2025-02a D24.318233 ontwerpbestemmingsplan Dorpsplein 6-8 ontwerpbestemmingsplan Dorpsplein 6-8
Tekst van het document
Cartografisch gezien is er geen enkele aanwijzing dat binnen het plangebied bebouwing heeft gestaan. Het is tot de tweede helft van de 20e eeuw in gebruik geweest als landbouwgrond, met name als boomgaard. De verwachting voor de Nieuwe Tijd is dan ook als laag te beschouwen.
50
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1
Methoden
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO-O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak.51 Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan- of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen
4 (boorpuntenkaart figuur 26)
Grid
Zoveel mogelijk verspreid over het plangebied, rekening houdend met de in de bodem aanwezig kabels en leidingen, de ligging van oudere perceelsgreppels uit de Nieuwe Tijd, de huidige bebouwing van het plangebied en de toekomstige planvorming van het terrein. Volgens de provinciale richtlijn van 8 boringen per ha met een minimum van 4 boringen voor plangebieden kleiner dan 5.000 m2
Dichtheid Plaats- en hoogtebepaling
RTK-GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2 cm)
Boorgegevens
Digitaal vastgelegd op iPad
Gebruikte codelijsten - standaard
(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)
Boordiepte
Tot in de geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren: maximaal 4,00 meter -mv / 3,67 meter -NAP
Gehanteerde boor
Edelmanboor (Ø 7 cm tot circa 1,0 m -mv), Gutsboor (Ø 3 cm)
Opsporen indicatoren
In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen
Monstername
Geen
Oppervlaktekartering
Geen
Het plangebied is kleiner dan 5.000 vierkante meter, wat inhoudt dat minimaal 4 boringen gezet diende te worden. Vanwege onvoorziene obstakels binnen het terrein, moesten twee boringen worden verplaatst. Zo werd boring 4 drie meter naar het zuidoosten verschoven en boring 2 circa 9 meter richting het zuiden. Daarbij dient opgemerkt te worden dat laatste niet tot de juiste diepte doorgezet kon worden, daar de boring stuitte op vermalen beton. Vanwege de weinige alternatieven van een verdere opschuiving van de boring, in verband met de aanwezige kabels en leidingen in de bodem en de verstoringen van de plaatsing van de tanks van het tankstation, moest deze worden gestaakt. Tijdens het beschrijven van de boringen is specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: ⎯ de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment
51 Winterswijk, D.G. & Wattenberghe, J.E.M., 2022. Plan van Aanpak Wemeldinge Dorpsplein 6-8. Gemeente Kapelle.
Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Artefact, Zaamslag.
51
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
⎯ aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) ⎯ de genese van de laag ⎯ bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.) ⎯ de diepteligging van het reductievlak De boorpunten worden afgebeeld op figuur 26, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 5.
Figuur 26 Boorpuntenkaart. Bron ondergrond: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022.
