CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-02b. D21.261642 vast te stellen bestemmingsplan Dijkversterking

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente KapelleBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan dijkversterking35.731 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

In dit geval moeten aanvullende maatregelen genomen worden (afvangen en verplaatsen en werkgebied ontoegankelijk maken); - werkgebied ontoegankelijk maken: · als de activiteiten niet uitgesteld kunnen worden tot buiten de voortplantingsperiode of overwinteringsperiode, moet voorafgaand aan de activiteiten het plangebied en de opslagterreinen/werkdepots ontoegankelijk gemaakt worden voor rugstreeppadden (uitrasteren). Zo wordt voorkomen dat rugstreeppadden de werklocatie gaan bevolken. Dit geldt niet alleen voor het gebied van baggerspeciedepot en oude sluizencomplex maar ook voor de andere werkgebieden in de omgeving. Rugstreeppadden, en dan vooral de juvenielen (jonge rugstreeppadden die nog nietgeslachtsrijp zijn), kunnen afstanden tot wel circa vijf km afleggen opzoek naar geschikt leefgebied. De rugstreeppad heeft een voorkeur voor losgrondige zanderige bodems gelegen snel opwarmende bodemplaatsen en ondiep (tijdelijk) water. Regenplassen en sporen van zware voertuigen waar regenwater in is blijven staan, vormen ideaal voortplantingswater;

78 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

-

afvangen en verplaatsen: · de aanwezige rugstreeppadden en/of ei-snoeren van rugstreeppadden in het plangebied worden weggevangen/geraapt en verplaatst naar geschikt habitat buiten de invloedsfeer van de activiteiten. Dieren afvangen gebeurt door het werkgebied af te rasteren en aan de binnenzijde vangemmers te plaatsen. De beste periode hiervoor is van maart tot en met mei, maar altijd voordat de afzet van de eitjes plaatsvindt.

4.3.2.3 Conclusie Door de werkzaamheden voor de dijkversterking bij Hansweert worden, ook na inachtneming van mitigerende maatregelen, een aantal verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb) overtreden. Het gaat hierbij om het vernietigen van essentieel foerageergebied van gewone dwergvleermuis en laatvlieger bij de parkzone, ten oosten van de voetbalvelden. Daarnaast vinden werkzaamheden plaats in niet-essentieel leefgebied van rugstreeppad in het slibdepot. De (mitigerende en compenserende) maatregelen om verstoring en het doden van individuen van deze soorten te voorkomen zijn ontheffingsplichtig. De detailuitwerking van de maatregelen i.c.m. een locatie- uitvoeringsplanning (rekening houdend met maatregelen voor andere soorten) wordt vormgegeven in een activiteitenplan dat als basis voor de Wnb-ontheffingsaanvraag dient en voor een ecologisch werkprotocol voor de uitvoeringsfase. De mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd en er wordt een Wnb-ontheffing aangevraagd. Vanuit het aspect beschermde soorten zijn geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.3.3

Houtopstanden

4.3.3.1 Toetsingskader Onder de Wnb zijn houtopstanden beschermd. Dit betekent dat houtopstanden in principe niet gekapt mogen worden zonder een melding aan Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Met ‘houtopstand’ wordt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen bedoeld. Houtopstanden conform de Wnb zijn enkel de houtopstanden die buiten de bebouwde kom staan (grens conform voormalige Boswet). De grens van deze bebouwde kom met betrekking tot de bescherming van houtopstanden wordt door elke gemeente afzonderlijk vastgelegd. Voor de kap van houtopstanden die aan deze voorwaarden voldoen moet in principe een melding Wet natuurbescherming worden gedaan bij Gedeputeerde Staten en geldt een herplantplicht. In artikel 4.1 van de Wnb zijn uitzonderingen op deze regel opgenomen. De meldplicht is niet van toepassing op bijvoorbeeld houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, fruitbomen, kweekgoed etc. De bomen binnen de bebouwde kom van de Wnb vallen onder het bevoegd gezag van de gemeente en hiervoor geldt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het gemeentelijk bomenbeleid als (wettelijk) kader. Binnen de gemeente Reimerswaal en de gemeente Kapelle is voor het kappen van bomen de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van toepassing.

