2026-06a D26.348545 Ruimtelijke onderbouwing uitbreidingsplan Maalstede 1a Kapelle
Tekst van het document
Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten is het volgende opgenomen in het bijlage V van het Omgevingsbesluit. Tabel 4.1: Bijlage V bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Projecten Gevallen waarin de Gevallen waarin de Besluiten als mer-plicht geldt mer-beoordelingsplicht bedoeld in artikel (artikel 16.43, eerste geldt (artikel 16.43, 11.6, derde lid, lid, aanhef en onder eerste lid, aanhef en onder c, van het a, van de onder b, van de Omgevingsbesluit Omgevingswet) Omgevingswet) J11 Stedelijk Niet van toepassing Aanleg, wijziging of Het omgevingsplan ontwikkelingsproject uitbreiding met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen
Gelet op de aard, omvang en directe omgeving (alsmede relevante jurisprudentie over dit onderwerp) is de beoogde ontwikkeling zelfstandig beschouwd mogelijk niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie J11 in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor de ontwikkeling van dit project zijn milieuonderzoeken uitgevoerd (akoestisch onderzoek, bodemonderzoek, archeologisch onderzoek, ecologisch onderzoek en stikstofberekeningen). Deze onderzoeken zijn gebruikt om de milieueffecten te beoordelen voor deze mer-beoordeling. Er is geen milieueffectrapport nodig, omdat het toevoegen van vier woningen volgens het de Omgevingswet niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling.
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) 29
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
Conclusie Voor het oprichten van vier woningen zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. Gelet op het “nee, tenzij” principe hoeft er geen mer-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
4.2.1 Archeologie Wettelijk kader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Onderzoek/ beoordeling In de provincie Zeeland kan in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten en beeldbepalende panden aanwezig.
Op de archeologische beleidskaart heeft het plangebied ’Archeologische verwachtingswaarde hoog/ midden’ (figuur 7). In het op bestemmingsplan ’Kapelle-Biezelinge’ (2010) heeft het plangebied de dubbelbestemming ’Waarde - Archeologie 1’. Op grond hiervan geldt een vrijstellingsgrens voor bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en plangebied groter dan 100 m². In verband hiermede is een onderzoek naar archeologie uitgevoerd.
30
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFA
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
Figuur 7: Uitsnede Maatregelenkaart archeologie (Plangebied zwart omkaderd). 4.2.2 Archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. (rapport van 11 september 2025, projectcode KMAA2, Bijlage 3). Op basis van de onderzoeksresultaten voor het ontwikkelgebied kan het volgende worden geconcludeerd (overgenomen uit rapport). Op grond van het bureauonderzoek gold een lage verwachting voor archeologische resten ouder dan de middeleeuwen vanwege de ligging van het plangebied op een getijdengeul die actief was tot circa 600 na Chr. en die zich tot grote diepte heeft ingesneden (Duinkerke-II). Het veldonderzoek heeft de aanwezigheid van de getijdengeul bevestigd. De lage verwachting voor resten ouder dan de middeleeuwen blijft daarom bestaan. Na de actieve fase kan er op de getijdengeulafzettingen zijn gewoond. De aanwezigheid van verschillende (motte-)kastelen op de getij-inversierug onderschrijft dit. Daarom geldt voor de middeleeuwen een hoge archeologische verwachting. kunnen aanwezig zijn in de top van de getijdengeulafzettingen onder het verwachte jonge kleidek.
Op basis van het historisch kaart- en beeldmateriaal blijkt dat er in de nieuwe tijd (vanaf 1950) wel enige bebouwing in het onderzoeksgebied heeft gestaan, maar twee van de drie gebouwen na korte tijd weer zijn verdwenen. Het vermoeden bestaat dan ook dat deze twee gebouwen schuren zijn geweest. De kans dat hier nog iets van terug te vinden is wordt klein geacht. Voor die tijd heeft het plangebied, ten minste vanaf 1650 deel uitgemaakt van een grote boomgaard. Daarom geldt voor het onderzoeksgebied een lage verwachting voor archeologische resten uit de nieuwe tijd. Het verwachte jonge kleidek, dat tijdens het in 2023 uitgevoerde onderzoek in het zuidelijke deel van het plangebied in een enkele boring intact was aangetroffen, is in het huidige onderzoeksgebied niet (meer) aanwezig. Vermoedelijk was het hier wel aanwezig, maar is het door het eeuwenlange gebruik van het terrein als boomgaard verstoord geraakt. De (over het algemene kleine) kleibrokken in het verstoorde pakket dat de getijde(geul)afzettingen afdekt zijn hier waarschijnlijk restanten van. Gezien de vrij constante dikte van het pakket bewerkte grond is ligt het voor de hand om deze bodemverstoring toe te schrijven aan het langdurige gebruik van het gebied als boomgaard. De kans dat er binnen het onderzoeksgebied een vindplaats uit de middeleeuwen aanwezig is wordt klein geacht.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) 31
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling. Hiermee is dit bouwplan uitvoerbaar ten aanzien van archeologie. 4.2.3 Cultuurhistorie en monumenten In de omgeving van het dorp Kapelle hebben diverse kastelen gestaan, waarvan thans nagenoeg geen zichtbare resten meer over zijn. De monumenten dateren vooral uit de Middeleeuwen en staan bekend als slot Maalstede, Slot Bruëlis, Slot Poucques, en Huis Gistellis. Slot Maalstede (Maelstede) is gesticht door leden uit het geslacht Maalstede, die reeds in de 12e eeuw bezittingen in Zuid-Beveland in leen hadden, welke ongeveer een kwart van het eiland besloegen.
