432
58.269.322
58.270
58.270
58.270
(bedragen in € 1.000,-)
Meerjarenramingen
Gemeentelijke bijdrage
48.859
51.217
51.883.220
51.883
51.883
51.883
Rijksbijdrage (BDUR)
6.379
6.215
6.386.102
6.387
6.387
6.387
Overige baten
1.802
1.306
938.800
939
939
939
TOTAAL
57.040
58.738
59.208.122
59.209
59.209
59.209
De procentuele verdeling van de Algemene dekkingsmiddelen bedraagt respectievelijk voor de Gemeentelijke bijdrage (87,63%), Rijksbijdrage (BDUR) (10,79%) en Overige baten (1,59%). Met name de overige baten laten een dalende tendens zien. Voor het begrotingsjaar 2022 wordt deze tendens niet gecompenseerd door een extra verhoging van de gemeentelijk bijdrage en blijft de stijging van de gemeentelijke bijdrage beperkt tot de door de Werkgroep Financiële Kaderstelling voor gestelde indexatie systematiek tot welke is besloten in de ABvergadering van 18 februari 2021 door vaststelling van de Begrotingsuitgangspunten 2022-2025.
Overzicht baten naar soort baten x € 1.000,00
60.000 50.000 40.000 30.000 20.000 10.000 2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Jaren
Gemeentelijke bijdrage
Rijksbijdrage (BDuR)
Overige baten
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
60
2.8 Overzicht van de algemene dekkingsmiddelen
2.8.1
Gemeentelijke bijdragen
Gemeentelijke bijdrage (bedragen x € 1.000,00) Brandweer & Risicobeheersing
Realisatie
Begroting
Begroting (in €)
2020
2021
2022
2023
2024
2025
47.391
49.704
50.120.277
50.120
50.120
50.120
Meerjarenramingen
Bevolkingszorg
609
628
635.690
636
636
636
Meldkamer
59
886
1.127.253
1.127
1.127
1.127
Gemeentelijke bijdrage
859
51.217
51.883.220
51.883
51.883
51.883
De indexering is in de Algemeen Bestuur vergadering van 18 februari 2021 op grond van de Begrotingsuitgangspunten 2022 conform de richtlijnen van de Werkgroep Financiële Kaderstelling vast gesteld. Het indexpercentage voor 2022 bedraagt een 1,30% verhoging, welke wordt toegepast op de gemeentelijke inwonersbijdrage. Het toegepaste percentage is hierbij gebaseerd op het gewogen gemiddelde van de indexcijfers beloning werknemers en netto materieel, zoals vermeld in de septembercirculaire 2020 van het Gemeentefonds. Naast de indexering kan de totale wijziging van de gemeentelijke bijdrage tevens uit exogene factoren zijn opgebouwd. Voor het begrotingsjaar 2022 bestaat er geen aanleiding om op basis van exogene factoren de indexatie aan te passen.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
61
Bijdrage 2021 volgens Begroting 2021
Gemeente
Alphen aan den Rijn
Correcties Programmabegroting 2022
aantal inwoners 1-1-2020
%-verdeling 2022 obv Sept circ ‘20
Brandweer -en Crisisbeheersing
Meldkamer Hollands Midden
Bevolkingszorg
Totaal bijdrage obv Programma begroting 2022
111.897
13,0%
6.403.154
122.791
86.866
6.612.811
Herverdeling Gecorrigeerde Herverdeling van Brandweer bijdrage obv naar en RisicoProgramma Meldkamer beheersing begroting 2021
31.902
-31.902
6.612.811
GMK (oud)
Oranje Kolom (oud)
Index: 1,3 %
Brandweer en Risicobeheersing
Meldkamer Hollands Midden
Bevolkingszorg
Totaal geïndexeerde bijdrage 2021
85.967
6.454.493
156.290
87.995
6.698.778
Bodegraven-Reeuwijk
34.872
4,4%
2.193.978
38.046
26.904
2.258.928
9.885
-9.885
2.258.928
29.366
2.212.615
48.425
27.254
2.288.295
Gouda
73.427
9,3%
4.619.113
80.580
57.226
4.756.919
20.935
-20.935
4.756.919
61.840
4.658.226
102.563
57.970
4.818.758
Hillegom
22.209
2,4%
1.188.499
23.787
17.001
1.229.287
6.180
-6.180
1.229.287
15.981
1.197.769
30.276
17.222
1.245.267
Kaag en Braassem
27.297
3,4%
1.721.502
29.688
21.035
1.772.224
7.713
-7.713
1.772.224
23.039
1.736.169
37.787
21.308
1.795.264
Katwijk
65.753
7,1%
3.469.410
72.775
51.468
3.593.653
18.908
-18.908
3.593.653
46.718
3.495.604
92.629
52.137
3.640.371
Krimpenerwaard
56.319
6,6%
3.312.997
62.201
44.028
3.419.226
16.160
-16.160
3.419.226
44.450
3.339.906
79.170
44.600
3.463.676
Leiden
125.099
20,4%
10.116.408
139.575
98.627
10.354.610
36.263
-36.263
10.354.610
134.610
10.211.658
177.652
99.909
10.489.220
Leiderdorp
27.056
3,3%
1.654.570
30.671
21.636
1.706.877
7.969
-7.969
1.706.877
22.189
1.668.110
39.038
21.918
1.729.066
Lisse
22.955
2,8%
1.416.736
25.705
18.118
1.460.559
6.678
-6.678
1.460.559
18.987
1.428.476
32.717
18.354
1.479.547
Nieuwkoop
28.811
3,2%
1.562.126
31.357
22.263
1.615.746
8.147
-8.147
1.615.746
21.005
1.574.287
39.912
22.552
1.636.751
Noordwijk
43.508
5,7%
2.920.869
47.433
33.646
3.001.948
12.324
-12.324
3.001.948
39.025
2.946.516
60.373
34.083
3.040.972
Oegstgeest
24.840
2,6%
1.312.754
26.535
18.828
1.358.118
6.894
-6.894
1.358.118
17.656
1.322.926
33.774
19.073
1.375.773
Teylingen
37.440
3,9%
1.958.803
40.523
28.787
2.028.113
10.528
-10.528
2..113
26.365
1.973.739
51.579
29.161
2.054.478
Voorschoten
25.596
2,7%
1.351.709
28.569
20.191
1.400.468
7.422
-7.422
1.400.468
18.206
1.361.859
36.362
20.453
1.418.674
Waddinxveen
29.291
3,1%
1.485.433
29.311
21.164
1.535.908