3.2
Geologie en bodem
De boringen zijn tot maximaal 4,0 meter beneden maaiveld gezet. Hollandveen of afzettingen van het Laagpakket van Wormer zijn niet waargenomen en zijn volledig weggeslagen door de geul. Van de natuurlijke afzettingen zal hieronder daarom enkel het Laagpakket van Walcheren worden besproken. Jonge getijdenlandschap – Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk In de boringen 1, 3 en 4 werden de natuurlijke afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangetroffen. In boring 1 en 3 bevonden deze zich op een diepte tussen 1,10 en 1,20 meter beneden maaiveld (0,13 - 0,87 meter -NAP). In de vierde boring lag het pakket al iets hoger gesitueerd vanaf 0,70 meter beneden maaiveld (0,15 meter +NAP). Over het algemeen konden de zandige afzettingen worden beschreven als zwak siltig, donkergrijs van kleur en waarin dunne
52
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
kleilagen werden herkend. In de boringen 3 en 4 bevond zich hierboven ook nog een matig siltige zandlaag die eveneens tot dezelfde formatie kan worden gerekend. In boring 3 was deze laag 1,65 meter dik, licht bruingrijs van kleur en met vele roestvlekken. In de laatste boring heeft deze een donker blauwgrijze kleur en is 80 centimeter dik. Alle ongestoorde natuurlijke afzettingen van het Laagpakket van Walcheren waren als kalkrijk te omschrijven. Antropogeen Tijdens het veldonderzoek werden verschillende antropogene lagen vastgesteld. In de eerste boring, gezet in een groenstrook geheel ten noorden van het plangebied, werden een opgebracht pakket herkend. Deze werd onderscheiden in twee lagen. De bovenste 40 centimeter (tot 0,07 meter -NAP) bestond uit donkerbruine sterk zandige klei en was tevens lichtelijk humeus. Daaronder bevond zich een 20 centimeter dikke laag (tot 0,27 meter -NAP) met een eveneens sterk zandige kleitextuur, maar met een eerder grijsbruine kleur. In beide lagen werden kiezels aangetroffen. Op de Waterschapskaart uit 1762 (figuur) staan op de hoek met het Dorpsplein en de Wilhelminstraat enkele gebouwen weergegeven. Dit stuk grond is ook vandaag de dag nog bebouwd. Wellicht kunnen de kiezelrijke ophooglagen in verband worden gebracht met verharding bij het boerenerf dat hier ten westen van het plangebied heeft gestaan in de Nieuwe Tijd.
Zowel in boring 3, als ook in boring 4, werd een sterk zandige kleilaag aangeboord. Deze was donkerbruin van kleur en zwak humeus met inclusies van rode puinspikkels. Dit kleipakket was circa 30 centimeter dik en leek redelijk homogeen te zijn. In boring 3 bevond deze zich op een diepte tussen 0,75 en 1,10 meter beneden maaiveld (0,22 meter +NAP tot 0,13 meter -NAP) en in de laatste boring tussen 0,40 en 0,70 meter beneden maaiveld (0,45 – 0,15 meter +NAP). Het werd als een mogelijk oude akkerlaag geïnterpreteerd. Aan de hand van de historische bronnen is naar voren gekomen dat het terrein enige tijd in gebruik is geweest als boomgaard, maar ook daarvoor heeft het altijd buiten de dorpskern gelegen in agrarisch gebied.. In de boringen 2, 3 en 4 zijn vanaf het maaiveld eveneens ophooglagen waargenomen, maar dan van recente aard. Dit gaat om bouwzand dat tot 0,40 en 0,95 meter beneden maaiveld is aangetroffen (0,45 meter +NAP – 0,13 meter -NAP). Enkel in boring 3 is daarbovenop nog een sterk zandige donkerbruine kleilaag gedocumenteerd. Daar deze boven het recente bouwzand is gelegen, kan niet anders geconcludeerd worden dat ook dit pakket een recente datering heeft. Tenslotte kan de verstoring in boring 2 nog worden vermeld. Op een diepte vanaf 0,95 meter beneden maaiveld (0,13 meter -NAP) is de boring gestuit op betonresten.
Deze staan wellicht in verband met de graafwerkzaamheden die zijn uitgevoerd met de plaatsing van de ondergrondse tanks van het benzinestation.
3.3
Archeologie
In boring 1 werden in het ophoogpakket meerdere kiezels vastgesteld tot op een diepte van 0,60 meter beneden maaiveld (0,27 meter -NAP). Dit was eveneens het geval in boring 3, maar naast kiezels werden in het bouwzand ook enkele rode puinbrokken waargenomen. In de zogenaamde oude akkerlaag, of wellicht ook ophooglaag, in boring 3 en 4 zaten kleine rode puinspikkels. Geen van de genoemde indicatoren werd als archeologisch relevant geacht en zijn om deze reden ook niet verzameld.
