CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-02b. D21.261642 vast te stellen bestemmingsplan Dijkversterking

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente KapelleBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan dijkversterking35.731 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Met de modellering zijn de effecten berekend van: - verplaatsen kwelsloot; - plaatsen van keerwanden; - graven nieuwe sloten; - compensatie van oppervlaktewater. Tijdens de werkzaamheden en tot 2 jaar na de werkzaamheden van de dijkversterking wordt het grondwater continue gemonitord.

Afbeelding 4.5 Overzicht meetraaien en peilbuizen Hansweert

57 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

De effecten op het grondwater door de dijkversterking worden hieronder per dijksectie beschreven en weergegeven. De effecten van de ingrepen zijn berekend in de modellering langs de vier meetraaien en geëxtrapoleerd op de ingrepen. De effecten zijn berekend voor de zomer- en wintersituatie, omdat de effecten kunnen verschillen per seizoen. Zo is de grondwaterstand gedurende de winter vaak hoger door effectief meer neerslag (neerslag-verdamping). Voor de weergave in de afbeeldingen per dijksectie is het grootste effect genomen. Het effect van het verhogen en verbreden van de binnenberm wordt kwalitatief beschreven. Landelijk gebied In afbeelding 4.6 zijn de grondwatereffecten voor het Landelijk gebied weergegeven. Het verplaatsen van de sloot heeft een duidelijk effect op de drainerende werking van het achterliggende perceel. De effecten tot orde grootte 0,05 meter grondwaterstand verandering zijn tot circa 110 meter berekend en de effecten tot orde grootte 0,1 meter grondwaterstand verandering zijn tot circa 90 meter berekend. Tussen de dijk en de teensloot heeft het verplaatsen van de teensloot een vernattend effect (stijging tot orde grootte 0,1 meter).

Afbeelding 4.6 Grondwatereffecten in de dijksectie Landelijk Gebied

Dorpsrand Zeedijk In de dijksectie Dorpsrand Zeedijk worden de volgende maatregelen uitgevoerd: - om de ruimte voor het verzwaren van de dijk te beperken, wordt een grondkerende keerwand geplaatst langs de dijk tot in het watervoerende pakket; - in de huidige situatie is er een (droge) geul aanwezig tussen de twee oppervlaktewaterplassen. In het ontwerp komt deze te vervallen door het ruimtebeslag van de dijk. De geul wordt in het noordelijk deel vervangen door een duiker en in het zuidelijk deel door een sloot met bodemdiepte van NAP -1,85 m; - de contour van de noordwestelijke plas wordt aangepast. Hierbij wordt een deel dat tegen de dijk aan ligt gedempt en ten noorden gecompenseerd; - ten zuidoosten wordt er een sloot aangelegd die is verbonden middels een duiker met de zuidelijke oppervlaktewaterplas; - de sloot tussen de dijk en de sportvelden in wordt verder landinwaarts geplaatst.

58 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Op afbeelding 4.7 zijn de effecten weergegeven van de aanpassingen in dijksectie Dorpsrand Zeedijk. Het aanbrengen van de keerwand heeft voor de dijk in de modellering een vernattend effect doordat water zich ophoopt achter de keerwand. Dit effect zal naar de zijkanten van de keerwand minder zijn. Het verplaatsen van de sloot langs de voetbalvelden zal eenzelfde effect hebben als de sloten in het landelijk gebied met een verlaging van orde grootte 0,05 meter tot circa 100 meter en een verlaging van orde grootte 0,1 meter tot circa 50 meter. Het plaatsen van de nieuwe sloten tussen de twee vijvers en het verplaatsen van de westelijke vijver heeft een drainerend effect. Een grondwaterstandverlaging van orde grootte 0,05 meter wordt tot circa 90 meter berekend en een grondwaterstandverlaging van orde grootte 0,1 meter tot circa 50 meter.

Afbeelding 4.7 Grondwatereffecten in dijksectie Dorpsrand Zeedijk

Dorpsrand Werfdijk en slibdepot In de dijksecties Dorpsrand Werfdijk en Slibdepot vinden relatief weinig aanpassingen plaats die invloed hebben op de grondwaterstand. Alleen langs een groot deel van Dorpsrand Werfdijk wordt een keerwand geplaatst. In afbeelding 4.8 zijn de effecten weergegeven voor de dijksecties Dorpsrand Werfdijk en Slibdepot. Het plaatsen van de keerwand heeft op de dijk zelf een grondwaterstand verhogend effect omdat het water wordt verhinderd naar het lagergelegen dorp te stromen. Naar de zijkanten van de keerwand zal deze vernatting afnemen. Achter de keerwand richting het dorp heeft dit juist een verdrogend effect doordat er minder grondwater van de dijk richting het dorp stroomt. In de dijksectie Dorpsrand Werfdijk zal het drainerende effect van de nieuwe sloot in dijksectie Dorpsrand Zeedijk ook nog merkbaar zijn met een grondwaterstandverlaging van orde grootte 0,05 meter tot circa 90 meter.

59 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Afbeelding 4.8 Grondwatereffecten voor dijksectie Dorpsrand Werfdijk

Kanaalzone In dijksectie Kanaalzone is de voornaamste ingreep het naar binnen plaatsen van de teensloot met gemiddeld 6 meter. Aan de zuidkant van Kanaalzone bevindt zich een oppervlaktewaterplas die gehandhaafd blijft. In afbeelding 4.9 zijn de grondwatereffecten weergegeven voor dijksectie Kanaalzone. Het verplaatsen van de sloot heeft nauwelijks effect op het grondwater. Er zal een verlaging van orde grootte 0,05 meter direct naast de nieuwe sloot optreden van het grondwater. Mede doordat het niveau tussen het slootpeil en grondwater nauwelijks verschilt.

60 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Afbeelding 4.9 Grondwatereffecten in dijksectie Kanaalzone

Oostelijke ontsluiting In afbeelding 4.10 is een luchtfoto en het ontwerp van de oostelijke ontsluiting weergegeven. In de bestaande situatie ligt ten oosten van de oostelijke ontsluiting een kwelsloot aan de onderkant van de dijk. Ten westen daarvan ligt een watergang langs de Westelijke Kanaalweg en de Kaai. Daarnaast ligt er een derde watergang tussen de Kaai en de Kanaalweg. In de huidige situatie wateren alle watergangen af via de watergang ten westen van de Kanaalweg die met duikers zijn verbonden. In de nieuwe situatie vervalt een deel van de kwelsloot langs de dijk. Deze wordt samen met de Scheldemond (straat parallel aan dijk) afgebogen naar het westen. De kwelsloot wordt opnieuw verbonden met het resterende deel van de kwelsloot middels een duiker. De watergang langs de Westelijke Kanaalweg en de Kaai wordt tevens via de nieuwe duiker met elkaar verbonden. Per saldo verdwijnt er evenveel lengte aan watergang als dat er teruggebracht wordt. Omdat in de bestaande situatie de afwatering geschiedt via de huidige watergangen en de duiker is het van belang dat tijdens de aanleg eerst de nieuwe watergangen en duikers worden aangelegd voordat de bestaande watergangen worden gedempt en duikers verwijderd. In de toekomstige situatie worden een aantal watergangen verschoven. Dit alles gebeurt binnen een bereik van circa 80 meter (oostelijke sloot langs Kaai tot kwelsloot).

Op de waterkwantiteit zal dit geen merkbaar effect hebben.