7.615
-7.615
1.535.908
19.967
1.497.129
37.307
21.440
1.555.875
Zoeterwoude
8.605
1,4%
660.044
9.430
6.672
676.147
2.450
-2.450
676.147
8.790
666.175
12.003
6.759
684.937
Zuidplas
43.885
4,7%
2.356.114
46.665
33.073
2.435.852
12.124
-12.124
2.435.852
31.666
2.374.619
59.396
33.503
2.467.518
Eindtotaal
808.860
100%
49.704.220
885.642
627.532
51.217.394
230.098
-230.098
51.217.394
665.827
50.120.277
1.127.253
635.690
51.883.220
In bovenstaand overzicht staat de gemeentelijke bijdrage per gemeente verantwoord inclusief de effecten van de indexatie van de gemeentelijke bijdrage voor de programmabegroting 2022 een rol hebben gespeeld. De gemeentelijk bijdragen zijn per gemeente als bovenstaand tot stand gekomen en bedragen per gemeente voor het begrotingsjaar 2022. De meerjarige effecten van de inwonersbijdrage zijn verantwoord in bijlage 5.1.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
62
2.8 Overzicht van de algemene dekkingsmiddelen
Verdeelsleutels
Geïndexeerde bijdrage 2022
Brede Doel Uitkering Rampenbestrijding (BDUR)
Subsidies en Overige baten
De financiering vanuit de Brede Doel Uitkering kent haar eigen prijs en looncompensatie systematiek kent. Deze wordt bepaald op basis van het schrijven van het Ministerie van Justitie en Veiligheid d.d. 9 november 2020. Rijksbijdrage (BDUR) (bedragen x € 1.000,00) Meldkamer
Voorlopig Begroting Begroting (in €)
2020
2021
Meerjarenramingen
2023
2022
2024
2025
-
-
-
-
-
-
Bevolkingszorg
66
66
66.000
66
66
66
Brandweerzorg
6.313
6.149
6.320.102
6.321
6.321
6.321
Rijksbijdrage (BDUR)
6.379
6.215
6.386.102
6.387
6.387
6.387
Voorlopig Begroting Begroting (in €)
(bedragen x € 1.000,00)
2020
2021
2022
Meerjarenramingen
2023
2024
2025
Meldkamer
-30
-
-
-
-
-
Risico -en Crisisbeheersing
-484
-
-
-
-
-
Bevolkingszorg
-13
-
-
-
-
-
Brandweerzorg
-618
-1.306
-938.800
-939
-939
-939
Directie & staf
-542
-
-
-
-
-
Bedrijfsvoering
-115
-
-
-
-
-
-1.802
-1.306
-938.800
-939
-939
-939
Subsidies en Overige bijdragen
De Overige bijdragen in deze programmabegroting 2022 kent onderstaande verdere onderverdeling: De bijdrage uit de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding van € 66.000,- dient ter gedeeltelijke dekking van de salarislasten van de coördinerend functionaris Bureau Gemeentelijke Crisisbeheersing binnen de programmataak Bevolkingszorg. Naast de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding van € 6,27 miljoen voor de programmataak Brandweerzorg begroot Brandweerzorg tevens een bijdrage van € 50.000,- ten behoeve van USAR trainingen en mogelijke inzetten.
2.8.3 Overige bijdragen De Impulsgelden Externe Veiligheid die voor een bedrag van € 80.000,in de Programmabegroting 2021 waren opgenomen zijn met ingang van de Programmabegroting 2022 komen te vervallen. Deze verlaging wordt budgettair opgevangen.
Overige baten Detachering van personeel aan derden Uitkeringen werknemersverzekeringen Bijdrage Hoogteassistentie RAVHM Bijdrage STH Huuropbrengsten GMK Bijdragen van derden en overig
€ 248.000,€ 100.000,€ 99.000,€ 57.000,€ 44.000,€ 75.000,-
Subsidies
€ 315.800,-
Bijdrage 25Kv Teams
€ 938.800,-
TOTAAL:
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
63
2.8 Overzicht van de algemene dekkingsmiddelen
2.8.2
2.9 Kosten van de overhead
Overhead naar Programma taak
Voorlopig Begroting Begroting (in €)
Meerjarenramingen
(bedragen in € 1.000,-)
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Brandweerzorg
2.408
2.591
2.697.200
2.697
2.697
2.697
Risico -en Crisisbeheersing
582
583
591.200
591
591
591
Bevolkingszorg
81
67
64.700
65
65
65
Meldkamer
Dat betekent dat tot de bijbehorende kosten van onderstaande onderdelen tot de overhead worden gerekend en in dit overzicht moeten worden opgenomen: Brandweerzorg, Risico- en Crisisbeheersing: ■ Managementondersteuning primair proces Directie & Staf: ■ Juridische zaken ■ Bestuurszaken en bestuursondersteuning Bedrijfsvoering: ■ Financiën, toezicht en controle organisatie ■ Personeel en organisatie ■ Inkoop ■ Interne en externe communicatie ■ Informatievoorziening en automatisering PIOFACH ■ Facilitaire zaken en huisvesting (incl. beveiliging) ■ Documentaire informatievoorziening (DIV)
-
-
-
-
-
-
Directie & staf
1.864
2.412
2.331.500
2.332
2.332
2.332
Bedrijfsvoering
6.778
7.080
6.900.109
6.900
6.900
6.900
TOTAAL
11.711
12.732
12.584.709 12.585 12.585 12.585 Overhead naar categorie
Overhead in % van de totale begroting
21,2%
21,6%
21,2% 21,2% 21,2% 21,2%
Het procentuele aandeel van Overhead in relatie tot de totale lasten is gedaald van 21,6% naar 21,3 % voor de komende jaren. De definitie van overhead omvat naast alle loonkosten van de zogenaamde PIOFACH-functies, tevens de aan de PIOFACH-systemen gerelateerde ICT-kosten, PIOFACH gerelateerde huisvestingskosten, de uitbestedingskosten bedrijfsvoering en naar rato de rentekosten die niet zijn toe te delen aan de taakvelden in het primaire proces.
