CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-08a D26.348759 Onderbouwing fysieke leefomgeving Dijkwelseweg Kapelle

Raadsvergadering 24 februari 2026, gemeente KapelleBij agendapunt: Omgevingsvergunning tien woningen Dijkwelseweg in Kapelle30.402 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Wel moet rekening worden gehouden met de werkzaamheden in relatie tot het broedseizoen en moet voorkomen worden dat er geschikte verblijfplaatsen ontstaan voor de rugstreeppad. Er zijn geen wettelijk beschermde plantensoorten in het gebied aangetroffen, en er is geen sprake van invasieve plantensoorten. Ook negatieve effecten op bijzondere bomen of houtopstanden zijn uitgesloten, waardoor er geen meldingsplicht of herbeplantingsplicht geldt. Bij de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de ‘algemene zorgplicht’ uit de Omgevingswet. Voor alle in het wild voorkomende planten- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld, geldt deze ‘algemene zorgplicht’. Dit houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend planten- en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Volgens diverse gedragscodes is het opstellen van een ecologisch werkprotocol verplicht en leidend bij de uitvoering van de werkzaamheden. Conclusie Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.2.3 Gebiedsbescherming Het aspect natuur omvat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. Het Rijk en de Provincie zijn in eerste plaats verantwoordelijk voor gebiedsbescherming.

Toebedeelde functies moeten beoordeeld worden op mogelijk nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden en getoetst moet worden aan de instructieregels uit de omgevingsverordening ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland-gebieden. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is Westerschelde & Saeftinghe. Dit natuurgebied ligt op circa 2,7 kilometer van het plangebied. Verder is de Yerseke en Kapelse Moer op circa 3,1 kilometer van het plangebied gelegen en ligt de Oosterschelde op circa 3,2 kilometer afstand. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand van beschermde Natura 2000-gebieden plaatsvindt worden geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Voor dit plan is voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend (zie bijlage 4). De uitkomst is dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000gebieden. Er is geen vergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Conclusie Het aspect gebiedsbescherming staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg.

20

4.3 MOBILITEIT EN BEREIKBAARHEID Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot verkeersproblemen op de omliggende wegen. Er moeten ook voldoende parkeerplaatsen voor auto's en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie, het type functie en gemeentelijk beleid. Mobiliteit is geen doel op zich, maar een belangrijke randvoorwaarde voor onder meer de woningbouwopgave en de regionale economie. Gemeenten kennen een breed takenpakket op het gebied van mobiliteit. Het gaat niet alleen om het beheer en onderhoud van lokale wegen, maar ook over de mobiliteitstransitie, verkeersveiligheid en toegankelijkheid. Om mobiliteit toekomstbestendig te maken moeten al deze aspecten in onderlinge samenhang beschouwd worden. Gemeenten hebben daarnaast een eigen verantwoordelijkheid om locaties binnen de gemeente goed bereikbaar te houden. 4.3.1 Parkeren De parkeernorm wordt bepaald aan de hand van toekomstig, nog vast te stellen, parkeerbeleid van de gemeente Kapelle ‘Mobiliteitsplan Kapelle’. Deze komt in de voorliggende situatie overeen met CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering’. De gemeente Kapelle valt, zoals opgenomen in het toekomstig parkeerbeleid, volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onder de categorie ‘weinig stedelijk’. Voor het plangebied wordt het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ gehanteerd.

De woningen zijn te plaatsen in de categorie ‘Koophuis, tussen/hoek’. Hiervoor geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaats per woning inclusief bezoekersparkeren. Dit komt tevens overeen met het gemiddelde van de CROW-normering. Voor tien woningen zijn 20 parkeerplaatsen benodigd. In het plan worden 22 parkeerplaatsen gerealiseerd, waardoor er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Verder heeft het parkeerbeleid fietsparkeernormen opgesteld. Per woning in de categorie ‘Koophuis, tussen/hoek’ zijn 5,0 fietsparkeerplaatsen benodigd. De woningen beschikken over een berging in de tuin. In de voorliggende situatie wordt ervan uitgegaan dat er voldoende parkeergelegenheid is op eigen terrein. Conclusie Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.3.2 Verkeersgeneratie en ontsluiting De verkeersgeneratie wordt bepaald aan de hand van de CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering’. Uitgegaan wordt van stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' en gebiedstype ‘rest bebouwde kom’. Voor de categorie ‘koop, huis, tussen/hoek’ geldt per woning een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor tien woningen is dus sprake van een verkeersgeneratie van 74,0 verkeersbewegingen. Het plangebied wordt ontsloten door een aantakking op de ontsluiting van ’s Heeren Loo.

