2025-02a D24.318233 ontwerpbestemmingsplan Dorpsplein 6-8 ontwerpbestemmingsplan Dorpsplein 6-8
Tekst van het document
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
4.12
Water
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen. Thema en water(beheer)doelstelling Uitwerking Veiligheid waterkeringen Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening een waterkering. houden met de daarvoor benodigde ruimte.
Juust
28
Wemeldinge, Dorpsplein 6 en 8
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
Het huidige dakoppervlak is ongeveer 900 m². In de toekomstige situatie is dan ongeveer 540 m² voor de appartementen en winkel/kantoorruimtes en 25 m² voor de lift. De dichte bodemverharding neemt in de toekomstige situatie af. De doorlatende bodemverharding wordt in de toekomstige situatie bij de parkeerplaatsen toegepast. In het algemeen is er een afname aan verhard oppervlak. Om die reden is geen watercompensatie benodigd. Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Hemel- en afvalwater zal in principe worden Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ aangesloten op het gemeentelijk riool. Er zijn RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. daarnaast ook infiltratiemogelijkheden op de Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in binnenterrein. verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. Grondwaterkwantiteit en verdroging Er zal geen grondwater worden onttrokken. Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden. Grondwaterkwaliteit De gewenste ontwikkeling heeft geen invloed op de Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. Oppervlaktewaterkwaliteit Er is geen oppervlaktewater aanwezig.
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren. Volksgezondheid De nieuwe ontwikkeling zal geen negatief effect Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en hebben op de volksgezondheid. plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Bodemdaling ontstaat door het onttrekken van Voorkomen van maatregelen die (extra) grondwater en/of het verhogen van de belastingen op maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden het maaiveld. In deze ontwikkeling zal er geen kunnen veroorzaken. (permanente) grondwateronttrekking plaatsvinden waardoor bodemdaling niet aanwezig is.
Juust
29
Wemeldinge, Dorpsplein 6 en 8
Natte natuur Niet van toepassing. Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater Niet van toepassing. Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. Anderer belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing)
4.13
Niet van toepassing.
Het plangebied is niet gelegen aan een weg van het waterschap.
Milieu Effect Rapportage
In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht. In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is de activiteit 'stedelijk ontwikkelingsproject' opgenomen met een drempelwaarde van 100 hectare of 2000 of meer woningen.In onderhavig plan worden 13 nieuwe appartementen en 2 commerciële units mogelijk gemaakt.
Het plan blijft daarmee onder de drempelwaarden. Het gewenste plan is een stedelijk ontwikkelingsproject gezien de aard en omvang (zie voorgaande paragrafen). Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is noodzakelijk. Hiervoor is een aanmeldnotitie opgesteld (zie Bijlage 9. Op basis van deze notitie (en voorgaande paragrafen) is gebleken dat het gewenste plan niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
4.14
Conclusie
Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.
Juust
30
Wemeldinge, Dorpsplein 6 en 8
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs. De gemeente Kapelle sluit met de initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst waarin onder andere het kostenverhaal is geregeld. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Voor het verkrijgen van de noodzakelijke omgevingsvergunning(en) zullen de gebruikelijke leges in rekening worden gebracht.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie In januari 2023 hebben de betrokken ambtenaar en ontwikkelaar de directe buren geinformeerd. Het gaat om de adressen Dorspplein 4 en Wilhelminastraat 1 en 1a. Op 29 november 2023 is een informatiebijeenkomst gehouden. Hiervoor zijn 104 adressen aangeschreven uit de directe omgeving. Vooroverleg Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio. Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.
Juust
31
Wemeldinge, Dorpsplein 6 en 8
Juust
32
Wemeldinge, Dorpsplein 6 en 8
Bijlagen bij toelichting
Juust
33
Wemeldinge, Dorpsplein 6 en 8
Bijlage 1 Archeologisch onderzoek
Juust
34
Wemeldinge, Dorpsplein 6 en 8
ARTEFACT! RAPPORT 732
Wemeldinge Dorpsplein 6-8 Gemeente Kapelle Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
D.G. Winterswijk J.E.M. Wattenberghe
Colofon Titel
Wemeldinge Dorpsplein 6-8. Gemeente Kapelle. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
Auteur(s)
D.G. Winterswijk en J.E.M. Wattenberghe
Artefact rapport
AR732
Status rapport
Definitief
Datum
16 december 2022
Projectcode
2022ART107
Projectleider veldwerk
J.E.M. Wattenberghe
Projectmedewerker(s)
D. Kneuvels (KNA Prospector MA)
ISSN
2213 7424
Autorisatie
Naam
Drs. J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Prospector)
Paraaf
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl
© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V., 2022 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld. Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 4 Administratieve Gegevens ...........................................................................................................................................5
1
Inleiding ........................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek ..................................................................................................................... 7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen .............................................................................................8 1.3 Wettelijk kader en beleid ........................................................................................................................... 10 1.4 Plangebied en planvorming ....................................................................................................................... 11
2
Archeologisch bureauonderzoek ....................................................................................... 13 2.1 Methoden .................................................................................................................................................. 13 2.2 Landschap en geologie .............................................................................................................................. 14 2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling ..................................................................................................... 14
2.2.2