(bedragen in € 1.000,-) Huisvesting (kantoor) Salarissen Overige personele kosten
Realisatie Begroting Begroting (in €)
2020
2021
Meerjarenramingen
2023
2022
2024
2025
3
191
193.632
194
194
194
8.127
9.072
8.887.500
8.888
8.888
8.888
631
545
516.700
517
517
517
ICT
1.549
1.314
1.437.335
1.437
1.437
1.437
Overige kosten
1.402
1.610
1.549.542
1.550
1.550
1.550
11.711
12.732
12.584.709 12.586 12.586 12.586
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
64
2.9 Kosten van de overhead
Onderstaande tabellen geven een inzicht in de verdeling van de Overhead over de Programmateken en anderzijds de verdeling naar kostencategorie.
2.10 Heffing van de vennootschapsbelasting
2.11 Onvoorzien De Programmabegroting 2022 kent geen aparte post Onvoorzien.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
65
2.11 Onvoorzien
2.10 Heffing van de vennootschapsbelasting
Met ingang van 2016 is de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsorganisaties ingevoerd. Overheidsorganisaties zijn belastingplichtig voor zover er sprake is van een onderneming. Het effect is in de afgelopen jaren met ondersteuning van fiscaal specialisten in landelijke netwerkgroepen voor veiligheidsregio’s in kaart gebracht en afgestemd met de belastingdienst. Daaruit blijkt de VRHM op basis van een door BDO beoordeeld onderzoek over 2016 niet als Vennootschapsbelasting plichtig wordt aangemerkt. Daarna is en wordt jaarlijks onderzocht of er additionele activiteiten zijn verricht in het betreffende boekjaar die eventueel wel Vpb-plichtig zijn. Tot nu toe is dat niet het geval gebleken.
3. Paragrafen
3. Paragrafen
3. Paragrafen 3.1 Lokale heffingen Deze paragraaf is binnen de Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio Hollands Midden niet van toepassing.
3.2 Weerstandsvermogen en risicobeheersing De VRHM wenst de risico’s die van invloed zijn op de bedrijfsvoering beheersbaar te maken. Door inzicht in deze risico’s kan de organisatie in staat worden gesteld om op verantwoorde wijze besluiten te nemen, zodanig dat de huidige risico’s en de toekomstige risico’s in verhouding staan tot de vermogenspositie van de organisatie. De Veiligheidsdirectie van VRHM en het directieteam van BHM staan voor de huidige beleidsplanperiode (VRHM 2020-2023) opnieuw voor de uitdaging om een goed beeld te vormen over de mate waarin VRHM de risico’s op het gebied van de interne beheersing van de organisatie onder controle heeft. Dit is ook een doelstelling van het Regionaal Beleidsplan 2020-2023 ‘Veiligheid in samenhang’.
Inventarisatie van de weerstandscapaciteit Uit de inventarisatie zijn in totaal 3 risico’s in beeld gebracht, deze risico’s worden gaan zien als een potentieel substantieel risico.
Algemene Reserve (bedragen x € 1.000,00)
01-01-2021
Dotatie
Begroting
Begroting in €
Onttrekking Realisatie 31-12-2021 01-01-2022
Dotatie
Algemene Reserve
932
-
-
Totaal Algemene Reserve
932
-
-
-
Meerjarenramingen
Onttrekking 31-12-2022 01-01-2023
+/-
31-12-2023 01-01-2024
+/-
31-12-2024 01-01-2025
+/-
31-12-2025
932
931.517
-
-
931.517
932
-
932
932
-
932
932
-
932
932
931.517
-
-
931.517
932
-
932
932
-
932
932
-
932
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
67
Inventarisatie van de risico’s Uit deze inventarisatie zijn in totaal 3 (hoofd)risico’s in beeld gebracht, deze risico’s worden gezien als een potentieel substantieel financieel risico. Meerkosten die samenhangen met de taken van de veiligheidsregio (financieel risico ingeschat op € 400.000) In 2020 zijn de veiligheidsregio’s geconfronteerd met extra kosten in verband met het bestrijden en beheersen van COVID-19. De specifieke meerkosten COVID-19 in boekjaar 2020 voor VRHM bedroegen € 381.980. Veiligheidsregio’s kunnen de meerkosten van COVID-19, onder saldering van minder uitgaven, declareren bij VWS. Indien declaratie van meerkosten voor de bestrijding en beheersing van een pandemie, maar meer in het algemeen meerkosten die samenhangen met de taken van de veiligheidsregio niet mogelijk is, draagt de veiligheidsregio het financieel risico zelf. Cyber- en digitale verstoringen (financieel risico ingeschat op € 0,25 € 0,5 mln.) Een van de hedendaagse nieuwe risico’s wordt gevormd door cyberen digitale verstoringen. Tussen 2017-2020 hebben zich diverse cyberaanvallen en digitale verstoringen voorgedaan in Nederland, bijvoorbeeld de cyberaanval op de Veiligheidsregio Noord- en OostGelderland (VNOG) in september 2020.
De afhankelijkheid van digitale systemen is zó groot geworden dat aantasting van deze systemen kan leiden tot een ontwrichting van de organisatie. Cyber-verstoringen hebben een forse impact op getroffen organisaties. Andere expertise is nodig, de dynamiek is anders in vergelijking met klassieke (niet-digitale) incidenten. Eigen risico onverzekerbare aanspraken (personele) ongevallenverzekeringen (financieel risico ingeschat op € 0,5 - 1 mln.) Veiligheidsregio’s worden in toenemende mate geconfronteerd met beperkte verzekerbaarheid, dekking en sterk gestegen premies van ongevallenverzekeringen. Daarnaast is gebleken dat veiligheidsregio’s een aantal zaken niet verzekerd hebben, die sterk samenhangen met de werkzaamheden van met name het repressief personeel. Hierdoor sluiten de verwachtingen en de afhandeling van claims niet altijd op elkaar aan. De verzekering is immers vooral een afdekking van het risico van de werkgever in plaats van de aanspraak van de medewerker. Veiligheidsregio’s kunnen daarbij dus geconfronteerd worden met financiering van niet verzekerbare aanspraken indien wordt uitgegaan van de werkelijke schade (m.n. bij overlijden en blijvende invaliditeit), waarbij het inkomen van de benadeelde het uitgangspunt (‘Goedwerkgeverschap na dienstongevallen’) vormt.