Vanaf hier komt het verkeer uit op de Dijkwelseweg en kan het verkeer zowel richting de kern van Kapelle als de snelweg. Het plangebied heeft hiermee een goede ontsluiting. De aansluiting op de weg van ’s Heeren Loo levert een veilige verkeerssituatie op. De rijsnelheid is hier wat lager en de Dijkwelseweg blijft overzichtelijker met behoud van zijn inrichting. Conclusie Het aspect verkeersgeneratie en ontsluiting staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.3.3 Vervoersmodaliteit Het plangebied is gelegen aan de rand van Kapelle. De voorzieningen binnen Kapelle en Biezelinge bevinden zich op enige afstand, maar zijn goed met de fiets bereikbaar. Ook is het station Kapelle-Biezelinge op fietsafstand gelegen. Tevens is het plangebied goed ontsloten voor autoverkeer. Conclusie Het aspect vervoersmodaliteit vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

21

4.4 DUURZAAMHEID Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van en het voorzien in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Duurzaam omgaan met de ruimte betekent onder meer rekening houden met de huidige gebruiksfuncties en de mogelijkheid voor toekomstige generaties om functies aan een gebied te geven. Bij duurzame gebiedsontwikkeling gaat het om duurzaam gebruik van materialen, energie, natuur en mobiliteit. Omdat duurzaamheid veel facetten heeft, is een integrale benadering noodzakelijk. De gemeente Kapelle werkt aan de diverse bouwstenen voor duurzaamheid uit het Klimaatakkoord. Het beleid voor duurzaamheid van de gemeente Kapelle wordt verwoord in de Duurzaamheidsagenda Kapelle. Deze agenda is een verzameling van verschillende bouwstenen. Hieronder wordt per bouwsteen weergegeven hoe de ontwikkeling hier een bijdrage aan levert: - Circulaire gemeente: Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van circulaire bouwmaterialen. De exacte invulling hiervan vindt bij de verdere uitwerking van het plan plaats. - Elektriciteit: Met de voorgenomen ontwikkeling worden zonnepanelen op de daken geplaatst, wat een bijdrage levert aan de ambitie voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen.

- Klimaatbestendige leefomgeving: In het kader van een klimaatbestendige leefomgeving wordt in de buitenruimte groen aangebracht. Het zuidelijk deel van het plangebied krijgt een natuurlijke inrichting. Verder worden er nieuwe bomen geplaatst, waardoor ook schaduw en koelteplekken ontstaan. Met de voorgenomen wijze van waterafvoer wordt overlast ter plaatse van de woningen voorkomen (zie 4.2.1). - Mobiliteit: Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom. Voor voorzieningen binnen de kern is het daardoor aannemelijk dat er gebruik wordt gemaakt van de fiets. Verder heeft Kapelle-Biezelinge een eigen station, waardoor ook het openbaar vervoer gebruikt kan worden. - Natuur en biodiversiteit: Het zuidelijk deel van het plangebied krijgt zoals eerder benoemd een natuurlijke inrichting, waardoor aandacht is voor de natuur en een biodiverse inrichting. Verder worden de parkeervakken uitgevoerd met grasdoorgroeistenen en worden er groenstroken aan de randen van het plangebied aangelegd. - Verduurzaming eigen organisatie: Deze bouwsteen is niet direct relevant voor de voorgenomen ontwikkeling. - Warmte gebouwde omgeving: De nieuwe woningen worden voorzien van energielabel A+++, waarbij onder andere sprake is van een goede isolatie, een ventilatiewarmtepomp en een gebalanceerde ventilatie. - Waterstof: Deze bouwsteen is niet direct relevant voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie Het aspect duurzaamheid staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.5 GEZONDE LEEFOMGEVING Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de kaders van Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. Het aspect gezondheid is veelomvattend en zeer divers. Aan de meeste milieuaspecten (o.a. luchtkwaliteit, geluid en geur) zijn in meer of mindere mate immers gezondheidsaspecten verbonden. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. 4.5.1 Groen Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een boomgaard met fruitbomen. In de toekomstige situatie worden deze gerooid en wordt er aan de zuidzijde rekening gehouden met een spuitzone van omliggende agrarische gronden. De inrichting van deze zone is nog niet definitief, wel is het voornemen om het gebied een natuurlijke inrichting te geven met diverse beplantingssoorten. Verder worden zoals eerder benoemd de parkeervakken uitgevoerd met halfverharding en worden groenstroken aangelegd langs de rijbaan.

Er worden bomen geplant en komen er hagen op diverse plekken in het plangebied. Conclusie Het aspect groen vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

22

4.5.2

Milieuzonering

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ervoor zorgen dat voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten voorkomen wordt. Sommige activiteiten die vanuit een planologisch perspectief mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Om de afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies te bepalen, wordt vooralsnog gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’, aangezien de milieuzonering ‘nieuwe stijl’ nog niet in de praktijk is beproefd. Naar verwachting zal de uitkomst van een toetsing op basis van de nieuwe stijl niet wezenlijk afwijken van een beoordeling op basis van de VNG-publicatie. Het reguleren van de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering.

