CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-08a D26.348759 Onderbouwing fysieke leefomgeving Dijkwelseweg Kapelle

Raadsvergadering 24 februari 2026, gemeente KapelleBij agendapunt: Omgevingsvergunning tien woningen Dijkwelseweg in Kapelle30.402 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn ⎯ Amateurarcheologen, AWN en/of heemkundevereniging

6 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

14

ARTEFAC T RAPPORT 1071

2.2

Landschap en geologie

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling 7

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Omdat in beginsel de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen grotendeels te herleiden zijn tot de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan geschetst worden aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos et al. zijn gepubliceerd. 8 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar wordt, met de globale ligging van het plangebied, afgebeeld op figuur 4. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (circa 8.400 – 6.950 v. Chr.) steeg de zeespiegel, waardoor het pleistocene zandlandschap langzaam vernatte. Plantaardig materiaal werd als gevolg van het stijgende waterniveau niet meer afgebroken.

Eerst op de lagergelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap, groeide laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als de Basisveen Laag (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei deed zich eerst in het westen van Zeeland, maar de grens verschoof door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk in oostelijke richting. Aan het veenvormingsproces kwam een einde in het Midden- tot Laat-Atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). 9 Door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking werd de strandbarrière opgeruimd en liep het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstond een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Ook het plangebied maakte van dit getijdengebied deel uit. Grote delen van het oude pleistocene landschap werden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die toen zijn gevormd, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden. 10 Vanaf het Subboreaal stagneerde de stijging van de zeespiegel in die mate dat de sedimentatie en de stijging elkaar in balans hielden. Er zetten zich meer kleiige sedimenten af. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels. Die wortels zijn een indicatie voor het begin van een periode met veenvorming.

Op de hoger opgeslibde kwelders groeide een dichte rietvegetatie en plaatselijk ging zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het MiddenSubboreaal (3.100 v. Chr.) een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstond met daarachter een groot veenlandschap dat bestond uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes. 11 Het plangebied lag in dit veenlandschap. Geologisch wordt het dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Het veenmilieu veranderde in het Subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof en kon opgroeien tot ruim boven NAP. Omstreeks 500 v. Chr. bereikte het veenkussen zijn maximale omvang. Daarna trad een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zocht zijn weg richting de zee in steeds bredere geulen. Hierdoor werd de mariene invloed op het achterliggende land opnieuw geactiveerd. Tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, op Walcheren, brak de strandwal door en ontstond een sluftergebied met een veelvoud aan smalle geulen die de verbinding tussen het veengebied en de zee versterkten. Het Veerse Gat, de inbraakgeul tussen Walcheren en NoordBeveland, is in oorsprong wellicht toen ontstaan. 12

7 Voorliggend hoofdstuk is grotendeels overgenomen uit: Van den Berg & Wattenberghe 2023. 8 Vos et al. 2018. 9 Van Rummelen 1978: 62-64. 10 Van Rummelen 1978: 53. 11 Vos & Van Heeringen 1997: 28. 12 Vos & Van Heeringen 1997: paleogeografische kaart.

15

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

16

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Figuur 4 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: globale ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018.

17

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Tot in de Late IJzertijd werd de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment. Grofweg vanaf de Romeinse tijd ging de antropogene invloed een geleidelijk aan meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap. 13 De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteerden in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee kreeg opnieuw vat op het gebied. De eerste tekenen van overstromingen dateren dan ook al uit de 2de helft van de 2de eeuw. Vanaf het Midden-Subatlanticum (circa 250 n. Chr.) kon de zee ook verder en breder het achterland instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstond. 14 Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf het deze periode resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich insneden, zijn zandige pakketten afgezet. Op basis van de paleogeografische kaart valt te veronderstellen dat dit ook ter hoogte van het plangebied gebeurde. De hoger gelegen veengronden zijn afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei.

De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand kwamen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland overal aan het oppervlak. Als gevolg van opslibbing werd het landschap geleidelijk droger en stabieler en ontstonden nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgden, vond een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt lag hier op schapenteelt. 15 Op den duur begonnen de bewoners zich met dijken tegen het water te beschermen en werden ook nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuw gewonnen land werd naast landbouw ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen kon hoofdzakelijk worden gebruikt bij de productie van zout. Het weggraven van het veen had echter ook een verlaging van het maaiveld tot gevolg. 16 De degeneratie van het landschap in de Late Middeleeuwen werd in de hand gewerkt door slecht onderhoud aan dijken, hetgeen tijdens stormvloeden leidde tot dijkdoorbraken met catastrofale gevolgen, waarbij veel land verloren ging. Het oostelijke deel van Zuid-Beveland en meer specifiek Reimerswaal, die na zware stormen aan het einde van de 16de eeuw onder water kwamen te staan, zijn hiervan de bekendste exponent. Ook waren er fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland.

De hoofdstroom van de Schelde, die tot dat ogenblik steeds via het Kreekrak en de Oosterschelde zijn weg naar de zee had gevonden, verlegde zich zuidwaarts naar de Westerschelde. Reeds eeuwen drong deze zeearm verder binnen in het land, maar door de plots ontstane ruimte die het water kreeg op de verdronken Bevelanden, kon de Westerschelde de laatste barrière opruimen en zich ontwikkelen tot zijn huidige dimensies. 17 Het plangebied ligt evenwel in een gebied waar men al sinds de inpoldering in de Middeleeuwen droge voeten heeft kunnen houden (zie ook paragraaf 2.3.1).

2.2.2

Aardkundige waarden

Geologie Het plangebied valt onder het zuidwestelijke zeekleigebied. Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland18 (niet afgebeeld) is het plangebied te situeren in een zone met code Na6. Dit duidt op de aanwezigheid van zeeklei- en zandafzettingen (Laagpakket van Walcheren). Deze kaart is zeer grofschalig. Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland19 (figuur 5) is het plangebied gesitueerd in een geelgekleurde zone met code D0.2. Deze code duidt op Afzettingen van Duinkerke II. In de nieuwe nomenclatuur wordt echter gesproken van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk). Duinkerke II wil zeggen dat het gaat om relatief oude Walcheren-afzettingen. Het gaat om afzettingen van een verlande post-Romeinse getijdengeul, waarop ook het dorp Kapelle is ontstaan. Ter plaatse van deze geul zullen tot op grote diepte zandige geulafzettingen van het Laagpakket 13 Vos & Van Heeringen 1997. 14 Vos & Van Heeringen 1997. 15 Canon van Kapelle. 16 Canon van Kapelle. 17 Coen 2008. 18 De Mulder et al. 2003. 19 Van Rummelen 1978a.

18

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

van Walcheren aanwezig zijn. Het oudere Hollandveen Laagpakket en de oude getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer zijn hier helemaal geërodeerd. Volgens de bijkaarten bij de Geologische Kaart van Nederland vallen in het plangebied pleistocene afzettingen te verwachten vanaf een diepte tussen 20 en 30 m -NAP.

Figuur 5 Projectie van het plangebied en een selectie van eerder uitgevoerde boringen (zie verderop) op een uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1978.