Landelijk heeft dit bijgedragen aan de gedachte dat verzekeren ‘slechts’ een van de mogelijke opties is om financiële risico’s als gevolg van schade bij ongevallen op te vangen. In feite is daarmee de stap gezet van ‘verzekeringsdenken naar risicodenken’. Ook is de stap van ‘verzekeringsdenken naar het denken in aanspraken’: niet de verzekering, maar de aanspraak dient leidend te zijn voor de medewerker. Om invulling te geven aan deze uitdagingen is de RCDV (Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio’s) het Project ‘Risicomanagement & Verzekeringen’ gestart.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
68
3. Paragrafen
De Algemene reserve wordt aangehouden ter dekking van specifieke risico’s en als buffer voor kleine financiële tekorten. Op grond van de komende risico-inventarisatie wordt de “Nota Reserves en Voorzieningen 2020 -2023” ter besluitvorming in de vergadering van het Algemeen Bestuur voor gelegd. Besluitvorming gaat, indien dit noodzakelijk blijkt, tevens gepaard met de bijbehorende begrotingswijzigingen.
Alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie. De beschikbare weerstandscapaciteit van Veiligheidsregio Hollands Midden bestaat uit het geheel aan middelen dat de organisatie daadwerkelijk beschikbaar heeft om de risico’s in financiële zin af te dekken. Deze bestaat uit de Algemene Reserve. Per ultimo 2020 bedroeg de Algemene Reserve € 932.322. Voorgesteld wordt deze stand voor de periode 2021-2023 als benodigde weerstandsvermogen, dus omvang van de Algemene Reserve, vast te stellen.
Beleid omtrent weerstandscapaciteit en de risico’s Het weerstandsvermogen (artikel 11 BBV) is de relatie tussen:
Weerstandscapaciteit
Realisatie
(alle bedragen x € 1.000,00)
2020
Begroting Begroting (in €) 2021
Meerjarenramingen 2023
2022
2024
2025
Algemene Reserve
(1)
932
932
931.517
932
932
932
Bestemmingsreserves
(2)
4.841
4.841
4.582.876
4.433
4.280
4.130
Stille reserves
(3)
-
-
-
-
-
-
Te bestemmen resultaat
(4)
2.151
-
-
-
-
-
Onvoorzien
(5)
-
-
-
-
-
-
3.083
932
931.517
932
932
932
Voorlopig
Begroting
Begroting
2020
2021
2022
2023
2024
2025
3,36
1,01
1,01
1,02
1,02
1,02
Totaal Weerstandscapaciteit (1+4+5)
Ratio Weerstandsvermogen
Weerstandsvermogen
Meerjarenramingen
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
69
3. Paragrafen
De weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover VRHM beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken;
Voor de verzekerbare aanspraken is het de bedoeling om één collectieve ongevallenverzekering in te kopen. Voor wat betreft de onverzekerbare aanspraken wordt gekeken naar de mogelijkheid om deze in gezamenlijkheid te gaan dragen. Hiervoor zou een fonds kunnen worden opgericht, waaruit de onverzekerbare risico’s kunnen worden betaald.
Om te bepalen of de beschikbare weerstandscapaciteit toereikend is, dient de relatie te worden gelegd tussen de beschikbare weerstandscapaciteit enerzijds, en anderzijds de financieel gekwantificeerde risico’s en de daarvoor benodigde weerstandscapaciteit. De beschikbare weerstandscapaciteit kan worden afgezet tegen de benodigde weerstandscapaciteit die uit de risicosimulatie voortvloeit. De uitkomst van die berekening vormt het weerstandsvermogen: Huidige weerstandsvermogen = Beschikbare weerstandscapaciteit =
€ 932.322
=
1,0
Benodigde weerstandcapaciteit € 932.322
Waardering
Weerstandvermogen Ratio
Betekenis
A
> 2.0
Uitstekend
B
> 1.4 < 2.0
Ruim voldoende
C
> 1.0 < 1.4
Voldoende
D
> 0.8 < 1.0
Matig
E
> 0.6 < 0.8
Onvoldoende
F
< 0.6
Ruim Onvoldoende
Waarderingstabel weerstandsvermogen (tabel ontwikkeld door NARIS/ Universiteit Twente
De normtabel die NARIS hanteert is ontwikkeld in samenwerking met de Universiteit Twente. Het biedt een waardering van het berekende ratio. De ratio van de VRHM valt in klasse C. Dit duidt op voldoende weerstandsvermogen.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
70
Bestemmingsreserves (bedragen x € 1.000,00)
Begroting 2022( in €)
Begroting 2021 01-01-2021
Samenwerken loont
419
Multieteam / LCMS
37
Dotatie
-
Onttrekking 31-12-2021
-108
01-01-2022
311
310.865
37
36.957
Dotatie
-
Onttrekking
-
Meerjarenramingen
31-12-2022
01-01-2023
310.865
311
36.957
37
+/-
-
31-12-2023 01-01-2024
311
311
37
37
+/-
-
31-12-2024 01-01-2025
311
311
37
37
+/-
-
31-12-2025
311 37
Kwaliteitsprojecten
137
-
-
137
137.231
-
-
137.231
137
-
137
137
-
137
137
-
137
Flankerend beleid
627
-
-
627
626.800
-
-
626.800
627
-
627
627
-
627
627
-
627
Taakstelling CEBEON
466
-
-
466
466.045
-
-
466.045
466
-
466
466
-
466
466
-
466
Nieuwe brandweerconcepten
250
-
-
250
250.000
-
-
250.000
250
-
250
250
-
250
250
-
250
Reserve Meldkamer Hollands Midden 2.055
-
-150
-
-150.000 1.754.977 1.755
-150
-150
-150
1.305
1.905
1.904.977
1.605
1.605
1.455
1.455
Reserve FLO Gouda
725
725
725.401
725.401
725
725
725
725
725
725
Reserve FLO overgangsrecht
125
125
124.600
124.600
125
125
125
125
125
125
Totaal bestemmingsreserves
4.841
4.583
4.582.876
4.283
4.283
4.133
4.133
-
-258
-
-150.000 4.432.876 4.433
-150
-150
De bestemmingsreserves zijn opgebouwd ter financiële dekking van projecten en incidentele lasten. Op basis van de nieuwe “Nota Reserves 2021 – 2023” wordt nader door het Algemeen Bestuur besloten welke onttrekking en dotaties de komende jaren zullen worden verricht.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
71
-150
3.983
3. Paragrafen
Bestemmingsreserves
Voorzieningen (bedragen x € 1.000,00)
Begroting (in €)
Begroting 01-01-2021
Dotatie
Onttrekking 31-12-2021
Groot onderhoud
890
44
-
Tweede loopbaanbeleid bezwarende functies
180
84
Functioneel Leeftijd Ontslag (FLO) reparatie *)
7.208
Totaal voorzieningen
8.278
Meerjarenramingen 31-12-2022
01-01-2023
+/-
-21.233
950.229
950
21
971
971
-
971
971
-
971
-49.000
324.987
325
26
351
351
-165
186
186
-114
72
7.015.230
- -551.688 6.463.542 6.464
-540
5.924
5.924
-588
5.336
5.336
-567
4.770
8.206.341
154.338 -621.921 7.738.758 7.739
-493
7.246
7.246
-753
6.493
6.493
-681
5.813
01-01-2022
Dotatie
Onttrekking
927
927.374
44.088
-
264
263.737
110.250
-
-193
7.015
128
-193
8.206
31-12-2023 01-01-2024
+/-
31-12-2024 01-01-2025
+/-
31-12-2025
Groot onderhoud
Tweede loopbaanbeleid bezwarende functies
In de huisvestingsvisie 2021-2030 worden de volgende onderwerpen nader uitgewerkt: ■ Naar een strategisch huisvestingsplan ■ de toekomstige ontwikkelingen; ■ van huidige naar toekomstige huisvesting met onderwerpen: - het hybride-werken; - duurzaamheid.