Als oudste periode van het kasteel van Maelstede is een naar schatting 12 meter hoog kasteelbergje te beschouwen waarop in het laatst van de 12e eeuw of het begin van de 13e eeuw een bakstenen toren heeft gestaan. De berg is in de loop der jaren geheel afgegraven. In 1971 is het laatste restant van de heuvel en zijn ringgracht oudheidkundig onderzocht. In de voormalige gracht werden onder andere brokstukken zwaar muurwerk - afkomstig van de top van de berg - aangetroffen alsook de ondereinden van zware eikenhouten palen van een hoge brug die waarschijnlijk de buitenkant van de gracht met de top van de berg verbond. Een klein deel van het kasteelterrein (plaatselijk bekend als het "eilandje", waarop een latere fase van het slot heeft gestaan) is als monument op de kruising van Maelstede, Ooststraat, Wemeldingse Zandweg terug te vinden. Het plangebied zelf is niet cultuurhistorisch waardevol zoals weergegeven op de provinciale kaart ’Cultuurhistorie Zeeland’ (figuur 8).
Figuur 8: Uitsnede 'Cultuurhistorie Zeeland' van de provincie Zeeland.
32
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFA
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld voor deze planontwikkeling.
4.3
Activiteiten en milieuzonering
Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid en geur. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Bedrijfsactiviteiten moeten worden getoetst aan het Besluit activiteiten leefomgeving. De Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 (VNG) geeft daarnaast richtafstanden voor de ruimtelijke inpasbaarheid van nieuwe initiatieven, per type bedrijvigheid, voor geur en geluid. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot 3 groepen met bijbehorende aanpak, namelijk: Nieuwe milieugevoelige functies nabij bedrijven Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen De richtafstanden in Activiteiten en milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals woningen. De richtafstanden in de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering zijn geclassificeerd in zones voor geluid en geur. In tabel 4.2 zijn de richtafstanden uit de VNG richtlijn opgenomen.
Indien sprake is van een gebied met functiemenging mag de richtafstand met één afstandsstap worden verkleind. Tabel 4.2: Richtafstanden volgens VNG richtlijn. Zone geluid Zone geur FM* FM* 1 1 2 2 3 3 4 4 * FM: Geschikt voor Functiemenging.
Minimale afstand (meter) 10 30 50 100 200
Onderzoek/ beoordeling Aan de Maalstede staan voornamelijk grondgebonden woningen. Vroeger was aan de Maalstede 11 een benzineservicestation gevestigd. Tegenwoordig is dit perceel in gebruik als woondoeleinden. Er is geen beperking voor het plangebied, omdat het tankstation is gesaneerd. Uit inventarisatie is verder gebleken dat er aan de Ooststraat 58a een winkel aanwezig is. Een winkel valt onder functiemenging met een richtafstand van 10 meter. De afstand ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning is minimaal 100 meter. Er is geen nader onderzoek nodig. Verder is er aan de Ooststraat 52a een tankstation zonder LPG gevestigd. Een tankstation valt onder positie 1 met een richtafstand van 30 meter. De afstand ten opzichte van dichtstbijzijnde woning minimaal 140 meter. Er is geen nader onderzoek nodig. Een tekening met hierop aangegeven de milieubelastende bedrijven is opgenomen in figuur 9. Overige milieubelastende activiteiten liggen op meer dan 100 meter afstand. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de nieuw te bouwen woningen in het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Een goed verblijfs- leefklimaat blijft gegarandeerd. Conclusie Uit inventarisatie is gebleken er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd.
Voor de woningen kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen dit bouwplan.
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) 33
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
Figuur 9: Situatietekening met overzicht milieubelastende activiteiten in omgeving van plangebied.
4.4
Bodem- en grondwaterkwaliteit
Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.
Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Onderzoek/ beoordeling In verband met deze planontwikkeling heeft SMA te 's-Heerenhoek een afperkend bodemonderzoek uitgevoerd (rapport van 8 oktober 2025, projectnummer 23250076, Bijlage 4). Uit de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Aanleiding
34
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFA
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
Aanleiding voor het uit te voeren afperkend bodemonderzoek zijn de onderzoeksresultaten uit voorgaand onderzoek (SMA, kenmerk 23250050, d.d.20 augustus 2025). Gedurende dit onderzoek zijn plaatselijk sterk verhoogde gehalten aan PAK (overschrijding interventiewaarden) aangetoond. De omvang van de sterk met PAK verontreinigde grond is vooralsnog niet vastgesteld. Daarnaast is inzicht vereist of de puinhoudende laag, die als asbestverdacht wordt beschouwd inderdaad verhoogde gehalten aan asbest bevat. Uit voorgaand onderzoek (SMA, kenmerk 23220075, d.d. 10 juni 2022) zijn in de bodem onder de betonnen vloer van de schuur van Maalstede 1a verhoogde gehalten aan drins aangetoond. Deze verhoogde gehalten werden in geen van de uitgevoerde onderzoeken bevestigd. Verificatie van het eerder gerapporteerde dringehalte is noodzakelijk in verband met het bepalen van de hergebruiksmogelijkheden van de vrijkomende grond op locatie. Doel Aantreffen verontreiniging/ saneren van de bodem Doel van het afperkend onderzoek is het vaststellen van het volume sterk verontreinigde grond. Graven in bodem Bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond). Hiermee kan worden bepaald of de graafwerkzaamheden vallen onder de categorie: - Bal par. 3.2.21 ‘Graven in bodem onder of gelijk aan de interventiewaarde’ of - Bal par. 3.2.22 ‘Graven in bodem boven de interventiewaarde’.
Werkzaamheden in de bodem Bepalen van de (voorlopige) veiligheidsklasse conform de CROW 400 ‘Werken in/met verontreinigde grond’. Afvoer van grond Bepalen van de indicatieve hergebruiksklasse ten behoeve van de afvoer van grond naar een erkend verwerker (grondbank of grondreiniger). Resultaten en conclusies Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen In het verkennend bodemonderzoek werd aangenomen dat sprake was van een gedempte sloot. Na uitvoeren van het afperkend onderzoek kan geconcludeerd worden dat vermoedelijk sprake is van een verharde weg. Ter plaatse van de voormalige weg wordt onder een 0,3 meter dikke laag grond die bijmengingen met puin bevat een verhardingslaag aangetroffen bestaande uit puin met een dikte van ca. 0,4 meter. Daaronder lijkt sprake van ongeroerde bodem. In proefsleuf 107 is in de puinhoudende laag 1 stukje asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. In de overige proefsleuven is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetoond. De bodem onder de vloer van de schuur bestaat uit klei en bevat bijmengingen met sporen baksteen. Analyseresultaten PAK verontreiniging De sterk puinhoudende bovengrond (0-0,3 m-mv) ter hoogte van boring 101 bevat een sterk verhoogd PAK gehalte dat de interventiewaarde overschrijdt.
Dit komt overeen met de resultaten van boring 20 (0-0,4 m-mv) uit het verkennend bodemonderzoek In de bovengrond van de overige boringen zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan PAK aangetoond. De bovengrond van boring 101 komt niet in aanmerking voor hergebruik. De bovengrond van de overige boringen wordt op basis van de parameter PAK gekwalificeerd als klasse industrie. De verontreiniging met PAK bevindt zich heterogeen diffuus verspreid over het terrein. Er lijkt geen relatie te bestaan tussen de mate van bijmenging en de hoogte van het PAK-gehalte. Het vaststellen van het volume sterk met PAK verontreinigde grond is derhalve niet goed mogelijk. Op basis van een globale inschatting (zie situatietekening in rapport) wordt het oppervlak waarover de bodem sterk met PAK verontreinigd is geraamd op 71 m². Uitgaande van een gemiddelde diepte bedraagt het volume sterk verontreinigde grond in dat geval ca. 30 m³. Het daadwerkelijk af te voeren volume sterk verontreinigde grond kan hiervan echter (sterk) afwijken. Indien boring 106 als afperkende boring wordt gehanteerd zal het volume ongeveer driemaal zo groot (ca. 90 m³) zijn. Asbest Ter hoogte van proefsleuf 107 is een stukje asbestverdacht materiaal aangetroffen in de puinlaag (0,4 – 0,75 m-mv) waarvan is vastgesteld dat dit materiaal asbest bevat.
Het asbest is hechtgebonden en het gewicht beperkt (9,2 gram).In de fijne fractie (<20 mm) van de puinfractie is geen asbest aangetoond.
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) 35
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
Het gewogen gemiddelde gehalte aan asbest is berekend op 4,7 mg/kg ds en ligt daarmee ruimschoots onder de interventiewaarde/restconcentratienorm. In de overige onderzochte puinlaag en de bovenliggende puinhoudende bovengrond is visueel en analytisch geen asbest aangetoond. OCB’s onder bebouwing In twee van de drie geanalyseerde monsters wordt een gehalte aan DDT aangetoond dat de bepalingsgrens overschrijdt. Het gehalte aan som drins ligt onder de achtergrondwaarde. De in 2022 gerapporteerde gehalten worden niet bevestigd. Op basis van dit gehalte wordt de grond onder de vloer van de schuur indicatief gekwalificeerd als klasse wonen danwel landbouw/natuur en komt derhalve in aanmerking voor hergebruik. Consequenties en aanbevelingen Saneringsnoodzaak De met PAK verontreinigde grond bevindt zich op een gedeelte van de locatie dat mogelijk verkocht zal worden aan particulieren en daarmee naar verwachting een functie wonen met tuin zal krijgen. De bodemkwaliteit lijkt daarmee niet te passen bij het gewenste gebruik. Het ongedaan maken van de verontreiniging wordt gezien als milieubelastende activiteit saneren van de bodem (paragraaf 3.2.23 Bal) vanwege blootstelling aan de verontreiniging. Voor het verwijderen van de verontreiniging geldt een meldingsplicht van 4 weken voorafgaand aan de uitvoering en informatieplicht uiterlijk 1 week voor uitvoering.
