2025-02a D24.318233 ontwerpbestemmingsplan Dorpsplein 6-8 ontwerpbestemmingsplan Dorpsplein 6-8
Tekst van het document
50 kilometer lange dijk omsloot de dorpen Goes, ’s-Heer Hendrikskinderen, Wissekerke, ’s-Heer Arendskerke, Baarsdorp, Nisse, Sinoutskerke, ’s-Heer Abtskerke, Eversdijk, Kapelle, Kloetinge, Wemeldinge, Schore, Vlake, Kruiningen en Yerseke. Vermoedelijk is deze nog voor de 12e eeuw voltooid geweest. Andere met een ringdijk verbonden gronden waren Borsele-Baarland-Oudelande en het gebied rond Reimerswaal. Met de aanleg van de ringdijk is tussen de zeedijk en ten noorden van de Dorpsstraat de Polder tussen Schoudee en de Lo ontstaan. Deze naam heeft de polder te danken aan natuurlijke elementen in het landschap, namelijk het kreekje Schoudee en een lager gelegen gebied dat ook nu nog de Lo wordt genoemd (figuur 13).28 Wemeldinge, in de historische bronnen en kaarten ook wel vermeld onder de vormen Wimeldinga, Wimeldingen, Woemelyngen, Wemelinge en Wemeldinghe, was en is nog steeds een klein dorpje gelegen in het noorden van ZuidBeveland. De oudste vermelding ervan stamt uit 1222 29, maar het plaatsje werd al zeker eerder bewoond. De suffix inge, net zoals bij de dorpen Kloetinge, Biezelinge,Sabbinge, Vinninge, Everinge en Kruiningen, zou kunnen verwijzen naar de hoge ouderdom van de nederzetting uit de 10e eeuw.30 Archeologisch is deze periode moeilijk vatbaar en heeft men voor Wemeldinge nog niet kunnen aantonen.
24 Dekker 1971, 96, 101; Dekker 2007, 13. 25 Dekker 1971, 96.
26
26 Dekker 1971, 129, 131. 27 Dekker 1971, 101-106; Dekker 2002, 85-87; Dekker 2007, 13. 28 Dekker 1971, 106, 129-130; Dekker 2007, 14; Wilderom 1968, 114. 29 Oorkondenboek van Holland en Zeeland, II, 426. In dit document wordt een uitspraak gedaan over een geschil tussen de abt en
het convent van Ten Duinen aan de ene zijde en Wolfert zoon van Wisse van Burg en Dankert en Hugo zonen van Willem van Welle aan de andere zijde. Ene Gerardus de Wemelbinghe (ook wel als Wimeldinga geschreven) wordt hierin genoemd. 30 Dekker 1971, 33; Dekker 2002, 22; Dekker 2007, 11. Er bestaan verschillende theorieën over de precieze betekenis van de naam ‘Wemeldinge’. Enerzijds zou een persoonsnaam gecombineerd zijn met het suffix -inge. Het kan dan om een zekere Winiwald of Wimald (afkorting van Werimbald) handelen waardoor de plaats de betekenis van ‘bij de lieden/onderhorigen van Wimald’ zou krijgen: Van Driel en Steketee 1995, 158; Dekker 2002, 22; Dekker 2007, 11. Anderzijds wordt uitgegaan van een verband met een watergang of stroom. Wemeldingee zou in dit geval het wemelende water kunnen zijn: Van Ysseldijk 1968, 9.
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 13 De 11e en 12e eeuwse dijken en dammen rondom Wemeldinge. De zwarte lijn duidt het verloop van de Cutsee aan. Bron: Dekker 2007, 14.
De vroegste bewoning in Zuid-Beveland vond plaats op de hoger gelegen inversieruggen, die betere nederzettingscondities aanboden dan de nattere poelgronden. 31 Dat Wemeldinge tot deze stichtingen behoort is mogelijk. De oudste bewoningsvormen zouden de zogenaamde ringdorpen zijn. Zoals de naam al aangeeft, is de nederzetting aangelegd in een ringvorm, waarbij de kerk meestal het centrum vormt. Wemeldinge kan tevens onder deze categorie worden ingedeeld. 32 De eerste vermelding van de kerk is uit 123333 waarin de aartsbisschop van Keulen zijn goedkeuring uit over de incorporatie van de kerken van Ouwerkerk, Nieuwerkerk, Wemeldinge, Kruiningen, Yerseke en Koudewerve bij het kapittel van Oudmunster te Utrecht ter vergroting van haar inkomsten. De kerk van Wemeldinge moet destijds dus financieel al van groot belang zijn geweest. Volgens Dekker is de kerk, gewijd aan Sint Maarten, in de late 11e of 12e eeuw gesticht en is, samen met de Sint Odulf kerk van Yerseke, een van de eerste en oudste van Zuid-Beveland. De hoge ouderdom zou toe te schrijven zijn aan het feit dat vanaf het midden van de 11e eeuw de tiendrechten van gebieden in het oosten van Zuid-Beveland (o.a. Wemeldinge), in Duiveland en in het westen van het eiland Tholen werden overgedragen aan het kapittel van Oudmunster.
Een kapittel bezat het recht om binnen deze tiendgebieden nieuwe kerken te stichten, waarvan het kapittel vervolgens het patronaatsrecht verkreeg. Dit hield in dat het kapittel een voorstel mocht doen voor de benoeming van een pastoor van een parochie. Hiermee kon het kapittel dus tevens meer invloed verkrijgen in bepaalde gebieden, een recht dat ze zeker zullen hebben ingezet. De kerken van Wemeldinge en Yerseke zullen een van de eerste stichtingen zijn geweest in het oosten van Zuid-Beveland, daar in de kernen van andere dorpen binnen dit gebied dochterkerken van beiden aanwezig waren. 34 Na de stormvloed van 1014 werd, zoals eerder al vermeld, een dam aangelegd waar nu de Dorpsstraat is gelegen. Dit terrein lag aanzienlijk hoger dan de gronden waarop de kerk zich bevond. Vermoedelijk is kort na het opwerpen van de dam deze plek al snel aanlokkelijk geworden voor bewoning, zoals ook de vondsten van 11 e eeuwse scherven aan de zuidelijke flank ervan kunnen aantonen.35 Langzaamaan verschoof daarom het centrum richting het oosten, ten voordele van de
31 Dekker 2007, 11. 32 Dekker 1971, 42. 33 Oorkondenboek van Holland en Zeeland, II, 553. 34 Dekker 2002, 39; Dekker 2007, 17-19. 35 Dekker 2007, 11-12, 20.
27
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Dorpsstraat. 36 Wemeldinge ontwikkelde zich hierdoor tot een voorstraatdorp. Deze bewoningstypen worden gekenmerkt door een brede hoofdstraat die aan beide zijden bebouwd is en verbonden zijn met enkele achterstraatjes. Een echt centrum ontbreekt meestal. 37 Dat de kerk ten westen van de Dorpsstraat ligt en er ook voor besloten is de stenen bouw vanaf de eerste helft van de 14e eeuw, ter vervanging van de houten constructie, op deze zelfde plaats op te richten en dus niet naar de Dorpsstraat te verplaatsen, duidt eveneens op de hogere ouderdom van de kerk en dat dit gebied plaatsbepalend moet zijn geweest in de betekenis ervan. 38 In en nabij het huidige Wemeldinge zijn twee plaatsen bekend waar zogenaamde bergjes kunnen worden gelokaliseerd (figuur 14). Eén daarvan ligt in het zuiden op de kruising van de Bredeweg en de Zwaakseweg. Deze is echter al volledig afgegraven. De overige ophogingen concentreren zich binnen de oude kern van het dorp.39 Noch de exacte datering, noch de precieze functie van deze bergjes zijn gekend. Er zijn tot op heden al verschillende onderzoeken hiernaar verricht. Mogelijk is dat ze, of een deel ervan, zijn aangelegd na de overstroming van 1014 ter bescherming tegen het water. In de eeuwen daarna werden ze daarom ook wel vliedbergen genoemd, kunstmatige hoogten die dienden als vluchtplaatsen voor mens en vee tijdens overstromingen.