53
ARTEFACT RAPPORT 732
4
Conclusie en advies
4.1
Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens uit het bureauonderzoek werd een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen beantwoord en het verwachtingsmodel bijgesteld en verfijnd worden. ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? Binnen het gehele plangebied werden geulafzettingen vastgesteld die het Hollandveen en (minimaal de top van) de afzettingen van het Laagpakket van Wormer hebben weggeslagen. Bovenop de natuurlijke afzettingen was in twee boringen een oude akkerlaag aanwezig. De precieze datering van deze laag kan echter niet worden achterhaald. Dit geldt tevens voor het opgebrachte pakket in boring 1 dat mogelijk in verband staat met het (vroegere) boerenerf ten westen van het plangebied. Tenslotte werd dit geheel afgedekt met recent opgebracht bouwzand, met uitzondering van boring 1. ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Enkel in boring 2, geplaatst voor de voorgevels van de huizen met nummer 6 en 8 aan het Dorpsplein, zijn betonresten aangeboord op een diepte van 0,95 meter beneden maaiveld (0,13 meter -NAP). Deze verstoring houdt vermoedelijk verband met de plaatsing van de ondergrondse tanks van het benzinestation.
Ook op basis van de KLIC lijkt de verstoring door kabels en leidingen beperkt te zijn tot huisaansluitingen aan de westzijde van het plangebied. Binnen een groot deel van het plangebied kon niet worden geboord door de aanwezigheid van twee huizen, verschillende bijgebouwen, opslagplaatsen en bestrating door middel van betonplaten. Naast het tankstation, zijn er onder de loods op het achtererf van huisnummer 6 nog enkele ondergrondse tanks aanwezig waarvan de locatie bekend is. Ook dit stuk zal sterk vergraven zijn. Kruipruimtes en kelders zijn tot op heden niet bekend. Tot welke diepte de overige structuren voor verstoring in de bodem hebben gezorgd kan tot op heden niet exact worden gezegd. ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Binnen het plangebied werd een oude akkerlaag (vanaf 0,70 meter -mv/ 0,15 – 0,22 meter +NAP) met daarbovenop een opgebracht pakket vastgesteld. Vermoedelijk staan ze in verband met het vroegere agrarische gebruik van de gronden. In geen van de boringen werden echter aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van vindplaatsen.
⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er geen verwachting geldt op het aantreffen van archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd op de afzettingen van het Laagpakket van Wormer en het Hollandveen, aangezien deze lagen compleet zijn weggeslagen door de geul. De geulafzettingen reiken tot op grote diepte en de onderzijde van het Laagpakket van Walcheren kon met de boringen niet worden bereikt. De verwachting voor deze periodes kan worden gehandhaafd. Volgens de gemeentelijke Maatregelenkaart werd de verwachting voor het vinden van resten op het niveau van het Laagpakket van Walcheren hoog geacht. Aan de hand van de historische en archeologische bronnen werd dit voor de Late Middeleeuwen naar middelhoog en voor de Nieuwe Tijd zelfs tot een lage verwachting teruggeschroefd. Aan de 54
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
hand van het veldonderzoek kan die voor de Middeleeuwen tevens naar laag worden bijgesteld. Binnen het plangebied werden weliswaar een akkerlaag aangetroffen, maar er werden geen aanwijzingen aangetroffen die wijzen op het voorkomen van een vindplaats. Vuile (cultuur)lagen, (oude) ophogingen, indicatoren of andere aanwijzingen voor de aanwezigheid van een vindplaats ontbreken geheel. Samen met de verstoringen, de historische bekende gegevens en de in hoofdstuk 2.3.1 gedetailleerd geschetste ontwikkelingsgeschiedenis van het dorp kan gesteld worden dat de kans op het voorkomen van vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen laag is. ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Binnen het plangebied zal de huidige bebouwing worden gesloopt en worden vervangen door een nieuwe appartementencomplex met bijbehorende opslagplaatsen en tuin. Gezien de lage verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen, wordt de kans klein geacht dat bij de geplande werkzaamheden archeologische vindplaatsen zullen worden verstoord. ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd? Zie voor beantwoording van deze vraag hoofdstuk 4.2.