61 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Afbeelding 4.10 Links: luchtfoto oostelijke ontsluiting (bron: Google). Rechts: ontwerp nieuwe oostelijke ontsluiting

Beoordeling Langs een groot deel van de dijk wordt de binnenberm verhoogd en verbreed. Met het verhogen en verbreden van de binnenberm zal een hogere grondwaterstand in de binnenberm ontstaan door de grote afstand naar de kwelsloot. Hierdoor ontstaat een grotere (zoet)grondwaterstroming richting de kwelsloot. Er wordt hiervan geen merkbare invloed op de grondwaterkwantiteit achter de kwelsloot verwacht. Het model voor dijksectie Landelijk gebied laat zien dat de aanpassingen aan de kwelsloot invloed hebben op de achterliggende percelen. Betere ontwatering leidt tot een lagere grondwaterstand. Vanwege de huidige, hoge grondwaterstanden in Hansweert resulteert deze grondwaterstandverlaging niet tot negatieve effecten. De ingrepen in dijksectie Dorpsrand Zeedijk zorgen voornamelijk voor een daling van de grondwaterstand onder het dorp door de aanleg van een nieuwe kwelsloot en verplaatsen van oppervlaktewater richting het dorp. Deze geringe daling zal normaliter niet voor problemen zorgen. Met het aanbrengen van meer oppervlaktewater rond bebouwing wordt de grondwaterstand gestabiliseerd. Dit houdt in dat er minder grondwaterstandfluctuatie is, wat voor bebouwing positief is. De effecten in dijksectie Dorpsrand Werfdijk laat zien dat het plaatsen van de keerwand het afstromen van het grondwater in de dijk bemoeilijkt en zorgt voor een iets verdrogend effect.

Er wordt hierbij geen afgeleid effect op het huidige landgebruik verwacht. Het model voor dijksectie Kanaalzone laat zien dat de effecten voor de Kanaalzone zeer beperkt zijn en dat dit niet zorgt voor negatieve effecten. Maatregelen De aanpassingen in de verschillende dijksecties hebben met name een grondwaterstand verlagend effect. Vanwege de huidige, hoge grondwaterstanden in Hansweert resulteert deze grondwaterstand verlaging niet tot negatieve effecten. Mitigerende maatregelen zijn niet nodig. 4.2.2.3 Oppervlaktewaterkwantiteit binnendijks watersysteem Resultaten In de parkzone wordt de noordelijke vijver (visvijver) deels gedempt en ten noorden van de vijver teruggebracht. Deze ingreep heeft weinig tot geen hydrologisch effect. Daarnaast wordt in het dijkontwerp

62 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

een groot deel van de kwelsloot aan de binnenteen aangepast (Kanaalzone, Dorpsrand Zeedijk, Landelijk gebied). Het verplaatsen van de kwelsloot verandert niet veel aan de binnendijkse waterkwantiteit maar de kwel- en grondwaterstroming die met aanpassingen aan de kwelsloot worden gedaan wel. De oppervlaktewaterkwantiteit wijzigt als de kwelflux (het volume grondwater dat uittreed) wijzigt. Dit kan wijzigen bij de volgende ingrepen: - het verlengen van de binnenberm gaat gepaard met het naar achterplaatsen van de kwelsloot. Het naar achter plaatsen van de kwelsloot zorgt voor een langere kwelweg en daarmee een lagere stroomsnelheid van het kwelwater en daardoor in theorie een vermindering van de hoeveelheid kwelwater. De kwelsloot wordt circa 35 m verplaatst, dit leidt niet tot een merkbaar verschil in de kwelflux naar de kwelsloot; - op een drietal locaties worden damwanden geplaatst die waterkerend zijn (Dorpsrand Werfdijk, Dorpsrand Zeedijk, Landelijke gebied). Op deze locaties wordt een damwand (keerwand) in de bodem geplaatst voor de stabiliteit van het dijktalud. Het effect van deze damwand zal per locatie afhankelijk zijn op de mate van insnijding van het pleistocene zand: · van dijkpaal 258 tot dijkpaal 261,25 (Dorpsrand Werfdijk) ligt de bovenkant van het pleistocene zand op een diepte van tussen circa NAP -8 en -10 meter en loopt door tot minstens NAP -20 meter.

Hierdoor zal de damwand geen merkbaar effect hebben op de kwelstroming. Op de waterstroming kan de damwand plaatselijk wel effect hebben. Dit zal met name ter hoogte van het slibdepot (dijkpaal 258) zijn omdat hier het bovenste pakket betstaat uit een dikke zandlaag. Dit water zal met name bestaan uit neerslagwater uit het slibdepot. Toch is de verwachting dat de damwand ook hier geen merkbaar effect heeft op het volume van de kwelstroom naar het oppervlaktewater omdat het op locatie van het slibdepot om de damwand heen kan stromen; · van dijkpaal 264,5 tot dijkpaal 268 (Dorpsrand Zeezijk) ligt de bovenkant van het pleistocene zand op een diepte van tussen NAP -8 en -12 m en loopt door tot minstens NAP -20 meter. De damwand wordt niet overal tot deze diepte aangebracht. Hierdoor zal de damwand geen merkbaar effect hebben op de kwelstroming; · van dijkpaal 287,25 tot dijkpaal 287,75 (Landelijke gebied) ligt de bovenkant van het pleistocene zand op een diepte van circa NAP -6 meter en loopt door tot minstens NAP -20 meter. De damwand sluit een deel van het pleistocene zand af. Echter is bij deze diepte en lengte (circa 80 meter) geen merkbaar effect te verwachten op de kwelstroming; - met het verdiepen en verplaatsen van de kwelsloot wordt tijdelijk de bodemweerstand weggenomen. Deze bouwt zich langzaam weer op gedurende het in bedrijf zijn van de kwelsloot.

In het ontwerp wordt de kwelsloot niet systematisch verdiept maar weer op dezelfde diepte gemaakt als voorheen. Hierdoor worden voor deze aanpassing op lange termijn geen effecten verwacht. Beoordeling Het verplaatsen van de vijver zorgt niet voor een wezenlijke verandering in de oppervlaktewaterkwantiteit van het binnendijkse watersysteem. Ook het plaatsen van de damwanden en het plaatselijk verdiepen van de kwelsloot hebben geen merkbaar effect op de kwelstroom. Doordat er geen effecten zijn van de ingrepen op de oppervlaktewaterkwantiteit binnendijks hoeven geen maatregelen te worden genomen. 4.2.2.4 Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit Resultaten De lage ligging van het gebied in en rond Hansweert en de nabijheid van de Westerschelde zorgt dat de zoet-zoutgrens van het grondwater dicht aan het oppervlak ligt. De hierboven beschreven effecten op waterkwantiteit hebben daarom ook direct effect op de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit. Een verminderde aanvoer van kwelwater zorgt voor een verzoeting van de kwelsloot en vice versa. Wat een verzoetende werking heeft is het verhogen en verlengen van de binnenberm. Door deze verhoging wordt de grondwaterstand verhoogd in de binnenberm en ontstaat door het verschil met de kwelsloot meer stroming richting de sloot. Het verlengen zorgt voor een hogere (zoete) neerslag stroom.