Ook kunnen ze als woonterpen zijn opgeworpen om zo huis en haard te behoeden tegen de nattigheid. Dit soort bergjes dateren in Zeeland hoofdzakelijk uit de 11 e en 12e eeuw. Vanaf het midden van de 12e eeuw konden enkelen worden opgehoogd en kregen eerder een militaire functie, de zogenaamde motteversterkingen. Een motte had niet altijd een oudere kern nodig om te ontstaan, soms werden deze ook in één keer opgeworpen. In algemene zin kan men een motte definiëren als een (geheel of gedeeltelijke) kunstmatige heuvel met steile zijden, die omgeven kan zijn door een natte of droge gracht en waarop een verdedigingsconstructie heeft gestaan. In sommige gevallen waren de meer civiele bewoningsstructuren geconcentreerd aan de onderzijde van de motte, ook wel een voorburcht of neerhof genoemd. In Zeeland was er echter niet altijd een gracht of neerhof aanwezig. In zekere zin zullen ze wel een militaire-strategische functie gehad hebben, maar wellicht was status en prestige, dat er tevens aan verbonden was, van groter belang in de regio. De mottes in Zeeland zijn met name te vinden op de eilanden Walcheren en Zuid-Beveland. Ze lagen binnen de dorpen, maar ook aan de rand ervan en zelfs geheel geïsoleerd op het platteland. Dit zou te maken kunnen hebben met een gebrek aan een sterk centraal gezag, waardoor de ambachtsheren redelijk autonoom konden handelen.
40 Of de kunstmatige hoogten in Wemeldinge allemaal tot het type motte gerekend kunnen worden, is niet geheel zeker. De vier bergjes in het oude centrum van het dorp, waarvan er twee niet langer meer zichtbaar zijn in het landschap, bevinden zich ten noordwesten, zuidoosten en zuidwesten van de kerk, op korte afstand van elkaar gelegen. Daarnaast is de kerk zelf ook opgericht op een opgehoogd terrein. Een van de best bewaarde bergjes, met een hoogte van circa 12 meter, ligt ten zuidoosten van de kerk en een lager gelegen zone rondom de berg suggereert een gracht, waardoor deze hoogstwaarschijnlijk als motte geduid kan worden. Tijdens restauratiewerkzaamheden in de kerk was het mogelijk een onderzoek uit te voeren naar het opgehoogde terrein eronder. De berg zou in twee fasen zijn aangelegd, maar de datering ervan kon niet worden achterhaald. Wellicht was het een voormalige woonterp of vliedberg, later omgebouwd tot motte voordat het in gebruik werd genomen voor religieuze doeleinden, of het terrein is opgehoogd met zicht op de plaatsing van de kerk op deze gronden. 41 Deze theorieën kunnen vooralsnog niet bewezen worden. De kerk is daar geplaatst waar de meeste bewoning destijds was geconcentreerd en waar de ambachtsheren zich hebben gevestigd. Mogelijk behoren enkele van deze kunstmatige hoogten al tot de oudste (bekende) bewoningsfase van Wemeldinge.
Dat er vier zo dicht bij elkaar hebben gelegen heeft in de eerste instantie te maken met de redelijk autonome vrijheid die de ambachtsheren genoten en ten tweede met het systeem van de ambachten. Een ambacht was een lokaal rechtsgebied met aan het hoofd een machtshebber, ook wel ambachtsheer genoemd. Deze districten waren erfbaar en ook splitsbaar. Zo waren er in de 14e eeuw in Wemeldinge in totaal circa 44 ambachtsheren bekend.
36 Philipse 1966, 85. 37 Coppens 2012, 7.
28
38 Dekker 2007, 17. 20-22. 39 In de meeste literatuur wordt er echter maar gesproken van twee of drie vliedbergen: Philipse 1966, 85. Dekker is de eerste die
ze alle vijf heeft herkend en in zijn werk heeft opgenomen: Dekker 2007, 15-17, 20. 40 Van Doesburg, Van Kregten en Van Rooijen 2006, 13-24; Van Heeringen 2007, 17-21. 41 Dekker 2007, 20-21; Van Heeringen 2007, 152.
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
De welgestelde lieden konden zich dan zeker ook veroorloven zulke kunstmatige heuvels aan te leggen en het verwondert daarom ook niet dat er meerdere van zulke bergjes dicht bij elkaar liggen. 42
Figuur 14 Locatie van de bergjes in Wemeldinge op een uitsnede van de Topografische Kaart van Nederland. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors, 2022.
Na de aanleg van de ringdijk rondom de polder Brede Watering Bewesten Yerseke en de gestage groei van het dorp Wemeldinge, werd vanaf de tweede helft van de 13 e eeuw begonnen met inpolderen van nieuwe gebieden. Deze konden tevens ter bescherming dienen van het oude land bij hevige overstromingen. Echter in het noorden van ZuidBeveland kon dit maar in geringe mate. De stroom van de Schelde liep te dicht langs de kust, zodat er geen mogelijkheid bestond om grote oppervlakten van aan- en opwassen in te dijken. Ten noorden van Wemeldinge konden twee zones wel als nieuw cultuurgebied ontgonnen worden, namelijk in 1390 de Stormezandpolder 43 en nog voor 1424 de Stormstellepolder (ook wel bekend als de Ziguitpolder). In de loop van de 15e en 16e eeuw, maar ook nog in de 17e eeuw, kreeg Zeeland regelmatig te kampen met zware stormvloeden. Met enige regelmaat liepen de Stormezand- en Stormstellepolder over. In 1404 was er sprake van de Eerste St.-Elisabethsvloed waarbij delen van Vlaanderen, Walcheren en Zuid-Beveland inundeerden. Dit geldt ook voor de vele decennia later volgende Eerst Cosmas en Damianusvloed waarbij ook de eilanden Schouwen en Tholen schade opliepen. De opvolger van deze ramp was de Tweede Cosmas en Damianusvloed in 1509.
De dijken van de Ziguitpolder begaven het, maar herdijking vond in het jaar daarop al plaats.44 Het gevolg van deze vloed was dat er een ordonnantie werd uitgevoerd door Maximiliaan van 42 Dekker 2007, 17, 25-29.
29
43 Volgens Dekker kan dit nieuwe gebied nog tot de oudlandpolders worden gerekend, daar de slibafzetting te gering was om van
een nieuwlandpolder te spreken: Dekker 1971, 217-218. 44 Dekker 1971, 215, 217-219, 302-303; Kuipers 2004, 29-30; Philipse 1966, 85; Van Ysseldijk 1968, 21; Wilderom 1968, 116.
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Oostenrijk die de regeling van het dijkonderhoud opnieuw organiseerde. De dijken hadden namelijk op meerdere plaatsen enorm veel schade geleden. Zuid-Beveland en Oost-Borsele werden verdeeld in 14 kavels die werden toegewezen aan verschillende vierschaarambachten. De geërfden van Wemeldinge waren nu verplicht zorg te dragen voor de dijken van de Stormezand- en Ziguitpolder.45 Nog geen twee jaar later liep echter de Stormezandpolder onder water, maar werd kort daarop weer herdijkt. Ook de jaren erop kregen de gebieden het zwaar te verduren. De Ziguitpolder moest als definitief verloren worden beschouwd in 1516 en bij de zware storm van 1530, ook wel bekend als de Sint Felix quade saterdach, waarbij delen van de polder van de Brede Watering Beoosten Yerseke permanent verloren gingen, inundeerde de Stormezandpolder opnieuw. Tenslotte teisterde de Allerheiligenvloed in 1570 en de overstroming in 1682 de Zeeuwse eilanden. De Stormezandpolder heeft zich nooit meer volledig kunnen herstellen van deze rampen en vandaag de dag is het ook niet meer dan een inlaagdijk voor de kust van Wemeldinge. 46 Een kaart van Sgrooten uit 1573 geeft de situatie weer aan het einde van de 16 e eeuw (figuur 15), na de grote catastrofes waarbij wordt uitgebeeld welke gebieden zijn geïnundeerd. Het plangebied kan slechts bij benadering worden geprojecteerd op deze kaart.