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Geologische boorgegevens uit het DINOloket 20 bevestigen dat het Laagpakket van Walcheren zeer diep reikt in de omgeving van het plangebied. De meest nabijgelegen DINO-boring bevindt zich circa 30 m ten noorden van het plangebied. Dit betreft boring B48F0055 is gezet op 40 m ten noordwesten van het plangebied (zie voor de situering: figuur 5). In deze boring is tot 31,20 m -mv/ 30,37 m -NAP het Laagpakket van Walcheren aangetroffen, dat op genoemde diepte direct de Formatie van Waalre afdekt, daterend uit het laat Plioceen (Reuverien) - vroeg Pleistoceen (Menapien). 21 Het Laagpakket van Walcheren bestaat vanaf het maaiveld tot 2,50 m -mv/ 1,67 m -NAP uit klei, daaronder uit zand. Eerder uitgevoerd archeologisch booronderzoek In 2022 maakte een oostelijke strook van het plangebied reeds deel uit van een archeologisch booronderzoek. 22 Boringen 1 en 2 in betreffend onderzoek zijn gezet binnen de contour van onderhavig plangebied; boring 3 vlak ten zuiden (zie voor de situering: figuur 5). In deze drie boringen werden tot de einddiepte (maximaal 2,00 m -mv/ 1,48 m NAP) zandige kreekrugafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangeboord. De bouwvoor, oftewel de bovenste 30 tot 40 cm, bestond uit kleiig zand dan wel klei.

20 www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens. 21 https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator/formatie-van-waalre. 22 Van den Berg & Wattenberghe 2023.

19

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Bodem Op de Bodemkaart van Nederland (figuur 6)23 ligt het hele plangebied in een zone met code Mn15C. Dit wil zeggen dat hier sprake is van kalkarme poldervaaggronden in lichte zavel.

Figuur 6 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Bazen 1987.

Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen. Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog (zie onderstaande tabel). Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. De grondwatertrap binnen het plangebied bedraagt volgens de Bodemkaart van Nederland VII. Dit houdt in dat binnen het plangebied zeer goed ontwaterde gronden voorkomen, die aantrekkelijk waren als landbouwgebied en/of vestigingsplaats. grondwatertrap

I

II

III

IV

V

VI

VII

GHG in cm -mv

(< 20)

(< 40)

< 40

> 40

< 40

40 – 80

> 80

GLG in cm -mv

< 50

50-80

80-120

80-120

> 120

> 120

(> 160)

GHG = gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG = gemiddeld laagste grondwaterstand

23 Bazen 1987.

20

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Volgens de meer gedetailleerde Bodemkaart van de Polder “De Brede Watering bewesten Yerseke” (figuur 7) bevindt het plangebied zich in een zone met codes MOa16 (oude kleiplaatgrond). Deze behoort tot het zogenoemde Oudland. MO-gronden worden gekenmerkt door een diepe ontkalking. 24 De zone volgt min of meer het tracé van de Dijkwelseweg.

Figuur 7 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Bodemkaart van “De Brede Watering bewesten Yerseke”. Bron: Van der Meer et al. 1952.

Op de nog gedetailleerdere Bodemkundige Detailkaart van Biezelinge met Omgeving 25 valt het hele plangebied te situeren in zones met code MOk2. Dit wil zeggen dat er sprake is van zavelige kreekgrond. In een oostelijk en zuidoostelijk deel van het plangebied is hierbij nog sprake van de toevoeging k’. Dit wil zeggen dat hier sprake is van zavelige kreekgrond, met kleibank. Een noordwestelijk deel van het plangebied valt binnen een horizontaal gearceerd gebied met de letter c; hier is sprake van oude cultuurgronden met een dikke, zwarte, humeuze laag.

24

Van der Meer et al. 1952, 3-16.

25 De Bakker 1949.

21

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Figuur 8 Projectie van het plangebied op de Bodemkundige Detailkaart van Biezelinge met Omgeving. Bron: De Bakker 1949.

Geomorfologie Het plangebied ligt op de Geomorfologische Kaart van Nederland (figuur 9)26 centraal binnen een brede zone met code 3K33. Dit betekent dat het landschap wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een getij-inversierug. De ligging en loop corresponderen grofweg met de zone D0.2 op de Geologische Kaart van Nederland (figuur 5). Getijinversieruggen ontstaan ter plaatse van afzettingen door een geul dan wel kreek. Doordat het omliggende landschap inklinkt, komt een getij-inversierug op den duur hoger te liggen dan het omliggende landschap. Door de relatief hogere ligging waren dergelijke ruggen vaak preferente bewoningslocaties.

26 Brus & De Lange 1986.

22

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Figuur 9 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus & De Lange 1986.

Actueel Hoogtebestand Nederland De bovenstaande geo(morfo)logische situatie is te zien op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4), dankzij de hogere ligging van de getij-inversieruggen (kreekruggen) ten opzichte van het omringende komlandschap (niet afgebeeld). Op de hooggelegen delen, bijvoorbeeld in de dorpskern van Kapelle, ligt het maaiveld op hoogtes van 1 – 1,20 m +NAP, terwijl het in de komgebieden vaak op dieptes van 1,30 – 1,80 m -NAP ligt. Het plangebied ligt ten zuidwesten van de dorpskern van Kapelle, vrij centraal ter plaatse van de ‘driesprong’ in de kreekrug richting respectievelijk Wemeldinge, Hansweert en Kloetinge. Het maaiveld ligt in het plangebied op hoogtes variërend van 0,30 tot 0,80 m +NAP, waarbij de hoger gelegen delen zich centraal en in het zuidwesten van het plangebied bevinden en relatief laaggelegen delen in het noorden en noordwesten van het plangebied (zie figuur 10). Hoe deze hoogteverschillen zijn ontstaan is niet bekend, maar een verband met agrarische activiteiten is denkbaar. Hoogteverschillen die zouden kunnen wijzen op een mogelijke archeologische vindplaats, zijn niet waargenomen.

23

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Figuur 10 Projectie van het plangebied op een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).

Samenvatting Samenvattend kan worden gesteld dat het plangebied centraal op een brede getij-inversierug ligt, die voortkomt uit een verlande post-Romeinse geul. Hier vallen tot op grote diepte afzettingen van het Laagpakket van Walcheren te verwachten. Het betreft oudlandafzettingen, die o.a. te herkennen zijn aan een diepe ontkalking. Als gevolg van erosie vanuit de geul zijn het Hollandveen, het Laagpakket van Wormer en de top van het pleistocene dekzand niet meer aanwezig. De kreekrug – en daarmee het plangebied – ligt relatief hoog in het landschap en is zeer goed ontwaterd. In een noordwestelijk deel van het plangebied komen oude cultuurgronden voor.

24

ARTEFAC T RAPPORT 1071

2.3

Historie

2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling 27

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Bedijkingsgeschiedenis Kapelle, en daarmee het plangebied, ligt in de polder De Breede Watering bewesten Yerseke, kortweg de Westwatering genoemd (figuur 11). Dit is een van de oudste Zeeuwse poldergebieden; de polder wordt dan ook gerekend tot het zogeheten oudland, een term die wordt gebruikt om land aan te duiden dat werd bedijkt vóór 1200.

Figuur 11 Overzichtskaart met de voormalige eilanden van Zuid-Beveland in de Middeleeuwen. Bron: Wilderom 1968: 41.