Omdat de Wnb alleen van toepassing is buiten de bebouwde kom, is het van belang om te weten waar de gemeenten deze grens hebben vastgesteld (afbeelding 4.12). 4.3.3.2 Resultaten Afbeelding 4.12 laat de te kappen bomen en bosvlakken zien in het gehele plangebied. Op de kaart is ook de bebouwde kom Wnb van de gemeente Reimerswaal ingetekend. De bebouwde kom Wnb van de gemeente Kapelle ligt buiten de grenzen van het plangebied.

79 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Afbeelding 4.12 Overzicht te kappen bomen en bosvlakken

Tabel 4.5 Aantal bomen en bosvlakken die per dijksectie gekapt worden, inclusief de bijbehorende gemeentes Dijksectie

Gemeente

Bomen (aantal)

Bosvlak (opp. m2)

kanaalzone

Reimerswaal

1

-

slibdepot

Reimerswaal

-

-

dorpsrand Werfdijk

Reimerswaal

4

-

rotonde Boomdijk/Kanaalstraat

Reimerswaal

23

-

dorpsrand Zeedijk

Reimerswaal

47

10.285

landelijk gebied (inclusief overgang 30-3)

Kapelle

5

9.771

80

20.056

totaal

Reimerswaal In gemeente Reimerswaal worden 75 bomen en 10.285 m2 bos gekapt. APV gemeente Reimerswaal Alle te kappen bomen en bos staan binnen de bebouwde kom Wnb. Daarom is voor deze bomen de APV van toepassing. Voor het kappen van deze bomen dient een omgevingsvergunning kappen aangevraagd te worden. In de APV van gemeente Reimerswaal is beschreven dat binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn en overeenkomstig de in de beleidsregels vastgestelde wijze houtopstanden moeten

80 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

worden herplant. De precieze locatie waar houtopstanden herplant moeten worden, wordt nog in overleg met gemeente Reimerswaal bepaald. Wnb De te kappen bomen en bos vallen binnen de grenzen van de bebouwde kom Wnb. De bomen zijn daarom niet beschermd onder de Wnb en niet meldingsplichtig. Herplantplicht in het kader van de Wnb is niet aan de orde. Kapelle In gemeente Kapelle worden 5 bomen en 9.771 m2 aan boomgaard gekapt. APV gemeente Kapelle Deze bomen staan buiten de grenzen van de bebouwde kom Wnb. Gemeente Kapelle heeft een bomenlijst opgesteld waar bomen op staan waar een vergunning voor nodig is wanneer deze gekapt worden. De te kappen bomen staan volgens de gemeente niet op deze lijst en zijn daarom niet vergunningplichtig. Wnb De te kappen bomen vallen onder het beschermingsregime van de Wnb. Echter, omdat de individuele bomen geen onderdeel zijn van een bomenrij van 20 bomen (of meer) en de bosvlakken uit kweekgoed en windsingels bestaan, zijn deze niet beschermd onder de Wnb. Voor het kappen van deze bomen is geen meldingsplicht en herplantplicht in het kader van de Wnb nodig.

4.3.3.3 Conclusie Voor de houtopstanden die gekapt moeten worden in de gemeente Reimerswaal geldt een vergunning- en herplantplicht. De herplant wordt geregeld via een omgevingsvergunning kappen. Vanuit het aspect houtopstanden zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.3.4

Kaderrichtlijn Water (KRW)