Deze is gelegen in het agrarische gebied net buiten de dorpskern van Wemeldinge. Vanaf de 16e werden meerdere kaarten vervaardigd, zoals de zojuist vermeldde kaart van Sgrooten. Via deze weg kan de omgeving en de ontwikkeling van de gronden binnen het plangebied nader worden bestudeerd. Een tweede kaart die daarom zal worden besproken is opgetekend door Visscher en Roman uit het midden van de 17 e eeuw (figuur 16). Wemeldinge is slechts zeer schematisch weergegeven met de kerk en enkele gebouwen. Zelfs de Dorpsstraat is niet aangeduid. Ook hier kan daarom het plangebied enkel bij benadering worden gezocht in het gebied ten oosten van de kerk. De situatie is wat dat betreft niet veranderd ten opzichte van de kaart van Sgrooten. In dit geval ligt het terrein eveneens in agrarisch gebied te zijn aangegeven waar verder geen bebouwing staat.
Figuur 15 Uitsnede kaart uit het Ostium Scaldis fluvii cum insulis quas efficit, door C. Sgrooten uit 1573. Plangebied is (bij benadering) aangegeven met een rode cirkel. Bron: Koninklijke Bibliotheek België.
45 Dekker 1971, 607-608. 46 Dekker 1971, 303; Kuipers 2004, 30-33; Philipse 1966, 85; Van Ysseldijk 1968, 21; Wilderom 1968, 116.
30
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 16 Globale ligging van het plangebied op een uitsnede van de Zelandiae comitatus novissima tabula, door Visscher en Roman, vervaardigd omstreeks 1655. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I nr. 95.
Figuur 17 Globale ligging van het plangebied op een uitsnede van de Kaarte van het oostelyk gedeelte van Zuydbeveland, door D.W.C. Hattinga uit 1747-1748. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr. 126.
31
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Uit het midden van de 18e eeuw stamt de kaart van Hattinga (figuur 17). De opgemeten stukken grond van ZuidBeveland zijn hier nauwkeuriger weergegeven dan op de kaart van Visscher en Roman. Nochtans kan de kaart niet gegeorefereerd worden zonder problemen. Toch is bij Wemeldinge dit keer wel duidelijk de Dorpsstraat aangegeven en het Dorpsplein zou aan het oostelijke uiteinde hiervan moeten liggen. In deze zone staan wel enkele gebouwtjes, wellicht kleine boerderijtjes. Of deze precies ter plaatse van het plangebied hebben gelegen kan niet zonder meer worden aangenomen daar de projectie nog altijd bij benadering is. Slechts enkele jaren later dan de kaart van Hattinga is een Waterschapskaart uit 1762 (figuur 18). Deze geeft in detail het dorp Wemeldinge weer. In vergelijking met de hedendaagse situatie bestond het destijds niet meer dan uit de bewoning rondom de kerk, de Dorpsstraat en enkele zijstraatjes. Het aan de oostelijke rand gesitueerde straatje, wat later het Dorpsplein zal worden, is al wel te zien. In de noordelijke helft staan enkele gebouwen opgetekend, de zuidelijke helft, daar waar het plangebied geplaatst kan worden, is daarentegen leeg. Eveneens is nog een van de bergjes ten noordwesten van de kerk te zien die later in de 19 e eeuw is vergraven.
Figuur 18 Waterschapskaart uit 1762 met aanduiding van het plangebied in het rood. Bron: Gemeente Archief Goes, HTA, nr. 221.
De eerste echt accurate kaarten worden gemaakt met de invoer van het kadaster vanaf 1811-1816. Deze Kadastrale Minuutplannen werden opgesteld in de periode tussen 1812 en 1832. De ligging van dijken, waterlopen, wegen, gebouwen en percelen worden nauwkeurig weergegeven (figuur 19). Op de Kadastrale kaart is te zien dat het plangebied binnen drie verschillende percelen is gelegen: Wemeldinge C75, 181 en 182. In de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel waren alle drie de percelen destijds in gebruik als boomgaard. Er is geen bebouwing binnen het terrein bekend.
32
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 19 Uitsnede van de gedigitaliseerde Minuutplannen van de Kadastrale Kaart uit 1811-1832. Bron: Geoloket Zeeland.
Gedurende het verdere verloop van de 19e eeuw blijft Wemeldinge vrij beperkt in omvang. Het is pas sinds de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland, waarvan de werkzaamheden in 1866 waren afgerond 47, dat op de topografische kaarten vanaf het begin van de 20e eeuw de toenemende groei van het dorp is waar te nemen (figuur 21). Met het nieuwe kanaal werd ook een nieuw haventje aangelegd dat vandaag de dag eerder benut wordt voor toeristische doeleinden. In de eeuwen daarvoor bezat het dorp reeds twee kleine havens, De eerste was in gebruik tot het midden van de 18e eeuw en de tweede is in de 19e eeuw in onbruik geraakt48. Op een kaart uit 1866 is de voormalige locatie van beiden nog aangegeven (figuur 20).
47 Van Driel en Steketee 1995, 157; Philipse 1966, 86. 48 Philipse 1966, 86.
33
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 20 Kaart van de Gemeente Wemeldinge van Hugo Suringar uit 1866. Aanduiding van de voormalige havens met een rode pijl. Bron: Zeeuws Archief, Beeldbank Kapelle, nr. 14-239.
Wat het plangebied betreft, blijft dit terrein in gebruik als boomgaard tot zeker in de jaren 60 van de vorige eeuw (figuur 21). Op de kaart van 1985 zien we hier voor het eerst bewoning verschijnen. Het is ook in deze tijd dat het straatje waaraan het is gelegen werd ingericht als een plein en daar ook zijn naam aan heeft verleend. Deze situatie is tot op heden ongewijzigd gebleven.
34
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 21 Uitsneden van topografische (militaire) kaarten uit 1850 tot 2005. Bron: ESRI Nederland/Kadaster.
35
ARTEFACT RAPPORT 732
2.3.2
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Verstoringsgeschiedenis
Bodemloket In het Bodemloket en op de website Bodemrapportages Zeeland worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van het Bodemloket 49 leert dat aan het Dorpsplein nummer 6, daar waar ook het benzinestation is gesitueerd, reeds sinds 1990 wordt onderzocht. Uit het onderzoek van 1990 kwam naar voren dat het gebied rondom de benzinepomp vervuild was. Om deze reden hebben ze drie jaar later een sanering uitgevoerd, waarbij tevens nieuwe tanks zijn geplaatst. Vervolgens werd opnieuw een onderzoek ingesteld binnen verschillende percelen in het plangebied. Hierbij werd geen vervuiling vastgesteld rond de huidige benzinepomp, wel op het achtererf van huisnummer 6, waar een grote loods is gelegen die dient als mechanisatiewerkplaats. Uit de bodemrapporten kon tevens worden geconstateerd dat ter hoogte van de loods voormalige tanks van de benzinepomp in de grond aanwezig zijn (figuur 22). Het advies is dan ook dat er sanering uitgevoerd dient te worden. Dit is tot op heden nog niet gebeurd.
Figuur 22 Locatie ondergrondse tanks. Bron: Steenbergen 2020. Bron ondergrond: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022.
KLIC Binnen het plangebied zijn in het uiterst westelijk deel kabels en leidingen aanwezig. Dit zijn huisaansluitingen voor de nummers 6 en 8. Het handelt om gasleidingen (lage druk) een elektriciteitskabels (lage spanning). Grenzend aan het
49 www.bodemloket.nl, geraadpleegd op 20 september 2022.
36
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
plangebied zijn in het noorden en westen eveneens verschillende kabels en leidingen aanwezig in de vorm van gas, elektriciteit, water, riool en datatransport.