De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Voor het beoordelen van de richtafstanden is, gelet op de woonfuncties, maatschappelijke functie en agrarische functies in de nabije omgeving, uitgegaan van een rustige woonwijk/rustig buitengebied. Aan de noordzijde van het plangebied zijn diverse agrarische bedrijven gevestigd. Voor een agrarisch bedrijf (tuinbouw, bedrijfsgebouwen) geldt een richtafstand van 30 meter. De afstand tussen de grens van het plangebied en de grens van de agrarische bouwvlakken bedraagt meer dan 30 meter waardoor aan deze richtafstand wordt voldaan. - Dijkwelseweg 44: circa 110 meter afstand - Dijkwelseweg 40: circa 53 meter afstand - Dijkwelseweg 38 A&B: circa 75 meter afstand Aan de noordoostzijde van het plangebied ligt op de locatie Dijkwelsweg 32 een bedrijfsbestemming. Op deze locatie mogen bedrijven uit ten hoogste milieucategorie 2 gevestigd worden. Voor milieucategorie 2 moet een afstand van 30 meter worden gehouden tot een rustig buitengebied. De afstand tussen de grens van het plangebied en de grens van de bedrijfsbestemming bedraagt circa 150 meter waardoor aan deze richtafstand wordt voldaan. Aan de zuidzijde van het plangebied is een volkstuincomplex gelegen.

De VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' noemt volkstuinen niet als mogelijke hinder veroorzakende functie. Daarnaast bevinden de volkstuinen zich op circa 190 meter van het plangebied. Het volkstuincomplex vormt geen belemmering in het kader van bedrijven- en milieuzonering. Spuitzone Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van agrarische gronden is het van belang om rekening te houden met mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op het woon- en leefklimaat, in samenhang met het bedrijfsbelang van agrariërs. Er zijn echter geen wettelijke bepalingen inzake minimaal aan te houden afstanden tussen de gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient echter een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats te vinden, inclusief het milieubelang. Hierbij moet de aan te houden afstand tussen de gronden waarop de gewassen worden geteeld en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object kan worden gegarandeerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State acht een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, daarbij niet onredelijk.

Om die reden wordt in dit geval een groene bufferzone van 50 meter gecreëerd tussen de woningen en de zuidelijk gelegen boomgaard. De spuitzone vormt geen belemmering om de voorgenomen ontwikkeling planologisch mogelijk te maken.

23

Conclusie Het aspect milieuzonering staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.5.3

Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Omgevingswet bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een aandachtsgebied van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) is het digitale systeem waarin de geluidgegevens verzameld worden voor de Omgevingswet en de Richtlijn omgevingslawaai. Hier zijn op dit moment onder andere de geluidaandachtsgebieden van rijkswegen in opgenomen. Op verharde gemeentewegen en waterschapswegen met een verkeersintensiteit hoger dan 2.500 motorvoertuigbewegingen per etmaal is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van toepassing.

Voor die wegen worden op grond van de Omgevingsregeling, afhankelijk van de rijsnelheid en het aantal rijstroken, de aandachtsgebieden vastgesteld. Wordt er binnen een geluidaandachtsgebied een nieuw geluidgevoelig gebouw toegevoegd, dan moet een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai worden uitgevoerd. De voorgenomen ontwikkeling ligt voor wat betreft wegverkeerslawaai binnen het geluidaandachtsgebied van de Dijkwelseweg, aangezien deze weg meer dan 2.500 motorvoertuigbewegingen per etmaal heeft. Deze weg bestaat bij het plangebied uit een deel provinciale en een deel gemeentelijke weg. Ook valt het plangebied volgens het CVGG binnen het geluidaandachtsgebied van de rijksweg A58. Uit het CVGG blijkt dat het plangebied zich niet binnen het geluidaandachtsgebied van een spoorlijn bevindt. Ook bevindt het plangebied zich niet binnen de geluidzone van een industrieterrein of binnen richtafstanden voor geluid van omliggende bedrijven, waardoor akoestisch onderzoek naar activiteiten niet noodzakelijk is. Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is op 16 september 2025 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie bijlage 5). Uit het onderzoek komt naar voren dat het geluid door wegverkeerslawaai varieert. Het geluid door de gemeenteweg Dijkwelseweg bedraagt maximaal 53 dB Lden, waarmee de standaardwaarde niet wordt overschreden.