Het gebied ten oosten van Hansweert is een hoger gelegen gebied. Langs de dijk is de maaiveldhoogte circa NAP +1,9 meter. De sloten voeren regenwater af. Met het aanleggen van nieuwe sloten voor de oostelijke ontsluiting is de bodemweerstand na aanleg lager dan bij een bestaande sloot met slib. Hierdoor kunnen

63 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

direct na aanleg de watergangen makkelijker gevoed worden met neerslag. Dit heeft geen merkbaar effect op de omgeving, vanwege het huidige landgebruik (grasland) en de goed onderhouden bestaande sloten. Beoordeling Het huidige ontwerp heeft geen effect op de kwelstroming. Doordat er geen effecten zijn van de ingrepen op de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit hoeven geen maatregelen te worden genomen. 4.2.2.5 Conclusie De effecten op grond- en oppervlaktewater zijn niet significant. De aanpassingen in de verschillende dijksecties hebben met name een grondwaterstand verlagend effect. Vanwege de huidige, hoge grondwaterstanden in Hansweert resulteert deze grondwaterstand verlaging niet tot negatieve effecten. Voor oppervlaktewaterkwantiteit geldt dat het verplaatsen van de vijver en kwelsloten geen merkbaar effect heeft op de oppervlaktewaterkwantiteit. Ook het plaatsen van de damwanden en het plaatselijk verdiepen van de kwelsloot hebben geen merkbaar effect hebben op de kwelstroom. De dijkversterking heeft geen negatieve effecten op de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit. Mitigerende maatregelen zijn niet aan de orde. Vanuit het aspect grond- en oppervlaktewater zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.3

Natuur

Om de effecten van de dijkversterking op natuur te bepalen heeft natuuronderzoek plaatsgevonden (zie bijlage II achtergrondrapport MER fase 2). Hierin is beschreven welke effecten de werkzaamheden die in het kader van de dijkversterking worden uitgevoerd hebben op beschermde soorten, Natuurnetwerk Zeeland (NNZ), houtopstanden en de Kaderrichtlijn Water (KRW). De effecten op Natura 2000-gebieden zijn separaat behandeld in een Voortoets Natura 2000 en nader uitgewerkt in een Passende Beoordeling (zie bijlage IV waarin tevens de conclusies uit de Voortoets zijn opgenomen). De effectbeoordeling heeft in beginsel betrekking op de aanlegfase van de dijkversterking. De nieuwe dijk leidt in de gebruiksfase doorgaans niet tot aanvullende effecten op beschermde natuurwaarden. Achtereenvolgens gaat deze paragraaf in op: - gebiedsbescherming; - soortenbescherming; - houtopstanden; - kaderrichtlijn water. Per deelthema wordt het toetsingskader, de onderzoeksresultaten en conclusie beschreven.

4.3.1

Gebiedsbescherming

Flora en fauna worden beschermd door de instandhouding van natuurgebieden met bijzonder of kwetsbare waarden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000-gebieden) en gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 4.3.1.1 Natura 2000-gebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet toe op het behoud en de versterking van de biodiversiteit. Op grond van artikel 2.7 en 2.8 van de Wnb geldt dat een bestemmingsplan alleen kan worden vastgesteld als met zekerheid blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast. Resultaten De dijk in Hansweert grenst direct aan het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden of ontwikkeling een significant gevolg hebben op de beschermde natuurwaarden in het

64 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

betreffende gebied. Daarom is een voortoets uitgevoerd om te bepalen of de geplande werkzaamheden gevolgen hebben op habitattypen en -soorten en broedvogel- en niet-broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoel voor het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe of een van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De voortoets concludeert dat significante gevolgen op de Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten zijn en dat een passende beoordeling opgesteld moet worden. Aanvullend is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de omvang en reikwijdte van de stikstofdepositie door de voorgenomen werkzaamheden. Uit de rekenresultaten blijkt dat de werkzaamheden leiden tot een te hoge stikstofdepositie op meerdere stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om die reden kunnen significante gevolgen door stikstofdepositie op voorhand niet worden uitgesloten. De instandhoudingsdoelstellingen waarvoor significante gevolgen niet direct kunnen worden uitgesloten zijn nader beoordeeld in een Passende Beoordeling. In onderstaande tabel zijn per Natura 2000-gebied de belangrijkste conclusies en mitigerende maatregelen volgend uit de passende beoordeling samengevat. Negatieve gevolgen op alle overige instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uitgesloten in de Voortoets.

Tabel 4.2 Conclusies effecten dijkversterking Hansweert op Natura 2000-gebieden N2000 gebied

Habitattype of -soorten

Effect dijkversterking

Significante gevolgen instandhoudingsdoelstelling

Westerschelde & Saeftinghe

H1130 Estuaria

Tijdelijk oppervlakteverlies in de aanlegfase

nee

H1330A Schorren en zilte graslanden

Stikstofdepositie

nee

Bontbekplevier

Tijdelijke verstoring in de aanlegfase

nee (mitigerende maatregelen: - fasering werkzaamheden - vogels ontmoedigen - afsluiten aangrenzend dijktraject - aanbieden alternatieve broedplaatsen)

Niet broedvogels (soorten bontbekplevier, bonte strandloper, drieteenstrandloper, fuut, groenpootruiter, kluut, middelste zaagbek, pijlstaart, rosse grutto, scholekster, steenloper, strandplevier, tureluur, wilde eend, zilverplevier en zwarte ruiter)

Verstoring rust- en slaagplaats en foerageergebied

nee (mitigerende maatregelen voor verstoring foerageergebied - afsluiten onderhoudspad)

H1310A Zilte pionierbegroeiingen

Stikstofdepositie

nee

H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks)

Stikstofdepositie

nee

H1330B Schorren en zilte graslanden (buitendijks)

Stikstofdepositie

nee

H1310A Zilte pionierbegroeiingen

Stikstofdepositie

nee

H1330B Schorren en zilte graslanden

Stikstofdepositie

nee

Oosterschelde

Yerseke en Kapelse Moer

Hieronder worden per Natura 2000-gebied de conclusies uit bovenstaande tabel nader toegelicht.

65 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

WESTERSCHELDE & SAEFTINGHE Habitattypen In dijkvak 5 en 7 worden tussen 2022 en 2025 twee losvoorzieningen aangelegd en gebruikt. Het realiseren van deze losvoorzieningen zorgt voor tijdelijk oppervlakte- en kwaliteitsverlies van het habitattype H1130 Estuaria. Tevens vindt er tijdelijke stikstofdepositie plaats in habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks). Kwaliteits- en oppervlakteverlies In totaal beslaan de loswallen 9.014 m2, slechts 0,003 % van het totale oppervlakte van H1130 Estuaria in de Westerschelde. Op de locatie waar de loswallen worden aangelegd is de kwaliteit van het habitattype niet van bijzondere waarde. Deze locaties zijn daarmee niet van essentieel belang voor de kwaliteit van (typische soorten van) het habitattype H1130. Het oppervlakteverlies is daarnaast kleiner dan 10 ha, de grenswaarde waar beneden het habitattype verwaarloosbaar aanwezig is. Ecologisch gezien zal er na verwijdering van de loswallen direct herstel plaatsvinden. Gezien de snelle hersteltijd is er geen sprake van een permanent kwaliteitsverlies als gevolg van de aanleg, gebruik en verwijdering van de loswallen. Uit de morfologische analyse blijkt dat de morfologische veranderingen als gevolg van de losvoorzieningen zeer beperkt zijn. Alle veranderingen zijn dusdanig klein dat deze in de buurt komen van de foutmarges van de studie.