Ter ondersteuning in de begeleiding van het brandweerpersoneel dat na beëindiging van hun 20-jarig contract andere werkzaamheden binnen of buiten de organisatie wil gaan verrichten, wordt momenteel een voorziening getroffen ter financieel dekking van deze begeleiding. Het is bekend over welke personeelsleden het zich hierbij handelt en op basis van landelijke financiële gemiddelden wordt deze voorziening getroffen.
De duurzaamheidsambitie voor de gehele organisatie is vastgelegd en er is een stappenplan geschreven voor het verduurzamen van het vastgoed. Dit stappenplan start in 2021 onder andere met het verduurzamen van het MJOP en een nulmeting van de CO-2 footprint. Uiteindelijk leidt het tot een MJOP met onderhouds- en verduurzamingsmaatregelen waarmee mee- en toegewerkt wordt naar de organisatie-brede duurzaamheids-ambitie en wettelijk voorgeschreven doelstellingen.
Functioneel Leeftijd Ontslag Ter dekking van toekomstige uitbetaling van de vergoeding voor functioneel leeftijd ontslag op grond van de gewijzigde afspraken voor brandweerpersoneel is deze voorziening met ingang van 2019 opgevoerd. Op basis van de verdere uitwerking van de afspraken is in 2020 de exact benodigde onttrekking voor de komende jaren per jaar nader bepaald. De duur van de verplichtingen aan het brandweerpersoneel zal tot en met het jaar 2047 zijn beslag krijgen.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
72
3. Paragrafen
Voorzieningen
3.3 Onderhoud kapitaalgoederen
3. Paragrafen
Uitgangspunten van het beleid Ten minste eens in de vier jaar wordt het meerjarenonderhoudsplan (MJOP) voor gebouwen in eigendom geactualiseerd om de aanpassing van de jaarlijkse storting in de voorziening groot onderhoud gebouwen vast te stellen. Bij begroting en jaarstukken doet het DB verslag over voortgang van gepland onderhoud aan bedrijfsgebouwen en de financiële gevolgen van de actualisering van het MJOP. De kazernes komen zoveel mogelijk volledig in eigendom of er worden afspraken gemaakt om alleen de casco’s van kazernes te huren waarbij alle installaties in eigendom komen van de VRHM.
Onderhoudslasten kapitaal goederen (bedragen in € 1.000,-) Gebouwen Vervoersmiddelen Persoonlijke functionele uitrusting
Realisatie
Begroting
Begroting (in €)
2020
2021
2022
Meerjarenramingen 2023
2024
2025
570
604
836.174
836
836
836
1.220
1.230
1.049.900
1.050
1.050
1.050
227
253
255.800
256
256
256
2.017
2.087
2.141.874
2.142
2.142
2.142
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
73
3. Paragrafen
Meerjarenonderhoudsplan De VRHM is sterk afhankelijk van de inzet van haar huisvesting en materieel. Het is noodzakelijk om het risico van uitval te beperken door garanties en zekerheden in te bouwen. Eén van de zekerheden ontlenen wij aan het meerjarig in beeld brengen van de onderhoudskosten van objecten.
Meerjaren Investerings Plan (bedragen x € 1.000,00)
Begroting
Begroting (in €)
2021
2022
Meerjarenramingen 2023
2024
2025
Nieuwbouw
-
3.075.000
-
-
-
Renovaties en inrichting
-
-
-
-
-
Totaal Gebouwen
-
3.075.000
-
-
-
Voertuigen
1.997
5.970.380
5.850
6.320
3.900
Bepakking
-
783.650
784
784
750
1.997
6.754.030
6.634
7.104
4.650
Kleding
-
328.000
-
-
-
Verbindingsmiddelen
-
-
440
50
523
Totaal Wagenpark
Ademlucht
-
-
2.830
-
-
Overig
371
-
-
-
-
Totaal Persoonlijke Functionele Uitrusting
371
328.000
3.270
50
523
Functioneel beheer
240
-
-
-
-
Informatie Technologie
735
870.000
100
-
-
Totaal Informatie Management
975
870.000
100
-
-
3.342
11.027.030
10.004
7.154
5.173
Totaal Meerjaren Investerings Plan
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
74
3. Paragrafen
Relevante ontwikkelingen Gebouwen De komende jaren worden gekenmerkt door een aantal nieuwbouwprojecten zoals Leiden-Noord, Driebruggen en Zwammerdam.
Vervoersmiddelen De komende jaren staat de VRHM voor een inhaalslag op het actueel krijgen van haar wagenpark. Binnen het wagenpark worden in de periode tot en met 2025 in totaal 45 tankautospuiten, 8 redvoertuigen, 4 hulpverleningsvoertuigen, 5 waterongevallen wagens, 2 IBGS-containers en diverse dienstauto’s en dienstbussen vervangen.