Conclusie Middels een verkennend- en afperkend bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Op basis van de bevindingen uit deze bodemonderzoeken zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie. Voor het verwijderen van de met PAK verontreinigde grond kan via het Omgevingsloket een melding worden gedaan voor een MBA (milieubelastende activiteit). Tevens kan dan vastgesteld worden welke overige uitvoeringsvoorwaarden van toepassing zijn. In de voorwaarden van de omgevingsvergunning wordt geborgd dat eerst een bodemsanering dient te worden uitgevoerd, alvorens wordt gestart met de bouwactiviteiten. In de grondexploitatie wordt hiervoor een budget gereserveerd. Met inachtneming hiervan zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de functiewijziging in het plangebied. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid van het bevoegd gezag.
4.5
Flora en fauna
Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht zijn ongewijzigd gebleven. Doelen van de Aanvullingswet natuur zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Aanvullingswet natuur zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De provincies kunnen ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Westerschelde & Saeftinghe' ligt circa 2,2 km ten oosten van het plangebied. Het noordelijk gelegen Natura2000-gebied 'Oosterschelde' ligt op een afstand van circa 4,2 km (figuur 10).
36
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFA
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
Gelet op de geringe ingreep worden geen (significante) effecten verwacht op deze Natura2000-gebieden. Daarom is een Habitattoets achterwege gelaten. Er is voorts geen sprake van toename van stikstofdepositie zoals in paragraaf 4.5.1 wordt aangetoond.
Figuur 10: Natura2000-gebieden nabij het plangebied. Plangebied met een rode stip aangeduid. Het dichtstbijzijnde NNN van de provincie Zeeland ligt op circa 950 meter ten zuidoosten van het plangebied (figuur 11). De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor het NNN.
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) 37
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
Figuur 11: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met rode stip aangeduid). 4.5.1 Stikstofdepositie Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.21 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij Koninklijk Besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het Natura2000-gebied 'Westerschelde & Saeftinghe' ligt circa 2,2 km ten oosten van het plangebied. Het noordelijk gelegen Natura2000-gebied 'Oosterschelde' ligt op een afstand van circa 4,2 km (figuur 9). Beide gebieden zijn stikstofgevoelig. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt ook onder de Omgevingswet vanaf 1 januari 2024). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. Op voorhand kan de toename van stikstofdepositie niet worden uitgesloten.
In verband hiermede zijn stikstofberekeningen van de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd door Stalbouw.NL (rapport van 10 oktober 2025, Bijlage 5). Uit de AERIUS-berekeningen van de aanleg- en gebruiksfase volgt dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar. Deze bijdragen zijn zo klein dat er geen vergunningplicht is met betrekking tot de Natura 2000-activiteit. Het aspect stikstofemissie is geen belemmering voor het project. Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.
38
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFA
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
4.5.2 Flora- en faunatoets Bij nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Ecobiologie te Yerseke een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied (rapport van 17 september 2025, Bijlage 6). Op basis van een bureaustudie en veldonderzoek komt het onderzoeksbureau tot de volgende conclusies en aanbevelingen. Naar aanleiding van het uitgevoerde bureauonderzoek plus de veldinspectie worden onderstaande conclusies getrokken met betrekking tot flora & fauna in het projectgebied. De huidige situatie van het perceel bestaat hoofdzakelijk uit ruig grasland. De aanwezige bomenrij langs de sloot is beperkt ontwikkeld. De structuurrijke greppels en sloten aan noord- en oostzijde van het plangebied zijn mogelijk habitat voor marterachtigen. Omdat deze habitatten aan de perceelgrenzen zijn gesitueerd, dienen deze afgeschermd te worden van het terrein (overeenkomstig een strook van 15 meter zoals opgenomen in het rapport) wat wel gebruikt gaat worden voor de uit te voeren werkzaamheden. De overgebleven kastanjeboom in blok A en B heeft momenteel geen potentiële verblijfplaatsen voor fauna. Op basis van de huidige omstandigheden worden verder geen andere beschermde soorten of waardevolle habitatten verwacht op de projectlocatie zelf. Functie projectgebied De projectlocatie is niet geschikt voor de huismus.