4.2
Advies
In bovenstaande hoofdstukken wordt het archeologisch potentieel binnen het plangebied geïllustreerd. Voor het volledige gebied geldt geen tot een lage verwachting op het aantreffen van archeologische vindplaatsen. Op basis van het verwachtingsmodel wordt de kans klein geacht dat binnen het onderzoeksgebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Archeologisch vervolgonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Omdat het geformuleerde advies betrekking heeft op het volledige onderzoeksgebied, is in het voorliggende rapport geen advieskaart opgenomen. Op basis van voorliggend onderzoek is het niet nodig in het nieuwe bestemmingsplan de dubbelbestemming waarde archeologie 1 op te nemen. Het is echter niet uit te sluiten dat, ondanks dat er geen vervolgonderzoek aanbevolen is bij graafwerkzaamheden, toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de toekomstige werkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016).
Om ervoor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Archeologie Ondanks dat er bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid.
55
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Lijst met figuren Figuur 1 Ligging van het plangebied in Nederland, schaal 1:40.000. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022. ....................................................................................................................................................... 7 Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart, schaal 1:2.000. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022. ........................................................................................................ 8 Figuur 3 Plangebied met aanduiding van de bestaande bebouwing waarop de nieuwbouw is geprojecteerd. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022. ............................................................................................... 12 Figuur 4 Paleografische ontwikkeling Zeeland. De blauwe stip duidt de ligging van het plangebied aan. Bron: Vos & De Vries 2013. . .......................................................................................................................................................... 12 Figuur 5 Uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland met in het rood de aanduiding van het plangebied. Bron: TNO-NITG 2010. . ......................................................................................................................................................
18 Figuur 6 Uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland met daarop de locatie van de in dit rapport gebruikte DINO-boringen. Bron: van Rummelen 1978 en DINO-loket. ....................................................................................... 19 Figuur 7 Uitsnede van de Bodemkaart. Bron: Bazen 1987. . ...................................................................................... 20 Figuur 8 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus & De Lange 1986. .......................................................................................................................................................... 21 Figuur 9 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM). . ........................................................................................................... 22 Figuur 10 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM). . ............................................................................................................ 23 Figuur 11 De Brede Watering Bewesten Yerseke met aanduiding van de kreekruggen (ongearceerde zones). Bron: Dekker 1971, 21.
........................................................................................................................................................ 24 Figuur 12 Kaart met de situatie na 1134 met aanduiding van de dijkaanleg na deze periode. Bron: Dekker 1971, 100. ..................................................................................................................................................................................25 Figuur 13 De 11e en 12e eeuwse dijken en dammen rondom Wemeldinge. De zwarte lijn duidt het verloop van de Cutsee aan. Bron: Dekker 2007, 14. . .......................................................................................................................... 27 Figuur 14 Locatie van de bergjes in Wemeldinge op een uitsnede van de Topografische Kaart van Nederland. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022. .............................................................................................. 29 Figuur 15 Uitsnede van de kaart uit het Ostium Scaldis fluvii cum insulis quas efficit, door C. Sgrooten uit 1573. Plangebied is (bij benadering) aangegeven met een rode cirkel. Bron: Koninklijke Bibliotheek België. . ................ Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
Figuur 16 Globale ligging van het plangebied op een uitsnede van de Zelandiae comitatus nvoissima tabula, door Visscher en Roman, vervaardigd omstreeks 1655. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I nr. 95. .......................................................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Figuur 17 Globale ligging van het plangebied op een uitsnede van de Kaarte van het oostelyk gedeelte van Zuydbeveland, door D.W.C. Hattinga uit 1747-1748. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr. 126. . ............... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Figuur 18 Waterschapskaart uit 1762 met aanduiding van het plangebied in het rood. Bron: Gemeente Archief Goes, HTA, nr. 221. . ....................................................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Figuur 19 Uitsnede van de gedigitaliseerde Minuutplannen van de Kadastrale Kaart uit 1811-1832. Bron: Geoloket Zeeland. ............................................................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Figuur 20 Kaart van de Gemeente Wemeldinge van Hugo Suringar uit 1866. Aanduiding van de voormalige havens met een rode pijl. Bron: Zeeuws Archief, Beeldbank Kapelle, nr. 14-239. ..............
Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Figuur 21 Uitsneden van topografische (militaire kaarten uit 1850 tot 2005. Bron: ESRI Nederland/Kadaster. .......... 35 Figuur 22 Locatie ondergrondse tanks. Bron: Steenbergen 2020. Bron ondergrond: ESRI Nederland, Community Map Contributors. ..................................................................................................................................................... 36
56
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Figuur 23 Overzicht van de vondstlocaties, AMK-terreinen en eerder uitgevoerde onderzoeken. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron ondergrond: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022. .............................................. 38 Figuur 24 Uitsnede van een luchtfoto van 10 september 1944. Bron: WUR library ID 301066. ................................... 47 Figuur 25 Luchtfoto uit 1970. Bron: Atlas van Zeeland. . ........................................................................................... 47 Figuur 26 Boorpuntenkaart. Bron ondergrond: ESRI Nederland, Community Map Contributors, 2022. . ................ 53
57
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Bronnen Literatuur Bazen, M.A., 1987. Bodemkaart van Nederland schaal 1:50.000. Toelichting bij de kaartbladen 48 Oost Middelburg en 49 West Bergen op Zoom, Wageningen, Stichting voor Bodemkartering. Brus, D.J., en de Lange, G.W., 1986. Geomorfologische Kaart van Nederland, kaartblad 48 (gedeeltelijke) – 42 (gedeeltelijk – 47 (gedeeltelijk Middelburg – Zierikzee – Cadzand, Schaal 1:50.000. Wageningen, Stichting voor Bodemkartering. Coen, I., 2008. De eeuwige Schelde? Ontstaan en ontwikkeling van de Schelde. Waterbouwkundig laboratorium 19332008, Vlaamse Overheid, s.I. Coppens, E., 2012. Programma van Eisen Wemeldinge Kerkweg 4-6, Zaamslag (niet gepubliceerd). Dekker, C., 1971. Zuid-Beveland. De historische geografie en instellingen van een Zeeuws-eiland in de Middeleeuwen, Assen. Dekker, C., 2002. Een schamele landstede. Geschiedenis van Goes tot aan de Satisfactie in 1577, Goes. Dekker, C., 2007. Een Zeeuws dorp in de Middeleeuwen. Wemeldinge voor het jaar 1600, Goes. Jongepier, H., 2010. Archeologisch onderzoek aan het Marktplein te Biezelinge, in: De Spuije 79, 20-26. Kruisheer, J.G., 1986. Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299. Deel II 1222 tot 1256, Assen/Maastricht. Kuipers, J.J.B., 2004. Sluimerend in Slik. Verdronken dorpen en verdronken land in zuidwest Nederland, Middelburg.
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1, 19 februari 2018, Stichting Infrastructuur en Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Philipse, C., 1966. Wemeldinge, in: Zeeuws Tijdschrift 2, 85-86. Provinciaal Blad van Zeeland, nr. 8080, 2019. Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 10 december 2019, kenmerk 19434306, houdende vaststelling regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. Provincie Zeeland, 2017: Wie wat bewaart, die heeft wat. Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020. Middelburg. Steenbergen, A.P.L.A.M., 2020. Verkennend Bodemonderzoek. Locatie Dorpsplein 6, Wemeldinge, Heinkenszand. Van Doesburg, J., van Kregten, F., en van Rooijen, C., 2006. Waarom op Beveland vroeger de weilanden ongelijk lagen. Waardestellend archeologisch onderzoek (2004/2005) naar een vliedberg in ’s-Heer Arendskerke, provincie Zeeland, Amersfoort. Van Driel, L. en Steketee, A., 1995. Zeeuwse Plaatsnamen. Van Aardenburg tot Zonnemaire, Vlissingen. Van Heeringen, R.M. e.a., 2007. Monumenten van aarde. Beeldcatalogus van de Zeeuwse bergjes, Koudekerke. Van Rummelen, F.F.F.E., 1978. Geologische Kaart van Nederland, Beveland, 1:50.000. Rijks Geologische Dienst, Haarlem.