Aardkundige waarden .................................................................................................................. 17
2.3 Historie ......................................................................................................................................................24 2.3.1
Historisch-geografische ontwikkeling .......................................................................................... 24
2.3.2
Verstoringsgeschiedenis ............................................................................................................... 36
2.4 Archeologische waarden ........................................................................................................................... 37 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden ........................................................................................................48 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................48
3
Inventariserend veldonderzoek ........................................................................................ 52 3.1 Methoden .................................................................................................................................................. 52 3.2 Geologie en bodem ................................................................................................................................... 52 3.3 Archeologie ............................................................................................................................................... 53
4
Conclusie en advies.......................................................................................................... 54 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen ........................................................................................... 54 4.2 Advies ....................................................................................................................................................... 56
Lijst met figuren ........................................................................................................................................................ 57 Bronnen .....................................................................................................................................................................59
Bijlage 1
AMZ-cyclus
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst en afkortingen
Bijlage 3
Tijdstabel
Bijlage 4
Planvorming
Bijlage 5
Boorstaten
3
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Samenvatting De initiatiefnemer heeft het voornemen om een nieuw appartementencomplex te realiseren aan het Dorpsplein te Wemeldinge (gemeente Kapelle) ter hoogte van de huisnummers 6 en 8. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. In het kader van de hiertoe benodigde bestemmingsplanwijziging heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd die geleid hebben tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Op basis van de resultaten kan gesteld worden dat: ⎯ Het plangebied gelegen is op een getij-inversierug. De geulafzettingen maken onderdeel uit van het Laagpakket van Walcheren. ⎯ De geulafzettingen tot een diepte van 30,0 meter beneden maaiveld kunnen reiken en het ondergelegen veen en de afzettingen van het Laagpakket van Wormer volledig hebben geërodeerd. Daarmee liggen ze dus direct op het pleistocene dekzand. ⎯ Binnen het plangebied geen verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Romeinse Tijd. ⎯ Er een middelhoge kans bestaat op de aanwezigheid van resten uit de Late Middeleeuwen, maar daarentegen een lage uit de Vroege Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd.
Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Tijdens de verkennende fase werden de landschappelijke vormeenheden bepaald met als doel kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones aan te duiden voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Dit heeft geleid tot de volgende resultaten: ⎯ Binnen het gehele plangebied diepreikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren voorkomen. Deze worden afgedekt door een oude akkerlaag en/of (recente) ophooglagen en verstoringen. ⎯ Er geldt geen verwachting voor het Neolithicum tot en met de Romeinse Tijd, aangezien de afzettingen van het Laagpakket van Wormer en het Hollandveen zijn weggeslagen door de jonge getijdengeul. ⎯ Er een lage verwachting geldt voor de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat: ⎯ De archeologische waarde van het plangebied in voldoende mate is vastgesteld. ⎯ Archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Op basis van het voorliggend onderzoek is het niet nodig in het nieuwe bestemminsplan de dubbelbestemming waarde archeologie 1 op te nemen. Ondanks dat er geen vervolgonderzoek is geadviseerd, bestaat er een wettelijke meldingsplicht ex.
artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016, indien eventuele archeologische sporen en vondsten aan het licht komen tijdens de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden.
4
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Administratieve Gegevens Projectnaam
Wemeldinge Dorpsplein 6-8
Onderzoeksvorm
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
LOCATIE Provincie
Zeeland
Gemeente
Kapelle
Plaats
Wemeldinge
Adres / Locatie
Dorpsplein 6-8
Hoekpunten coördinaten RD
NW 58.386 / 392.944 N 58.433 / 392.977 ZW 58.385 / 392.903 ZO 58.449 / 392.893
Centrum coördinaat RD
58.415 / 392.924
Kaartblad
65H
Kadastraal perceel
Gemeente Wemeldinge, Sectie C, Perceel 2655, 2755, 3975 en 3976 (ged.)
Oppervlakte plangebied
Circa 2.706 m2
Vigerende beheersverordening
Kom Wemeldinge (2010) – enkelbestemming Detailhandel, Gemengd, Groen en Bedrijf: WA-1 (100 m2, 0.30 meter -mv)
BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats
Geen
AMK status
Geen
Archis vondstlocatie
Geen
Zeeuws Archeologisch Depot
Geen (mail helpdesk ZAD d.d. 14-09-2022)
OPDRACHTGEVER Naam
Juust
Contactpersoon
Dhr. G. Verweij
Adres
Goessestraatweg 17a, 4421 AD Kapelle
Telefoon
06 82731420
gerard@juust.nl
BEVOEGDE OVERHEID Naam
Gemeente Kapelle
Contactpersoon
Dhr. P. Vogel
Adres
Postbus 79, 4420 AC Kapelle
Telefoon
14 0113
p.vogel@kapelle.nl
5
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam
Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband (OAS)
Contactpersoon
Dhr. K.-J.R. Kerckhaert
Adres
Postbus 49, 4330 AA Middelburg
Telefoon
0118 670870
Kjr.kerckhaert@erfgoedzeeland.nl
BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam
Zeeuws Archeologisch Depot
Contactpersoon
dhr. J.J. H. van den Berg
Adres Telefoon
Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618
jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl
E-depot
EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)
UITVOERDER Naam
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V.