De projectlocatie biedt geen geschikte verblijfplaatsen voor de gierzwaluw. De projectlocatie biedt geen geschikte verblijfplaatsen of foerageergebied voor de vleermuis. De projectlocatie is niet geschikt voor de huiszwaluw. De projectlocatie is niet geschikt voor marterachtigen. Op de grenspercelen zijn wel geschikte habitatten gevonden voor kleinere marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing). Foerageergebieden zijn hier niet te verwachten, de omgeving is ongeschikt. Alleen aan de randen van het perceel zijn enkele bomen en struiken aanwezig. De projectlocatie is niet geschikt voor de rugstreeppad. De projectlocatie is niet geschikt voor haasachtigen. Essentieel groen rondom de projectlocatie is aanwezig. Alleen aan de randen van het perceel zijn enkele bomen en struiken aanwezig. De projectlocatie ligt niet in een beschermd natuurgebied. Algemene Zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Omgevingswet de algemene zorgplicht (artikel 1.8 Ow (algemeen Ow), artikel 11.6 Bal (specifiek voor activiteiten zoals in 11.1 Bal) en artikel 11.27 Bal (specifiek voor activiteiten zoals in 11.22 Bal).
Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Conclusie Met inachtneming van het vorenstaande is het mogelijk de werkzaamheden conform de geldende weten regelgeving uit te voeren. De hiervoor genoemde aanbevelingen uit het ecologisch rapport worden overgenomen bij uitwerking van het bouwplan. Met inachtneming hiervan vormt de Aanvullingswet natuur geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) 39
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
4.6
Omgevingsveiligheid
Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7. lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van aandachtsgebieden.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief in een voorschriftengebied ligt, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl). Onderzoek / beoordeling Voor Omgevingsveiligheid is een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van
40
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFA
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
gevaarlijke stoffen. Voor het plangebied is het Portaal Atlas Veiligheid (afgekort PAV) geraadpleegd. Deze kaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op het PAV ligt het plangebied niet in een explosie-aandachtgebied van bedrijven en binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Het plangebied ligt ook niet in het aandachtsgebied van een hoogspanningsleiding. Verder ligt het plangebied niet binnen een zone van een Provinciale weg dat onderdeel uitmaakt van het Basisnet transport. Er is geen belemmering voor deze planontwikkeling. Conclusie Bij omgevingsveiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding of wegen met een explosie-aandachtsgebied. Het aspect omgevingsveiligheid staat dit bouwplan dan ook niet in de weg.
4.7
Geluid
Wettelijk kader algemeen Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.2 bruidsschat); Geluid door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.3 bruidsschat); Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.4 bruidsschat). De regels van de bruidsschat zijn opgenomen in het Omgevingsplan Kapelle.
De instructieregels uit Afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) 41
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
4.7.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. Het Bkl verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen het Bkl regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 3.22 van het Bkl is geluidsgevoelige ruimte een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Onderzoek/ beoordeling Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een weg gelden, staan in tabel 4.3. Tabel 4.3: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen.
Geluidbronsoort Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl) Provinciale wegen en 50 Lden 60 Lden Rijkswegen Gemeentewegen en 53 Lden 70 Lden waterschapswegen De relevante wegen in het geluidaandachtsgebied zijn enkele gemeentewegen en de noordelijk gelegen Provincialeweg N670 en verderop gelegen N671. In deze situatie is sprake van een bestaande wegen en vier nieuwe woningen. Het aanvaardbare woon- en leefklimaat moet door middel van akoestisch onderzoek worden aangetoond. Indien de berekende belasting de genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de nieuwe standaardwaarde of minder. In verband hiermede is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Akoestisch Adviesburo Van Lienden te Arnemuiden (rapport van 17 februari 2025, project P25_12, Bijlage 7). Uit de rekenresultaten blijkt dat het gezamenlijk geluid van de gemeentewegen ruim lager is dan de standaardwaarde van 53 Lden. De geluidbelasting door de N671 veroorzaakt ook op geen van de toetspunten een overschrijding van de standaardwaarde. De N670 veroorzaakt wel overschrijdingen van de standaardwaarde.
Overschrijding Ter plaatse van ensemble C (de 3 aaneengesloten woningen) is er een geringe overschrijding aan de west- en oostzijde ter plaatse van toetspunten 3, 5 en 6 en een overschrijding tot ruim 4 dB ter plaatse van de noordgevel. Ter plaatse van ensemble D (vrijstaande woning) bedragen de overschrijdingen tot ruim 9 dB. Maatregelen Aangezien de standaardwaarde wordt overschreden moet onderzocht worden of maatregelen mogelijk zijn. Het toepassen van een stiller wegdek is niet effectief. Ten opzichte van het huidige SMA kan geoptimaliseerd SMA vrijwel geen reductie opleveren, dat is dus niet doelmatig. Het plaatsen van een (minimaal 4 meter hoog en 140 meter lang) scherm langs de N670 stuit op financiële bezwaren en op bezwaren van landschappelijke/stedenbouwkundige aard. Het plaatsen van een 4,5 meter hoog geluidscherm op de noordelijke perceelsgrens van ensemble D stuit op eveneens op bezwaren, het is niet doelmatig (de hoogste geluidbelasting wordt met slechts 4 dB gereduceerd).