Het geluid door de provinciale weg N666 varieert van 33 tot 54 dB Lden, waardoor de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overal wordt gehaald. De overschrijding van maximaal 6 dB treedt op bij alle voorgevels van de nieuwbouw en de westgevel van blok B, maar blijft onder de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Het geluid door de rijksweg A58 varieert van 42 tot 55 dB Lden, waarbij de overschrijding van maximaal 5 dB plaatsvindt bij alle achtergevels en beide westgevels. Maatregelen bij de ontvanger, zoals een absorberend geluidscherm van minimaal 2,5 meter hoog, zijn noodzakelijk om overschrijdingen op te heffen en een geluidluwe buitenruimte te creëren. Door BTR Architectuur + Bouwkunde is een alternatief voor het geluidscherm uit de rapportage aangeleverd. Dit betreft een Kokowall van 2 meter hoog. In een aanvullende berekening is deze geluidwerende maatregel door Kraaij Akoestisch Adviesbureau berekend (zie bijlage 6). Hier zijn drie varianten tegen elkaar afgewogen: de situatie zonder geluidschermen, de situatie conform het akoestisch rapport en de situatie met het alternatief van BTR. Hieruit blijkt dat de situatie met de Kokowall op de begane grond effect heeft, waarbij de hoogste waarde op 52 dB Lden uitkomt. Volgens de methode Miedema is er sprake van een ‘redelijk’ woon- en leefklimaat op het aspect geluid op het begane grondniveau.

Met het treffen van maatregelen in de buitenschil wordt een binnenwaarde van 33 dB gewaarborgd. Dit wordt nader uitgewerkt in het bouwtechnische aspect van de woningen. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning, mits er geluidbeperkende maatregelen worden getroffen.

24

4.5.4

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De doelstelling van omgevingsveiligheid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Omgevingsveiligheid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving. De instructieregels van paragraaf 5.1.2 zijn erop gericht gebouwen en locaties te beschermen waar personen gedurende een periode verblijven. In de omgeving van het plangebied zijn diverse risicovolle inrichtingen en bijbehorende aandachtsgebieden gelegen.

Zo hebben de rijksweg A58 en de nabijgelegen spoorlijn aandachtsgebieden vanwege het transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast zijn diverse buisleidingen in de omgeving gelegen. Desondanks is het plangebied voor het overgrote deel niet in een aandachtsgebied gelegen. Alleen de zuidoostelijke hoek van het plangebied is binnen het gifwolkaandachtsgebied van de A58 gelegen. Dit deel van het plangebied maakt geen onderdeel uit van de woningbouwontwikkeling en wordt naar verwachting alleen ingericht met beplanting.

Afbeelding 10 | Register Externe Veiligheid (bron: Atlas Leefomgeving, bewerking: Juust) Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.5.5

Luchtkwaliteit

Bij het toelaten van activiteiten moeten, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, de gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Als sprake is van een zeer beperkte bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10 is geen beoordeling nodig of aan de omgevingswaarde wordt voldaan. Er is sprake van een 'niet in betekenende mate bijdrage’ wanneer de toename van de concentratie NO2 en PM10 in de buitenlucht niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2. Daarnaast is een aantal categorieën aangewezen die in elk geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Bij activiteiten en werken die binnen deze categorieën vallen hoeft verder niet door middel van berekeningen of op een andere manier aangetoond te worden dat de toename van de concentraties niet de van toepassing zijnde grens voor NIBM overschrijdt.

25

In artikel 5.54 Bkl zijn de standaardgevallen genoemd die niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10. Hierin is onder andere aangegeven, dat gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met ten hoogste 1.500 woningen en één ontsluitingsweg aan te merken zijn als een categorie die ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie van stikstofdioxide. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van tien woningen op een binnenstedelijke locatie. Deze valt onder de hiervoor genoemde categorie. De instructieregels voor de bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht zijn derhalve niet van toepassing. Om die reden wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling als een ontwikkeling is te beschouwen die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de onderstaande afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2025 weergegeven.

Afbeelding 11 | Uitsnede Kaart Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (bron: RIVM, bewerking: Juust) Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied (zie roze stip) jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 12,93 μg/m3, 13,67 μg/m3 en 6,75 μg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 μg/m3) en PM2,5 (25 μg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De luchtkwaliteitssituatie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.5.6

Milieueffectrapportage

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Bijlage V van het Omgevingsbesluit bevat een opsomming van projecten waarvoor een milieueffectrapportage (mer) verplicht kan zijn. In de eerste kolom van bijlage V staan de omschrijvingen van de projecten die in aanmerking komen voor mer-plicht of mer-beoordelingsplicht. Bij de ontwikkeling van woningen moet beoordeeld worden of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dat is hier het geval.

26

Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen als bedoeld in kolom 1 onder J11 uit bijlage V Omgevingsbesluit geldt een mer-beoordelingsplicht waarbij een zogenaamde ‘mededeling’ van het voornemen voor de planontwikkeling moet worden gedaan. Er moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Deze motivering wordt gezien als de mededeling. Of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten is conform Europese regelgeving is mede afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling en de relatie met andere plannen, projecten of activiteiten en de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. In onderhavig plan worden in totaal tien woningen toegevoegd in Kapelle. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu vanwege het plan te verwachten, omdat de milieueffecten zeer beperkt zijn (zie paragraaf 4.1 t/m 4.5). Er zijn ook geen andere projecten in samenhang waarmee dit project dergelijke negatieve gevolgen heeft. Conclusie Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