Contactpersoon
dhr. J.E.M. Wattenberghe
Adres
Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag
Telefoon
0115 851614
janwattenberghe@artefact-info.nl
Certificaat
ARC-010/3 - BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004
ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding
Bestemmingsplanwijziging
Begin/einddatum veldwerk
16 november 2022
Projectnummer Artefact
2022ART107
Archis onderzoeksmelding
5306175100
Vindplaats(en)
-
6
ARTEFACT RAPPORT 732
1
Inleiding
1.1
Aanleiding van het onderzoek
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
In opdracht van Juust heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied gelegen aan het Dorpsplein te Wemeldinge (gemeente Kapelle, figuur 1 en 2). De aanleiding tot het onderzoek vormt een herbestemming van het terrein. Het voornemen is om de bestaande bebouwing te slopen en te vervangen door een nieuw appartementencomplex. Mogelijk dient voorafgaand aan de bouw van het nieuwe pand een sanering plaats te vinden. Het plangebied bestaat uit (delen van) vier percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Wemeldinge, Sectie C, Perceel 2655, 2755, 3975 en een deel van 3976, en beslaat een oppervlakte van circa 2.7o6 vierkante meter.
Figuur 1 Ligging van het plangebied in Nederland, schaal 1:40.000. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022.
Het te onderzoeken gebied ligt gesitueerd binnen het bestemmingsplan Kom Wemeldinge (2010) met enkelbestemming Detailhandel, Gemengd, Groen en Bedrijf. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 1. Dit houdt in dat binnen het plangebied een verbod geldt op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 100 vierkante meter en dieper reiken dan 0,30 meter beneden maaiveld. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden 7
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
geschaad. De exacte verstoringsdiepte is nog niet bekend, maar rekening dient worden gehouden met een bouwput van circa 1 meter diep. Hiermee zullen de vrijstellingsgrenzen worden overschreden. In het kader van de noodzakelijke bestemmingsplanwijziging dient een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd.
Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart, schaal 1:2.000. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022.
1.2
Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen
Conform de AMZ-cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: ⎯ Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek ⎯ Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd
1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4.
8
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Een inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO-proefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). 2 Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯ De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes.
Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek ⎯ Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen ⎯ Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van een inventariserend veldonderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 3 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase).
Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20194 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen. Het resultaat van het bureauonderzoek (het verwachtingsmodel) is opgenomen in hoofdstuk 2.6. Het resultaat van het inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen is opgenomen in hoofdstuk 4.1. Het bepalen van de landschappelijke vormeenheden staat daarbij voorop met als doel het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Tijdens dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte?
2
SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4
3 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4-5. 4 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
9
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?
1.3
Wettelijk kader en beleid
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 5 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt.
Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯ Basale harde gegevens en diachrone datasets ⎯ Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen ⎯ Uitwerking oud archeologisch onderzoek ⎯ Verdronken land en dorpen ⎯ Onderzoek naar infrastructuur ⎯ Verdedigingswerken in Zeeland ⎯ Boerderijen en rurale nederzettingen ⎯ Voedseleconomie van stad en platteland ⎯ Religieuze en rituele verschijningsvormen ⎯ Scheeps- en onderwaterarcheologie ⎯ Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 6 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet (welke voor het voorliggende project niet van toepassing is.
5 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. 6 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
10
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren. Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning. Het gemeentelijke beleid van Kapelle is in 2011 door Vestigia opgesteld en vervolgens in 2012 door het College van Burgemeester en Wethouders vastgesteld. In de beleidsnota is geconcludeerd dat de gemeentelijke ondergrond in vier archeologisch relevante lagen kan worden onderverdeeld. Op de hieruit volgende archeologische maatregelenkaart-in-lagen werd de archeologische waarde bepaald op basis van bekende landschappelijke en bodemkundige informatie, archeologische waarnemingen en bekende vindplaatsen. Elk van de vastgestelde 8 categorieën vertegenwoordigt een bepaalde archeologische waarde of –wanneer de waarde nog niet is vastgesteld– een archeologische verwachting.
Dit gemeentelijk beleid is meegenomen in de sinds 2012 opgestelde bestemmingsplannen waarbij gebieden met (een) archeologische (verwachtings)waarde een planologische bescherming hebben gekregen. De vrijstellingsgrenzen werden toegekend op basis van de (verwachtings)waarde. Op de vigerende gemeentelijke archeologische maatregelenkaart-in-lagen geldt voor het plangebied: ⎯ Een hoge verwachting op het niveau van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk; Laag 1); ⎯ Geen verwachting voor het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop; Laag 2); ⎯ Geen verwachting voor het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk; Laag 3); ⎯ Geen verwachting voor het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel; Laag 4).