Gegevens (gemeente)archief, bouwtekeningen, opdrachtgever De gemeentearchieven van vóór 1990 zijn ondergebracht in het Zeeuws Archief in Middelburg, dat digitaal middels de website werd geraadpleegd. Dit leverde echter geen relevante informatie omtrent eventuele verstoringen binnen het plangebied. Vanuit de opdrachtgever zijn enkele bouwtekeningen geleverd uit 1984 en 2005 van voormalige gebouwen. De totale verstoringsdiepte kon hier niet op worden afgelezen. Wel is duidelijk dat er destijds geen kelders of kruipruimtes zijn aangebracht en dat er strookfundering is toegepast bij de bouw.
2.4
Archeologische waarden
In deze paragraaf worden de bekende archeologische gegevens opgesomd binnen een straal van circa 250 meter rond het plangebied. Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. (Een deel van) de monumententerreinen werden opgenomen op de gemeentelijke beleidskaarten. De wettelijk beschermde monumenten, waarvoor het rijk bevoegd is, worden enkel op de AMK weergegeven. Het plangebied is niet gelegen binnen de contouren van een AMK-terrein. Wel bevindt zich binnen een straal van 30 meter ten westen een AMK-terrein met hoge archeologische waarde, namelijk de middeleeuwse dorpskern van Wemeldinge (monumentnummer 13453).
Nr.
Monument nummer
Datering
Aard van het AMK-terrein
1
13453
ME-NT
Dit terrein omvat de oude dorpskern van Wemeldinge, daterend uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Het ontstaan van Wemeldinge gaat zeker terug tot de 11e eeuw, maar zou wellicht al eerder bewoond kunnen zijn geweest. Het is als een ringdorp ontstaan rondom de huidige kerk. Langzaamaan verschoof het centrum, na het opwerpen van de dam, wat nu de huidige Dorpsstraat vormt, richting het oosten. Binnen dit AMK-terrein zitten drie andere monumenten vervat: twee vliedbergen (monumentnr. 656 en 11349) en het kerkterrein (monumentnr. 11350).
Eerder uitgevoerd onderzoek Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat binnen het plangebied nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden, noch dat er archeologische vondstlocaties bekend zijn. In een straal van circa 250 meter rondom het plangebied zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd (figuur 23) die in de onderstaande tabellen worden opgesomd. Enkele van deze onderzoeken zijn van onmiddellijk belang voor het huidig plangebied omdat ze aanvullende informatie leveren die bijdragen aan de op te stellen archeologische verwachting.
37
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 23 Overzicht van de vondstlocaties, AMK-terreinen en eerder uitgevoerde onderzoeken. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron ondergrond: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022.
Nr.
Uitvoerder
Aard en resultaten onderzoek
2
Onderzoek Nummer 2053896100
SOB Research
Archeologisch Bureau- en Booronderzoek (2002). Aanleiding was de realisatie van 8 nieuwe woningen. Er werden tijdens het veldonderzoek in totaal 9 boringen gezet tot een maximale diepte van 3,0 meter beneden maaiveld. Hierin werden enkel Duinkerke III afzettingen vastgesteld waarbij de top was verstoord tot een diepte van 0,70 – 0,90 meter -mv. In dit verstoorde pakket werden aardewerkscheven en puinspikkels aangetroffen die dateren in de Nieuwe Tijd, vermoedelijk recent van aard. Er zijn verder geen aanwijzingen gevonden voor de eventuele aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Er werd dan ook geen vervolgonderzoek geadviseerd.
3
2272693100
RAAP
Archeologisch Bureau- en Booronderzoek (2010). Rapport stond niet ter beschikking.
4
4662517100 en 4663295100
Artefact!
Archeologisch Bureau- en Booronderzoek (2019). De aanleiding voor het onderzoek was de herinrichting van de straten ten behoeve van de wateroverlast in de omgeving. Tijdens het veldonderzoek zijn 21 boringen gezet tot een maximale diepte van 4.0 meter -mv (3,08 38
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
meter -NAP). De bodemopbouw is redelijk eenvoudig, aangezien deze volledig bestaat uit de zandige afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, ontstaan door een getijdengeul. Enkel in boring 20 werd bovenaan een kleiigere laag waargenomen. Vermoedelijk gaat het om komklei, zodat het zuidoostelijke deel van het plangebied is gelegen op de overgang van de kreekrug naar de lager gelegen komgebieden. In 13 boringen, die ter plaatse van de straten zijn geplaatst, werden tussen 0,50 en 0,85 meter -mv verstoringen aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan de recente aanleg van cunetten, leidingen en riolen. In de boringen 4, 6, 7, 9, 10, 11, 14 en 17 werd onder de bouwvoor een heterogene menglaag gedocumenteerd (0,10 – 0,50 meter -mv/1,10 – 0,63 meter +NAP) met fragmenten van baksteen , houtskool en aardewerk. Het aardewerk dateert uit de Nieuwe Tijd. Dit pakket kan als een oud oppervlak of cultuurlaag worden geïnterpreteerd uit de Nieuwe Tijd en wellicht zelfs nog uit de Late Middeleeuwen. Concluderend geldt er geen verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen uit de Prehistorie tot en met de Romeinse Tijd, en een lage verwachting voor de Vroege en Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Vervolgonderzoek werd dan ook niet geadviseerd. 5
2055231100
BAAC
Archeologisch Bureau- en Booronderzoek (2004). Aanleiding van het onderzoek vormde de uitbreidingsplannen van de kerk. In totaal zijn 5 boringen gezet. De bodemopbouw wordt gekenmerkt door een 120 tot 150 centimeter dik ophoogpakket. Hierin werden baksteenfragmenten, bot, fosfaatvlekken, aardewerk, en houtskool aangetroffen. De scherven dateren uit de Late Middeleeuwen tot en met de Late Nieuwe Tijd. Daaronder volgden de natuurlijke afzettingen van de kreekrug. Deze zijn voornamelijk kleiig van textuur. In boring 4 was nog een dunne laag Hollandveen aanwezig. Boring 3 is gestuit op ondoordringbaar puin. Het plangebied is gesitueerd op een overgangsgebied tussen de inversierug en de lager gelegen poelgebieden. Het ophoogpakket werd in verband gebracht met de dam die is opgeworpen na de vloed van 1014. Geconcludeerd werd dat er een hoge verwachting geldt voor de periode van de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Daarnaast ligt het terrein binnen een AMK-terrein van hoge archeologische waarde. Geadviseerd werd vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.
2127751100
ADC Archeoprojecten
Archeologische Begeleiding (2006). Dit is het vervolgonderzoek van het hierboven vermelde bureauen booronderzoek (onderzoeknummer 2055231100). Rondom het perceel is een 1,0 meter brede sleuf aangelegd met een diepte van circa 0.90 meter. Centraal binnen het terrein is verdiept tot 0,40 meter beneden maaiveld. De bodemopbouw bestond uit een 20 centimeter dikke bouwvoor op een 10 centimeter dik puinpakket waarin dakpannen en baksteenfragmenten werden aangetroffen. Vervolgens werd daaronder een ophooglaag geconstateerd. Hieruit werd baksteen, aardewerk en pijpaarde gevonden uit de 17e en 18e eeuw. De
39
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
natuurlijke afzettingen werden niet bereikt. Tevens zijn er geen archeologische sporen aangetroffen. 6
2053093100
RAAP
Archeologisch Bureau- en Booronderzoek (2004). De plannen voor de realisatie van enkele nieuwe wooneenheden vormden de aanleiding van dit onderzoek. In totaal zijn 10 boringen gezet tot een diepte van 2,30 meter -mv. De bodemopbouw bestaat uit een subrecente verstoorde laag op een ophooglaag op de natuurlijk afzettingen van de kreekrug. Het ophoogpakket bestaat uit een donkerbruingrijze zandlaag die tot een diepte van 1,75 meter -mv reikt. Hierin werden houtskoolfragmenten, bot, puin, mosselresten, fosfaat en aardewerk gevonden. Het aardewerk kon worden gedateerd tussen de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. De natuurlijke geulafzettingen bezaten eveneens een zandige textuur, grijs van kleur met inclusies van schelpen. In de boringen 2, 4, 5, 8-10 is men gestuit op ondoordringbaar puin vanaf circa 0,30 meter -mv. Enkel in boring 2 is puin verzameld dat dateert uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Er bestaat dan ook enkel een verwachting voor deze periode. Vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding of proefsleuvenonderzoek is geadviseerd.