27

5. Conclusie 5.1 EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verkrijgen, moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) aanvaardbaar wordt geacht, volgens artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Daarnaast moet ook voldaan worden aan de instructieregels en instructies van zowel de provincie als het Rijk (artikel 8.0b Bkl). In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het geldende beleid en zijn de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd. Hieronder is aangegeven of aan een aspect voldaan wordt, niet wordt voldaan of onder voorwaarden kan worden voldaan. Kan aan aspect worden voldaan Kan onder voorwaarden worden voldaan Kan niet aan aspect worden voldaan

V ~ X

Ondergrond en cultuurhistorie Archeologie Bodemkwaliteit Niet Gesprongen Conventionele Explosieven Cultuurhistorische waarden

~ V V V

Natuur en water Weging van het waterbelang Soortenbescherming Gebiedsbescherming

V V V

Mobiliteit en bereikbaarheid Parkeren Verkeersgeneratie en ontsluiting Vervoersmodaliteit

V V V

Duurzaamheid

V

Gezonde leefomgeving Bewegen Groen Milieuzonering Geluid Omgevingsveiligheid Luchtkwaliteit Milieueffectrapportage

V V V ~ V V V

5.2 BELANGENAFWEGING In bovenstaande tabel is weergegeven dat aan alle aspecten (onder voorwaarden) kan worden voldaan. Ten aanzien van het aspect archeologie is een vervolgstap benodigd. Wat betreft het aspect geluid moeten geluidbeperkende maatregelen worden toegepast. Indien er rekening wordt gehouden met deze voorwaarden is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De ontwikkeling wordt aanvaardbaar geacht ten aanzien van de leefomgeving.

28

6. Uitvoerbaarheid 6.1 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het verlenen van een omgevingsvergunning met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is gericht op uitvoering van een project. Om te waarborgen dat het project ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd moet aangetoond worden dat het ook financieel uitvoerbaar is. Zo wordt voorkomen dat vergunningen worden verleend die uiteindelijk niet uitgevoerd kunnen worden. Er is sprake van een ontwikkeling welke volledig op initiatief en voor eigen rekening van de grondeigenaar (tevens initiatiefnemer) plaatsvindt. De te verhalen kosten voor de gemeente betreffen eventuele nadeelcompensatie en proceskosten. Ten aanzien van deze aspecten is het mogelijk een privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten tussen de gemeente en de initiatiefnemer zodat er geen publiekrechtelijk kostenverhaal in het kader van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is. Deze overeenkomst zal voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. 6.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6.2.1 Participatie Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Een initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een omgevingsvergunning aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn.

Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. De gemeenteraad kan echter gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. De gemeenteraad van Kapelle heeft vastgesteld dat participatie verplicht is bij projecten waarbij het aantal woningen toeneemt met meer dan vijf. Dat is hier het geval. Op woensdag 10 december 2025 heeft een participatiebijeenkomst plaatsgevonden met de directe omgeving (zie bijlage 7).

29

Bijlagen

Bijlage 1: Archeologisch Vooronderzoek

ARTEFACT! RAPPORT 1071

Kapelle Dijkwelseweg KPL01O1219 (ged.) Gemeente Kapelle Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

M. van den Berg

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Colofon Titel

Kapelle Dijkwelseweg KPL01O1219 (ged.). Gemeente Kapelle. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

Auteur(s)

M. van den Berg

Artefact rapport

1071

Status rapport

Definitief Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.

Datum

20 november 2025

Projectcode

2025ART98

Projectleider veldwerk

F.G.R. D’hondt (Senior KNA Prospector)

Projectmedewerker(s)

-

ISSN

2213 7424

Autorisatie

Naam

J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Prospector)

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V., 2025 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.

2

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Inhoud Samenvatting .......................................................................................................................................... 4 Administratieve Gegevens.......................................................................................................................... 5

1

Inleiding ..................................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek........................................................................................................7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen..................................................................................7 1.3 Beleidskader .............................................................................................................................. 9 1.4 Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming ..............................................................................12

2

Archeologisch bureauonderzoek .............................................................................................. 14 2.1 Methoden ................................................................................................................................14 2.2 Landschap en geologie ............................................................................................................... 15 2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling.........................................................................................15

2.2.2

Aardkundige waarden .................................................................................................... 18

2.3 Historie....................................................................................................................................25 2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling ............................................................................... 25

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis................................................................................................. 32

2.4 Archeologische waarden............................................................................................................. 33 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden............................................................................................38 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ...............................................................................................39

3

Inventariserend veldonderzoek ................................................................................................ 42 3.1 Methoden ............................................................................................................................... 42 3.2 Geologie en bodem....................................................................................................................43 3.3 Archeologie ............................................................................................................................. 44 3.4 Resultaten eerder booronderzoek (2022) t.o.v. resultaten huidig booronderzoek .................................45

4

Conclusie en Advies.................................................................................................................. 47 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen................................................................................. 47 4.2 Advies .................................................................................................................................... 49

Lijst met figuren ......................................................................................................................................51 Bronnen ................................................................................................................................................ 52