4.3.4.1 Toetsingskader De Kaderrichtlijn Water (KRW) is op 20 oktober 2000 vastgesteld door de Europese Commissie en heeft als doel het oppervlaktewater en grondwater in de EU te beschermen en het duurzame gebruik van water te bevorderen. De KRW gaat zowel over de ecologische (biologische en fysisch-chemische parameters) als chemische waterkwaliteit (toxische stoffen). De waterbeheerders dienen hun wateren in 2021, uiterlijk 2027, op orde te hebben. Als initiatiefnemers een activiteit willen ondernemen die plaatsvindt in of nabij een rijkswater moet worden getoetst of hiervoor een watervergunning nodig is. Eén van zaken die moet worden getoetst is of de activiteit mogelijk effect heeft op de ecologische of chemische toestand van een rijkswater. De overheid heeft een toetsingskader ontwikkeld dat wordt gehanteerd bij de beoordeling of er mogelijk negatieve effecten zijn en -als dat zo is- of er aanvullende maatregelen kunnen worden genomen waarmee die negatieve effecten worden voorkomen of vereffend. Dit toetsingskader is vastgelegd in het Beheer- en Ontwikkelingsplan Rijkswateren 2016-2021 (BPRW) en uitgewerkt in ‘Bijlage 5 Toetsingskader Waterkwaliteit’. Begin 2020 is een nieuwe werkwijze van de toetsing opgesteld. Het toetsingskader waterkwaliteit bestaat uit drie delen, namelijk: 1 algemeen deel: In dit gedeelte staan vragen die voor alle activiteiten van belang zijn.

Dit stroomschema is gemaakt om te bepalen of het vervolg van het toetsingskader doorlopen moet worden; 2 deel Effecten van lozingen: In dit gedeelte staan vragen die van belang zijn voor activiteiten waarbij er sprake is van lozingen;

81 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

3

deel Effecten van fysieke ingrepen: In dit gedeelte wordt het effect van fysieke ingrepen op de ecologische kwaliteit bepaald.

4.3.4.2 Resultaten Het plangebied bevindt zich in en nabij het KRW oppervlaktewaterlichaam Westerschelde. De Westerschelde is getypeerd als KRW-type O2: een estuarium met matig getijdenverschil. Het bestaat voornamelijk uit slikkige zandgronden en kleirijke schorbodems langs de randen. Als eerste stap in de toetsing is deel 1 (algemeen deel) doorlopen. Hierin zijn achtereenvolgens de volgende vragen getoetst: - vindt de ingreep plaats binnen de begrenzing van het waterlichaam of zijn er potentiële negatieve effecten tot in het waterlichaam?; - heeft de activiteit een negatief effect op een concreet geplande of al uitgevoerde KRW-maatregel?; -

staat de ingreep op de lijst met ingrepen die in principe altijd toegestaan zijn? En vindt de dijkversterking plaats in een ecologisch niet kwetsbaar gebied?; betreft de activiteit een fysieke ingreep of een lozing?

De werkzaamheden vinden plaats binnen het KRW oppervlaktewaterlichaam Westerschelde en hebben geen negatief effect op een concreet geplande of al uitgevoerde KRW-maatregel. De werkzaamheden vallen niet onder de activiteiten die in principe altijd zijn toegestaan en vinden plaats in een relevant of kwetsbaar gebied. Omdat het gaat om een fysieke ingreep is de conclusie dat deel 3 ‘Effecten van fysieke ingrepen’ van het toetsingskader doorlopen moet worden. Onderdeel 2 over het effect van lozingen is niet van toepassing, omdat er geen sprake is van lozingen. In onderdeel 3 is getoetst of de ingreep plaatsvindt in een ecologisch relevant of kwetsbaar gebied, de kwaliteitselementen van dit watertype negatief beïnvloed worden door de ingreep en wat de uitstralende effecten richting de kwaliteitselementen van dit watertype zijn. De ingrepen bestaan uit het vervangen van de huidige steenbekleding aan de dijk met nieuwe stortstenen en het realiseren van tijdelijke losvoorzieningen. Na het doorlopen van deel 3 (Effecten van fysieke ingrepen) is geconcludeerd dat de dijkversterking netto geen significant effect heeft op biologische kwaliteitselementen. De werkhaven waar het bedrijf ‘Van der Straaten’ gebruik van maakt ligt in theorie in een ecologisch relevant of kwetsbaar gebied. De ecologische waarde van dit gebied is allesbehalve uniek.