2065779100
ADC Archeoprojecten
Proefsleuvenonderzoek (2005). Vervolgonderzoek van het hierboven beschreven bureau- en booronderzoek (onderzoeknummer 2053093100). Er zijn twee proefsleuven gegraven met een lengte van 16,70 en 27,30 meter en een breedte variërend tussen de 2,20 en 4,20 meter. In put 1 zijn kuilen, greppels en een waterput uit de Late Middeleeuwen aangetroffen. Uit de Nieuwe Tijd dateren een waterput, paalkuilen en een greppel of ophooglaag. De sporen werden doorsneden door een recente greppel en deze is vervolgens weer afgedekt met een ophoogpakket. Ook in de tweede werkput werden archeologische sporen gedocumenteerd. Drie greppels stammen mogelijk uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe Tijd. De overige sporen dateren vanaf de eerste helft van de 19e eeuw (greppels, tonput, puinlagen). De sporen kunnen gelinkt worden aan bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd, waarschijnlijk van boerenerven. Enkele greppels konden gelinkt worden aan een pad dat liep richting de Dorpsstraat. De diepteligging van de sporen is circa 0,80 tot 1,00 meter beneden maaiveld.
2219898100
SOB Research
Archeologische Begeleiding (2010). Dit is het vervolgonderzoek van de hierboven vermelde vooronderzoeken (onderzoeknummer 2053093100 en 2065779100). Het bovenste pakket in de bodem werd gevormd door een 70 tot 80 cm (circa 0,20 m -NAP) dikke ophooglaag van bruingrijze zwak zandige klei met veel puinresten, aardewerk, hout, bot, oesters, mossels en enkele fosfaatvlekken. Het vondstmateriaal uit deze laag dateert uitsluitend uit de 19e eeuw. Daaronder werd een heterogeen zandpakket aangetroffen die onderdeel zou hebben uitgemaakt van de geulafzettingen. Ook hierin werden archeologische indicatoren aangetroffen in de vorm van puinbrokjes en aardewerkscherven, maar ook met inclusies van schelpen. In totaal zijn er vier sporen gedocumenteerd: de vulling van een sloot of greppel, een mogelijke (paal)kuil, een deel van een 40
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
verharde weg en een puinzone die wellicht onderdeel van deze weg is geweest. Laatste drie sporen kwamen pas onder het ophoogpakket tevoorschijn en dateren aan de hand van vondstmateriaal uit de Late Middeleeuwen B – Nieuwe Tijd Midden. De sloot/greppel was daarentegen ingegraven in de ophooglaag en stamt uit een jongere tijd. 7
8
2473265100
Artefact!
Archeologisch Bureau- en Booronderzoek (2015). Aanleiding van het onderzoek waren de plannen voor de realisatie van een nieuwe woning met garage. Voor het onderzoek werden in totaal 5 boringen verricht tot een diepte van 2,50 meter beneden maaiveld. Uit de boringen is naar voren gekomen dat de bodem bestaat uit verschillende cultuurlagen die dateren in de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Enkel in boring 3 en 5 ligt hier bovenop nog een recent verrommelde laag tot max. 0,50 meter beneden maaiveld (0,07 meter +NAP). Onder de cultuurlagen werd de intacte top van het Laagpakket van Walcheren geconstateerd (vanaf 1,55 meter beneden maaiveld/0,75 meter -NAP). Enkel ter hoogte van boring 2 is men op 0,15 meter -mv (0,61 meter +NAP) gestuit op ondoordringbaar puin. Aan de hand van het bureauonderzoek in combinatie met het veldwerk kon een hoge verwachting worden gesteld voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Er geldt geen verwachting voor vindplaatsen die ouder zijn dan deze periode. Indien dieper zou worden gegraven dan 0,50 meter beneden maaiveld, werd er vervolgonderzoek geadviseerd.
4026180100
SOB Research
Proefsleuvenonderzoek (2017). Dit is het vervolgonderzoek van het hierboven besproken booronderzoek (onderzoeknummer 2473265100). Er werd een proefsleuf aangelegd van 12 bij 3 meter en tot een diepte van circa 0,90 meter beneden maaiveld (0,15 meter NAP). Onder de graszoden werd een puinlaag waargenomen van 0,40 meter dikte. Deze had een recente datering, daar het gebied tot 1995 had gediend als een puindepot. Hieronder kwam een zandige ophooglaag tevoorschijn die eveneens recent van aard was (top tussen 0,45 en 0,62 meter beneden maaiveld). Uit dit pakket werden scherven aardewerk verzameld uit de Late Middeleeuwen tot in de Late Nieuwe Tijd. Er werden geen archeologische sporen aangetroffen.
2250288100
SOB Research
Archeologisch Bureau- en Booronderzoek (2009). Aanleiding van het onderzoek vormde de aanleg van een nieuw riool. Wat het veldonderzoek betreft, werden er in totaal 6 boringen gezet tot een diepte tussen 2,25 en 4,0 meter beneden maaiveld. Uit deze boringen kwam naar voren dat er verschillende ophooglagen gelegen zijn op de natuurlijke geulafzettingen van Duinkerke IIIa (Laagpakket van Walcheren). Het ophoogpakket had een dikte tussen de 0,85 en 1,40 meter. De bovenste laag bestond uit schoon subrecent bouwzand met daaronder kleiigere lagen. Het aardewerk dat is verzameld kwam hoofdzakelijk uit het ophoogpakket en dateert tussen de Late Middeleeuwen B en de Late Nieuwe Tijd. De top van de inversierug bevond zich op een diepte tussen 0,56 en 0,90 meter -NAP in boring 1, in boring 5 werden de geulafzettingen pas vanaf 2,64 meter -NAP 41
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
aangetroffen. Hier zou mogelijk ter plaatse en gedempte sloot kunnen liggen waaruit o.a. baksteenfragmenten van IJsselstenen werden tevoorschijn kwamen. Uit het Laagpakket van Walcheren werden wat fragmentjes bot en een scherfje Paffrath aangeboord. Sporen van fosfaat kwamen verspreid voor in boringen 5 en 6 tussen 0,25 en 1,80 meter beneden maaiveld. Tenslotte kwam men in boring 6 op een diepte vanaf 1,27 meter beneden maaiveld een laag baksteen tegen. Mogelijk resten van een fundering of het gaat om een puinlaag. Aan de hand van het booronderzoek heeft men kunnen concluderen dat er een hoge kans is voor het aantreffen van archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd en er een lage en geen verwachting geldt voor de Prehistorie, Romeinse Tijd (het Hollandveen en de afzettingen van Wormer zijn namelijk weggeslagen) en Vroege Middeleeuwen. Het advies was dan ook vervolgonderzoek. 2259514100
SOB Research
Proefsleuvenonderzoek en Archeologische Begeleiding (2010). Dit is het vervolgonderzoek van het hierboven besproken booronderzoek (onderzoeknummer 2250288100). Er werd een proefsleuf gegraven van 19 meter lang en 2 meter breed. De bodemopbouw bestond onder de bestrating uit een laag bouwzand met daaronder een kleiige bewerkte laag van 40 tot 50 centimeter dikte op de zwak kleiige zandafzettingen van Duinkerke IIIa (top tussen 0,30 en 0,50 meter mv/0,40 en 0,10 meter +NAP). In het zuidelijk deel van de put werd een deel van een dichtgeslibde restgeul aangetroffen. In het vlak kwamen de resten van een kelder tevoorschijn (tussen 0,38 en 1,34 meter -mv/0,53 meter +NAP en 0,43 meter -NAP) waarvan de muren uit bakstenen waren opgebouwd uit verschillende periodes: 14e tot in de 18e eeuw. Mogelijk is hier sprake van hergebruikte materialen. De kelder komt overeen met bebouwing in dit gebied op een kaart uit het midden van de 18e eeuw. Ten noorden van de kelder werd op de geulafzettingen een heterogeen pakket waargenomen van donkerbruingrijze matig humeuze klei met inclusies van puinbrokjes en -spikkels. Deze laag werd in verbinding gebracht met een voormalig erf. Ten zuiden van de proefsleuf werden over een lengte van 23 meter en ten noorden ervan over een lengte van 5 meter de werkzaamheden begeleid. De breedte van de sleuf was circa 1 meter.