In het licht van de dynamiek van het habitattype H1130 Estuaria in het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe, vallen alle veranderingen daarnaast in het niet. De veranderingen zijn zo beperkt dat na verwijdering van de loswallen, het gebied zich binnen enkele jaren weer in de oorspronkelijke situatie bevindt. Het tijdelijke oppervlakte- en kwaliteitsverlies heeft hiermee geen significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van H1130 Estuaria. Er resteert alleen een tijdelijk, negatief gevolg gedurende de aanlegfase en de (korte) hersteltijd. Dit tijdelijke negatieve gevolg is dusdanig klein, dat dit in cumulatie met andere projecten met negatieve gevolgen op H1130 Estuaria ook niet tot significante gevolgen leidt. Cumulatieve significante gevolgen van kwaliteits- en oppervlakteverlies op H1130 zijn ook uitgesloten. Stikstofdepositie Alleen op habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) vindt in Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe een relevante stikstofbijdrage plaats. De hoogste depositie op een met stikstof overbelast hexagoon met dit habitattype bedraagt 0,058 mol N/ha/jr. In dit hexagoon is echter slechts een paar vierkante meter van dit habitattype aanwezig.

Het oppervlak waar deze depositie op plaatsvindt is dusdanig klein, dat significant gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype en bruine kiekendief (die in theorie gebruik kan maken van dit habitattype) zijn uit te sluiten. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen wordt niet beperkt door de tijdelijke projectbijdrage. Dit tijdelijke negatieve gevolg is dusdanig klein, dat dit in cumulatie met andere projecten met negatieve gevolgen op H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) ook niet tot significante gevolgen leidt. Maatregelen zijn niet nodig. Broedvogels Het plangebied biedt alleen broedbiotoop voor de bontbekplevier. Van oppervlakteverlies van broedbiotoop is geen sprake, enkel van verstoring en mogelijk verandering in populatiedynamiek (sterfte). Verstoring en verandering in populatiedynamiek (sterfte) De werkzaamheden in het kader van de dijkversterking resulteren in tijdelijke verstoring in de aanlegfase (door mens en materieel) gedurende drie broedseizoenen. Als de werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden, is het gebied door (tijdelijke) verstoring niet meer beschikbaar vanaf het moment van de start van de werkzaamheden. In een ‘worstcase scenario’ betekent dit een afname van twee broedparen gedurende drie jaar.

Het tijdelijke verlies van twee broedparen leidt niet tot het niet meer behalen van het regiodoel van 105 paren, aangezien er de laatste jaren gemiddeld 136 paren in het Deltagebied broeden. Daarnaast is de soort redelijk mobiel en flexibel in de keuze van een broedplaats. Van significante gevolgen door verstoring is dan ook geen sprake. Wel moet voorkomen worden dat de werkzaamheden resulteren in verstoring van al broedende bontbekplevieren of vernietiging van nesten. Verstoring of vernietiging van nesten valt onder de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming.

66 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Mitigatie Fasering van de werkzaamheden/vogels ontmoedigen Werkzaamheden aan de dijk en het slibdepot ter hoogte van bekende broedplaatsen dienen uiterlijk 1 april aan te vangen of deze delen dienen op andere wijze verstoord te worden zodat broedgevallen worden voorkomen (bijvoorbeeld door verspreid over de dijk linten te laten wapperen zodat vogels afgeschrikt worden). Bij ‘voldoende onrust’ zullen de vogels elders een territorium vestigen. Op deze wijze wordt voorkomen dat er nesten of jongen verloren gaan. Afsluiten aangrenzend dijktraject en aanbieden alternatieve broedplaatsen Aanvullend wordt het onderhoudspad langs de westelijke dijk van de Kapellebank tijdens de gehele duur van de werkzaamheden (vier jaar) afgesloten voor recreatief medegebruik en werkverkeer voor de dijkversterking. Op dit traject wordt de rust gewaarborgd voor de bontbekplevier, waardoor vogels die in het plangebied ontmoedigd worden om te broeden, hier naartoe kunnen uitwijken. Op dit traject worden alternatieve broedplekken gecreëerd. Hiervoor worden op deze westelijke dijk van de Kapellebank, buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden, plekken met schone kokkelschelpen afgestrooid. Deze plekken liggen minimaal 100 m uit elkaar (in verband met territoriumgedrag in de broedtijd) en beslaan elk een oppervlak van 10 m2.

Het afsluiten van deze dijksectie in combinatie met het afstrooien van enkele plekjes met schelpen biedt alternatieve broedplaatsen voor de bontbekplevier. Ook voor andere vogelsoorten (foerageergebied, hoogwatervluchtplaats) biedt dit goede uitwijkmogelijkheden bieden. Het onderhavige dijktraject zal om veiligheidsredenen aannemelijk al worden afgesloten voor fietsers en wandelaars. Dit vereist een goede communicatie met gebruikers en aanwonenden, een degelijke en functionerende afsluiting en wellicht het ‘bewaken van de toegang’, zeker op drukke dagen. Niet-broedvogels Het plangebied en de omgeving bieden foerageergebied en/of rust- en slaapplaatsen voor een groot aantal aangewezen niet-broedvogelsoorten. Zestien daarvan zijn relevant geacht voor nadere Passende Beoordeling. Dat zijn de soorten bontbekplevier, bonte strandloper, drieteenstrandloper, fuut, groenpootruiter, kluut, middelste zaagbek, pijlstaart, rosse grutto, scholekster, steenloper, strandplevier, tureluur, wilde eend, zilverplevier en zwarte ruiter. Functie als hoogwatervluchtplaats (HVP) De weinige vogels die tijdens hoogwater verblijven op de dijk langs de Kapellebank kunnen uitwijken naar de strekdam of naar de Biezelingsche Ham, de oostelijke havendam van Hansweert of het westelijke deel van de dijk van de Kapellebank West.

Ook binnendijks op akkers overtijende vogels hebben ruimschoots uitwijkmogelijkheden. Vogels zijn namelijk erg flexibel in de keuze van een HVP, mede afhankelijk van wind, golven, expositie, verstoring. De enige hoogwatervluchtplaats van betekenis in het plangebied, ligt op de strekdam bij de werf Van der Straaten. De strekdam is belangrijk als HVP gedurende het winterhalfjaar. De dam blijft gedurende het winterhalfjaar functioneel als HVP. De verstoringscontour van 200 m ‘raakt’ alleen het uiterste puntje en de basis nabij de werf Van der Straaten. Piekgeluiden door storten van betonsteen voor de ringdijk van het slibdepot vinden alleen plaats in de (late) zomer, tussen half augustus en eind september conform werkplanning van de aannemer. In deze periode heeft het plangebied weinig tot geen functie als HVP (inclusief de strekdam). De piekgeluiden tussen half augustus en eind september hebben geen invloed de functionaliteit van de HVP voor steltlopers. De functie als hoogwatervluchtplaats wordt tijdens de dijkwerkzaamheden niet wezenlijk aangetast. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Echter, de vogels op de HVP profiteren ook van de mitigerende maatregel die is opgenomen voor de bontbekplevier. Het af te sluiten dijktraject doet namelijk dienst als alternatieve HVP om naar uit te wijken.

Negatieve gevolgen op de behoudsdoelstellingen van rust- en slaapplaatsen van niet-broedvogels door verstoring strekdam bij de werf Van der Straaten zijn uitgesloten.

67 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Functie voor foeragerende vogels Steltlopers Het enige foerageergebied van betekenis binnen het plangebied is de Kapellebank. Tijdens de dijkwerkzaamheden zal in ieder geval tijdens de werkzaamheden aan de dijkvakken 6 en 7 (drie jaar) de foerageerfunctie van de Kapellebank verminderen. Hierbij wordt uitgegaan van een geheel verstoorde strook van 200 meter (optische verstoring en monotoon geluid; piekgeluiden treden niet op). Een geheel verstoorde strook van 200 meter is tevens worstcase, aangezien niet altijd en overal in de dijkvakken tegelijkertijd gewerkt zal worden. Worstcase wordt rekening gehouden met (afhankelijk van het jaar van uitvoering) een verstoring van 34-47 % van het slik van de Kapellebank. De verstoring van dit deel van de Kapellebank als foerageergebied voor kwalificerende vogelsoorten gedurende de werkzaamheden, kan worden beschouwd als een significant negatief gevolg. Daarom zijn mitigerende maatregelen uitgewerkt. Het smalle slik langs de dijk tussen de Biezelingsche Ham en de Kapellebank en de werf Van der Straaten is van marginale betekenis. Er foerageren slechts geringe aantallen vogels.