Persoonlijke functionele uitrusting Op het vlak van de persoonlijke functionele uitrusting wordt de nieuwe uitruk- en dienstkleding (€ 2,95 mln.) over de regio aanbesteed en uitgeleverd. Verder worden de blushandschoenen en pagers vervangen. De upgrade van het DBK-RIS systeem zal naar verwachting een investering van € 1,3 mln. vergen naast de vervanging van een aantal andere ict-systemen leidend tot een totale investeringsbehoefte voor 2021 van € 1,75 mln. Een gedetailleerd overzicht van het Meerjaren Investering Plan 2022 -2025 is terug te vinden in Bijlage 5.3
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
75
3.4 Financiering
3. Paragrafen
Algemeen De paragraaf Financiering geeft inzicht in de rentelasten, het renteresultaat, de financieringsbehoefte en hoe rente aan investeringen en taakvelden wordt toegerekend. Daarnaast wordt ingegaan op de wijze waarop VRHM inhoud geeft aan het Financieel Statuut. De doelstelling van de treasury functie is als volgt geformuleerd: ■ Het beheersen van de financiële risico’s zoals renterisico’s, liquiditeitenrisico’s en kredietrisico’s; ■ Het continu verzorgen van voldoende liquiditeit voor de organisatie; ■ Het minimaliseren van de rentekosten en het maximaliseren van de renteopbrengsten. Het Financieel Statuut vormt het kader voor het uitvoeren van de treasury functie onder de voorwaarden: ■ Geld op de rekening courant wordt per dag afgeroomd en uitgezet bij het Ministerie van Financiën op grond van de Regelgeving Schatkistbankieren voor decentrale overheden; ■ Het aantrekken van leningen geschiedt door een offerte aan te vragen bij meerdere financiële instellingen.
Kasgeldlimiet Het renterisico van schulden (rentetypische looptijd korter dan 1 jaar) wordt uitgedrukt middels de bepaling van de kasgeldlimiet. De beperking van het risico wordt door de wetgever bepaald door het stellen van een maximum van 8,2% van het begrotingstotaal per 1 januari van het dienstjaar waarin kort geleend mag worden. De korte rente kan namelijk grote afwijkingen hebben binnen een jaar. In de onderstaande tabel is de limiet voor VRHM in meerjarig perspectief geplaatst.
Kasgeldlimiet
Realisatie
Begroting
Begroting (in €)
Meerjarenramingen x € 1.000,-
(bedragen x € 1.000,00)
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Omvang van de begroting per 01-01
56.426
57.696
59.358.124
59.359
59.359
59.359
Toegestane kasgeldlimiet conform % BBV
8,20%
8,20%
8,20%
8,20%
8,20%
8,20%
Toegestane kasgeldlimiet in €
4.627
4.731
4.867.366
4.867
4.867
4.867
Binnen de VRHM sturen wij op de liquiditeit zodat de kasgeldlimiet niet overschreden wordt. Grote investeringen financieren we met langlopende leningen, zodat de korte vorderingen en verplichtingen in evenwicht blijven.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
76
3. Paragrafen
Renterisiconorm Het renterisico aangaande de renterisiconorm heeft betrekking op de contractuele renteherzieningen en de aflossingen op de vaste schuld (looptijd vanaf 1 jaar). Uit de tabel blijkt dat wij binnen de wettelijk vastgestelde renterisiconorm (20%) blijven. Dit monitoren wij blijvend. Indien overschrijding dreigt, faseren wij de investeringen. De komende jaren is er voldoende ruimte om de nieuwe en bestaande langlopende leningen af te lossen.
Renterisiconorm
Voorlopig
Begroting Begroting (in €)
Meerjarenramingen x € 1.000,-
(bedragen x € 1.000,00)
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Exploitatiebegroting 01-01
56.426
57.696
59.358.124
59.359
59.359
59.359
Renterisiconorm %
20%
20%
20%
20%
20%
20%
Renterisiconorm in €
11.285
11.539
11.871.625
11.872
11.872
11.872
Renteherzieningen Aflossingen bestaande leningen Aflossingen Meerjaren Investering Plan
-
-
-
-
-
-
-3.785
3.983
772.561
773
773
773
-
463
1.101.000
1.526
2.064
2.601
Renterisico
-3.785
4.446
1.873.561
2.299
2.836
3.374
Ruimte onder de renterisiconorm
15.070
7.093
9.998.064
9.573
9.036
8.498
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
77
3. Paragrafen
Stand der leningen en financieringspositie De leningenportefeuille dient ter financiering van de investeringen op het gebied van huisvesting (nieuwbouw en renovatie) en vervanging van het wagenpark (vervanging) die tot en met 2025 fors te worden uitgebreid.
Stand van de geldleningen
Realisatie
Leningenportefeuille per 01-01 (bedragen x € 1000,00)
2020
2021
Begroting Begroting (in €)
Meerjarenramingen x € 1.000,-
2022
2023
2024
2025
Bestaande leningen Stand per 1 januari
22.686
18.901
918.031
14.145
13.373
12.600
Te betalen aflossingen
-3.785
-3.983
-772.561
-773
-773
-773
Stand per 31 december
18.901
14.918
14.145.470
13.373
12.600
11.828
-
18.037.000
23.936
32.410
41.847
18.500
7.000.000
10.000
11.500
10.000
Meerjaren Investering Plan (bedragen x € 1.000,00) Stand per 1 januari Aan te trekken leningen
-
Te betalen aflossingen
-
-463
-1.101.000
-1.526
-2.064
-2.601
Stand per 31 december
-
18.037
23.936.000
32.410
41.847
49.246
22.686
18.901
32.955.031
38.081
45.783
54.447
-4
-4.446
-1.873.561
-2.299
-2.836
-3.374
Totaal overzicht geldleningen (bedragen x € 1.000,00) Stand per 1 januari Te betalen aflossingen Aan te trekken leningen
-
18.500
7.000.000
10.000
11.500
10.000
Stand per 31 december
22.682
32.955
38.081.470
45.783
54.447
61.073
-
-
-
-
-
-
Gemiddelde rente% bestaande leningen
1,36%
0,80%
0,74%
0,70%
0,64%
0,60%
Gemiddeld rente% Meerjaren Investering Plan
0,00%
0,21%
0,37%
0,38%
0,39%
0,42%
Rente Bestaande leningen
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
78
3. Paragrafen
Kengetallen Kengetallen financiële positie
Realisatie
Begroting
Begroting
2020
2021
2022
Meerjarenramingen 2023
2024
2025
Netto schuldquote
15,73%
44,96%
40,51%
36,10%
31,76%
42,73%
Netto Schuldquote (gecorrigeerd)
44,67%
44,96%
40,51%
36,10%
31,76%
42,73%
Solvabiliteitsratio
7,51%
5,21%
5,25%
5,48%
5,74%
5,69%
Structurele exploitatieruimte
3,32%
-0,43%
0,00%
0,00%
0,00%
0,00%
Netto schuldquote De schuldpositie van de VRHM wordt in de komende jaren vergroot met name door het investeren in de nieuwbouw Leiden-Noord (Schipholweg) en de in de planning staande vervanging van 45 tankautospuiten en 8 autoladders tot en met 2025.