Bijlage 1

AMZ-cyclus

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen

Bijlage 3

Tijdstabel

Bijlage 4

Planvorming

Bijlage 5

Boorstaten

Bijlage 6

Relevante boorstaten eerder onderzoek (2022) 3

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Samenvatting Een initiatiefnemer heeft het voornemen om nieuwbouwwoningen te realiseren in een plangebied aan de Dijkwelseweg te Kapelle (gemeente Kapelle), namelijk op een deel van perceel KPL01O1219. In het kader van de benodigde BOPA (Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit)-omgevingsvergunning heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in opdracht van Sweco Nederland B.V. een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen in het plangebied uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model werd vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten dit onderzoek kan het volgende gesteld worden: ⎯ In het plangebied zijn diep reikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig; hierdoor geldt er geen archeologische verwachting voor alle perioden tot en met de Romeinse tijd. ⎯ Verspreid over het plangebied meerdere aanwijzingen voor een vindplaats zijn gezien, zoals een cultuurlaag met indicatoren (in 3 van de 5 boringen), een sloot met indicatoren, fosfaatvlekken en indicatoren in de bouwvoor.

⎯ Op basis van de resultaten geldt voor het hele plangebied een hoge verwachting voor de Middeleeuwen en in een noordoostelijk deel van het plangebied tevens een hoge verwachting voor de Nieuwe Tijd. In het kader van de BOPA wordt geadviseerd geen bodemingrepen te verrichten die dieper reiken dan 0,30 m vanaf het huidige maaiveld. Indien dit niet mogelijk of niet wenselijk is, wordt vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Proefsleuvenonderzoek wordt als meest geschikte vorm van vervolgonderzoek aanbevolen. Ook daar waar geen vervolgonderzoek plaatsvindt, is de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht (artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016).

4

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Administratieve Gegevens Projectnaam

Kapelle Dijkwelseweg KPL01O1219 (ged.)

Onderzoeksvorm

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

LOCATIE Provincie

Zeeland

Gemeente

Kapelle

Plaats

Kapelle

Adres / Locatie

Dijkwelseweg perceel KPL01O1219 (ged.)

Hoekpunten coördinaten RD Centrumcoördinaat RD

NW 54.677 / 388.905 ZW 54.707 / 388.827 54.730 / 388.882

Kaartblad

65H

Kadastraal perceel Oppervlakte plangebied (= onderzoeksgebied)

Gemeente Kapelle, Sectie O, (deel van) Perceel 1219 7.133 m²

Vigerende bestemmingsplan

Buitengebied 2 e herziening (2015); waarde archeologie 4 (250 m2; 0,40 m mv)

NO 54.769 / 388.933 ZO 54.918 / 388.848

BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats

Geen

AMK-terrein

Geen

Archis vondstlocatie

Geen

Zeeuws Archeologisch Depot

Geen (mail helpdesk 16 september 2025)

OPDRACHTGEVER Naam

Sweco Nederland B.V.

Contactpersoon

Dhr. M. Waterman en dhr. R. de Nood

Adres

Goessestraatweg 17a, 4421 AD Kapelle

Telefoon

0113 405051

Email

marik.waterman@sweco.nl; roy.denood@sweco.nl

BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Kapelle

Contactpersoon

Dhr. P. Vogel

Adres

Postbus 79, 4420 AC Kapelle

Telefoon

14 0113

Email

p.vogel@kapelle.nl

5

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam

Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband (OAS)

Contactpersoon

Dhr. K-J. R. Kerckhaert

Adres

Postbus 49, 4330 AA Middelburg

Telefoon

0118 670870

Email

adviesarcheologie@erfgoedzeeland.nl

BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)

Adres

Armeniaans Schuitvlot 1, 4331 NL Middelburg

Telefoon

0118 631011

Email

zad@zeeland.nl

E-depot

EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V.

Contactpersoon

Dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact-info.nl

Certificaat

ARC-010/2 - BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

Omgevingsvergunning BOPA

Begin/einddatum veldwerk

25 september 2025

Projectnummer Artefact

2025ART98

Archis onderzoeksmelding

5838046001

Vindplaats(en)

Bewoning (vermoedelijk)

6

ARTEFAC T RAPPORT 1071

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

In opdracht van Sweco Nederland B.V. heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Dijkwelseweg te Kapelle (gemeente Kapelle; figuren 1 en 2). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de initiatiefnemer om hier nieuwbouwwoningen te realiseren. De beoogde nieuwbouwlocatie omvat een deel van een perceel dat kadastraal bekendstaat onder Gemeente Kapelle, Sectie O, Perceel 1219 en beslaat een oppervlakte van 7.133 m2.