58
ARTEFACT RAPPORT 732
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Van Rummelen, F.F.F.E., 1978. Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland, Beveland, 1:50.000. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Van Ysseldijk, W.E.P., 1968. De geschiedenis van Kapelle (Z.-B.) (Kapelle, Biezelinge, Eversdijk, Schore), Amsterdam. Vlam, A.W., 1946. Bijdragen tot de geschiedenis van de Schelde. Archief, 1944-1945, pp. 32-50. Vos, P.C. en R.M. van Heeringen, 1997. Holocene geology and occupation history of the province of Zeeland (SW Netherlands), in: M.M. Fischer, Holocene evolutions of Zeeland (SW Netherlands), Mededelingen Nederlands Instituut voor Toegapaste Geowetenschappen TNO, 59, 5-109. Vos, P. en S. de Vries, 2018. Palaeogeografische kaarten van Nederland. Deltares, Utrecht. Op 22 september 2022 gedownload van www.cultureelerfgoed.nl. Wilderom, M.H., 1968. Tussen Afsluitdammen en Deltadijken, deel III Midden-Zeeland (Walcheren en Zuid-Beveland), Middelburg.
Websites Actueel Hoogtebestand Nederland: pdok.nl Archis: archis.cultureelerfgoed.nl Atlas van Zeeland: https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland Bestemmingsplan: http://www.ruimtelijkeplannen.nl Bodemloket: www.bodemloket.nl Bodemrapportages Zeeland: https://zeeland.nazca4u.nl/Rapportage/ Cultuurhistorische Hoofdstructuur: http://zldgwb.zeeland.nl/gwbh5/?Viewer=Cultuur%20Historie DINO-loket: www.dinoloket.nl ESRI Nederland: beeldmateriaal.nl Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME): www.ikme.nl Krantenbank Zeeland: https://krantenbankzeeland.nl Zeeuws Archief: https://www.zeeuwsarchief.nl
59
ARTEFACT RAPPORT 732
Bijlage 1
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
AMZ-cyclus
De KNA processen in relatie tot de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Bron: SIKB, Protocol 4001, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018:p.4
ARTEFACT RAPPORT 732
Bijlage 2
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Verklarende woordenlijst en afkortingen
Afkortingen - mv
beneden maaiveld
KNA
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
n. Chr.
na Christus
NAP
Nieuw Amsterdams Peil
v. Chr.
voor Christus
Woordenlijst Antropogeen
door menselijk handelen
ARCHIS
het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Dit bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen, daterend van de Prehistorie tot de Nieuwe Tijd
Erosie
verzamelnaam voor processen die het aardoppervlak aantasten en los materiaal afvoeren. Dit vindt voornamelijk plaats door wind, ijs en stromend water
Geul
rivier- of kreekbedding
Holoceen
geologisch tijdvak, vroeger Alluvium genoemd, binnen het Quartair, van ongeveer 10.000 jaar geleden tot nu, met daarin o.a. het Mesolithicum, Neolithicum, de Bronstijd, de IJzertijd, de Romeinse Tijd en de historische tijd
In situ
bewaard gebleven op de oorspronkelijke plaats. Dit met name met betrekking tot onverstoorde archeologische sporen en vondsten
Moernering
veenafgraving, hoofdzakelijk ten behoeve van zoutwinning en de winning van brandstof
OM-nummer
het landelijk registratienummer ten behoeve van archeologisch onderzoek, uitgegeven door het Centraal Informatiesysteem