Volgens historische bronnen werd deze streek getroffen door een geweldige overstroming rond 1134. Deze overstroming zou niet alleen Zeeland hebben getroffen, maar ook de Vlaamse kust en Zuid-Holland. Na deze inundatie werd een dijk opgeworpen als eerste beveiligingswerk op de noordrand van de kreekrug Wemeldinge – Kapelle – Kloetinge – ’s-Heer Arendskerke, in een wijde boog rond de centrale punten van aantasting. Het westelijke gedeelte van deze dijk, tussen Goes en ’s-Heer Arendskerke, is later herhaaldelijk verhoogd en bestaat nog. Van andere gedeelten is niet zeker of ze nog tot in de 16 de eeuw als zaaidijk of als hoge weg aanwezig waren. In de 16 de eeuw werd deze dijk niet meer als restant van één en dezelfde dijk beschouwd, maar kregen verschillende delen afzonderlijke namen, zoals de Braanjendijk tussen Kapelle en Kloetinge. 28 De aanwezige grangiae (grote hoeven) van de Vlaamse Cisterciënzerabdijen op Zuid-Beveland zorgden mee voor de nodige financiering van de bedijkingsactiviteiten. 29 Aan deze grote bedijking ging een ontwikkeling vooraf van allerlei kleinere dijkjes. De naam Dijkwel zou verwijzen naar zo’n verdwenen dijkje daterend van vóór 1134. Het lag in de buurt van de restgeul die van Biezelinge naar Wemeldinge liep. Hierin zou omstreeks 1150 een weel zijn ontstaan als gevolg van een dijkdoorbraak.

30 Door de hoge ligging kon het Dijkwel heel vroeg worden bewoond en in cultuur worden gebracht. 31

27 Dit hoofdstuk is gebaseerd op, en deels overgenomen uit Van den Berg & Wattenberghe 2023, aangevuld en aangepast

naar onderhavig plangebied. 28 Dekker 1971: 100-101. 29 Dekker 1971: 137-140. 30 Canon van Kapelle; De Klerk 2000: 45. 31 Van Ysseldijk 1968: 63.

25

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Ondanks de grote overstromingen in de 16 de eeuw bleef de polder in die periode onaangetast. Wel werd de oostelijke grens, bestaande uit de Zanddijk en de Molendijk, na de stormvloed van 1530 versterkt tot zeewering, aangezien het oostelijk gelegen poldergebied op dat moment geheel overstroomde. 32 Illustratief daarvoor is onderstaande figuur, waar de gele pijl bij benadering het plangebied aanduidt. Ten oosten van Yerseke, aangeduid als ‘Yersicken’ staat het Verdronken Land van Zuid-Beveland weergegeven, inclusief vele verdronken nederzettingen, waaronder de stad Reimerswaal (‘Reymerswale’).

Figuur 12 Uitsnede uit Ostium Scaldis, kaart van de Zeeuwse Delta, door C. Sgrooten, 1573. De globale ligging van het plangebied is aangegeven met een gele pijl. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België.

Bewoningsgeschiedenis Kapelle is ontstaan op de brede kreekrug die tussen Wemeldinge, Kapelle en Kloetinge loopt. Tussen Wemeldinge en Biezelinge liep, voor de bedijking in de 12 de eeuw, nog een kreek. Deze heette bij Wemeldinge Cutsee, onder Kapelle Tieringe en tussen Kapelle en Biezelinge het Molenwater. Deze kreek was het restant van een veel breder en hoog opgeslibd geulensysteem (zie hoofdstuk 2.2.2.). Waarschijnlijk nog voor de eerste grote bedijking (kort na 1134) is de Tieringe bij het huidige Kapelle afgedamd. De dam is nog herkenbaar als het rechte stuk van de Biezelingsestraat. 33 De vroegste bewoning in Kapelle bestond uit meerdere kleine nederzettingen, zoals Maalstede en Dijkwel. Dijkwel was een gehucht waarvan de naam verwijst naar een bij een dijkdoorbraak ontstaan weel (zie boven). Het bestond waarschijnlijk al in de 12 de eeuw op de Kapelse kreekrug, maar het is altijd een gehucht gebleven. 34 De voormalige dijk waarnaar de naam ‘Dijkwel’ verwijst, is niet op te sporen en moet dateren van vóór de systematische bedijking. 35 Ook Van Ysseldijk gaat uit van een grote ouderdom van Dijkwel, al geven schriftelijke bronnen hierover geen uitsluitsel. 36 Maalstede was het kasteel van het geslacht Van de Maelstede, dat omstreeks 1200 is gebouwd. Vermoedelijk was dit in eerste instantie een motte met voorhof, die later tot volwaardig kasteel is uitgegroeid.

Kapelle dankt zijn naam aan een bij het kasteel behorende slotkapel. Deze ‘Kapelle ter Maelstede’ werd, vermoedelijk in de 13 de eeuw, opnieuw 32 Wilderom 1968: 115-116.

33

De Regt 2004: 6 34 Van den Broecke 1985: 30. 35 Dekker 1971: 91-92. 36 Van Ysseldijk 1968: 16, 105.

26

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

opgericht onder de Heren van Maalstede die het Ambacht van Kapelle in leen hadden van de Graaf van Vlaanderen, waarna het een van de grootste dorpskerken van Zeeland werd. De kerk werd nu echter elders gebouwd, namelijk op de plaats waar de wegen naar de nederzettingen Maalstede, Biezelinge en Dijkwel samenkwamen en waar mogelijk reeds sprake was van bewoning. Voor of na deze verplaatsing en herbouw ressorteerde de kapel of kerk onder de parochie van Kloetinge. Met de afsplitsing van de kerk van Kapelle van de parochie van Kloetinge ontstond de nieuwe parochie Kapelle. 37 Rond 1300 was het kasteel Maalstede verwoest; in de tweede helft van de 14 de eeuw werd enkele honderden meters zuidelijker een nieuw kasteel gebouwd door de Heren van Bruëlis. Dit was tot in de 19de eeuw bewoond is en daarna afgebroken. De grachten werden in 1967 gereconstrueerd. Zeer dicht bij Slot Bruëlis, westelijk aan de overzijde van de Gistellisstraat, stond het kasteel Gistellis, dat rond 1800 is gesloopt. Het vierde kasteel in Kapelle, slot Poucques, bevond zich ten oosten van de Vroonlandseweg en ten zuiden van de Ambachtsherenwegeling. Van dit kasteel zijn maar weinig historische gegevens bekend. Het zou in de 14 de eeuw zijn gebouwd en vóór 1622 al zijn afgebroken. 38 Het mag duidelijk zijn dat het landschap rondom Kapelle gedomineerd werd door de vier kastelen.