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

In het tijdelijke deel van het omgevingsplan geldt volgens het bestemmingsplan Buitengebied 2 e herziening (2015) een dubbelbestemming waarde archeologie 4. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 m2 en dieper reiken dan 0,40 m -mv (meter beneden maaiveld). Met de nieuwe ontwikkeling zullen de vrijstellingsgrenzen wellicht worden overschreden. Daarom is in het kader van de benodigde BOPA omgevingsvergunning voorliggend archeologisch onderzoek uitgevoerd.

1.2

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Conform de AMZ- cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over

7

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: ⎯ Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek ⎯ Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVOproefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek).

Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯ De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. ⎯ Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. ⎯ Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld.

Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 2 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20193 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Daarbij dienen volgende vragen te worden beantwoord: ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? 1

SIKB, Protocol 4002, Versie 4.2, d.d. 14 maart 2022: p.4.

2 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.2, d.d. 14 maart 2022: p.4-5. 3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

8

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

Figuur 2 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

1.3

Beleidskader

De zorg voor het (archeologisch) erfgoed werd in Nederland gereguleerd in de Monumentenwet 1988. In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta door de lidstaten ondertekend. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De drie belangrijkste bepalingen daarbij zijn het behoud in situ, een goede en vroegtijdige inpassing in het ruimtelijke ordening(proces) en het verstoorder betaalt principe. Dit verdrag werd binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg uit 2007. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 werd de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten werden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Gemeenten werden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden, dienden daartoe een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening, c.q. bestemmingsplannen. Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) werden de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning. De bevoegdheid voor 9

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

archeologische rijksmonumenten bleef echter onveranderd bij het Ministerie van OC&W, i.c. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht die samen met de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Een gedeelte van de Monumentenwet is opgegaan in de Erfgoedwet, waar onder meer de certificering in de archeologie wordt geregeld. Alle regelingen rond (de omgang met cultureel erfgoed in) de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Omgevingswet. Daarbinnen dient dus ook rekening te worden gehouden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed dat als onderdeel van de leefomgeving uit 5 elementen kan bestaan: monumenten (gebouwd erfgoed, tuinen, parken), stadsen dorpsgezichten, cultuurlandschappen, immaterieel erfgoed indien dat verbonden is aan specifieke locaties en dus ook (bekende of verwachte) archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Binnen de Omgevingswet bestaan drie wetsinstrumenten: ⎯ De omgevingsvisie is een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. Deze wordt opgesteld door het Rijk, de provincie en de gemeente.

Een omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit en kan een brede, drijvende kracht zijn om opgaven uit andere sectoren met elkaar te verbinden. ⎯ De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Dit kunnen regels zijn over activiteiten. Bijvoorbeeld regels over activiteiten in natuurgebieden. In uitzonderlijke gevallen kan de provincie ook regels stellen over de toedeling van functies aan locaties. De provincie moet de kernkwaliteiten van een aantal werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst van werelderfgoed uitwerken in hun omgevingsverordening. Ook stelt de provincie daartoe in de omgevingsverordening regels aan omgevingsplannen. ⎯ Het omgevingsplan bevat alle algemene regels die de gemeente over de fysieke leefomgeving binnen haar grondgebied stelt. Er moet daarbij rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en er moet een toereikend beschermingsregime worden opgenomen. Tot slot kan de gemeente (lokale) regels stellen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven. Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk activiteiten te regelen met algemene regels.

In sommige gevallen kan een initiatiefnemer volstaan met het doen van een melding voordat de activiteit mag worden uitgevoerd. Daarnaast is een beperkt aantal activiteiten vergunningplichtig. In die gevallen moet de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aanvragen. Een aanvraag kan enkelvoudig of meervoudig zijn: met 1 aangevraagde activiteit of meerdere aangevraagde activiteiten. De omgevingsplanactiviteit (OPA) kent 2 vormen: 1.

Binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA): dit is een activiteit waarvoor de gemeente in het omgevingsplan bepaalt dat het uitvoeren zonder omgevingsvergunning verboden is. De gemeente regelt in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is. In het omgevingsplan worden ook de beoordelingsregels over het verlenen van de omgevingsvergunning opgenomen. Op basis van deze beoordelingsregels van de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit voert de initiatiefnemer de benodigde gedetailleerde onderzoeken uit.

2. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA): dit is een activiteit die in strijd is met de regels van het omgevingsplan. Het bevoegd gezag beoordeelt of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderdeel hiervan is het toetsen van de BOPA aan het geldende beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is een goede motivering van het besluit in afwijking van het beleid nodig. De Omgevingsregeling stelt specifieke aanvraagvereisten voor de BOPA. Onder andere dat de aanvrager de gegevens verstrekt die nodig zijn om de gevolgen van die activiteit te beoordelen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