In de omgeving komen meerdere vergelijkbare gebieden voor. Met name de Kapellebank, die vele malen groter is dan dit gebied, is hier een goed voorbeeld van. Met het verleggen van de stortsteengrens en het realiseren van de tijdelijke strekdammen gaat geen ecologisch relevant of kwetsbaar gebied verloren. De maatregelen in het kader van de dijkversterking Hansweert zijn toegestaan zonder het nemen van mitigerende of compenserende maatregelen in relatie tot de KRW.

4.3.4.3 Conclusie De dijkversterking heeft netto geen significant effect op de waterkwaliteit van het KRW-oppervlaktewaterlichaam Westerschelde. Vanuit de KRW zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.4

Luchtkwaliteit

De overheid draagt zorg voor een goede luchtkwaliteit en moet de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De luchtverontreiniging is afkomstig van verschillende bronnen. Denk hierbij aan het gemotoriseerde verkeer, industriële en agrarische inrichtingen en achtergrondconcentraties van verontreinigende stoffen. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen uit de luchtkwaliteitsregelgeving.

82 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Bepaalde bestemmingen in (de omgeving van) een ruimtelijk plan kunnen (extra) gevoelig zijn voor luchtverontreiniging. Daarom moeten de effecten op de luchtkwaliteit beoordeeld worden die door de nieuwe planologische mogelijkheden van dit bestemmingsplan worden geboden. Dit volgt enerzijds uit luchtkwaliteitsnormen (grenswaarden) en anderzijds is de 'goede ruimtelijke ordening' een randvoorwaarde. Er moet sprake zijn van een ruimtelijk aanvaardbare situatie.

4.4.1

Toetsingskader

De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit Europese richtlijnen en is vastgelegd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Artikel 5.16, 1ste lid geeft de grondslagen waarmee kan worden onderbouwd dat een plan aan de eisen met betrekking tot luchtkwaliteit voldoet: - het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden; - ten gevolge van het project is sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of de concentratie blijft gelijk; - het plan draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat de projectbijdragen NO2 en PM10 maximaal 3 % van de jaargemiddelde grenswaarde bedragen, oftewel maximaal 1,2 µg/m3. Wanneer een plan voldoet aan één of meerdere van de bovenstaande grondslagen, vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor realisatie van het plan.

4.4.2

Resultaten

Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase (tijdelijke effecten) en de gebruiksfase (definitieve effecten). In dit dijkversterkingsproject is voor luchtkwaliteit enkel het aspect verkeer relevant. In de regel is het van belang om na te gaan of de realisatie van het project gevolgen heeft voor de hoeveelheid (motorisch) verkeer in het projectgebied en dientengevolge voor de luchtconcentraties van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Het aantal verkeersbewegingen blijft in de nieuwe gebruiksfase gelijk aan de huidige situatie (de autonome verkeersgroei buiten beschouwing latende). De voorgenomen ontwikkeling heeft dan ook geen gevolgen voor de luchtkwaliteit in de gebruiksfase. Tijdelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit vinden plaats in de aanlegfase van het project door transport en uitvoering van grondwerkzaamheden. Hoewel de werkzaamheden grootschalig van aard zijn, kan redelijkerwijs verwacht worden dat de belasting lokaal beperkt is en dat geen belangrijke bijdrage wordt geleverd aan de jaargemiddelde concentraties PM10 en NO2. Door de fasering van werkzaamheden, het gebruik van ‘schoon’ materieel en omdat de werkzaamheden zich verplaatsen over het totale dijktraject is de belasting lokaal beperkt en slechts van tijdelijke aard.

Bovendien zijn er reeds lage achtergrondconcentraties in en rondom het plangebied, zie onderstaande afbeeldingen. Op de afbeeldingen is de dijkversterking aangegeven door middel van de groene lijn. Op Afbeelding 4.13 is te zien dat de maatgevende bron voor NO2 de A58 is. De A58 is te herkennen aan de oranje kleur ten noorden van de dijkversterking. Op afbeelding 4.14 is te zien dat de kern Schore voor PM10 de meest maatgevende bron is. De lichtere paarse vlek ten noorden van de dijkversterking is de kern Schore. Voor NO2 en PM10 is 40 microgram per m3 als jaargemiddelde de wettelijke grenswaarde. Op basis hiervan kan gesteld worden dat het voornemen realiseerbaar is binnen de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.