Deze lagen vlakbij elkaar, aan de oostzijde van het dorp. Daarnaast staat het gebied rond Kapelle al eeuwenlang bekend als vruchtbaar land- en tuinbouwgebied, met een belangrijke rol voor de fruitteelt. 39 Ook het plangebied maakt van dit agrarische gebied deel uit. Halverwege de 17de eeuw werd de omgeving van het plangebied met meer detail afgebeeld (figuur 13). Behalve de diverse kerken is ook andere belangrijke bebouwing en weginfrastructuur te zien. In Kapelle (‘Capelle’) is de kerk getekend en aan de weg richting het oosten enkele huizen en de kastelen ‘’t Huys te Gistellis’ en ‘’t Huys te Bruwelis’ (Bruëlis), beide aangeduid als een groot gebouw met een door bomen omgeven erf. Ten noorden hiervan is ‘’t Huys Maelstede’ aangegeven en in het zuiden, bij Biezelinge, ‘’t Klooster’. Dit betreft het oostelijk van Biezelinge gelegen klooster Jeruzalem. Het kasteel Poucques staat niet op deze kaart aangegeven; het was vermoedelijk al niet meer in gebruik. Dijkwel staat ook niet aangegeven. De kaart is niet nauwkeurig. De maatvoering klopt niet overal en een groot deel van het wegenpatroon is niet direct te relateren aan het huidige wegenpatroon. Hierdoor kan het plangebied niet met grote precisie op deze kaart worden geprojecteerd. Globaal kan het in het gebied ten westen van de dorpskern van Kapelle en Biezelinge worden gesitueerd.

Dit betreft een gebied waarin wegen met plaatselijk enige losse bebouwing en bomen worden aangegeven.

37 Dekker 1971: 343-344. 38 Hermans 2013; Oele 1977; Van den Broecke 1978; Van Ysseldijk 1968: 87-103. 39 Van Ysseldijk 1968: 417-418, 475-504.

27

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Figuur 13 Globale ligging van het plangebied, aangegeven met rode cirkel, op een uitsnede van een kaart van Visscher en Roman uit de tweede helft van de 17de eeuw. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I, nr 428.

Kaartmateriaal van Hattinga (figuur 14) uit het midden van de 18 de eeuw is betrouwbaarder en schaalvaster dan de kaart van Visscher. Meerdere wegen, waaronder vermoedelijke voorlopers van de Dijkwelseweg en de Oude Weg naar het Stomme Kruis, vertonen bovendien al eenzelfde verloop als in de tegenwoordige situatie, waardoor de ligging van het plangebied met iets meer nauwkeurigheid is aan te geven. Dijkwel staat met bebouwing weergegeven. Sinds 1691 bevond zich in Dijkwel een schuilkerkje van de katholieken. Dit was de hele 18de eeuw in gebruik. 40 De Dijkwelseweg is op de kaart van Hattinga goed te herkennen, al ontbreekt een naamsaanduiding. Langs de weg is aan de zuidzijde enige losse bebouwing weergegeven. Het plangebied is eveneens ten zuiden van deze weg te situeren, ter hoogte van aangegeven bebouwing. De kaart is echter niet nauwkeurig genoeg om met zekerheid te kunnen bepalen of er in de 18de eeuw bebouwing binnen, of net buiten, het plangebied aanwezig is geweest.

40 Canon van Kapelle.

28

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Figuur 14 Projectie van het plangebied (blauwgroene polygoon; bij benadering) op een uitsnede van een kaart van ZuidBeveland uit 1747-1748, vervaardigd door D.W.C. Hattinga. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr. 126.

De Kadastrale Minuut uit omstreeks 1830, opgemeten ten behoeve van het heffen van grondbelasting, toont voor het eerst individuele percelen en bebouwing op een gedetailleerde en schaalvaste manier (figuur 15). Het wegenpatroon dat de kaart laat zien rond Kapelle, valt voor een groot deel op het tegenwoordige wegenpatroon te projecteren. Ook geeft de kaart meer toponiemen (niet weergegeven op onderstaande figuur). Ter hoogte van het plangebied staat de tegenwoordige Dijkwelseweg aangeduid als de ‘Dijkwelschen Zandweg’. Deze weg is volgens Van Ysseldijk van zeer oude datum. 41 Ten zuiden van deze weg wordt aan de westzijde ‘De Zuid Hoek’ en oostelijker de ‘Bette Boogaards Hoek’ aangegeven. Waar de grens tussen beide ‘hoeken’ ligt, is niet duidelijk; het is te veronderstellen dat het plangebied in een, of beide, van deze hoeken te situeren valt. Beide namen komen al voor in de overlopers van 1584. Van Ysseldijk ziet in laatstgenoemd toponiem een bewijs dat er al in de 16 de eeuw boomgaarden in Kapelle voorkwamen. 42 Ten opzichte van de 18 de -eeuwse situatie (zie boven) is er een verschil te zien: de Kadastrale Minuut geeft in de omgeving van het plangebied één erf ten noorden, en één erf ten zuiden van de weg aan, terwijl Hattinga twee erven ten zuiden van de weg aangaf. Binnen het plangebied geeft de Kadastrale Minuut geen bebouwing aan.

Wat betreft de percelering is te zien dat het plangebied deel uitmaakte van twee percelen. Blijkens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels betrof dit een boomgaard (het grootste deel van het plangebied) en akkerland (‘bouwland’).

41 Van Ysseldijk 1968: 342. 42 Van Ysseldijk 1968: 63.

29

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Figuur 15 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut, omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.

Op topografische (militaire) kaarten is de verdere ontwikkeling vanaf de 20ste eeuw te zien (figuur 16). In het plangebied bleef de percelering zoals deze hierboven reeds te zien was op de Kadastrale Minuut, tot in de tweede helft van de 20 ste eeuw ongewijzigd; nadien verdwenen de perceelsgrenzen van de kaart. Verder blijkt uit de kaarten een afwisselend gebruik van het plangebied als akker en dan weer boomgaard. Van bebouwing binnen het plangebied is op de topografische kaarten geen sprake. Gaandeweg de jaren ’80 verscheen voor het eerst het erf op de kaart dat direct ten westen van het plangebied ligt. Uit een luchtfoto uit 1970 (zie hoofdstuk 2.4) blijkt echter dat dit erf reeds in de jaren ’70 is gerealiseerd. Vanaf 2024 werd direct ten oosten van onderhavig plangebied, ter plaatse van een agrarisch perceel, een toegangsweg aangelegd richting een zorginstelling die ten zuidoosten van het plangebied is gerealiseerd. Samenvatting Het plangebied maakt deel uit van de middeleeuwse polder de Breede Watering bewesten Yerseke. Vanwege de hogere, gunstige ligging op een kreekrug was er in de periode voor deze bedijking al bewoning mogelijk. Verondersteld wordt dat het naburige gehucht Dijkwel zijn oorsprong heeft in de periode voor de inpoldering. Na de bedijking ontwikkelden zich in de omgeving meerdere kastelen en het dorp Kapelle.

Van de tegenwoordige Dijkwelseweg wordt een zeer oude oorsprong vermoed. Op basis van historische gegevens ziet het ernaar uit dat het plangebied altijd deel uitmaakte van het buitengebied. Van de Nieuwe Tijd is bekend dat het plangebied agrarisch is gebruikt, waaronder als akker en als boomgaard. Het valt niet uit te sluiten dat zich in de 18 de eeuw enige tijd een erf met bebouwing bevond in het noorden van het plangebied; in de 19 de eeuw was hier in elk geval geen sprake (meer) van.

30

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Figuur 16 Projectie van het plangebied op topografische (militaire) kaarten uit 1916 tot en met 2020. Bron: Esri Nederland, Kadaster.