1.4
Plangebied en planvorming
Het plangebied is gelegen aan het Dorpsplein te Wemeldinge (gemeente Kapelle), midden in het centrum van het dorp. Meer precies gaat het hierbij om de huisnummers 6 en 8. Het terrein heeft een totale oppervlakte van 2.706 vierkante meter en beslaat (delen van) vier percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Wemeldinge, Sectie C, Perceel 2655, 2755, 3975 en een deel van 3976. Op de stukken grond staan op dit moment verschillende gebouwen die in gebruik zijn als bedrijfs-, winkel- of woningpand. Voor huisnummer 6 is tevens een klein tankstation geplaatst. De achterkant van de panden wordt in beslag genomen door verschillende opbergruimtes en een verharde weg bestaande uit betonplaten. De initiatiefnemer heeft het voornemen om op deze plek een nieuw appartementencomplex (figuur 3) met groene binnentuin, parkeerplaatsen en bergingsruimtes te realiseren (bijlage 4). Tevens zal er een trappenhuis met liftschacht worden aangebracht. Voor de toekomstige planvorming zullen de huidige woningen worden gesloopt en het tankstation worden verwijderd. De definitieve bouwtekeningen van de toekomstige constructies zijn nog niet bekend. Wel dient, volgens de opdrachtgever, voor de bouw van het appartementencomplex rekening te worden gehouden met een bouwput van circa 1 meter diepte. Hierdoor zullen de vrijstellingsgrenzen dus worden overschreden.
Tevens is het mogelijk dat sanering dient plaats te vinden voorafgaand aan de werkzaamheden ten behoeve van het verwijderen van de ondergrondse tanks van het huidige tankstation en ter hoogte van een loods aan de achterzijde van huisnummer 6. Naar aanleiding van een inventariserend bodemonderzoek op het perceel van huisnummer 6, is immers aangetoond dat ter plaatse de bodem sterk verontreinigd is.
11
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 3 Plangebied met aanduiding van de bestaande bebouwing waarop de nieuwbouw is geprojecteerd. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022.
12
ARTEFACT RAPPORT 732
2
Archeologisch bureauonderzoek
2.1
Methoden
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.7 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap
Specificatie
Hoofdstuk
Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik
LS01
1.4
Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid
LS01
1.3
Beschrijven huidig gebruik
LS02
1.4
Beschrijven historische situatie
LS03
2.3.1
Beschrijven mogelijke verstoringen
LS03
2.3.2
Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond
LS02-03-04
2.5
Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken
LS04
2.2.2
Beschrijven bekende archeologische kenmerken
LS04
2.4
Opstellen gespecificeerde verwachting
LS05
2.6
Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. ⎯ (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten ⎯ Paleogeografische kaarten ⎯ Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ⎯ (Specialistische) literatuur ⎯ Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek ⎯ Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven ⎯ Lucht- en satellietfoto’s ⎯ Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten ⎯ Gemeentelijk en/of provinciaal archief ⎯ Archeologische Monumenten Kaart (AMK) ⎯ Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) ⎯ Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis ⎯ Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) ⎯ Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) ⎯ Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten ⎯ Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn ⎯ Provinciaal depot:
archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)
7 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
13
ARTEFACT RAPPORT 732
2.2
Landschap en geologie
2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Omdat de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en De Vries zijn gepubliceerd. 8 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar, en de globale ligging van het plangebied, worden afgebeeld op figuur 4. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het boreaal (circa 8.400 – 6.950 v. Chr.) stijgt de zeespiegel en gaat hierdoor het pleistocene zandlandschap langzaam vernatten. Plantaardig materiaal wordt als een gevolg van het stijgende waterniveau niet meer afgebroken.
Eerst op de lager gelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap groeit laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei doet zich eerst voor in het westen van Zeeland, maar de grens verschuift door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op in oostelijke richting. Aan het veenvormingsproces komt een einde in het midden tot laat-atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). 9 Gaandeweg wordt namelijk door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking de strandbarrière die het veenlandschap van de zee afschermt opgeruimd en loopt het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstaat hierbij een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Grote delen van het oude pleistocene landschap en Basisveen worden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die in dit getijdengebied gevormd zijn, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden.10 Vanaf het subboreaal stagneert de stijging van de zeespiegel in die mate dat de sedimentatie en de stijging elkaar in balans houden. Er zetten zich hierbij meer kleiige sedimenten af. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels.
Op de hoger opgeslibde kwelders groeit een dichte rietvegetatie in het getijdengebied en er gaat zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het midden-subboreaal (3.100 v. Chr.) een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstaat met daarachter een groot veenlandschap dat bestaat uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes. 11 Geologisch wordt dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Het veenmilieu verandert in het subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof en kan opgroeien tot ruim boven NAP. Omstreeks 500 v. Chr. bereikt het veenkussen zijn maximale omvang. Daarna treedt een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zoekt zijn weg richting de zee in steeds breder wordende geulen. Hierdoor wordt de mariene invloed op het achterliggende land opnieuw geactiveerd. Tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, op Walcheren, doorbreekt het water de strandwal en ontstaat er achter de strandwal sluftergebied met een veelvoud aan smalle geulen die de verbinding tussen het veengebied met de zee versterkten. Het Veerse gat, de inbraakgeul tussen Walcheren en Noord-Beveland, is in oorsprong wellicht ook in deze periode ontstaan.12
8 Vos & De Vries 2013. 9 Van Rummelen, 1978: 62-64. 10 Van Rummelen, 1978: 53. 11 Vos en Van Heeringen, 1997: 28. 12 Vos en van Heeringen, 1997 paleogeografische kaart.
14
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
15
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 4 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. De blauwe stip duidt de ligging van het plangebied aan. Bron: Vos & De Vries 2013.