83 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Afbeelding 4.13 Concentraties NO2 2017, meest actuele jaargemiddelden (www.atlasleefomgeving.nl)

Afbeelding 4.14 Concentraties PM10 2017, meest actuele jaargemiddelden (www.atlasleefomgeving.nl)

84 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

4.4.3

Conclusie

De dijkversterking zorgt niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die gesteld worden in de Wet milieubeheer. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.5

Bodem

In verband met de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen beïnvloed en of er daardoor gezondheidsrisico's, ecologische risico's of verspreidingsrisico's ontstaan. Bij een overschrijding van de interventiewaarde van een bepaalde stof spreekt men van een sterke verontreiniging. Het overschrijden van de interventiewaarde betekent dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant hier ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Door het verwijderen of beheren van eventueel aanwezige verontreinigingen, nemen de (risico's van) verontreinigingen in het gebied af, zodat de veiligheid en gezondheid van uitvoerders van grondwerkzaamheden wordt gewaarborgd. Als gevolg van de sanering verbetert de bodemkwaliteit in het gebied. Dit geldt zowel voor de diffuse kwaliteit in het gebied, als voor aanwezige verontreinigingen met een duidelijke bron. Buitendijks is formeel sprake van waterbodem. Als sterk verontreinigde waterbodem aanwezig is, dan moet deze grond bij ingrepen (bijvoorbeeld klei-ingraving) worden afgevoerd. Ook hiervoor geldt dat verwijdering van de sterk verontreinigde grond leidt tot een verbetering van de waterbodemkwaliteit in het gebied.

De kwaliteit van de te ontgraven grond bepaalt in belangrijke mate de hergebruikmogelijkheden van de vrijgekomen grond. Binnen het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) gaat men uit van het stand-still-principe, waarbij (op gebiedsniveau) geen achteruitgang mag plaatsvinden van de gebiedseigen bodemkwaliteit. De toe te passen grond moet minimaal dezelfde kwaliteit bevatten als de reeds aanwezige grond (ontgravingsklasse).

4.5.1

Toetsingskader

In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De Nota bodembeheer van de gemeente Kapelle en gemeente Reimerswaal geeft aan onder welke randvoorwaarden en eisen grond mag worden toegepast. Onderdeel van de Nota bodembeheer is de bodemkwaliteitskaart. De bodemkwaliteitskaart geeft de te verwachten kwaliteit van de bodem binnen een bepaalde zone weer. Dit wordt ook wel diffuse of gebiedseigen bodemkwaliteit genoemd. Een zone is hierbij een gebied waarbinnen op basis van ontstaansgeschiedenis, historisch en huidig gebruik, functie, ligging en bodemsamenstelling een gelijke bodemkwaliteit wordt verwacht.

4.5.2

Resultaten

Om de bodemkwaliteit in beeld te brengen is vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied van de dijkversterking. Op basis van dit vooronderzoek is bepaald welke locaties verdacht zijn op het voorkomen van bodemverontreinigingen of waar in het verleden bodemverontreiniging is aangetoond. Voor enkele locaties is apart verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten weergegeven. De volledige beschrijving van het aspect bodem en verwijzing naar de uitgevoerde onderzoeken is te vinden in bijlage II achtergrondrapport MER fase 2.

85 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Puntbronverontreiniging Uit het vooronderzoek blijkt dat het onderzoeksgebied grotendeels bestaat uit agrarisch gebied. Agrarische functies brengen de bodemkwaliteit doorgaans niet in gevaar. Aandachtspunten qua mogelijke verontreinigingen zijn voormalige boomgaarden, voormalige stortplaatsen en bedrijfsterreinen. Binnen het onderzoeksgebied zijn elf locaties onderzocht. In onderstaande tabel is per locatie aangegeven in hoeverre de milieukwaliteit als risico wordt gezien voor de planuitwerking. Tot de bodemlocaties behoren ook drie stortplaatsen, welke middels verkennend bodemonderzoek nader zijn onderzocht.