42
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFA
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
Zowel de vrijstaande woning als de 3 aaneengesloten woningen hebben een geluidluwe zijde en geluidluwe buitenruimte. Hiermee kan een voldoende goed akoestisch woon- en leefklimaat worden geborgd. Voor de vrijstaande woning geldt dat dit bij beoordeling volgens de Miedema methode aan de noordzijde een matige, aan de oost- en westzijde redelijk en aan de zuidzijde goed is. Voor de 3 aaneengesloten woningen (alleen de woning aan de noordzijde) is dit redelijk tot goed, de overige woningen is het geheel goed, tot zeer goed. Conclusie De geplande woningen aan de Maalstede liggen binnen het aandachtsgebied van meerdere wegen. De standaardwaarde door de N670 wordt overschreden. Er zal dus voor de noordelijke woning van ensemble C een hogere waarde aangevraagd moeten worden van 54 dB en voor de vrijstaande woning tot 60 dB. Voor de vrijstaande woning is het noodzakelijk dat in aanvullend onderzoek extra aandacht aan de geluidwering van de gevels wordt besteed. Hierbij is het gezamenlijk geluid van belang. Aangezien er geen andere geluidbronsoorten zijn dan wegverkeergeluid is het gezamenlijk geluid gelijk aan het gecumuleerde geluid. 4.7.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader spoorweglawaai Op het bepalen van het geluid zijn op grond van artikel 3.24, lid 5 van het Bkl de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de GPP's (Geluid Productie Plafonds). Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een spoorweg gelden, staan in tabel 4.4. Tabel 4.4: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Geluidbronsoort Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl) Lokale spoorwegen en 55 Lden 70 Lden Hoofdspoorwegen Onderzoek/ beoordeling Ten zuiden van het plangebied ligt op ruim 1 km afstand de spoorlijn Rotterdam - Middelburg. Het plangebied ligt buiten het geluidaandachtsgebied hiervan. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel spoorweglawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling. 4.7.3 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. In artikel 3.25 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het bepalen van geluid door industrieterreinen.
Op het bepalen van het geluid zijn op grond van lid 4 de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een industrieterrein gelden, staan in tabel 4.5.
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) 43
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
Tabel 4.5: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Geluidbronsoort Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl) Industrieterreinen 50 Lden 55 Lden 40 Lnight 45 Lnight Onderzoek/ beoordeling Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Activiteiten en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 4.3). Voor industrieterreinen geldt dat er binnen de geluidreferentiepunt in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in het Bkl. In de nabijheid van het plangebied als bedoeld in artikel 3.33 (geluidreferentiepunten voor industrieterreinen) liggen geen (gezoneerde) industrieterreinen. Dit betekent dat er voor de woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel industrielawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling.
4.8
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied.
Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In Bkl zijn onder andere omgevingswaarden opgenomen voor zwaveldioxide (artikel 2.3), stikstofdioxide en stikstofoxiden (artikel 2.4) en fijn stof (artikel 2.5). De omgevingswaarden gelden voor de buitenlucht. Deze zijn niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG 1989, L 393) waartoe het publiek gewoonlijk geen toegang heeft. In tabel 4.6 is een overzicht gegeven van de omgevingswaarden uit het Bkl. Tabel 4.6: Omgevingswaarden maatgevende stoffen Besluit kwaliteit leefomgeving. stof kalenderuurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen jaargemiddelde
44
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFA
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
NO2
40 µg/m3
200 µg/m3
n.v.t.
PM2,5 PM10
25 µg/m3 40 µg/m3
n.v.t. n.v.t.
n.v.t. 50 µg/m3
Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t. 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden
Artikel 8.17 van het Bkl stelt dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als de omgevingswaarden in acht worden genomen. Onderzoek luchtkwaliteit Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd voor 2023 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de zuidelijk gelegen A58 ter hoogte van de Klinker (x: 55822.97320000082 en y: 387716.9397). Hieruit blijkt dat daar de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 15,83 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 13,92 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 6,82 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. In de nabijheid van het plangebied liggen geen rekenpunten in de CIMLK. De concentraties langs de Maalstede zijn evenwel veel lager dan de concentraties van de drukker bereden A58 die onder de grenswaarden ligt. Geconcludeerd wordt dat het Bkl de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan.