16
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Tot in de late ijzertijd wordt de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment. Grofweg vanaf de Romeinse tijd gaat de antropogene invloed geleidelijk aan een meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap. 13 De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteren in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee krijgt opnieuw vat op het gebied. De eerste tekenen van overstromingen dateren dan ook al uit de 2de helft van de 2de eeuw. Vanaf het midden-subatlanticum (circa 250 n. Chr.) kan de zee ook verder en breder het achterland voorbij de strandwallen instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstaat. 14 Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf deze periode resulteert in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich hebben ingesneden worden zandige pakketten afgezet en de hoger gelegen veengronden worden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand komen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland aan het oppervlak.
Ook de omgeving van het plangebied bestaat omstreeks 800 n. Chr. grotendeels uit een langzaam opslibbend kweldergebied. De geleidelijk aan droger en stabieler wordende situatie biedt nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgden vindt dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt ligt hier op schapenteelt en wolproductie. Vanaf dat ogenblik beginnen de bewoners zich ook met grootschalige bedijkingen tegen het water te beschermen en worden ook nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd.15 In het nieuwgewonnen land wordt naast landbouw en veeteelt ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen kan namelijk gebruikt worden bij de productie van zout. Het weggraven van het veen heeft echter ook een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en een erosie van het leefoppervlak tot gevolg. 16 De degeneratie van het landschap in de Late Middeleeuwen wordt bovendien in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken, wat ertoe zal leiden dat dijkdoorbraken tijdens een stormvloed catastrofale gevolgen kennen, waarbij veel land verloren gaat. Het oostelijk deel van Zuid-Beveland (het verdronken land van Zuid-Beveland) welke na zware stormen aan het einde van de 16 e eeuw onder water komt te staan, is hiervan een van de bekendste exponent. Bovendien heeft dit ook fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland.
De hoofdstroom van de Schelde, die tot dat ogenblik steeds via het Kreekrak en de Oosterschelde zijn weg naar de zee had gevonden, verlegt zich zuidwaarts naar de Westerschelde. Reeds eeuwen drong deze zeearm verder binnen in het land, maar door de plots ontstane ruimte die het water krijgt op de verdronken Bevelanden, kan de Westerschelde de laatste barrière opruimen en zich ontwikkelen tot zijn huidige dimensies.17
2.2.2
Aardkundige waarden
Geologie Het plangebied maakt deel uit van het zuidwestelijke zeekleigebied. Op de Geologische Kaart van Nederland (TNONITG 2010, figuur 5) is het terrein volledig gelegen in een zone met de code Na6. Dit duidt op een geologische configuratie van zeeklei en -zand (Laagpakket van Walcheren).
13 Vos & Van Heeringen: 1997. 14 Vos & van Heeringen: 1997. 15 Delporte, 2021: 16 16 Dekker, 1971: 20. 17 Vlam, 1944; Coen, 2008.
17
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 5 Uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland met in het rood de aanduiding van het plangebied. Bron: TNONITG 2010.
De Geologische Kaart van Van Rummelen (figuur 6) geeft een gelijkaardig beeld weer. Op deze kaart wordt het plangebied gekenmerkt door geulafzettingen. Het ligt geheel gesitueerd in een zone met de code D0.3a, hetgeen betekent dat de bodemopbouw bestaat uit Afzettingen van Duinkerke IIIa (vandaag de dag ook wel bekend als het Laagpakket van Walcheren). Dit houdt tevens in dat er in de ondergrond geen Hollandveen en Afzettingen van het Laagpakket van Wormer (bij Van Rummelen beter bekend als de Afzettingen van Calais) meer aanwezig zijn. De kracht waarmee het water doorheen het landschap is geslagen heeft er immers voor gezorgd dat ter plaatse deze lagen in de ondergrond zijn verdwenen. Volgens de bijkaarten van de Geologische Kaart kan het pleistocene dekzand worden verwacht op een diepte tussen 25 en 30 meter -NAP. Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische niveaus te achterhalen. Raadpleging van de ondergrondgegevens in het DINO-loket18 leert dat binnen het plangebied en in de onmiddellijke nabijheid ervan geen boringen bekend zijn. Wordt op grotere schaal gekeken dan zijn er in de wijdere omgeving wel meerdere boringen verricht.
Ten noorden en zuiden van het terrein zijn twee boringen bekend, gelegen op een afstand tussen circa 185 en 330 meter, die tot op grotere diepte zijn gezet en tevens binnen dezelfde geologische zone vallen, zoals deze op de kaart van Van Rummelen is te zien (figuur 6, boring 1 en 2).
18 www.dinoloket.nl, geraadpleegd op 16 september 2022.
18
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 6 Uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland met daarop de locatie van de in dit rapport gebruikte DINOboringen. Bron: Van Rummelen 1978 en DINO-loket.