De bodemopbouw verschilde niet veel met die van de proefsleuf: bouwzand op een heterogene ophooglaag op de natuurlijke geulafzettingen. Ook hier werden restanten van de dichtgeslibde restgeul in een profielkolom gedocumenteerd. Het enige archeologische spoor bestond uit een dierbegraving van een rund.
9
2462240100
Artefact!
Archeologisch Bureau- en Booronderzoek (2013). Aanleiding van het onderzoek vormt de bouw van een nieuw woonzorgcomplex. Er werden 4 boringen verricht tot een diepte van 2,70 meter beneden maaiveld (1,47 meter -NAP). De bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor met daaronder afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze zandige geulafzettingen (top vanaf 0,25 meter mv/1,02 meter +NAP) bevatten kleilaagjes, roestvlekken en wat 42
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
schelpmateriaal. In enkele boringen is ook verspoeld veengruis of organisch materiaal aangetroffen. In boringen 2, 3, 4 lag er onder de bouwvoor een ophooglaag met een dikte van circa 45 centimeter. Dit pakket is echter recent van aard. Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden. Door de aanwezigheid van een inversierug bestaat er geen verwachting voor het Laat-Paleolithicum tot de Vroege Middeleeuwen. Daarnaast geldt er een lage verwachting voor de Vroege Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Het plangebied is gelegen op een terrein dat tot in de 20e eeuw in gebruik was als landbouwgrond. Vervolgonderzoek werd daarom ook niet noodzakelijk geacht. 10
2062165100
RAAP
Archeologisch Bureau- en Booronderzoek (2005). Aanleiding vormde enkele nieuwbouwplannen binnen het plangebied. Er zijn in totaal 14 boringen gezet tot een maximale diepte van 4,0 meter beneden maaiveld. De bovenste 50 tot 110 centimeter is verstoord door het gebruik van de grond als boomgaard. Daaronder bevinden zich de zandige kreekafzettingen van Duinkerke IIIa. In boring 1 is men gestuit op ondoordringbaar puin. Archeologische indicatoren kwamen alleen naar boven in boring 6 in de vorm van baksteenpuin, houtskool en aardewerk. Allen gevonden in de verstoorde bovenlaag. Het aardewerk dateert tussen de Late Middeleeuwen en de Late Nieuwe Tijd. Aangezien er geen aanwijzingen werden gevonden voor de aanwezigheid van een vindplaats, is er geen vervolgonderzoek geadviseerd.
11
2464866100
Artefact!
Archeologisch Bureau- en Booronderzoek (2015). Aanleiding van het onderzoek vormde het plan om de bestaande boerenschuur op het perceel af te breken en opnieuw op te bouwen en in te richten als woning. In totaal zijn er 8 boringen gezet tot maximaal 3,0 meter beneden maaiveld. Het plangebied zelf werd opgedeeld in een noordelijk deel (deelgebied 1) en een zuidelijk deel (deelgebied 2). In het eerste gebied werd een circa 20 centimeter dikke bouwvoor aangeboord met daaronder Duinkerke IIIa geulafzettingen (ook wel Laagpakket van Walcheren). Enkel in boring 3 werd onder de bouwvoor een pakket sterk siltig zand waargenomen die is geïnterpreteerd als een oude akkerlaag. In boring 4 werd onder de opgebracht grond wellicht de vulling van een kuil aangeboord (tot 1,40 m -mv/0,91 m -NAP) met puinbrokjes, houtresten en steenkeel. Vermoedelijk subrecent van datum. In deelgebied 2 kon een gelijkaardige bodemopbouw worden vastgesteld, bestaande uit bouwvoor en geulafzettingen. Echter werd hier onder de bouwvoor een heterogeen kleipakket herkend met plantenresten en puinspikkels. Deze laag had een dikte van minimaal 40 cm en is als ophooglaag beschreven, daar dit gebied ook lager lag. Tijdens het onderzoek werden een scherf aardewerk uit de Nieuwe Tijd gevonden en wat puinbrokjes en baksteenfragmenten. Allen kwamen uit de bouwvoor of ophooglaag.
Aan de hand van het veldonderzoek is er geen verwachting op het aantreffen van vindplaatsen ouder dan de Late Middeleeuwen. Een hoge verwachting voor de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe Tijd kon 43
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
enkel worden vastgesteld in deelgebied 1. Vervolgonderzoek werd dus enkel aanbevolen in deze zone. 12
2216705100
SOB Research
Archeologisch Bureau- en Booronderzoek (2008). De aanleiding van het onderzoek vormt de realisatie van een nieuw park en woningen. In totaal werden verspreid over het plangebied 19 boringen geplaatst tot een diepte van maximaal 2,0 meter beneden maaiveld. De bodemopbouw bestaat uit en circa 65 centimeter dik verstoord pakket en daaronder bevonden zich diepreikende geulafzettingen van Duinkerke IIIa (ook wel Laagpakket van Walcheren genoemd). Archeologische indicatoren in de vorm van aardewerk, puinbrokjes en -spikkels werden voornamelijk in de bovenste lagen aangetroffen, maar de puinspikkels kwamen ook voor in de top van geulafzettingen. Het aardewerk kwam enkel uit de bouwvoor en dateert uit de Late Nieuwe Tijd. De scherven worden gerelateerd met landbewerking en -bemesting, aangezien er volgens de bronnen destijds geen bebouwing binnen het gebied aanwezig was. Geconcludeerd kon worden dat er binnen het plangebied een lage kans op het aantreffen van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Vroege Nieuwe Tijd, daar vanaf de 17 e eeuw geen bebouwing kon worden waargenomen op dit terrein. De bodem in het zuidelijke deel, waar een boomgaard heeft gestaan, zou deels verstoord kunnen zijn. Een lage verwachting is eveneens aanwezig voor sporen uit de Prehistorie, Romeinse Tijd, Vroege Middeleeuwen en Late Nieuwe Tijd.
Er werd dan ook geen verder vervolgonderzoek geadviseerd.
13
4578050100 en 4579047100
Artefact!
Archeologisch Bureau- en Booronderzoek (2018). Aanleiding zijn de plannen voor het realiseren van vele nieuwbouwwoningen. Er werden 13 boringen verricht tot een maximale diepte van 4,0 meter beneden maaiveld (3,20 meter -NAP). De bodemopbouw bestond uit een 15 tot 80 centimeter dikke recent verstoorde bovengrond. Daaronder volgde een sterk zandige klei- tot matig siltige zandlaag met inclusies van baksteenpuin en houtskoolspikkels. Dit pakket was maximaal 45 centimeter dik en werd als een menglaag geïnterpreteerd. De datering ervan kon echter niet worden bepaald. De top van de ongestoorde geulafzettingen bevond zich tussen 0,40 en 0,85 meter mv (0,50 – 0 m +NAP). De vullingen van het Laagpakket van Walcheren waren zandig met hier en daar dunne kleilagen. Aan de hand van de resultaten van bureau- en booronderzoek geldt er geen verwachting voor het Neolithicum en de Bronstijd t/m de Romeinse Tijd, daar de veen- en Wormerafzettingen niet meer aanwezig zijn in de ondergrond door de erosieve werking van de getijdengeul. Daarnaast is een lage verwachting gegeven voor het vinden van resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Vervolgonderzoek werd daarom als niet noodzakelijk geacht.
In onderstaande tabel worden de vondstlocaties kort besproken die in Archis bekend zijn in een straal van 250 meter rond het plangebied. De nummers in de linker kolom corresponderen met de blauwe nummers in figuur 23.
44
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Nr.