Dit bouwplan maakt het oprichten van vier woningen mogelijk. Ten opzichte van de bestaande situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet significant toenemen. De CIMLK is geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten onder de grenswaarden blijven. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren, door het schoner worden van het verkeer, steeds beter. Artikel 8.17 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit luchtkwaliteit) van het Bkl staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.9
Verkeer en parkeren
4.9.1 Verkeer De drie aaneengesloten woningen worden ontsloten op de nieuwe uitrit voor het appartementengebouw en de twee levensloopbestendige woningen. De Maalstede is ingericht als een 30 km/uur gebied. Via de Ooststraat is in zuidelijke richting het centrum van Kapelle aan te rijden. Voorbij het dorp ligt rijksweg A58 (richting Middelburg en Bergen op Zoom). In noordelijke richting ligt de N670 richting Goes en Yersekendam. De vrijstaande woning kan gebruik maken van de bestaande uitrit op de Noordweg. Het plangebied is ook goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Het dichtstbijzijnde busstation 'Kapelle, Kasteelstraat' ligt op circa 40 meter afstand. Dit betreft de buurtbus (route 599 tussen Yerseke Dam en Wemeldinge). Het NS-station 'Kapelle-Biezelinge' bevindt zich op 1,1 km afstand. Verkeersgeneratie In de nieuwe situatie komen er vier woningen. Dit brengt de volgende verkeersgeneratie met zich mee. Tabel 4.8: Verkeersgeneratie woningen. weinig stedelijk Omschrijving (maximaal) Nieuw Koop, huis, tussen/hoek 7,5 Koop, huis, vrijstaand 8,6 Totaal nieuw
Aantal (woon) eenheden 3 1
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) 45
Verkeersgeneratie
22,5 8,6 32 (afgerond)
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
Op basis van een meting uit 2017 waren op de Ooststraat 4.000 mvt/etmaal en op de Maalstede 1.000 mvt/etmaal Het aantal verkeersbewegingen op de Maalstede en omliggende wegen blijft na deze planontwikkeling ruim onder de 6.000 motorvoertuigen per etmaal, zodat het bestaande wegennet deze toename kan verwerken.
Maalstede.
De Noordweg met links het plangebied.
4.9.2 Parkeren Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat er voor gebruikers en bezoekers voldoende parkeerplaatsen voor auto's aanwezig zijn. Het gemeentelijke parkeerbeleid sluit aan bij de parkeernormen van CROW publicatie 744. Uitgangspunt is dat parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein. Als stedelijkheidsgraad wordt 'weinig stedelijk' in 'rest bebouwde kom' (binnen de bebouwde kom) aangehouden. De relevant zijnde parkeernormen zijn opgenomen in tabel 4.9. Tabel 4.9: Parkeerkencijfers woningen CROW-publicatie 381. weinig stedelijk (gemiddeld) Categorie rest bebouwde kom koop,, huis, tussen/hoek 1,7 koop, huis, vrijstaand 1,9
Aandeel bezoekers 0,15 per woning 0,15 per woning
Op basis van deze normering ontstaat de volgende parkeerbalans (tabel 4.10). Tabel 4.10: Parkeerbalans nieuwe situatie. Functies Typologie Woningen koop, huis, tussen/hoek Woningen koop, huis, vrijstaand Totaal
Parkeernorm 1,85 2,05
Aantal 3 1 4
Totaal 5,55 2,05 8 pp afgerond
Ten behoeve van 3 aaneengesloten woningen wordt een parkeerkoffer aangelegd met 7 parkeerplaatsen. Aan de noordzijde wordt 1 parkeerplaats aangelegd. Voor de vrijstaande woning worden minimaal 2 parkeerplaatsen aangelegd op eigen terrein. Op deze wijze kan worden voldaan aan de parkeernorm. In de voorwaarden van de omgevingsvergunning wordt dit geborgd.
4.10
Waterparagraaf
Water en de fysieke leefomgeving hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de fysieke leefomgeving en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een weging van het waterbelang geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de weging van het waterbelang is de relatie tussen planvorming op het gebied van de fysieke leefomgeving en de waterhuishouding te versterken.
46
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFA
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
4.10.1 Beleidskader Rijk en provincie Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Op grond van Europese regelgeving zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Hoewel het Nationaal waterprogramma in 2022 is vastgesteld (voor inwerkingtreding van de Ow), is de huidige grondslag artikel 3.9 lid 1 onder e Ow en artikel 4.10 Bkl voor het landelijk waterprogramma. Regionaal Waterprogramma Provincie Zeeland 2022-2027 Provinciale Staten van Zeeland hebben op 12 november 2021 het Regionaal Waterprogramma Provincie Zeeland 2022-2024 vastgesteld. Dit Regionaal Waterprogramma 2022-2027 (RWP) vervangt de richtlijnuitwerking in het planonderdeel 2016-2021 van het omgevingsplan Zeeland. Het RWP is volgens de Omgevingswet, naast de omgevingsvisie en -verordening, een verplicht instrument voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, Grondwaterrichtlijn, Richtlijn overstromingsrisico’s, Zwemwaterrichtlijn en aanpalende milieurichtlijnen.