31

ARTEFAC T RAPPORT 1071

2.3.2

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Verstoringsgeschiedenis

Historische gegevens, opdrachtgever Uit het historische onderzoek (paragraaf 2.3.1) blijkt dat het plangebied een langdurig agrarisch gebruik heeft gekend, waaronder als boomgaard en akker. Bewerking van het land, landgebruik en de doorworteling van de bomen zullen in het plangebied tot verstoringen hebben geleid. Verder zijn bij de opdrachtgever geen nadere gegevens over eventuele verstoringen bekend. Ook bij de huidige gebruiker van de boomgaard zijn geen bijzonderheden bekend. 43 KLIC Verstoringen door kabels en leidingen worden niet verwacht. De graafmelding leert namelijk dat bij het kadaster geen kabels en leidingen bekend zijn binnen het plangebied. Bodemgegevens Raadpleging van de websites Bodemrapportage Zeeland44 en het Bodemloket45 wijst uit dat in het plangebied geen bodemonderzoeken of saneringen bekend zijn. Archief Raadpleging van de website van het Zeeuws Archief, waarin een deel van het gemeentearchief van Kapelle is ondergebracht, alsook van de Beeldbank Zeeland (Bibliotheek van Zeeland) levert geen aanvullende informatie op wat betreft mogelijke verstoringen in het plangebied.

43 Mondelinge mededeling, 16 september 2025. 44 https://zeeland.nazca4u.nl/Rapportage/, geraadpleegd op 16 september 2025. 45 https://www.bodemloket.nl/, geraadpleegd op 16 september 2025.

32

ARTEFAC T RAPPORT 1071

2.4

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Archeologische waarden

In dit hoofdstuk worden de archeologische resten en onderzoeken besproken weergegeven die in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Hierbij zijn onderzoeken, vondstlocaties en monumenten geselecteerd die bekend zijn in een straal van 800 m rond het plangebied (figuur 17). Gemeentelijk archeologiebeleid Het gemeentelijke beleid is in 2011 door Vestigia opgesteld46 en vervolgens door het College van Burgemeester en Wethouders vastgesteld. In de beleidsnota is geconcludeerd dat de gemeentelijke ondergrond in vier archeologisch relevante lagen kan worden onderverdeeld. Op de hieruit volgende archeologische maatregelenkaart-in-lagen is de archeologische waarde bepaald op basis van bekende landschappelijke en bodemkundige informatie, archeologische waarnemingen en bekende vindplaatsen. Elk van de vastgestelde 8 categorieën vertegenwoordigt een bepaalde archeologische waarde of – wanneer de waarde nog niet is vastgesteld – een archeologische verwachting. Dit gemeentelijk beleid is meegenomen in de sinds 2011 opgestelde bestemmingsplannen, waarbij gebieden met (een) archeologische (verwachtings)waarde een planologische bescherming hebben gekregen. De vrijstellingsgrenzen zijn toegekend op basis van de (verwachtings)waarde.

Op de vigerende gemeentelijke archeologische maatregelenkaartin-lagen geldt voor het plangebied een hoge verwachting (Categorie 4) voor het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk; Laag 1) en geen verwachting (Categorie 8) voor het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop; Laag 2), het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk; Laag 3) en het Pleistoceen (Formatie van Boxtel; Laag 4). Gezien dit eenduidige beeld wordt de maatregelenkaart-in-lagen hier niet afgebeeld. De gemeente Kapelle telt tevens in totaal vier gemeentelijke terreinen van archeologische waarde. In een straal van 800 m rond het plangebied liggen geen gemeentelijke terreinen van archeologische waarde. Archeologische Monumentenkaart (AMK) De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. (Een deel van) de monumententerreinen werden opgenomen op de gemeentelijke beleidskaarten en benoemd als gemeentelijke vindplaats. De wettelijk beschermde monumenten, waarvoor het rijk bevoegd is, worden enkel op de AMK weergegeven. Binnen een straal van 800 m rond het plangebied liggen geen AMK-terreinen.

46 Alkemade et al. 2011; Brugman et al. 2011.

33

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Vondstlocaties

Figuur 17 Onderzoeken en vondstlocaties. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

Eerder uitgevoerd onderzoek en vondstlocaties Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat binnen het plangebied reeds onderzoek heeft plaatsgevonden, namelijk booronderzoek in een 8 m brede strook langs de oostelijke begrenzing van het plangebied (zie onderzoek 9 in onderstaande figuur). Hierbij werden binnen deze strook twee boringen uitgevoerd. De strook maakte geen deel uit van het hierop volgende proefsleuvenonderzoek; dit had te maken met de contour van de betreffende planvorming. Verder blijkt dat binnen het plangebied nog geen archeologische vondstlocaties bekend zijn. In onderstaande tabel worden alle onderzoeken en vondstlocaties opgesomd die in Archis bekend zijn binnen een straal van 800 m rond het plangebied. De nummers corresponderen met de groene nummers op figuur 17. Nr.

Uitvoerder

Aard en resultaten onderzoek

1

Onderzoek nummer 2064060100

BAAC

Booronderzoek (2005) Kapelle West. Vondsten uit de Middeleeuwen. Vervolgonderzoek noodzakelijk.

2

2073668100

BILAN

Booronderzoek (2005) De Fruithof. Relatief ongestoorde bodemopbouw, geen aanwijzingen voor funderingsresten NT, in twee boringen enkel wat baksteen en een fragment roodbakkend aardewerk in bovenste decimeters. Geen vindplaatsen.

3

2109931100

BAAC

Booronderzoek (2006) Biezelingseweg 31. Deels verstoord, deels intacte bodem. Geen indicatoren, geen vervolgonderzoek.

4

2114475100

BAAC

Proefsleuvenonderzoek (2006) Vindplaats VII Kapelle Biezelinge. Laatmiddeleeuwse (percelerings)greppels.

34

ARTEFAC T RAPPORT 1071

5

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

2132562100

BAAC

Bureauonderzoek (2006) Oude Veiling te Kapelle. Vervolgonderzoek (archeologische begeleiding) geadviseerd vanwege de mogelijke aanwezigheid van nederzettingssporen vanaf de 10 de eeuw.

2354721100

Grontmij

Archeologische Begeleiding (2012) Oude Veiling te Kapelle n.a.v. eerder uitgevoerd bureauonderzoek. Geen archeologische indicatoren waargenomen.

6

2148999100

RAAP

Booronderzoek (2007) Weg naar het Stomme Kruis. Het onderzoeksgebied ligt op de flank van een getij-inversierug. De top van de getij-inversierug is aanzienlijk verstoord door recente bodemingrepen, mogelijk door het gebruik als boomgaard of tijdens de bouw van de al bestaande magazijnen en de aanleg van kabels en leidingen. Aangezien de top van de getij-inversierug en de top van het Hollandveen aanzienlijk verstoord zijn, is de kans op archeologische resten erg klein. Voor de aanwezigheid van archeologische resten ontbreken aanwijzingen. Advies: geen vervolgonderzoek.

7

2315930100

SOB Research

Archeologische Begeleiding (2011) Spooronderdoorgang KapelleBiezelinge Stationsstraat. Vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht.

8

4939554100

Artefact!

Booronderzoek (2021) Dijkwelseweg. De natuurlijke ondergrond bestaat uit zandige kreekbeddingafzettingen van het Laagpakket van Walcheren, die oudere niveaus hebben geërodeerd. Er op enig moment zand is afgegraven, waarna het restant van de natuurlijke ondergrond is afgedekt door een heterogene kleilaag. Zo is het maaiveld uiteindelijk circa 75 cm lager komen te liggen dan omliggend terrein. Door het afgraven van de ondergrond zullen eventueel ooit aanwezige archeologische waarden zijn vernietigd of zwaar beschadigd. Advies: geen vervolgonderzoek.