De tijdelijke verstoring van deze slikken, het tijdelijke ruimtebeslag door de losvoorzieningen, de zeer kleine veranderingen in morfologie en het marginale ruimtebeslag op het slik bij de werf Van der Straaten hebben geen negatief gevolg op de behoudsdoelstellingen van steltlopers. Overige soorten De waarnemingen van fuut, middelste zaagbek en pijlstaart zijn eenmalige toevalstreffers van zeer geringe aantallen. De functie van het dijktraject voor deze soorten is verwaarloosbaar. Daarnaast hebben deze soorten in deze kleine aantallen voldoende uitwijkmogelijkheden. Negatieve gevolgen door verstoring op de behoudsdoelstellingen van deze soorten zijn uitgesloten. Conclusie Een negatief effect van de werkzaamheden op de instandhoudingsdoelstellingen (foerageergebied en rusten slaapplaatsen) van de niet-broedvogels bontbekplevier, bonte strandloper, drieteenstrandloper, fuut, groenpootruiter, kluut, middelste zaagbek, pijlstaart, rosse grutto, scholekster, steenloper, strandplevier, tureluur, wilde eend, zilverplevier en zwarte ruiter is, met inachtneming van de mitigerende maatregelen, uitgesloten. Mitigatie foerageergebied Het significante gevolg door verstoring van het slik van de Kapellebank als foerageergebied kan teniet worden gedaan door de volgende mitigerende maatregel, die generiek van toepassing is voor alle betrokken vogelsoorten.

Gedurende de gehele uitvoerfase van dijkversterking Hansweert (vier jaar) wordt het onderhoudspad langs de westelijke dijk van de Kapellebank afgesloten voor recreatief medegebruik en werkverkeer voor de dijkversterking. Het betreft een traject van ongeveer 775 m tussen de strekdam (einde van werkgebied Fase 1) en de aan te leggen loswal (DV7). Het traject laat ruimte over voor de aanleg van dijkopgangen vanaf de loswal DV7 naar binnendijks en vanaf binnendijks naar einde van werkgebied Fase 1, om het gebied te ontzien. Op dit traject wordt de rust gewaarborgd voor de niet-broedvogels om naartoe te kunnen uitwijken om te foerageren. Met deze maatregel ontstaat op dit traject minder verstoring dan in de huidige situatie waarmee het oppervlak aan onverstoord foerageergebied van de Kapellebank ordegrootte gelijkt blijft tijdens de werkzaamheden. Het onderhavige dijktraject zal om veiligheidsredenen aannemelijk al worden afgesloten voor fietsers en wandelaars. Dit vereist een goede communicatie met gebruikers en aanwonenden, een degelijke en functionerende afsluiting en wellicht het ‘bewaken van de toegang’, zeker op drukke dagen.

68 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

OOSTERSCHELDE In Natura 2000-gebied Oosterschelde is alleen sprake van stikstofdepositie als relevant effecttype op drie habitattypen. Habitattypen H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) De hoogste depositie op een met stikstof overbelast hexagoon met dit habitattype bedraagt 0,056 mol N/ha/jr. Door de aanwezigheid van zandhonger en verminderde dynamiek is een situatie ontstaan waarbij er nauwelijks kwalificerend habitattype aanwezig is. Daarnaast worden Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) incidenteel geïnundeerd bij hoogwater. Dit komt overeen met circa 571,4 mol N/ha per inundatie. Het is duidelijk dat de tijdelijke, kleine bijdrage van het project van 0,056 mol N/ha/jr daarmee vergeleken nihil is. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van behoud van kwaliteit en uitbreiding van oppervlakte wordt niet beperkt door de tijdelijke projectbijdrage. Dit tijdelijke negatieve gevolg is dusdanig klein, dat dit in cumulatie met andere projecten met negatieve gevolgen op H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) ook niet tot significante gevolgen leidt. Maatregelen zijn niet nodig. H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) De hoogste depositie op een met stikstof overbelast hexagoon met dit habitattype bedraagt 0,077 mol N/ha/jr. Er is essentiële zoute kwel aanwezig en langs de watergang is kweldergras aanwezig.

Dit geeft aan dat de relevante plantensoorten voor dit habitattypen zich op deze locatie kunnen vestigen. Stikstofdepositie is hier geen knelpunt. In het licht van de goede potenties voor aanwezigheid van kenmerkende zoutminnende plantensoorten leidt dit in geen enkel geval tot een verschuiving van het habitattype richting een minder heterogene vegetatie. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of het oppervlak niet af. In een deel van het gebied wordt daarnaast begraasd door runderen (regulier beheer). Voor het verwijderen van de tijdelijke bijdrage zou een rund op jaarbasis ongeveer 3 seconden per dag extra moeten grazen. Dit is dermate weinig, dat dit verwaarloosbaar is ten opzichte van de huidige beheerinspanning. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van behoud van kwaliteit oppervlakte wordt niet beperkt door de tijdelijke projectbijdrage. Significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype en de vogelsoorten die er in theorie gebruik van maken (broedvogels bruine kiekendief, bontbekplevier, strandplevier, visdief en niet-broedvogels scholekster, bontbekplevier, strandplevier, kievit en tureluur), zijn uit te sluiten. Dit tijdelijke negatieve gevolg is dusdanig klein, dat dit in cumulatie met andere projecten met negatieve gevolgen op H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) ook niet tot significante gevolgen leidt.

Maatregelen zijn niet nodig. H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) De hoogste depositie op een hexagoon met dit habitattype, is 0,056 mol N/ha/jr. Door de aanwezigheid van zandhonger en verminderde dynamiek is een situatie ontstaan waarbij er nauwelijks kwalificerend habitattype aanwezig is. Daarnaast worden H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) incidenteel geïnundeerd bij hoogwater. Dit komt overeen met circa 571,4 mol N/ha per inundatie. Het is duidelijk dat de tijdelijke, kleine bijdrage van het project van 0,056 mol N/ha/jr daarmee vergeleken nihil is. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van behoud van kwaliteit oppervlakte wordt niet beperkt door de tijdelijke projectbijdrage. Significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype en de vogelsoorten die er in theorie gebruik van maken (broedvogels bruine kiekendief, bontbekplevier, strandplevier, visdief en niet-broedvogels scholekster, bontbekplevier, strandplevier, kievit en tureluur), zijn uit te sluiten. Dit tijdelijke negatieve gevolg is dusdanig klein, dat dit in cumulatie met andere projecten met negatieve gevolgen op H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) ook niet tot significante gevolgen leidt. Maatregelen zijn niet nodig.