In boring B48F1056 (nummer 1 op figuur 6) Is tot een diepte van 7 meter geboord (tot 6,30 meter -NAP) en zijn enkel afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangetroffen. Dit pakket bestaat uit zandige lagen die zwak tot sterk siltig zijn en een fijne tot zeer fijne textuur hebben. Op een diepte tussen 0,30 en 0,40 meter beneden maaiveld (0,4 – 0,3 meter -NAP) is de samenstelling ook nog als sterk humeus beschreven. De tweede boring B48F0094 (nummer 2 op figuur 6) is ietwat dichter bij het plangebied gelegen en is tot de grote diepte van 52,0 meter doorgezet (tot 51,0 meter -NAP). De bovenste 80 centimeter (1,0 – 0,20 meter +NAP) is antropogeen van aard. De kleiige ondergrond is hier doorwerkt. Daaronder volgt het 28 meter dikke Laagpakket van Walcheren (tot 28 meter -NAP). De bovenste vulling bestaat uit klei (0,80 – 2,50 meter -mv/0,20 m +NAP tot 1,50 m -NAP) en deze ligt op uiterst fijne zandige afzettingen die zwak tot sterk siltig zijn. In deze boring kon worden aangetoond dat het veen en de afzettingen van het Laagpakket van Wormer compleet zijn weggeslagen, aangezien onder de kreekafzettingen het pleistocene dekzand aanwezig is, ook wel de Formatie van Waalre genoemd. Deze laag is eveneens zandig van aard met uiterst fijne korrels. De twee zojuist besproken boringen bevestigen het beeld dat werd geschetst op de Geologishe Kaarten.
De diepreikende kreekafzettingen liggen direct op het dekzand. Op een afstand van circa 350 meter ten westen van het plangebied, zou het landschap langzaam moeten overgaan naar de oeverafzettingen van de kreek en uiteindelijk naar de lager gelegen poelgronden. Ter vergelijking worden twee boringen besproken die in deze zones liggen. In boring B48F1052 (nummer 3 op figuur 6) heeft het Laagpakket van Walcheren nog maar een dikte van 1,40 meter en kan deze worden omschreven als een matig siltige kleilaag. De top van het Hollandveen ligt op 1,20 meter -NAP. Het is echter niet bekend in hoeverre deze veraard of nog intact is. Daarop volgt vanaf 3,20 meter beneden maaiveld (3,0 meter -NAP) de zandige afzettingen van het Laagpakket van Wormer. 19
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Tenslotte boring B48F1134 (nummer 4 op figuur 6) die dichter bij de inversierug is gesitueerd, maar ook hier reiken de geulafzettingen niet dieper dan 1,40 meter beneden maaiveld. Net als in de vorige boring is het een kleipakket dat varieert tussen matig en sterk siltig. De top van het Hollandveen ligt op 1,80 meter -NAP. Daaronder volgen de afzettingen van het Laagpakket van Wormer (vanaf 2,50 meter -NAP). De bovenste vullingen bestaan uit zwak tot matig siltige klei en deze gaan vervolgens over in een zandig pakket. Aan de hand van de verschillende boringen die in het DINO-loket bekend zijn, voorspelt een Appelboormodel binnen het plangebied dat deze inderdaad is gelegen op een inversierug waar de zandige geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren tot grote diepte reiken en direct op het pleistocene dekzand (vanaf ongeveer 30,0 meter beneden maaiveld) zijn gelegen, daar het Hollandveen en de afzettingen van de Wormer geheel zijn geërodeerd.
Figuur 7 Uitsnede van de Bodemkaart. Bron: Bazen 1987..
Bodem Op de Bodemkaart van Nederland (figuur 7) ligt het plangebied in een bebouwd gebied en kon om deze reden niet gekarteerd worden. Echter, als naar de wijdere omgeving rondom het dorp Wemeldinge wordt gekeken, bestaan er wel een vermoeden tot welke zone het terrein zou kunnen behoren. Er bestaan drie mogelijkheden: 1.
Het gebied met code Mn25C duidt kalkarme poldervaaggronden aan die zijn ontwikkeld in zware zavel.
2.
De zone met code MN15C duidt eveneens op kalkarme poldervaaggronden, maar is daarentegen ontwikkeld in lichte zavel.
3.
Gronden met de code Mn15A zijn kalkrijke poldervaaggronden met lichte zavel.
20
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen. Deze zijn ingedeeld naar diepte en seizoen. In alle drie de zones komt een grondwatertrap VI voor. Dit houdt in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand in de winter tussen de 40 en 80 centimeter beneden maaiveld ligt. In de warmere maanden is de gemiddeld laagste grondwaterstand beneden de 1,20 meter onder het maaiveld. In dit geval betekent een grondwatertrap VI dat de bodem goed ontwaterd is. Geomorfologie Net als op de Bodemkaart, ligt het plangebied op de Geomorfologische Kaart van Nederland eveneens in een ongekarteerd gebied (figuur 8). Rondom het dorp komen twee zones voor die in aanmerking komen voor het te onderzoeken terrein aan het Dorpsplein: de getij-inversierug (code 3K33) en de welvingen in de getijafzettingen (code 3L20). Hoogstwaarschijnlijk kan het plangebied tot de eerste optie gerekend worden.
Figuur 8 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus & De Lange 1986.
Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in het plangebied en de omgeving (figuur 9). De zojuist geschetste geo(morfo)logische situatie kan aan de hand van deze kaart worden geïllustreerd. Het plangebied ligt op een hoger gelegen gedeelte van het landschap, namelijk de kreekrug. Op de brede inversierug zijn nog de smalle meanderende restgeulen en zijkreekjes waar te nemen als smalle depressies van wat eens onderdeel uitmaakte van een grote getijdengeul.