9

5298076100

Artefact!

Booronderzoek (2022) Dijkwelseweg 15. 47 In het plangebied zijn diep reikende kreekrugafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig. In grote delen van het plangebied is de bodem vrij goed intact. In delen van het plangebied zijn aanwijzingen gezien voor mogelijke archeologische vindplaatsen, namelijk archeologische indicatoren en mogelijke grondsporen; voor deze delen uit valt te gaan van een hoge archeologische verwachting voor de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd; voor de rest van het plangebied kan de verwachting worden bijgesteld naar laag. Advies: vervolgonderzoek. De voor onderhavig plangebied relevante resultaten worden hieronder besproken.

5498608100

Artefact!

Proefsleuvenonderzoek (2024) Dijkwelseweg 15. 48 Op basis van het vooronderzoek gold binnen het plangebied een hoge verwachtingswaarde voor resten uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd in de bovenzijde van het Laagpakket van Walcheren (intacte kreekrug). Het proefsleuvenonderzoek heeft deze hoge verwachtingswaarde niet bevestigd. Tijdens het veldonderzoek zijn geen behoudenswaardige vindplaatsen aangetroffen. Advies: geen vervolgonderzoek. 49 De voor onderhavig plangebied relevante resultaten worden hieronder besproken.

47 Van den Berg & Wattenberghe (2023). 48 Kiburg 2024. 49 NB, dit advies geldt enkel voor het middels proefsleuven onderzochte gebied en dus niet voor onderhavig plangebied.

35

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Voor onderhavig plangebied relevante resultaten van onderzoek 9 Tijdens het booronderzoek in 2022 aan de Dijkwelseweg 15 werden boringen 1 en 2 uitgevoerd binnen het onderhavige plangebied, namelijk nabij de oostelijke begrenzing. Boring 3 werd vlak ten zuidoosten van het plangebied uitgevoerd. Zoals verwacht werden diep reikende kreekrugafzettingen aangeboord. In alle drie boringen werden in de bouwvoor archeologische indicatoren aangetroffen, namelijk puinbrokjes en houtskoolspikkels. In boring 3 werd ook op grotere diepte, namelijk 1 m -mv, een rode puinspikkel aangetroffen. De resultaten in deze en overige boringen leidde tot het advies tot vervolgonderzoek. Het hierop volgende proefsleuvenonderzoek vond zoals gezegd niet binnen, maar aangrenzend aan onderhavig plangebied plaats. Proefsleuf 4 lag nabij onderhavig plangebied, namelijk enkele meters ten zuidoosten. Hier werden enkel recente sporen (een sleuf en een kuil) aangetroffen. Het proefsleuvenonderzoek als geheel leidde tot het advies om geen vervolgonderzoek uit te voeren binnen het betreffende onderzoeksgebied. Aangezien onderhavig plangebied geen deel uitmaakte van het onderzochte gebied, bleven de hoge verwachting en dubbelbestemming hier in stand. Vondstlocaties In onderstaande tabel worden de vondstlocaties opgesomd die bekend zijn in een straal van 800 m rond het plangebied.

De nummers corresponderen met de blauwe nummers in figuur 17. Nr.

Vondst locatie

Datering

Aard van de vondsten

10

1034093

NTV

Gouden munten en bouwkeramiek (muur), melding uit 1971. Het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD; projectnummer 2233) meldt dat sprake is van een pot met gouden munten uit waarschijnlijk het begin van de 16 de eeuw. Over de aard en datering van de funderingen staat verder niets vermeld. 50 Het Jaarverslag 1971 van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek meldt: ‘Bij de aanleg van Rijksweg 58 - Kapelle, no. 25 uitvoering tertiair wegenplan 1968, is men bij het gehucht Dijkwel op funderingen gestuit. Omdat op deze plaats door de bewoner van de hoeve Dijkwel al eens een pot met gouden munten was gevonden, achtte de hoofd-ingenieur-directeur van de Prov.Waterstaat in Zeeland het van belang de ROB in te lichten. Door onze correspondent, de heer B. Oele (Kapelle) is een onderzoek ingesteld. Er zijn weinig bijzonderheden aan het licht gekomen. De naam Dijkwel (Dicwale) heeft te maken met een voormalig dijkje uit de beginfase van de bedijkingen in Zuid-Beveland kort voor of tijdens de overstroming van 1134. In de omgeving van Dijkwel komt vrij veel "oude cultuurgrond" voor met scherven van Pingsdorf-, Paffrath-, en spaarzaam geglazuurd Andenne-aardewerk.’51

11

1080895

MEV-MEL

Onderzoeksgebied ligt op een getij-inversierug. De bodemopbouw bestaat uit zandige klei en/of klei die op een diepte van een meter overgaat in zeer fijn zand. In het onderzoeksgebied zijn in totaal zeven vindplaatsen onderscheiden op basis van vondsten, hoogteligging en de bodemkundige situatie. De vondsten dateren uit de periode 900-1450 AD.

12

1089668

?

Vier sloten doorsnijden een overstromingslaag. De oriëntatie van de sloten komt overeen met die van de huidige percelering. De datering van de overstromingslaag en de greppels is niet bekend.

13

1141646

MELA

Zilveren muntje (denier), gevonden ten westen van Kapelle. Datering: 12051220; muntmeester: Gerolf. Grootte: 11 mm; gewicht: 42 gram. Particuliere vondst (2012) Jachthoek, aangemeld bij SCEZ.

14

1168150

NEOM-NEOL

Tijdens niet-archeologisch graafwerk (2016) aan de Warretjes 25 (OM 4640955100) werd een vuursteenbijl aangetroffen. De bijl is ruim 13 cm lang,

50 Schriftelijke mededeling dhr. J. Jongepier (ZAD), d.d. 5 oktober 2022. 51 JROB 1971: 102.

36

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

6,5 cm breed en is gemaakt uit een grijze vuursteensoort met witte vlekken. De grijze vuursteensoort wordt vaker op neolithische vindplaatsen in de Scheldevallei aangetroffen. De herkomst ervan valt echter niet goed te achterhalen. Het meest voor de hand liggende herkomstgebied is ZuidBelgië. Rest nog de vraag hoe de bijl in de tuin te Kapelle terecht kan zijn gekomen. Er zijn geen gegevens bekend over de herkomst van de grond in de tuin. De vinder wist te vertellen dat op die plek in het verleden een kleine vijver lag. De steen kan dus door eerdere graafwerkzaamheden van een grotere diepte zijn gekomen. Volgens de bodemkaart van Zeeland bestaat de bodem uit kreekruggrond , wat kan betekenen dat de bijl in het verleden is verspoeld. In elk geval is het een bijzondere vondst voor Zeeland in het algemeen en voor Kapelle in het bijzonder. Er zijn slechts enkele vondsten uit de Nieuwe Steentijd op Zuid-Beveland bekend, zoals een gepolijst bijltje uit de omgeving van de vliedberg van Coudorpe en een vuurstenen pijlpunt uit de omgeving van Kruiningen. 15

1410792

MELB-Recent

Hoort bij het proefsleuvenonderzoek van nr. 9 (zie bovenn). Sporen van infrastructuur in de vorm van greppels en sloten. Een groot deel van deze sporen is gegraven in de 20 ste eeuw. Enkele van de sloten en greppels kennen een oudere oorsprong. Een voorbeeld hiervan betreft spoor 8000. Deze sloot stond reeds weergegeven als waterloop op de Kadastrale Minuut. Alle sloten en greppels zijn gedempt in de 20 ste eeuw. Deze sporen zijn niet als behoudenswaardig aangemerkt. Vondsten, namelijk keramiek (roodbakkend, o.a. van een laatmiddeleeuwse grape, en witbakkend aardewerk, Duits steengoed, industrieel wit), verder een fragment glas, baksteenfragmenten (uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe Tijd), metaalvondsten.