69 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

YERSEKE EN KAPELSE MOER In Natura 2000-gebied Yerseke en Kapelse Moer is alleen sprake van stikstofdepositie als relevant effecttype op twee habitattypen. Habitattypen Alleen op habitattypen H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) en H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) vindt in Natura 2000-gebied Yerseke en Kapelse Moer een relevante stikstofbijdrage plaats. De hoogste deposities op een met stikstof overbelast hexagoon met deze habitattype bedragen respectievelijk 0,65 mol/ha/jr en 0,21 mol N/ha/jr. H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) De hoogste depositie komt terecht op een hexagoon waar slechts een paar vierkante meter van dit habitattype aanwezig is. Het oppervlak waar deze depositie op plaatsvindt is dusdanig klein, dat significante gevolgen zijn uit te sluiten. De hoogste depositie op een hexagoon waar wel een relevant oppervlakte van dit habitattype aanwezig is, is 0,61 mol N/ha/jr. In het licht van de goede huidige kwaliteit en situatie (aanwezigheid van zoute kwel en kermerkende flora) leidt dit in geen enkel geval tot verruigende en/of verzurende werking die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Hierdoor neemt de kwaliteit van het habitattype of het oppervlak niet af. In een groot deel van het gebied wordt daarnaast begraasd door runderen (regulier beheer).

Voor het verwijderen van de tijdelijke bijdrage zou een rund op jaarbasis ongeveer 20 seconden per dag extra moeten grazen. Dit is dermate weinig, dat dit verwaarloosbaar is ten opzichte van de huidige beheerinspanning. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van behoud van kwaliteit en oppervlakte wordt niet beperkt door de tijdelijke projectbijdrage. Dit tijdelijke negatieve gevolg is dusdanig klein, dat dit in cumulatie met andere projecten met negatieve gevolgen op H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) ook niet tot significante gevolgen leidt. Maatregelen zijn niet nodig. H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) Er vindt maar op één met stikstof overbelast hexagoon depositie plaats waar dit habitattype voorkomt. In dit hexagoon is slechts een paar vierkante meter van dit habitattype aanwezig. Het oppervlak waar deze depositie op plaatsvindt is dusdanig klein, dat significant gevolgen zijn uit te sluiten. Dit tijdelijke negatieve gevolg is dusdanig klein, dat dit in cumulatie met andere projecten met negatieve gevolgen op H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) ook niet tot significante gevolgen leidt. Maatregelen zijn niet nodig.

Conclusie De geringe en tijdelijke depositie door het voornemen op habitattypen in de Natura 2000-gebieden Yerseke en Kapelse Moer, Westerschelde & Saeftinghe, en Oosterschelde, leiden niet tot significante gevolgen op de beoordeelde habitattypen. Daarnaast heeft het tijdelijke oppervlakteverlies van de losvoorzieningen in Natura 2000-gebied Westerschelde & Saefthinge op de lange termijn geen significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van H1130 Estuaria. Maatregelen zijn niet nodig. Voor de broedvogelsoort bontbekplevier en voor enkele niet-broedvogels (bonte strandloper, drieteenstrandloper, goudplevier, kievit en steenloper) in Natura 2000-gebied Westerschelde & Saefthinge worden mitigerende maatregelen genomen om verstoring en verandering in populatiedynamiek te voorkomen. Voor de bontbekplevier worden in het broedseizoen bekende broedlocaties op de dijk bij de Kapellebank ontzien, daar waar andere delen juist broedvrij gehouden worden. Bij de Kapellebank wordt voor niet-broedvogels daarnaast niet buitendijks gewerkt in de maanden oktober-januari en de maand april. In die periode worden ook de damwanden bij de hoogspanningsmast en het gemaal niet geplaatst. Vanuit het aspect Natura 2000gebieden zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

70 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

4.3.1.2 Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) Toetsingskader In Zeeland is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) uitgewerkt in Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het NNZ omvat daarmee hetzelfde als het NNN, waarbij in deze toelichting ervoor gekozen is om de term NNZ verder te hanteren. Het NNZ is in planologisch opzicht vastgelegd in de Omgevingsverordening Zeeland 2018. Ontwikkelingen die de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNZ aantasten, kunnen alleen doorgang vinden als: - sprake is van een groot openbaar belang; - er geen reële alternatieven zijn; - negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en gecompenseerd. De gebiedsbescherming van het NNZ volgt uit het Barro en uit het provinciale ruimtelijke beleid. Resultaten Het plangebied ligt grotendeels buiten het bestaande NNZ (zie afbeelding 4.11). Alleen een deel in het noorden van het plangebied behoort tot het NNZ. Het betreft het natuurbeheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland met een oppervlak van ongeveer 0,9 ha. Net buiten het plangebied ligt het gebied Steenweg dat is aangeduid als beheertype A01.01 Weidevogelgebied. Dit gebied is ongeveer 5 ha groot en ligt op ongeveer 85 m van de werkzaamheden af. Ten zuiden van het plangebied ligt het beheertype Zee & Wad, met onder het noordelijk deel van het plangebied de Kapellebank, van ongeveer 55 ha groot.

In het zuidoostelijk deel van het plangebied ligt 8.243 m2 van een deel van het NNZ. Dit deel is nog niet aangewezen is als natuurbeheertype en wordt aangeduid als ‘binnendijk grijs’.

Afbeelding 4.11 Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNZ

71 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

In het kader van de dijkversterking Hansweert zijn de verstoringsaspecten oppervlakteverlies en (in)directe verstoring (door licht, geluid, trillingen, optische verstoring en stikstof) relevant. In de onderstaande tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van het NNZ samengevat.

Tabel 4.3 Samenvatting NNZ Beheertype

Effect

Aantasting wezenlijke kenmerken en waarden (permanent/tijdelijk)?

Mitigatie/compensatie?

N01.01 Zee & wad

oppervlakteverlies

n.v.t.

n.v.t.

verstoring

nee, overdracht geluid van land naar onderwater is verwaarloosbaar/afwezig

nee

oppervlakteverlies

nee, ruimtebeslag treedt op maar geen aantasting wezenlijke kenmerken en waarden mits mitigatie wordt toegepast

ja, mitigatie om het beheertype te herstellen ter plaatse

verstoring

nee, alleen tijdelijke verstoring in aanlegfase op een zeer beperkt oppervlak

nee, verstoring vindt op een zeer beperkt oppervlak aan de rand van het beheertype plaats

oppervlakteverlies

nee

nee

verstoring

nee, alleen tijdelijke verstoring in aanlegfase op een zeer beperkt/verwaarloosbaar oppervlak met al een even hoge achtergrondbelasting in de huidige situatie

nee, geen wezenlijke toename van verstoring en weidevogelgebied heeft in de huidige staat geen functie als broedgebied voor doelsoorten. Mitigatie is hiermee niet aan de orde

oppervlakteverlies

nee, ruimtebeslag treedt op maar geen aantasting wezenlijke kenmerken en waarden

nee, compensatie is niet aan de orde

verstoring

nee

nee

N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland

A01.01 Weidevogelgebied

binnendijk grijs

Mitigatie N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland Uit bovenstaande tabel blijkt dat mitigatie noodzakelijk is om het natuurbeheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland ter plaatse te herstellen. De toplaag van het natuurbeheertype in het gebied dat vernietigd wordt door de werkzaamheden aan de dijk, wordt voorafgaand aan de werkzaamheden op deze locatie afgegraven en opgeslagen. Daarnaast wordt een jaar voorafgaand aan de werkzaamheden het maaisel van deze locatie opgeslagen zodat de zaadbank bewaard blijft. Na afronding van de werkzaamheden wordt de toplaag teruggeplaatst op de zijkanten van de dijk en het opgeslagen maaisel verspreid over deze locatie.