Podzol
bodemtype dat voorkomt in dekzandafzettingen. Indien intact, bestaat een podzolbodem uit achtereenvolgens een aanrijklaag (A-horizont), een bleke uitspoelingslaag (E-horizont), en een inspoelingslaag (B-horizont). De moederbodem, waarop geen bodemvormende processen invloed hebben gehad, duidt men aan als de C-horizont
Sediment
afzetting gevormd door bezinksel of neerslag
Site
een plaats waar in het verleden menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden
Vindplaats
een ruimtelijk begrensd gebied waarbinnen zich archeologische informatie bevindt (monument, type monument, aard archeologische waarde, archeologische indicatie)
Vondst
alle soorten mobilia: roerende of roerend geraakte onderdelen van onroerende goederen afkomstig van archeologisch veldwerk of uit bestaande collecties
ARTEFACT RAPPORT 732
Bijlage 3
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Tijdstabel
ARTEFACT RAPPORT 732
ARCHEOLOGISCHE PERIODEN ZEELAND (Bron: van Dierendonck 2016) BP = Before Present (14C-datering ijkmoment 1950) Paleolithicum: tot 8800 v. Chr. Paleolithicum vroeg: tot 300000 BP Paleolithicum midden: 300000 BP-35000 BP Paleolithicum laat: 35000 BP 8800 v. Chr. Paleolithicum laat A: 35000 BP-18000 BP Paleolithicum laat B: 18000 BP-8800 v. Chr. Mesolithicum: 8800-4900 v. Chr. Mesolithicum vroeg: 8800-7100 v. Chr. Mesolithicum midden: 7100-6450 v. Chr. Mesolithicum laat: 6450-4900 v. Chr. Neolithicum: 5300-2000 v. Chr. Neolithicum vroeg: 5300-4200 v. Chr. Neolithicum vroeg A: 5300-4900 v. Chr. Neolithicum vroeg B: 4900-4200 v. Chr. Neolithicum midden: 4200-2850 v. Chr. Neolithicum midden A: 4200-3400 v. Chr. Neolithicum midden B: 3400-2850 v. Chr. Neolithicum laat: 2850-2000 v. Chr. Neolithicum laat A: 2850-2450 v. Chr. Neolithicum laat B: 2450-2000 v. Chr. Bronstijd: 2000-800 v. Chr. Bronstijd vroeg: 2000-1800 v. Chr. Bronstijd midden: 1800-1100 v. Chr. Bronstijd midden A: 1800-1500 v. Chr. Bronstijd midden B: 1500-1100 v. Chr. Bronstijd laat: 1100-800 v. Chr. IJzertijd: 800-20 v. Chr. IJzertijd vroeg: 800-500 v. Chr. IJzertijd midden: 500-200 v. Chr. IJzertijd laat: 200-20 v. Chr. Romeinse tijd: 20 v. Chr.-450 na Chr. Romeinse tijd vroeg: 20 v. Chr.-70 na Chr. Romeinse tijd vroeg A: 20 v. Chr.-25 na Chr. Romeinse tijd vroeg B: 25-70 na Chr. Romeinse tijd midden: 70-270 na Chr.
Romeinse tijd midden A: 70-150 na Chr. Romeinse tijd midden B: 150-270 na Chr. Romeinse tijd laat: 270-450 na Chr. Romeinse tijd laat A: 270-350 na Chr. Romeinse tijd laat B: 350-450 na Chr. Middeleeuwen: 450-1500 na Chr. Middeleeuwen vroeg: 450-1050 na Chr. Middeleeuwen vroeg A: 450-525 na Chr. Middeleeuwen vroeg B: 525-725 na Chr. (Merovingische tijd/periode) Middeleeuwen vroeg C: 725-900 na Chr. (Karolingische tijd/periode) Middeleeuwen vroeg D: 900-1050 na Chr. (Ottoonse tijd/periode) Middeleeuwen laat: 1050-1500 na Chr. Middeleeuwen laat A: 1050-1250 na Chr. Middeleeuwen laat B: 1250-1500 na Chr. Nieuwe tijd: 1500-heden Nieuwe tijd A: 1500-1650 na Chr. Nieuwe tijd B: 1650-1850 na Chr. Nieuwe tijd C: 1850–heden
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
ARTEFACT RAPPORT 732
Bijlage 4
WEMELDINGE DORPSPLEIN 6-8
Planvorming