Solvabiliteitsratio Het eigen vermogen in ratio naar het vreemde vermogen zal de komende jaren gaan dalen naar rond de 3,00%. Dit als gevolg van het aantrekken van vreemd vermogen ten behoeve van de vernieuwing van het wagenpark en enkele grote investeringen in verbouwingen en nieuwe kazernes zoals Leiden-Noord (Schipholweg) en Driebruggen en Zwammerdam.
Structurele exploitatieruimte De structurele exploitatieruimte geeft aan hoe groot de structurele exploitatieruimte is (structurele baten en lasten vergeleken met de totale baten). De structurele exploitatieruimte bedraagt -voor 2022- 0,00% en zal de komende jaren op dit niveau gehandhaafd blijven. De verwachting is dat de incidentele lasten de komende jaren zullen stabiliseren.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
79
3. Paragrafen
EMU-saldo Gemeenten, provincies en gemeenschappelijke regelingen zijn verplicht ramingen van het EMU-saldo te verstrekken over het voorafgaande jaar, het actuele jaar en het volgende jaar. Het EMU saldo gaat niet uit van baten en lasten, maar gaat uit van ontvangsten en uitgaven van de gemeente, berekend op transactiebasis en overeenkomstig de voorschriften van het Europese systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie. Als gevolg van Europese regelgeving mogen EU-lidstaten een begrotingstekort (EMU-saldo) hebben van maximaal 3% van het bruto binnenlands product (BBP). Aan dit maximale tekort van 3% hebben, naast de Rijksoverheid, ook de decentrale overheden een aandeel.
EMU-saldo
Begroting
Begroting in €
alle bedragen x € 1.000)
2021
2022
2023
2024
2025
EMU-SALDO
11.680
1.627.775
3.750
4.488
13.511
11.680
1.627.775
3.750
4.488
13.511
Meerjarenramingen
EMU-SALDO referentiewaarde (0,27% vh BBP) Verschil EMU-saldo & referentiewaarde
3.5 Bedrijfsvoering Zie paragraaf 2.1. ‘Programmaplan Fysieke Veiligheid’ waarin een nader uiteenzetting wordt gegeven van de doelen en prestaties die de VRHM binnen de primaire processen wil realiseren en paragraaf 2.8 Bedrijfsvoering specifiek voor de ondersteuning aan het primaire proces Brandweer en Risicobeheersing.
3.6 Verbonden partijen Aan de Veiligheidsregio Hollands Midden zijn geen partijen verbonden die vallen binnen de gestelde definities van bestuurlijk én financieel genoemde belangen zoals verwoord in de “Notitie Verbonden partijen” van de Commissie BBV. Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
80
4. Financiële begroting
Financieel kader VRHM 2022 Voor het begrotingsjaar 2022 en de meerjarenraming 2023-2025 zijn de bestuurlijke uitgangspunten (AB 31 maart 2016, Kostenniveau Brandweer Hollands Midden en financieringssystematiek gemeentelijke bijdragen vanaf 2019) bepalend (zie paragraaf B1 onderstaand). Daarnaast zijn de afspraken in de Financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen Hollands Midden voor de begrotingen 2022 uitgangspunt van indexering en algemene taakstelling (zie paragraaf B3 onderstaand). Kostenniveau Brandweer Hollands Midden 2009-2018 Bij het besluit tot regionalisering en start van Brandweer Hollands Midden in 2011 is 2009 als referentiejaar voor het gewenste referentiebudget (kostenniveau) gehanteerd. Dit referentiebudget werd jaarlijks geïndexeerd. Dit is de Cebeon-norm gaan heten. Het gebruik van deze systematiek leverde een objectieve verdeelsleutel op tussen gemeenten en een referentie om het gebudgetteerd kostenniveau mee te vergelijken. Brandweer Hollands Midden zat in 2009 16,6% boven de Cebeon-norm, voor een bedrag van € 6,2 mln. De nieuwe brandweerorganisatie kreeg de bezuinigingsopgave mee om de brandweerzorg te realiseren voor maximaal deze Cebeonnorm. Het (bezuinigings-)beleid in deze wordt in het spraakgebruik aangehaald als de ‘routekaart-Cebeon’.
De bestuurlijke afspraken over de Cebeon-norm en de routekaart-Cebeon voor Brandweer Hollands Midden zijn gemaakt tot en met 2018. Naast de grote (financiële) inspanning voor het realiseren van de bezuinigingsopgave binnen de routekaart-Cebeon, is de VRHM/ brandweer in staat geweest uitvoering te geven aan de inrichting en ontwikkelopgave van een nieuwe organisatie, aan een bijdrage aan de (strategische) agenda van het Veiligheidsberaad en aan de uitvoeringsagenda van Brandweer Nederland. Binnen de Cebeonnorm is VRHM/brandweer in staat gebleken een kwalitatieve verbetering te bewerkstelligen zowel in brandweerzorg als in de crisisbeheersingsorganisatie.
Bestuurlijke uitgangspunten kostenniveau Brandweer Hollands Midden en financieringssystematiek gemeentelijke bijdragen vanaf 2019 (AB 31 maart 2016): a. het Bestuur houdt vast aan het principe om het niveau van de kosten en de gemeentelijke financiering voor brandweerzorg in Hollands Midden te realiseren voor het referentiebudget dat gemeenten via het Gemeentefonds ontvangen als fictief budget voor de brandweertaak; b. aanpassingen in het absoluut niveau (referentiebudget) en de bijdrage van elke gemeente wordt één maal in de vierjaar (gelijk de beleidsplan periode) toegepast, gebaseerd op de septembercirculaire gemeentefonds T-2 van de beleidsplan periode; c. indien het referentiebudget en de bijdrage van elke gemeente in een nieuwe beleidsplan periode afwijkt van de voorgaande periode, wordt dit aan het begin van een nieuwe beleidsplan periode direct aangepast; d. het absoluut niveau wordt gedurende de beleidsplan periode gefixeerd, maar de jaarlijkse indexering is wel van toepassing conform de methodiek Werkgroep financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen; e. indien het referentiebudget in een nieuwe beleidsplan periode hoger is dan de voorgaande periode wordt het surplus alleen toegekend indien dit nodig is voor nieuw beleid (incl.