Vondst locatie
Datering
Aard van de waarneming of vondstmelding
14
1076374
MELB-NTL
Hoort bij het bureau- en booronderzoek van nummer 6. Hier zijn een baksteenfragment gevonden en verschillende aardewerkscherven: roodbakkend, grijsbakkend en witbakkend. Deze kunnen mogelijk gelinkt worden aan bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.
1081335
MELB-NTL
1087757
MELB-NTM
1088544
NTM-NTL
1086569
NTV-NTL
1094281
MEL-NT
16
1102226
MEL-NT
Hoort bij het bureau- en booronderzoek van nummer 7. In de boringen werden verschillende cultuurlagen vastgesteld die stammen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Eén boring is echter gestuit op ondoordringbaar puin. Hiervan is een baksteenfragment meegenomen daterend uit de Nieuwe Tijd.
17
1090188
MELA-NTL
Hoort bij het bureau- en booronderzoek van nummer 8. Het meeste materiaal dat is gevonden is afkomstig uit een dik ophoogpakket. Dit bevatte onder andere bot, baksteen, pijpaarde en aardewerk (industrieel wit en roodbakkend). Een scherfje Paffrath is echter vroeger te plaatsen en is aangetroffen in de geulafzettingen. Dit is als verspoeld materiaal te beschouwen.
1092037
NTV-NTM
Hoort bij het proefsleuvenonderzoek van nummer 8. De vondstlocatie bestaat uit verschillende funderingen van een kelder uit de Nieuwe Tijd.
15
Hoort bij het proefsleuvenonderzoek van nummer 6. In de werkputten werden archeologische sporen aangetroffen in de vorm van greppels, waterputten, puinlagen, ophooglagen en (paal)kuilen daterend uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Het vondstmateriaal bestaat met name uit aardewerk: steengoed, witbakkend, roodbakkend, grijsbakkend, fayence en majolica. De sporen kunnen vermoedelijk gelinkt worden aan boerenerven die langs een weg hebben gelegen die naar de Dorpsstraat leidde. Hoort bij de archeologische begeleiding van nummer 6. Tijdens dit onderzoek werden eveneens sporen van bewoning aangetroffen. Deze bestonden uit een greppel of sloot, een weg, een (paal)kuil en een puinzone. Er zijn roodbakkende scherven gevonden van o.a. een grape, een deel van een majolicabord en een enkele baksteenfragment. Dit betreft een vondstmelding uit 2008. Tijdens de sloop van de 20 e eeuwse schuur werden funderingen van een 18e eeuwse voorganger waargenomen. Hierbij zijn verschillende baksteenvondsten verzameld uit de Midden tot Late Nieuwe Tijd. Hoort bij de archeologische begeleiding van nummer 5. Ondanks dat er geen bewoningssporen zijn aangetroffen tijdens het onderzoek, kunnen de scherven roodbakkend worden gelinkt aan afgebroken woningen die hier voorheen hebben gestaan aan de Dorpsstraat. Hoort bij het bureau- en booronderzoek van nummer 5.
Tijdens het booronderzoek werd een ophoogpakket in de bodem geconstateerd die gelinkt kan worden aan de dam waarop de Dorpsstraat is ontstaan. Het vondstmateriaal dat hieruit is verzameld bestaat uit houtskool, baksteen en aardewerk (o.a. Paffrath, roodbakkend, blauwgrijs).
45
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
1092038
MEL-NT
1077434
MELB-NTL
1114710
-
18
19
Hoort bij de archeologische begeleiding van nummer 8. Er werden verschillende aardewerkscherven en een dierbegraving aangetroffen in de geulafzettingen verspreid binnen de sleuf. Het dierlijk bot is afkomstig van een rund. Het aardewerk dateert uit de Late Middeleeuwen tot in de Nieuwe Tijd. Hoort bij het bureau- en booronderzoek van nummer 10. De twee roodbakkende aardewerkscherven zijn aangetroffen in een ‘vuile’ laag die wellicht in verband staat met een aanwezige greppel of kuil. Hoort bij het bureau- en booronderzoek van nummer 11. Er zijn echter geen vondsten of sporen aangetroffen.
Samenvattend blijkt uit bovenstaande informatie dat het plangebied is gelegen op een inversierug waarbij het onderliggende veen en de afzettingen van het Laagpakket van Wormer (grotendeels) zijn geërodeerd. Veel archeologisch graafwerk is in de omgeving nog niet uitgevoerd. Dit betreffen uitsluitend kleine onderzoeken binnen het AMK-terrein aan en nabij de Dorpsstraat. Hierbij werden bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aangetroffen. De omgeving van het plangebied heeft echter tot in de 20e eeuw deel uitgemaakt van het agrarische landschap rondom de oude kern van Wemeldinge. Overige meldingen In het Zeeuws Archeologisch Depot is met betrekking tot het plangebied en de omgeving ervan geen nadere informatie bekend, anders dan de hierboven beschreven onderzoeken en vondstlocaties. 50 Luchtfotoanalyse In het kader van dit onderzoek zijn meerdere luchtfoto’s geraadpleegd: 1944-1945 (Wageningen University & Research), 1959, 1970 en 2003 en satellietfoto’s uit 2005 en 2007 t/m 2019 (Atlas van Zeeland). Met name luchtfoto’s van onverharde en onbebouwde terreinen kunnen aan de hand van herkenbare soil- en of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen in de bodem. Op de luchtfoto uit 1944 (figuur 24) is de situatie van het dorp te zien ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.
Ondanks dat Wemeldinge wel heeft geleden in de oorlogsjaren, is het gebied niet geïnundeerd geweest door de Geallieerden. Het plangebied was destijds nog in gebruik als boomgaard. De vele bomen op de foto verhinderen het waarnemen van eventuele soil- of cropmarks. Eind jaren 50 is er weinig verandering te zien. Op een luchtfoto uit 1959 is enkel het aantal bomen binnen het plangebied aanzienlijk verminderd. Vanaf 1970 wordt de landbouwfunctie van het terrein uiteindelijk opgegeven en heeft het plaats moeten maken voor een aantal panden (figuur 25). In het noordelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied zijn nog groenstroken bewaard gebleven (op de topografische kaarten, zie figuur 21, was bebouwing binnen het plangebied pas vanaf 1985 te zien, maar deze is dus minimaal al aanwezig sinds 1970). Ook dit verandert in de loop der tijd. Op de luchtfoto’s vanaf het jaar 2003 tot heden wordt ook dit bestraat en bebouwd met opbergruimtes. Meer en meer landbouwgronden in de omgeving worden meegezogen in de verstedelijking van het dorp en verdwijnen uiteindelijk geheel uit het dorpsbeeld.
50 Informatie afkomstig van dhr. H. Jongepier (EZ), dd 14-09-2022.
46
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 24 Uitsnede van een luchtfoto van 10 september 1944. Bron: WUR library ID 301066.
Figuur 25 Luchtfoto uit 1970. Bron: Atlas van Zeeland.
47
ARTEFACT RAPPORT 732
2.5
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Bouw- en cultuurhistorische waarden
Bouw- en cultuurhistorische waarden De Gemeente Kapelle beschikt niet over een bouw- of cultuurhistorische waardenkaart. Om vast te stellen of er binnen het plangebied waardevolle bouw- en cultuurhistorische elementen voorkomen werd het Geoloket van de Provincie Zeeland geraadpleegd. Binnen het plangebied komen deze niet voor. Echter, direct ten noorden van het terrein, is een historische boerderij gelegen (monumentnummer 1594). De schuur stamt uit de tweede helft van de 19 e eeuw. Het woonhuis is daarentegen gebouwd in de periode 1920-1940. Ten westen van het plangebied bevinden zich dan de twee oude dorpscentra rondom de kerk en aan de Dorpsstraat die deel uitmaken van een AMK-terrein (monumentnummer 13453). Hierbinnen vallen ook de kerk zelf en de omringende bergjes (monumentnummer 656, 11349 en 11350). Langs de Dorpsstraat staan verschillende huizen die als rijksmonument zijn aangewezen, daar ze deel uitmaken van het historische dorpsaanzicht (nummer 23491-23493, 23495-23505 en 508050). De Dorpsstraat was in oorsprong een dam die is opgeworpen na de grote overstroming van 1014. Zo werd een restgeul, genaamd de Cutsee, in het noorden afgedamd. De verhoogde ligging van de dam is al kort daarna zeer aantrekkelijk geworden voor bewoning. Aan de Dorpsstraat grenzen verschillende dijken. Richting het oosten liep de Oude Zeedijk die rond 1331 is aangelegd.