72 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Conclusie De dijkversterking zorgt niet voor aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden (permanent of tijdelijk) op het NNZ voor natuurbeheertypen Zee & Wad en Weidevogelgebied en Binnendijk grijs. Alleen voor het Kruiden- en faunarijk grasland is mitigatie nodig. De toplaag en het maaisel van het natuurbeheertype worden daarom opgeslagen om na afloop van de dijkversterking terug te plaatsen op dezelfde locaties. Vanuit het aspect NNZ zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.3.2

Soortenbescherming

4.3.2.1 Toetsingskader Onder de Wnb bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: 1 een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1); 2 Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5); 3 en ‘Andere soorten’ (artikel 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. Daarnaast geldt te allen tijde de algemene zorgplicht. In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wnb is de zorgplicht beschreven: ’Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. 4.3.2.2 Resultaten In de navolgende tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat.

Tabel 4.4 Samenvatting soortenbescherming Soortgroep

Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?

Kans op overtreding verboden Wnb?

Gevolgen?

Ontheffing aanvragen Wnb?

vaatplanten

nee

nee

geen, wel zorgplicht

nee

zoogdieren

ja, voorkomen van soorten als egel, konijn, bunzing en haas (Andere Soorten) is niet uit te sluiten

ja, sterfte kan optreden

ja, het terrein

nee, mitigerende maatregelen dienen in acht genomen te worden

ongeschikt maken in de maanden oktober februari (maaien en kort houden van de vegetatie). Het maaien dient in één richting uitgevoerd te worden, zodat eventueel aanwezige dieren kunnen vluchten.

zeezoogdieren

ja, bruinvis (Habitatrichtlijn) en gewone zeehond (Andere Soorten)

nee, plangebied is geen essentieel leefgebied

73 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

nee, wel zorgplicht

nee

Soortgroep

Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?

Kans op overtreding verboden Wnb?

Gevolgen?

Ontheffing aanvragen Wnb?

vleermuizen

ja, plangebied (en effectgebied) heeft functie als essentiële vliegroute, foerageergebied (gewone dwergvleermuis en laatvlieger) en verblijfplaats (gewone dwergvleermuis)

ja, door de geplande werkzaamheden wordt essentieel foerageergebied vernietigd en worden vleermuizen verstoord

ja, compensatie van essentiële foerageergebieden is nodig, alternatieve vliegroutes blijven beschikbaar

ja, voor art. 3.5 lid 4

ja, werken buiten de actieve periode of goed licht- en geluidbeheer in essentieel leefgebied

nee, mitigerende maatregelen dienen in acht genomen te worden

ja, intrillen van damwanden ter hoogte van verblijven dient buiten de actieve periode van vleermuizen en buiten gebruiksperiode van de verblijven te gebeuren vogels

ja, de aanwezigheid van jaarrond beschermd nesten van gierzwaluw aan de Werfstraat is aangetoond

ja, indien de vogels worden verstoord tijdens de werkzaamheden

74 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

ja, ter hoogte van de Werfstraat dienen zware werkzaamheden buiten de broedperiode van gierzwaluw uitgevoerd te worden of moet aangetoond worden dat de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding

nee, mitigerende maatregelen dienen in acht genomen te worden of storing is niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding

Soortgroep

Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?

Kans op overtreding verboden Wnb?

Gevolgen?

Ontheffing aanvragen Wnb?

vogels

ja, aanwezigheid van algemeen voorkomende broedvogels in en nabij het plangebied is niet uit te sluiten; bontbekplevier (N2000doelsoort) broedt op dijk Kapellebank en Voorhaven Hansweert

ja, indien broedgevallen opzettelijk worden verstoord of nesten worden vernietigd

ja, voor bontbekplevier dient voor 1 april gestart te worden met werkzaamheden ter hoogte van bekende broedplekken of deze dienen voor 1 april op andere wijze verstoord te worden (linten). Alternatieve broedlocaties met voldoende rust worden ten oosten van dijkvak 7 ingericht, buiten de verstoring van het werk

nee, mitigerende maatregelen dienen in acht genomen te worden

ja, drie mogelijkheden: buiten het broedseizoen werken vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken, zodat vogels niet gaan broeden het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels amfibieën en reptielen

dagvlinders, libellen en

ja, aanwezigheid van rugstreeppad in het plangebied (incl. baggerspeciedepot en oude sluiscomplex) is aangetoond

ja, als werkzaamheden leiden het verstoren of doden van individuen

ja, werken buiten gevoelige periode, werkgebied uitrasteren en dieren afvangen/verplaatsen.

ja, voor art. 3.5 lid 1 en 2 voor vangen en verstoren van individuen bij afvangen, 3.6 lid 2 om rugstreeppadden onder zich te hebben en 3.34 lid 1 om rugstreeppadden op een andere locatie uit te zetten

ja, voorkomen van algemeen voorkomende amfibiesoorten zoals gewone pad, bruine kikker is niet uit te sluiten

nee, vrijstelling binnen de provincie Zeeland

geen, wel zorgplicht

nee

nee

nee

geen, wel zorgplicht

nee

75 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Soortgroep

Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?

Kans op overtreding verboden Wnb?

Gevolgen?

Ontheffing aanvragen Wnb?

nee

nee

geen, wel zorgplicht

nee

overige ongewervelde vissen

De natuurtoets maakt inzichtelijk welke beschermde soorten in het plangebied of de directe omgeving aanwezig zijn. Vervolgens is gekeken of een kans bestaat op een overtreding van verboden van de Wnb of dat de dijkversterking gevolgen heeft voor de beschermde soorten. Ook als geen gevolgen te verwachten zijn op beschermde soorten moet de zorgplicht in acht worden genomen. Als wel sprake is van gevolgen voor beschermde soorten moeten mitigerende of compenserende maatregelen worden genomen (haas, konijn, kleine marterachtigen, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, bontbekplevier en de gierzwaluw) of is mogelijk een Wnb-ontheffing noodzakelijk (gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rugstreeppad). De mitigerende en compenserende maatregelen zijn hieronder toegelicht. Zoogdieren Om het doden van individuen van haas, konijn en kleine marterachtigen in het slibdepot en in het gebied rond de oostelijke ontsluiting te voorkomen, dient voorafgaand aan de werkzaamheden en voor de kwetsbare perioden van konijn, haas en kleine marters het terrein ongeschikt gemaakt te worden (maaien en kort houden van de vegetatie). In de praktijk betekent dit het maaien van het terrein in de maanden oktober-februari en het kort houden of in gebruik nemen (verstoren) in de maanden erna. Hierbij moet opgelet worden dat het plangebied niet door grondbroedende vogels wordt bezet.

Hiermee wordt voorkomen dat de soorten zich in het gebied vestigen en ophouden. Het maaien dient in één richting uitgevoerd te worden, zodat eventueel aanwezige dieren kunnen vluchten. Vleermuizen Mitigatie voor licht- en geluidverstoring kan door in de periode maart-november bij daglicht (tussen een uur na zonsopgang en een uur voor zonsondergang) te werken. Hierbij geldt de voorwaarde dat ook in de vroege ochtend en late middag geen kunstlicht gebruikt wordt (ook niet voor bijvoorbeeld een bouwkeet) en geen geluidsverstoring op mag treden. Als dit niet haalbaar is, kan verstoring voorkomen worden door goed licht- en geluidbeheer in de actieve periode van vleermuizen (maart-november, tussen een uur voor zonsondergang tot een uur na zonsopkomst).