21
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Binnen het plangebied fluctueert de maaiveldhoogte tussen 1,20 meter +NAP in het zuidelijke deel en 0,50 meter +NAP geheel in het noorden. In de wijdere omgeving van het terrein, eveneens gelegen binnen het centrale deel van de geulrug, schommelt de hoogte tussen 1,20 en 0,70 meter +NAP. Richting het westen en zuidwesten gaat het gebied over in een lager gelegen vlakte tot 1,0 meter -NAP. In oostelijke richting wordt de hoger gelegen rug doorsneden door het Kanaal van Zuid-Beveland dat in de 2e helft van de 19e eeuw is uitgegraven.
Figuur 9 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM).
Met name op figuur 9 is een sterk contrast te zien tussen de laaggelegen zones (aangegeven met blauwe kleurtinten), de hoger gelegen inversierug (geel tot oranje kleurtinten) en de sterk in kleur afstekende dijken (rood). Geheel ten noorden, waar het dorp grenst aan de Oosterschelde, ligt de zeedijk (zie ook 2.3), die bijna 7 meter boven NAP uitsteekt, en daarvoor de smallere inlaagdijkjes. Deze wordt doorbroken door een klein jachthaventje en een nieuwe tijds kanaal dat richting het zuiden loopt en diens flanken worden omgeven door meerdere dijken (tot circa 5,0 meter +NAP). Figuur 10 geeft een meer gedetailleerd beeld weer van de omgeving van het plangebied. Zo kleurt de nabijgelegen Dorpsstraat donkerrood (tot 3,0 meter +NAP). Deze bijna 500 meter lange strook was eens een middeleeuws opgeworpen hoogte die diende ter afdamming van een restkreek (zie 2.3). Ten westen hiervan is een perfect ronde verhoging te zien (circa 10 meter +NAP). Dit is een van de vele bergjes (mottes en/of vliedbergen) die in dit gebied hebben gelegen. Een groot deel ervan is vandaag de dag verdwenen door afgraving en nivellering van de gronden.
22
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 10 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM).
Samenvattend mag nu wel duidelijk blijken dat het plangebied op een natuurlijke verhoging van een inversierug in het landschap is gelegen. De rug loopt vanuit Biezelinge in Zuid-Beveland tot in het noorden van het eiland, waar deze bij Wemeldinge eindigt in de Oosterschelde. De geulafzettingen kunnen ter plaatse wel tot 30 meter diep onder het maaiveld reiken waar het veen en de afzettingen van het Laagpakket van Wormer geheel zijn verdwenen en enkel het dekzand nog is overgebleven.
23
ARTEFACT RAPPORT 732
2.3
Historie
2.3.1
Historisch-geografische ontwikkeling
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Om de historische en geografische ligging en ontwikkeling van het dorp Wemeldinge te kunnen begrijpen, zal terug moeten worden gegaan naar de Romeinse Tijd. Na een betrekkelijk rustige periode in de eerste drie eeuwen van onze jaartelling, werd de zee in de Laat Romeinse Tijd weer actief. Zeeland kwam grotendeels onder water te staan in wat in de literatuur ook wel bekend staat als de Duinkerke II-transgressiefase. Vandaag de dag worden deze mariene afzettingen ook wel gerekend tot het Laagpakket van Walcheren. Het water wist zich een weg te banen doorheen het landschap en schuurde daarbij bestaande watergangen, waarvan het ontstaan van enkele al tot in de Romeinse Tijd teruggaat, maar ook nieuwe geulen- en krekensystemen uit. De kracht waarmee het water het land teisterde zorgde ervoor dat zeker in de grote en brede geulen het onderliggende veen en de klei- en zandpakketten eronder, behorende tot het Laagpakket van Wormer, geheel of grotendeels erodeerden. Na verloop van tijd verzandden de kreken en geulen. Deze zogenaamde kreek- of geulruggen kwamen hoger te liggen dan hun omgeving, want daar waar nog wel veel aanwezig was in de bodem, klonk deze in door het gewicht van de mariene afzettingen. Het zijn deze inversieruggen die met name aantrekkelijk werden voor bewoning in de Vroege Middeleeuwen.
Op Zuid-Beveland zijn er twee zulke ruggen bekend: Biezelinge – Wemeldinge en Kapelle – Kloetinge (figuur 11). De inversierug van Biezelinge-Wemeldinge had een totale breedte van circa 1500 meter.19
Figuur 11 De Brede Watering Bewesten Yerseke met aanduiding van de kreekruggen (ongearceerde zones). Bron: Dekker, 1971, 21.