innovatie) en financiering autonome ontwikkelingen; f. indien het referentiebudget in een nieuwe beleidsplan periode lager is dan de voorgaande periode worden bij de vaststelling van de begrotingsuitgangspunten de eventuele consequenties (o.a. voor het dekkingsplan) bestuurlijk ter besluitvorming voorgelegd. In het beleidsplan zal worden aangeven op welke taken eventuele bezuinigingsmaatregelen betrekking zullen hebben
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
82
4. Financiële begroting
4. Financiële begroting
Financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen 2022 De kaderstelling voor 2022 is bij brief d.d. 4 november 2020 aangeboden aan de Dagelijks Besturen van de gemeenschappelijke regelingen in Hollands Midden en betreft samenvattend: 1. De indexering te baseren op de publicatie van de nominale ontwikkeling (gebaseerd op de publicaties van het CPB) in de Septembercirculaire (t-2) van het nieuwe begrotingsjaar: Voor arbeid: ■ de Prijs overheidsconsumptie werknemers beloning werknemers 2022: 1,3%; ■ correctie T-2: +2,1%, correctie T-2: -2,0%, netto correctie: +0.1%; ■ de toegestane prijsindexatie voor 2022 bedraagt daarmee 1,4% voor beloning werknemers. Voor materieel: ■ de Prijs overheidsconsumptie, netto materieel (imoc) 2022: 1,5%; ■ correctie T-2: -0,1%, correctie T-2: -0,3%, netto correctie: -0.4%; ■ de toegestane prijsindexatie voor 2022 bedraagt daarmee 1,1% voor netto materieel. 2. In deze nieuwe systematiek van de FKGR wordt de indexering voor 2022 gecorrigeerd voor ontwikkelingen in het jaar 2020 en 2021. De indexering voor 2022 wordt vastgesteld op basis van de indices uit het Centraal Economisch Plan (CEP) van 2020 (de grondslag voor de septembercirculaire 2020). Dit impliceert, dat de prijsontwikkeling voor 2022 bijna twee jaar van tevoren wordt bepaald.
In deze twee jaar kunnen zich echter afwijkingen voordoen en zonder correcties kan dat vervolgens tot structurele afwijkingen leiden. De inzichten uit de septembercirculaire 2020 met betrekking tot 2020 en 2021 wordt gebruikt om de correctie te berekenen. Deze correctie wordt dan toegepast op het indexpercentage voor 2022.
Programmabegroting 2022 en Meerjarenraming 2023 - 2025
83
4. Financiële begroting
Toepassing financieringssystematiek gemeentelijke bijdragen (in de praktijk) In de uitwerking van de begrotingen wordt bovenstaand in de praktijk als volgt toegepast: ■ Het kostenniveau is het geïndexeerde referentiebudget 2009. ■ Autonome- en exogene ontwikkelingen, c.q. nieuw beleid, worden per jaar en niet per beleidsplanperiode alleen toegekend na onderbouwing en bestuurlijke goedkeuring. ■ Basis van facturatie is het factuurbedrag T-1. ■ Dit is ook de basis van indexering voor het jaar T. ■ Verdeling van een autonome of exogene stijging voor het programma Brandweer en Crisisbeheersing (taken brandweerzorg en risico- en crisisbeheersing, vanaf 2020 incl. Veiligheidsbureau) vindt plaats op basis van het relatieve aandeel in de Septembercirculaire T-2. ■ Verdeling van een autonome of exogene stijging voor de programma’s Meldkamer Brandweer Hollands Midden (taak meldkamer) en Oranje Kolom (taak bevolkingszorg) vindt plaats op basis van het aantal inwoners per 1 januari T-2 (laatst bekende CBSstatistieken). ■ Het relatief gemeentelijk aandeel wordt na groot onderhoud van het gemeentefonds herijkt.
3. Daarnaast doet de FKGR een algemene oproep aan de gemeenschappelijke regelingen om te bezien hoe de gemeenschappelijke regelingen een bijdrage zouden kunnen leveren om de ontstane tekorten bij gemeenten te reduceren. Daarbij opteert de bestuurlijke werkgroep expliciet niet voor een generieke taakstelling, aangezien de bestuurlijke werkgroep zich bewust is van het feit dat de gemeenschappelijke regelingen hiervoor te zeer van elkaar kunnen verschillen. Ook geeft de bestuurlijke werkgroep geen inhoudelijke richtingen aan, aangezien dit is voorbehouden aan het dagelijks en algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling. Conform de Financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen voor 2022 betekent dit voor de VHRM een (gewogen) indexering van de gemeentelijke bijdragen van 1,3% t.o.v. 2021. Voor de GHOR (onderdeel van de begroting RDOG Hollands Midden) betekent dit een gewogen indexering van 1,34% t.o.v. 2021, gebaseerd op een verhouding die de RDOG Hollands Midden hanteert van 80% personele kosten en 20% overige kosten. In het AB RDOG van 9 december 2020 is deze indexering vastgesteld. In de vergadering van het AB RDOG van 7 april 2021 worden de uitgangspunten voor de begroting 2022 RDOG vastgesteld.
Onderstaande samenvatting van de grondslagen waarop de ramingen zijn gebaseerd, is bedoeld als leidraad voor een juiste interpretatie van de financiële overzichten. Deze grondslagen zijn onderdeel van het Financieel Statuut van de VRHM en worden overeenkomstig toegepast. ■ De waardering van de materiële vaste activa is op historische kostprijs/aanschafprijs, verminderd met afschrijvingen en specifieke subsidies of bijdragen. De afschrijvingspercentages zijn vastgesteld aan de hand van de economische levensduur en met inachtneming van de waarderingsgrondslagen voor afschrijvingen als vermeld in het Financieel Statuut; ■ De vorderingen, liquide middelen, langlopende- en kortlopende schulden zijn op nominale waarde gewaardeerd; ■ Baten en lasten worden toegerekend aan het verslagjaar waarop zij betrekking hebben; ■ Afschrijving start na ingebruikname investering; ■ Het aantal inwoners wordt ontleend aan de laatst door het CBS per 1 januari vastgestelde en gepubliceerde gegevens. De begroting 2021 de meerjarenramingen en de indicatie van de rijksbijdrage gaan uit van de inwoneraantallen per 1 januari 2019; ■ De begroting en de meerjarenramingen zijn gebaseerd op bestaand beleid.