Uit bovenstaande komt naar voren dat in een straal van 800 m rond het plangebied archeologische waarden zijn aangetroffen uit voornamelijk de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Overige meldingen Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mail helpdesk archeologie, 16 september 2025) heeft geen aanvullende informatie opgeleverd met betrekking tot het plangebied. Luchtfotoanalyse Luchtfoto’s kunnen aan de hand van herkenbare soil- en/of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen in de bodem. Ook kunnen ze aanvullende informatie geven over mogelijke verstoringen. In het kader van dit onderzoek zijn meerdere luchtfoto’s geraadpleegd: foto’s gemaakt door de Royal Air Force tijdens de Tweede Wereldoorlog (Wageningen University), luchtfoto’s uit 1959, 1970 en satellietfoto’s uit 2003 t/m 2025 (Geoloket Atlas van Zeeland en Beeldmateriaal.nl). Luchtfoto’s uit de 21 ste eeuw zijn niet bruikbaar omdat het plangebied sinds die periode voortdurend deel heeft uitgemaakt van een boomgaard. De luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog en 1959 geven geen scherp beeld van het plangebied; die uit 1970 wel (zie figuur 18). Het in aanbouw zijnde erf ten westen van het plangebied is op deze foto reeds te zien. Binnen het plangebied is de oude percelering nog aanwezig.

Er lijkt in de bodem een onderscheid in kleur zichtbaar te zijn tussen ruim de relatief donkergekleurde noordelijke helft van het plangebied en het relatief lichtergekleurde deel ten zuiden hiervan. Het is niet duidelijk waardoor dit kleurverschil wordt veroorzaakt. Op de oudere luchtfoto’s (niet afgebeeld) lijkt dit kleurverschil ook zichtbaar te zijn, maar veel minder scherp. De situatie buiten het plangebied wordt niet duidelijk door de aanwezigheid van boomgaarden.

37

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Figuur 18 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de luchtfoto uit 1970. Bron: Geoserver Provincie Zeeland.

2.5

Bouw- en cultuurhistorische waarden

De Gemeente Kapelle beschikt niet over een bouwhistorische waardenkaart. Om vast te stellen of er binnen, of direct grenzend aan, het plangebied waardevolle bouw- en cultuurhistorische elementen voorkomen, is het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland geraadpleegd. Dit geeft de ligging aan van het plangebied binnen de middeleeuwse polder de Breede Watering bewesten Yerseke. Verder geeft het Geoloket geen bouw- of cultuurhistorische elementen aan. Ook in de publicatie Kleine monumenten in Kapelle, Biezelinge, Eversdijk en Schore 52 van de Heemkundige Kring De Bevelanden worden geen meldingen gemaakt binnen of direct grenzend het plangebied. Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat binnen, of direct grenzend aan, het plangebied geen militaire relicten worden weergegeven. Voor het plangebied geldt alleen de algemene melding dat er resten kunnen worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen.

52

De Regt 2004.

38

ARTEFAC T RAPPORT 1071

2.6

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Het plangebied ligt centraal op een brede kreekrug/getij-inversierug waarop o.a. Kapelle is ontstaan en die voortkomt uit een verlande post-Romeinse getijdengeul. Hier vallen tot op grote diepte afzettingen van het Laagpakket van Walcheren te verwachten. Als gevolg van erosie vanuit de geul zijn het Hollandveen Laagpakket, het Laagpakket van Wormer en de top van de pleistocene afzettingen niet meer aanwezig. Daardoor geldt voor de periode tot en met de Romeinse tijd geen archeologische verwachting. In de loop van de Vroege Middeleeuwen werd er bewoning op het Laagpakket van Walcheren mogelijk, met name op hoger gelegen delen zoals kreekruggen. Sinds de Late Middeleeuwen ligt het plangebied in bedijkt gebied. Op basis van dit alles is er sprake van één potentieel archeologisch niveau, namelijk op, en ingegraven in, de top van het Laagpakket van Walcheren. Dit niveau is vlak onder het maaiveld te verwachten, direct onder de geroerde bovenlaag. Het maaiveld ligt in het plangebied op 0,3 – 0,8 m +NAP. Er zijn verstoringen te verwachten door het agrarische gebruik van het land, zoals doorworteling van bomen en landbewerking.

Ook valt het op basis van de hoogtekaart (zie hoofdstuk 2.2.2) niet helemaal uit te sluiten dat de bovenzijde van het Laagpakket van Walcheren plaatselijk is afgegraven. Jong getijdenlandschap - Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk In de Vroege Middeleeuwen begon het jonge, post-Romeinse getijdenlandschap te verlanden. Als gevolg van differentiële klink lagen inversieruggen, ook wel kreekruggen genoemd, relatief hoog in het landschap. Hierdoor werden dit in de loop van de Vroege Middeleeuwen preferente bewoningsplekken in het onbedijkte, jonge getijdenlandschap. Het plangebied ligt op dezelfde kreekrug als Kapelle had zodoende een gunstige ligging. Het is dan ook niet uit te sluiten dat ook hier al relatief vroeg sprake is geweest van bewoning. Ook van het gehucht Dijkwel en de Dijkwelseweg wordt een zeer vroege oorsprong vermoed (hoofdstuk 2.3.1). In de omgeving van het plangebied zijn aardewerkvondsten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend (hoofdstuk 2.4). Sinds de Late Middeleeuwen maakt het plangebied deel uit van de polder de Breede Watering bewesten Yerseke. In de wijde omgeving verrezen meerdere kastelen en ontwikkelden zich nederzettingen, waaronder het dorp Kapelle. Binnen het plangebied kan van losse erven of ander gebruik sprake zijn geweest.

Er valt te denken aan bewoningsresten, maar bijvoorbeeld ook aan vindplaatsen die te maken hebben met landbouw of nijverheid. De gedetailleerde Bodemkaart van Biezelinge en omgeving situeert een noordwestelijk deel van het plangebied ter plaatse van oude cultuurgrond (zie figuur 19). Gezien de beperkte diepteligging zijn eventuele archeologische resten kwetsbaar voor verstoringen. Het is dan ook van belang om de mate van intactheid van het Laagpakket van Walcheren vast te stellen. Zolang deze onbekend is, wordt vooralsnog uitgegaan van een hoge archeologische verwachting voor de Middeleeuwen. Deze verwachting geldt voor het hele plangebied. Datering

Vroege en Late Middeleeuwen

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing; off-site vindplaatsen

Omvang

Huisplaats: 500-2.000 m²; nederzetting: 2.000-8.000 m²

Uiterlijke kenmerken

Vondstdichtheid

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Direct onder de geroerde bovenlaag (circa 0,30 m-mv) 39

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Locatie

Volledige plangebied

Gaafheid en conservering

Matig: mogelijk aangetast door verstoringen

Mogelijke verstoringen

Agrarisch gebruik (o.a. boomgaarden)

Figuur 19 Situering van te verwachten oude cultuurgrond binnen het plangebied, op basis van: De Bakker 1949. Bron achtergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors.