Deze vormde tevens de zuidelijke grens van de Polder tussen Schoudee en de Lo. Tijdens de vloed van 1404 is de Oude Zeedijk echter onherstelbaar beschadigd geweest en werd om deze reden niet meer heropgebouwd. Ten westen van de Dorpsstraat bevinden zich twee dijken. De eerste is gekenmerkt door een hoge ouderdom, daar deze al rond het midden van de 11e eeuw zou zijn aangelegd. De dijk is vandaag de dag geslecht en kon enkel nog maar herkend worden tijdens een bodemkartering. De tweede dijk is de Hogeweg, ook deze is niet meer zichtbaar. Veel van deze structuur is niet meer gekend, behalve dat ze vermoedelijk in de eerste helft van de 12e eeuw is aangelegd. Samen met de Lampe en de zojuist besproken dijk, beschermden ze het oudste centrum van Wemeldinge. Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat binnen, of direct grenzend aan, het plangebied geen militaire relicten worden weergegeven.
2.6
Archeologisch verwachtingsmodel
Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Binnen het plangebied komen verschillende potentieel archeologische niveaus voor. Indien tijdens het bureauonderzoek geen argumenten werden aangetroffen die toelaten de verwachting voor dit laagpakket omhoog of omlaag bij te stellen (zoals bijvoorbeeld bekende vindplaatsen in de omgeving, erosieve werking van geulensystemen of diepreikende verstoringen) wordt de verwachting zoals opgenomen op de gemeentelijke Maatregelen in Lagenkaarten overgenomen. Per niveau zal de archeologische verwachting worden besproken, enkel perioden met een middelhoge of hoge verwachting zijn vervolgens in de verwachtingstabellen opgenomen. Het maaiveld binnen het plangebied bevindt zich tussen 1,20 en 0,50 meter +NAP. Volgens de beschikbare geologische informatie (paragraaf 2.2) situeert de oudste kern van Wemeldinge, het gebied rondom de kerk, zich in een overgangszone tussen de hoger gelegen inversierug en de ten westen gesitueerde lagere poelgronden. Het is in dit gebied mogelijk dat er nog Hollandveen en afzettingen van het Laagpakket van Wormer in de ondergrond aanwezig zijn, al is er geen garantie dat de top ervan nog geheel intact is.
Vanaf het aanleggen van de dam in de 11e eeuw, wat nu de huidige Dorpsstraat vormt, begon het centrum van het dorp zich meer richting het 48
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
oosten te verschuiven, daar het hoger gelegen terrein zeker meer aanlokkelijk was om op te wonen. De dreiging van het water was immers in die tijd nog zeer zeker voelbaar. Het plangebied ligt aan het oostelijke einde van deze straat en viel daarmee net buiten de oude kern van Wemeldinge. Het Dorpsplein ligt daarentegen wel midden op de getijinversierug. Deze brede waterloop heeft in het verleden het veen en de afzettingen van Wormer volledig weggeslagen, zoals ook kon worden aangetoond aan de hand van DINO-boringen en archeologisch onderzoek in de nabije omgeving van het plangebied. De diepreikende geulafzettingen liggen direct op het pleistocene dekzand. Er geldt dus, overeenkomstig de gemeentelijke archeologische maatregelenkaart, geen verwachting voor het Hollandveen en het Laagpakket van Wormer. Jong getijdenlandschap – Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk Datering
Late Middeleeuwen
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing; off-site vindplaatsen; lineaire vindplaatsen (weg/dijk); vindplaatsen met een archeologische laag
Omvang
Huisplaats: 500-2.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen. Laag: < 80 per m²
Vondstdichtheid Diepteligging
In en op de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, onder de bestaande verstoring
Locatie
Volledige plangebied
Gaafheid en conservering
Matig: er bestaat een kans op mogelijke verblauwing door de druk van de huidige structuren op de bodem. Daarnaast kan de vindplaats (deels) zijn aangetast door verstoringen. De geulafzettingen bestaan hoofdzakelijk uit zandige vullingen die naar verwachting minder goede bewaringscondities voor het vondstmateriaal zullen leveren. Het niveau van de grondwatertafel bevindt zich beneden de archeologische laag.
Mogelijke verstoringen
Voor het pand met huisnummer 6 staat een klein benzinestation. Direct onder dit station en op het achtererf van huisnummer 6 bevinden zich de huidige en oude tanks van deze structuur in de bodem. Aanwezige kabels en leidingen verstoren enkel kleine delen aan de voorzijde van de gebouwen. Het terrein is ook enige tijd in gebruik geweest als boomgaard en de boomwortels kunnen de bovenste bodemlaag hebben verstoord.
Het plangebied heeft altijd net aan de oostelijke rand van het dorpscentrum gelegen. Het terrein heeft in de Middeleeuwen vermoedelijk altijd onderdeel uitgemaakt van de agrarische omgeving. Middeleeuwse kaarten, waarop het plangebied met enige nauwkeurigheid geprojecteerd kan worden, zijn niet bekend. Het ligt midden op de hoger gelegen inversierug en was daarmee zeker aantrekkelijk voor bewoning. Tijdens de Vroege Middeleeuwen was het gebied vermoedelijk nog te nat om te bewonen. In deze periode was de geul zeker nog actief, al zal dat op minder grote schaal zijn geweest. Deze restgeul is met de storm van 1014 ten dele opnieuw uitgesleten en in de 11e eeuw afgedamd. Tijdens archeologisch onderzoek aan het Dorpsplein, tegenover waar het plangebied is gelegen, heeft men nog een deel van deze restgeul kunnen waarnemen. Volgens de gemeentelijke archeologische maatregelenkaart geldt er een hoge verwachting op het niveau van het Laagpakket van Walcheren. Voor de Late Middeleeuwen kan deze, aan de hand van de geologische gegevens, bijgesteld worden naar middelhoog. Het plangebied ligt net buiten het oude dorpscentrum, dat tevens tot AMK-terrein is verheven. Cartografische gegevens uit de Nieuwe Tijd hebben aangetoond dat het altijd onderdeel is geweest van 49
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
de agrarische randzone van het dorp, dit zal in de Late Middeleeuwen niet anders zijn geweest. Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen voor middeleeuwse vindplaatsen aan deze zijde van het dorp. Datering
Nieuwe Tijd
Complextype
Infrastructuur, agrarische productie en voedselvoorziening
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen grondsporen; lineaire vindplaatsen (weg/dijk); vindplaatsen met een archeologische laag
Omvang
Onbekend
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen. Zeer laag
Vondstdichtheid Diepteligging
In en op de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, onder de bestaande verstoring
Locatie
-
Gaafheid en conservering
Matig: er bestaat een kans op mogelijke verblauwing door de druk van de huidige structuren op de bodem. Daarnaast kan de vindplaats (deels) zijn aangetast door verstoringen. De geulafzettingen bestaan hoofdzakelijk uit zandige vullingen die naar verwachting minder goede bewaringscondities voor het vondstmateriaal zullen leveren. Het niveau van de grondwatertafel bevindt zich beneden de archeologische laag.
Mogelijke verstoringen
Voor het pand met huisnummer 6 staat een klein benzinestation. Direct onder dit station en op het achtererf van huisnummer 6 bevinden zich de huidige en oude tanks van deze structuur in de bodem. Aanwezige kabels en leidingen verstoren enkel kleine delen aan de voorzijde van de gebouwen. Het terrein is ook enige tijd in gebruik geweest als boomgaard en de boomwortels kunnen de bovenste bodemlaag hebben verstoord.