10

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Het bevoegd gezag beslist over een vergunningaanvraag. Soms is het bevoegd gezag daarbij verplicht om advies of instemming te vragen. Bij meerdere samenhangende aanvragen bepaalt de coördinatieregeling welk bestuursorgaan de aanvraag coördineert. Soms vindt een activiteit plaats op het grondgebied van meer dan 1 gemeente, provincie of waterschap. Het bevoegd gezag is dan de gemeente, het waterschap of de provincie waar de activiteit in hoofdzaak zal worden verricht. Meestal is de gemeente het bevoegd gezag voor de algemene rijksregels in het omgevingsplan. Een en ander is afhankelijk van het orgaan dat ze gemaakt heeft. De provincie is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de omgevingsverordening. Het waterschap is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de waterschapsverordening. Archeologische rijksmonumenten en bevoegd gezag Archeologische rijksmonumenten worden aangewezen op grond van de Erfgoedwet. Voor de status van rijksmonument is het dus niet nodig om het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie ‘rijksmonument’ te geven. De daadwerkelijke bescherming van het rijksmonument komt tot stand met de in artikel 5.1 lid 1 onder b van de Omgevingswet opgenomen vergunningplicht en de algemene regels in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Gemeenten kunnen aan de locatie van een rijksmonument wel de functie ‘rijksmonument’ geven met het oog op het stellen van andere regels dan de eerder genoemde vergunningplicht en algemene regels. Daartoe kan de locatie van het rijksmonument ook worden verbeeld in het omgevingsplan. Dergelijke aanvullende regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het gewenste of toegelaten gebruik van de locatie. De regels voor rijksmonumenten(activiteiten) zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Voor een rijksmonumentenactiviteit is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag bij zogeheten meervoudige aanvragen. Dus bijvoorbeeld in combinatie met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit. De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dan wel recht van advies en instemming. In de praktijk is dit de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Indien een aanvraag alleen betrekking heeft op een archeologische rijksmonumentenactiviteit (= enkelvoudige aanvraag) dan bepaalt de Omgevingswet en artikel 4.13 van het Omgevingsbesluit dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) bevoegd gezag is. Dat geldt niet indien het rijksmonument in de territoriale zee buiten een gemeente ligt. In dat geval is de minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag.

Voor een rijksmonumentenactiviteit die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen. Onderzoeksagenda’s en richtlijnen Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld 4 . In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt.

Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯ Basale harde gegevens en diachrone datasets ⎯ Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen ⎯ Uitwerking oud archeologisch onderzoek

4 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017.

11

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

⎯ Verdronken land en dorpen ⎯ Onderzoek naar infrastructuur ⎯ Verdedigingswerken in Zeeland ⎯ Boerderijen en rurale nederzettingen ⎯ Voedseleconomie van stad en platteland ⎯ Religieuze en rituele verschijningsvormen ⎯ Scheeps- en onderwaterarcheologie ⎯ Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 5

1.4

Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming

Het plangebied (figuren 2 en 3) ligt in buitengebied aan de zuidzijde van de Dijkwelseweg en op ruim een kilometer ten zuidwesten van de oude dorpskern van Kapelle. Ongeveer 200 m ten westen van het plangebied bevindt zich het gehucht Dijkwel. Het plangebied ligt in een omgeving met veel boomgaarden. Het plangebied omvat een deel van een perceel dat kadastraal bekendstaat onder Gemeente Kapelle, Sectie O, Perceel 1219 en beslaat een oppervlakte van 7.133 m2. Het plangebied is thans nog als boomgaard in gebruik. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door een woonperceel (Dijkwelseweg 15A), aan de noordzijde door de Dijkwelseweg, aan de oostzijde door een sloot en toegangsweg, en aan de zuidzijde door de rest van perceel 1219. De initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied langs de Dijkwelseweg tien starterswoningen met bijbehorende inrichting (bergingen, parkeergelegenheid, tuinen, bomenrij) te realiseren. Aan de zuidzijde van de beoogde woonpercelen zal een spuitzone van 50 m worden aangehouden ten opzichte van de ten zuiden hiervan gelegen boomgaard. Deze spuitzone valt grofweg samen met de zuidelijke helft van het plangebied. Meer informatie over de planvorming was ten tijde van voorliggend onderzoek nog niet beschikbaar. In bijlage 4 is een voorlopige situatieschets opgenomen.

5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

12

ARTEFAC T RAPPORT 1071

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Figuur 3 Projectie van het plangebied op een uitsnede van een luchtfoto (2025). Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl; Kadaster.

13

ARTEFAC T RAPPORT 1071

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methoden

KAPELLE DIJKWELSEWEG KPL01O1219 (ged.)

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.2 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 6 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1.4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1.3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1.4

Beschrijven historische situatie

LS03

2.3.1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2.3.2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

LS02-03-04

2.5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2.2.2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2.4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2.6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. ⎯ (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten ⎯ Paleogeografische kaarten ⎯ Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ⎯ (Specialistische) literatuur ⎯ Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek ⎯ Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven ⎯ Lucht- en satellietfoto’s ⎯ Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten ⎯ Gemeentelijk en/of provinciaal archief; Provinciaal depot: archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) ⎯ Archeologische Monumenten Kaart (AMK) ⎯ Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) ⎯ Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis ⎯ Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) ⎯ Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) ⎯ Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten ⎯ Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16605581/1