Voor de Nieuwe Tijd wordt de verwachting op het voorkomen van vindplaatsen in een noordoostelijke zone van het plangebied middelhoog ingeschat (figuur 20). Dit wordt gebaseerd op de kaart van Hattinga uit het midden van de 18de eeuw, die ter hoogte van dit deel van het plangebied bebouwing toont (hoofdstuk 2.3.1). Al is de kaart niet zeer nauwkeurig, toch wordt de aanwezigheid van bebouwing en/of een erf in dit geval goed mogelijk geacht, aangezien een projectie bij benadering wel degelijk valt te maken dankzij overeenkomsten in het wegenpatroon tussen enerzijds de Hattinga-kaart en anderzijds de Kadastrale Minuut. In de 19 de eeuw was de bebouwing niet meer aanwezig. Wat betreft het type vindplaats valt te denken aan resten van een huis, zoals funderingen, paalsporen, vloeren, kelders etc., en/of erfstructuren zoals putten, kuilen, greppels en restanten van omheiningen, bijgebouwen etc. Voor de rest van het plangebied wordt de verwachting voor de Nieuwe Tijd laag ingeschat op basis van cartografische referenties. Geen van de onderzochte kaarten laat vermoeden dat hier in de Nieuwe Tijd sprake was van bebouwing. Datering

Nieuwe Tijd

Complextype

Bewoning

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen grondsporen (huis met erfstructuren)

Omvang

Huisplaats: 500-2.000 m²

40

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Uiterlijke kenmerken

Grondsporen zoals funderingsresten, uitbraaksleuven, putten, paalsporen etc. Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, bouwkeramiek, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Direct onder de geroerde bovenlaag (circa 0,30 m-mv)

Locatie

Noordoostelijk deel van het plangebied (zie figuur 20)

Gaafheid en conservering

Matig: mogelijk aangetast door verstoringen

Mogelijke verstoringen

Agrarisch gebruik (o.a. boomgaarden, greppels)

Figuur 20 Deel van het plangebied waar een middelhoge verwachting geldt voor de Nieuwe Tijd. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

41

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

3

Inventariserend veldonderzoek

3.1

Methoden

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO-O) van de KNA 4.2, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak53. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan- of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen

5

Grid

Dichtheid

Verspreid over het plangebied, maar rekening houdend met de planvorming en met het feit dat in het oosten van het plangebied eerder reeds twee boringen zijn uitgevoerd, alsook met de specifieke plaatselijke archeologische verwachting binnen het plangebied: boringen 3 en 5 zijn uitgezet ter plaatse van oude cultuurgrond (De Bakker 1949); boring 4 ter hoogte van een mogelijk 18de -eeuws erf (Hattinga). Volgens de richtlijn van 8 boringen per hectare

Plaats- en hoogtebepaling

RTK-GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2 cm)

Boorgegevens

Digitaal vastgelegd op iPad

Gebruikte codelijsten - standaard

(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)

Boordiepte

Max. 2,30 m -mv/ 1,78 m -NAP

Gehanteerde boor

Edelmanboor (Ø 7 cm tot circa 1,3 m -mv), Gutsboor (Ø 3 cm)

Opsporen indicatoren

In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen

Monstername

Geen

Oppervlaktekartering

Het maaiveld is op vondsten geïnspecteerd

Bij het uitzetten van de boringen is rekening gehouden met de archeologische verwachtingen ten aanzien van oude cultuurgrond en aanwijzingen voor 18 de -eeuwse bewoning. Ook is rekening gehouden met de situering van in 2022 uitgevoerde boringen binnen en vlak ten zuiden van het plangebied. Tijdens het beschrijven van de boringen is specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: ⎯ de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment ⎯ aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) ⎯ de genese van de laag ⎯ bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.)

53

Wattenberghe & Van den Berg, 16-09-2025: Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen Kapelle Dijkwelseweg perceel 1219.

42

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

⎯ de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart met de situering van de verwachte oude cultuurgrond, mogelijke restanten van 18 de -eeuwse bewoning en de situering van de in 2022 uitgevoerde boringen 54 die voor onderhavig onderzoek relevant zijn, wordt afgebeeld op figuur 21. De boorstaten van onderhavig onderzoek zijn opgenomen in bijlage 5. De in 2022 uitgevoerde boringen staan genummerd in roze met het jaartal plus het toenmalige boornummer. De resultaten van deze eerdere boringen worden in onderhavig onderzoek betrokken in een apart hoofdstuk, namelijk 3.4. De voor onderhavig onderzoek relevante boorstaten van het onderzoek uit 2022 zijn opgenomen in bijlage 6.

Figuur 21 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

3.2

Geologie en bodem

Het booronderzoek heeft een goed beeld opgeleverd van de bodemopbouw binnen het plangebied. Het maaiveld ligt in het plangebied tussen 0,49 en 0,71 m +NAP. Aan de basis is in het plangebied matig tot zeer fijn, zwak siltig, kalkrijk zand aanwezig. Dit zand bevat gruis van schelpen en soms siltlagen. Naar boven toe neemt de siltigheid toe. Lithogenetisch is het zand als geulafzettingen te interpreteren. Lithostratigrafisch vallen deze te rekenen tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk). Naar boven toe blijft het sediment overwegend uit zand bestaan; alleen in boring 2 is onder de bouwvoor een 0,25 m dikke laag kleiig sediment aangeboord. Deze klei is stevig en sterk siltig. In boringen 1, 3, 4 en 5 wordt de natuurlijke ondergrond afgedekt door archeologische lagen, namelijk een cultuurlaag en een slootvulling. In boringen 1 een 3 (cultuurlaag) ligt de bovenzijde van de ‘schone’ natuurlijke ondergrond

54 Van den Berg & Wattenberghe 2023.

43

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

omstreeks 0,35 - 0,50 m -mv/ 0,17 - 0,20 m +NAP, in boring 4 (slootvulling) op 1,05 m -mv/ 0,53 m -NAP en in boring 5 (cultuurlaag) op 0,75 m -mv/ 0,26 m -NAP. Deze archeologische lagen worden besproken in hoofdstuk 3.3. Alleen in boring 2 ligt het Laagpakket van Walcheren aan het maaiveld (0,71 m +NAP) in de vorm van een 0,35 m dikke, uiterst siltige en matig humeuze bouwvoor. Verstoringen In boringen 1 en 2, oftewel in de zuidelijke helft van het plangebied, werd enige doorworteling vastgesteld, namelijk in boring 1 tot 0,75 m -mv/ 0,05 m -NAP en in boring 2 zelfs tot de einddiepte (1,25 m -mv/ 0,54 m -NAP). Deze doorworteling valt vermoedelijk aan het jarengebruik als boomgaard te relateren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16605581/1