19 Dekker 1971, 17, 19-20.
24
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Het is mogelijk dat het ontstaan van Wemeldinge al gezocht kan worden in de 10 e eeuw. Echter wordt de bewoning archeologisch pas een eeuw later grijpbaar. Het is vanaf deze periode dat twee grote stormvloeden van grote invloed zijn op het gebied wat vandaag de dag gekend is als Zuid-Beveland. De eerste catastrofe speelt zich af in het jaar 1014. De gebieden tussen het huidige Middelburg en ’s-Heer Arendskerke en rond Heinkenszand, Ovezande en ’sHeerenhoek kwamen onder water te staan. Vanuit het noordwesten drong het water opnieuw het land binnen en de nog niet compleet verlande geulen werden opnieuw uitgesleten en vormde wat men later de Zwake is gaan noemen. Ten noorden hiervan lag de oude kern van Zuid-Beveland en ten zuiden bleven enkel de eilanden Borsele, Oudelande en Baarland over. Ook de oude kreekruggen, die in de Vroege Middeleeuwen zijn ontstaan, werden wederom ten dele watervoerend. Na deze stormvloed is men overgegaan tot het lokaal opwerpen van kleine dijkjes, dammen en kunstmatige (woon)hoogten.20 De restgeul die vanuit het zuiden vanaf Biezelinge geheel naar het noorden in richting Wemeldinge liep en tussen de verschillende plaatsen de namen Molenwater, Tieringe en Cutsee/Cutzee droeg (figuur 11), werd op twee plaatsen afgedamd: in Biezelinge waar nu de Hoofdstraat is gelegen en ter plaatse van wat de huidige Dorpsstraat vormt in Wemeldinge.
De dam in Wemeldinge kan met name op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (figuur 10) nog goed worden waargenomen, daar de Dorpsstraat beduidend hoger ligt dan zijn omgeving. De restgeul zelf is vandaag de dag niet meer in het landschap te herkennen, maar wel als een lager gelegen zone op de hoogtekaart (figuur 9). 21 De aanleg van de dam in Biezelinge in de 11e eeuw kon worden aangetoond met een archeologisch onderzoek aan het Marktplein. In de dam werd een afvalkuil aangetroffen met 11e eeuws aardewerk.22 Een dergelijk onderzoek in de diepere lagen van de dam te Wemeldinge is nog niet uitgevoerd. Het enige wat bekend is zijn de enkele Pingsdorfscherven gevonden aan de zuidzijde ervan. 23 Daar de dam echter niet in de latere ringdijk van Zuid-Beveland, zie onder, is opgenomen, lijkt een oudere datering meer voor de hand liggend, aangezien de ringdijk de geul geheel ten noorden van Wemeldinge eveneens heeft afgedamd.
Figuur 12 Kaart met de situatie na 1134 met aanduiding van de dijkaanleg na deze periode. Bron: Dekker 1971, 100.
20 Dekker 1971, 86-91; Dekker 2007, 11. 21 Dekker 1971, 21-22, 90; Dekker 2002, 27; Dekker 2007, 11. 22 Jongepier 2010, 23-26. 23 Dekker 2002, 27; Dekker 2007, 12.
25
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
De tweede belangrijke stormvloed vond iets meer dan een eeuw later plaats, namelijk in 1134. Opnieuw werden grote gebieden geïnundeerd. Ten westen van Kattendijke vond een dijkdoorbraak plaats en een brede kreek drong zo het land binnen. Deze watergang, ook wel de Wijtvliet genoemd, splitste zich in vele zijtakken, onder andere de Korte Wijtvliet die zich verbond met de Cutsee en deze opnieuw van water voorzag (figuur 12). 24 Naast het oosten van ZuidBeveland, kwamen ook delen ten westen van Goes, ten oosten van Heinkenszand en verschillende gebieden in de Zak van Zuid-Beveland onder water te staan.25 Na de ramp van 1134 heeft men ingezien dat het lokaal opwerpen van enkele kunstmatige hoogten niet voldoende bescherming bood tegen de zee. Mede ook dankzij de bevolkingstoename en de voortschrijdende technologische kennis, is men overgegaan op een nieuwe bedijkingsstrategie. Het was niet langer een lokaal en individualistisch ondernemen, maar nu was het de gemeenschap die zich op de aanleg van de dijken ging richten. Deze systematische bedijking was in het begin defensief van aard, waarbij land dat ten tijde van de stormvloed verloren is gegaan, werd teruggewonnen op de zee. Deze aanpak zette zich tot begin van de 13 e eeuw voort. Pas vanaf de tweede helft van de 13e eeuw is men overgegaan op een offensieve strategie, toen ook nieuwe gebieden werden ingepolderd.
26 Tussen Wemeldinge en Goes kwamen verschillende nieuwe polders tot stand die tot de defensieve aanpak gerekend kunnen worden. De herovering van het verloren land vond in verschillende fasen plaats waarbij stap voor stap de inbraakkreek nabij Kattendijke werd afgedamd. Ten zuidwesten van Wemeldinge kwam eerst de Kapellepolder (figuur 12) tot stand die bescherming bood tegen het verder doordringen van het water van de Wijtvliet. Vervolgens is men ten noorden van Wemeldinge begonnen met het aanleggen van een dijk richting het zuiden naar de Kapellepolder, waarbij de Korte Wijtvliet werd afgedamd door wat later de naam Evendamme kreeg. De Merkendijk en de Schoudijk ten westen hiervan sneden eveneens enkele zijkreken van de hoofdstroom af, zodat de Oude Polder ontstond. Daarna zijn achtereenvolgens de Polder van Kattendijke, de Kloetingse Polder en de Goese Polder gecreëerd. Met de aanleg van de Kloetingse Polder werd de inbraakkreek voorgoed van de zee afgesloten. 27 De zeedijk die tot stand is gekomen ten noorden van al deze polders, werd opgenomen in een zogenaamde ringdijk die het ontstaan van een van de oudste en grootste polders van Zeeland tot stand heeft gebracht: de Brede Watering Bewesten Yerseke. Deze ca.