Daarbij vindt procedureel en inhoudelijk afstemming plaats met de richtlijnuitwerking in het Nationaal waterprogramma 2022-2027 (NWP) en het daarin opgenomen Stroomgebiedbeheerplan voor de Schelde en Overstromingsrisicobeheerplan. Het waterschap houdt rekening met het RWP bij maatregelen in het door het waterschap vast te stellen waterschapsbeheerprogramma. Het RWP is vanwege tijdige vaststelling volgens de richtlijncyclus, in 2021 vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Volgens overgangsrecht wordt voldaan aan de Waterwet en tevens aan de Omgevingswet die deze vervangt. Voor de oppervlaktewaterlichamen binnen de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn waar mogelijk nieuwe (herziene) doelen afgeleid en deze doelen worden in dit waterprogramma vastgesteld. Naast KRW-waterlichamen zijn er ook nog andere regionale wateren. Hiervoor zijn de zogenaamde doelen overige wateren opgenomen in dit waterprogramma zodat er een toetsingskader beschikbaar is dat te vergelijken is met de KRW-waterlichamen. Voor de KRW geldt 2027 als de uiterlijke termijn waarbinnen (door de EU-lidstaten) de doelstellingen gerealiseerd moeten worden. Indien tijdens de planperiode duidelijk wordt dat de doelstellingen vermoedelijk niet worden bereikt, is nader onderzoek naar oorzaken nodig. Daarom worden de ontwikkelingen jaarlijks gevolgd en uiterlijk in 2025 geëvalueerd.
Op het gebied van drinkwater wordt (in afstemming met het drinkwaterbedrijf en de provincie Noord-Brabant) gewerkt aan een toekomstbestendige drinkwatervoorziening voor Zeeland. Voor zwemwater wordt het bestaande beleid voortgezet en worden jaarlijks de zwemwaterlocaties vastgesteld. Overstromingen kunnen grote gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, de economie, het milieu en het cultureel erfgoed. De gevolgen kunnen zich - direct of indirect – tot over de landsgrenzen uitstrekken. Om het overstromingsrisico te beperken is grensoverschrijdende samenwerking nodig. Daarom hebben de lidstaten van de EU een gezamenlijke aanpak afgesproken in de Richtlijn overstromingsrisico’s (ROR) die is verwerkt in dit regionaal waterprogramma. De wet bevat de regels voor verplichte monitoring en rapportage door de provincie en het waterschap. 4.10.2 Beleid waterschap Scheldestromen Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen. Dit waterschap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk ruimtelijk plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de weging van het waterbelang uit.
Deze weging heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn verwerkt in deze waterparagraaf.
Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) 47
omgevingsvergunning Uitbreidingsplan Maalstede 1a, Kapelle
Waterschapsbeheerprogramma 2022 - 2027 De Algemene Vergadering van waterschap Scheldestromen heeft op 15 december 2021 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (afgekort WBP) vastgesteld. Dit Waterschapsbeheerprogramma gaat over de periode 2022 – 2027. Het laat zien welke doelen Scheldestromen de komende periode nastreeft, welke ontwikkelingen daar op van invloed zijn en hoe ze daar mee om zal gaan. Dit alles in relatie tot de systemen die Scheldestromen de afgelopen decennia heeft opgebouwd om veiligheid, gebruik en leefkwaliteit te waarborgen. De inhoud op hoofdlijnen Het Waterschapsbeheerprogramma duidt de bestaande toestand in relatie tot onze kentaken en geeft inzicht in de externe ontwikkelingen die daar invloed op hebben. In het Waterschapsbeheerprogramma komen de eigen strategie en externe visies en plannen samen. Hiermee geeft Scheldestromen inzicht in het totaal van doelen voor de komende zes jaar en hoe het die doelen wil realiseren. De strategienota ‘Klaar voor de toekomst’ vormde hierin het leidende kader. Scheldestromen is een organisatie in ontwikkeling, dat is terug te zien in dit WBP. Steeds meer doelen kunnen alleen gerealiseerd worden door goed samen te werken. Met andere partijen, maar ook binnen de organisatie.
Daarbij past één nieuw Waterschapsbeheerprogramma dat gaat over alle primaire programma’s van het waterschap en de nadruk legt op wat de programma's met elkaar verbindt. Daarbij past ook een document dat de omgeving centraal zet met specifiek aandacht voor thema’s als duurzaamheid, innovatie, klimaatadaptatie en de Zeeuwse leefomgeving. In het hoofdstuk 4, koers 2022-2027, is beschreven hoe het waterschap de komende jaren daaraan gaat werken. Het leidende principe hiervoor is samen te vatten als ‘we willen een betrouwbare overheid en samenwerkingspartner zijn, die doet waarvoor ze is opgericht én een antwoord formuleert op de noden van deze tijd, maar niet meer belooft dan ze waar kan maken’. Dit leidende principe is langs de volgende zes lijnen uitgewerkt. 1. Haalbare en betaalbare uitvoering van de waterschapstaken 2. Samen met anderen werk maken van een integrale aanpak 3. Gebiedsgerichte aanpak en maatwerk als vertrekpunt 4. Grip op het werk, op basis van databeheer en assetmanagement 5. Volgens de principes van duurzaam opdrachtgeverschap 6. Investeren in kennis en innovatie. Het WBP sluit in beginsel aan op de kaders van de strategienota 2019-2023. Door voortschrijdend inzicht zijn -ten opzichte van de prestaties in de strategienota- de doelen voor het beoordelen van regionale waterkeringen aangepast (enkele jaren vertraagd).