Door het toepassen van een goed lichtbeheer wordt de hoeveelheid licht beperkt tot waar het strikt noodzakelijk is, door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting8; - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht) en dit zo te doen dat deze weg van de verblijfplaats, het foerageergebied of de vliegroute schijnt; - gebruikt te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel één bepaalde kant en weg van de verblijfplaats, het foerageergebied of de vliegroute op richten; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties. Door het toepassen van goed geluidbeheer in de actieve periode worden negatieve effecten op individuen, op vliegroutes en in foerageergebieden voorkomen. Dit betekent dat de geluidbelasting in de deelgebieden, in de actieve periode van vleermuizen (maart-november, tussen een uur voor zonsondergang tot een uur na

8

http://www.rws.nl/wegen/wegbeheer/natuur-en-milieu/verbinden-natuurgebieden/vleermuisvriendelijke-verlichting/.

76 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

zonsopkomst), niet meer mag bedragen dan 80 dB(A). Dit kan door damwanden niet te trillen maar te duwen. Tevens kan er gebruik gemaakt worden van geluidsmantels, geluiddempende mutsen of stillere heiblokken. Mogelijkheden voor mitigatie van verstoring door trillingen is beperkt. Zo kan er gekozen worden het duwen van de damwanden in plaats van trillen, indien dit technisch haalbaar is. Daarnaast kan er gekozen worden om de damwanden te plaatsen op momenten dat de vleermuizen geen gebruik maken van de verblijfplaatsen. In de dorpskern van Hansweert zijn alleen zomer- en paarverblijven van gewone dwergvleermuis aangetroffen. In de maanden mei-september zijn deze verblijfplaatsen in gebruik. Dat betekent dat de damwanden zonder verstorende effecten in de maanden oktober-april geplaatst kunnen worden. Compensatie van essentiële foerageergebieden dient altijd voorafgaand aan de werkzaamheden te gebeuren, rekening houdend met een eventuele gewenningsperiode en ontwikkelingsduur van de compensatiegebieden. Onderstaand is kort weergegevens waar bij compensatie aan gedacht kan worden: - essentieel foerageergebied: · het vervangende foerageergebied moet zo goed en zo snel mogelijk de oorspronkelijke situatie (gaan) benaderen wat betreft hoogte, dichtheid, structuur, oriëntatie, et cetera.

Het vervangende foerageergebied moet bereikbaar zijn vanuit de verschillende vormen van verblijfplaatsen. Algemene broedvogels Effecten op algemene vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn met de volgende mitigerende maatregelen (of een combinatie daarvan) te voorkomen: - bomen en struiken/bosschages buiten het broedseizoen kappen of verwijderen of als aangetoond wordt dat er geen vogels in of in de nabijheid broeden; - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Bij de opslag van grond (zand, lemig zand, klei, et cetera) dient vestiging van oeverzwaluw voorkomen te worden. Hiervoor moeten taluds van grondopslag een hellingshoek hebben van 1:1 of flauwer. Als werkzaamheden plaats gaan vinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats.

Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden, dan mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden. Bontbekplevier De bontbekplevier broedt binnen het werkgebied alleen langs de oostelijke dijk van de Kapellebank en op het talud van de dijk tussen het slibdepot en de Voorhaven van Hansweert. Verstoring en/of vernietiging van nesten kan worden voorkomen door het nemen van de volgende mitigerende maatregelen: - fasering van de werkzaamheden/vogels ontmoedigen: · werkzaamheden aan de dijk en het slibdepot ter hoogte van bekende broedplaatsen dienen uiterlijk 1 april aan te vangen of deze delen dienen op andere wijze verstoord te worden zodat broedgevallen worden voorkomen (bijvoorbeeld door verspreid over de dijk linten te laten wapperen zodat vogels afgeschrikt worden). Bij ‘voldoende onrust’ zullen de vogels elders een territorium vestigen. Op deze wijze wordt voorkomen dat er nesten of jongen verloren gaan; - afsluiten aangrenzend dijktraject en aanbieden alternatieve broedplaatsen · aanvullend wordt het onderhoudspad langs de westelijke dijk van de Kapellebank tijdens de werkzaamheden afgesloten voor recreatief medegebruik en werkverkeer voor de dijkversterking.

Het betreft een traject van ongeveer 775 meter tussen de strekdam (einde van werkgebied Fase 1) en de aan te leggen loswal (DV7). Het traject laat ruimte over voor de aanleg van dijkopgangen vanaf de

77 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

·

loswal DV7 naar binnendijks en vanaf binnendijks naar einde van werkgebied Fase 1, om het gebied te ontzien; op dit traject wordt de rust gewaarborgd voor de bontbekplevier, waardoor vogels die in het plangebied ontmoedigd worden om te broeden, hier naartoe kunnen uitwijken. Op dit traject worden alternatieve broedplekken gecreëerd. Hiervoor worden op deze westelijke dijk van de Kapellebank, buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden, plekken met schone kokkelschelpen afgestrooid. Deze plekken liggen minimaal 100 meter uit elkaar (in verband met territoriumgedrag in de broedtijd) en beslaan elk een oppervlak van 10 m2.

Het afsluiten van deze dijksectie in combinatie met het afstrooien van enkele plekjes met schelpen biedt alternatieve broedplaatsen voor de bontbekplevier. Het onderhavige dijktraject zal om veiligheidsredenen aannemelijk al worden afgesloten voor fietsers en wandelaars. Dit vereist een goede communicatie met gebruikers en aanwonenden, een degelijke en functionerende afsluiting en wellicht het ‘bewaken van de toegang’, zeker op drukke dagen. Gierzwaluw Om een overtreding van de Wnb te voorkomen, geldt voor het plaatsen van damwanden ter hoogte van het bedrijventerrein aan de Werfdijk (nabij de nesten van de gierzwaluw) dat er buiten het broedseizoen gewerkt moet worden. Het broedseizoen loopt van half april tot uiterlijk de eerste week van augustus. Midden juli zijn doorgaans alle jongen uitgevlogen. Dat betekent dat damwanden vanaf de tweede week van augustus tot en met de tweede week van april geplaats mogen worden. Het plaatsen van damwanden ter hoogte van het bedrijventerrein aan de Werfdijk mag alleen binnen het broedseizoen plaatsvinden als door een deskundige wordt vastgesteld dat er geen broedgevallen van de gierzwaluw (of andere vogels) aanwezig zijn of dat wordt aangetoond dat storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Aanvullend dienen in de broedperiode de nestlocaties regelmatig door een deskundige geobserveerd te worden. De deskundige kan vaststellen welke nesten bezet zijn en wanneer de jongen zijn uitgevlogen (en het broedseizoen dus ten einde is). Tevens kan worden vastgesteld of tijdens de (kleinschalige) werkzaamheden ter hoogte van de nestplaatsen er afwijkend gedrag van de ouderdieren optreedt (nestontwijkend gedrag door verstoring). Indien dit het geval is, dienen de werkzaamheden ter plekke worden stilgelegd tot na het broedseizoen. Amfibieën Aan de volgende mitigerende maatregelen voor de rugstreeppad kan gedacht worden bij de werkzaamheden in en rond het baggerspeciedepot en oude sluizencomplex: - werken buiten de kwetsbare periode(n) van de rugstreeppad: · de kwetsbare perioden van de rugstreeppad zijn de voortplantingsperiode en de winterrustperiode. Bij activiteiten die effect hebben op de waterhabitat van de rugstreeppad moeten de werkzaamheden bij voorkeur plaatsvinden in de periode augustus tot en met maart, dat wil zeggen buiten de kwetsbare periode van de voortplanting. Bij activiteiten die effect hebben op het landgedeelte van de habitat van de rugstreeppad is een meest gunstige periode niet aan te wijzen, omdat de volwassen dieren vrijwel het gehele jaar hier vertoeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11174022/1