Tabel 4.6 Onderzochte locaties9 Locatie

Dijksectie

Samenvatting

Risicobeoordeling

Voorhaven Hansweert

Kanaalzone

voldoende onderzocht, geen verontreinigingen aangetoond.

geen risico

Voormalig sluizencomplex

Slibdepot

voldoende onderzocht, geen verontreinigingen aangetoond.

geen risico

Zuidelijke Voorhaven Baggerspeciedepot

Slibdepot

bevat een lichte verontreiniging in de deklaag

laag risico

Westhavendijk 5 en 3a

Slibdepot

Details bodemverontreiniging niet bekend. Geen grondroerende werkzaamheden zijn hier voorzien, verkennend bodemonderzoek is niet noodzakelijk.

matig risico

Veerweg 15

Dorpsrand Werfdijk

voldoende onderzocht, ter plaatse van Veerweg 15 vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats waardoor verkennend bodemonderzoek niet nodig is

Laag risico

Werfdijk 6

Dorpsrand Werfdijk

Beperkte verontreiniging, verkennend bodemonderzoek wordt voor aanvang werkzaamheden uitgevoerd.

laag risico

Stortplaats Burkunkstraat

Dorpsrand Zeedijk

stortplaats met een beperkt geval van ernstige bodemverontreiniging

matig risico

Nieuwstraat ong.

Dorpsrand Zeedijk

bij oude gasfabriek wordt nader onderzoek uitgevoerd. Volgens de RUD Zeeland is hier geen verontreiniging aanwezig

geen risico

Stortplaats Boomdijk

Dorpsrand Zeedijk

stortplaats met een geval van ernstige bodemverontreiniging

matig risico

Boomdijk

Dorpsrand Zeedijk

onbekende activiteit, waar volgens gedateerd onderzoek nader onderzoek moet plaatsvinden. Volgens de provincie Zeeland is hier geen verontreiniging aanwezig

geen risico

Stortplaats Smokkelhoek Langeweg

Landelijk gebied

stortplaats met licht verhoogde gehalten

laag risico

Op de locaties Voorhaven Hansweert en Voormalig sluizencomplex zijn geen verontreinigingen aangetoond waardoor nader onderzoek niet noodzakelijk is. Ter plaatse van het Zuidelijke Voorhaven Baggerspeciedepot zijn lichte verontreinigingen aangetoond [Sagro Milieu Advies Zeeland B.V., 2020; 23200806]. Ter plaatse van het slibdepot betreft de dijkversterking een buitenwaartse dijkverhoging met grond. Hierdoor bestaat de kans dat een deel van het slibdepot moet worden afgegraven. 9

Voor een nadere redenatie omtrent het afgeleide risico wordt verwezen naar het Deelrapport Bodem (bijlage VI onderzoeken bodem van bijlage II achtergrondrapport MER fase 2).

86 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Voor de locatie bij Westhavendijk 3a en 5 zijn de details van de verontreiniging onbekend. Deze locatie valt net buiten het slibdepot dat als werkterrein wordt ingericht. Omdat er met de inrichting van het werkterrein geen grootschalige grondroerende werkzaamheden gepaard gaan, zijn op deze locaties geen grootschalige ingrepen in de bodem voorzien. Hierdoor zijn er geen grote effecten op de bodemkwaliteit. De locatie heeft geen raakvlak met de beoogde dijkversterking. Aangezien er geen grondroerende werkzaamheden zijn voorzien, is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 voor aanvang van de dijkversterkingswerkzaamheden niet noodzakelijk. Vanuit Bodemloket (https://www.bodemloket.nl/kaart) blijkt dat er in 2016 een historisch vooronderzoek is uitgevoerd ter plaatse van Veerweg 15 dat als conclusie geeft dat de locatie voldoende is onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. In oktober 2017 is de norm voor het doen van historisch bodemonderzoek aangescherpt en de locatie is zeer verdacht betreft, onder andere ook op mobiele verontreinigingen zoals minerale olie en BTEXN (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen). Echter worden ter plaatse van deze locatie geen grondroerende werkzaamheden uitgevoerd waardoor verkennend bodemonderzoek niet nodig is.

Indien alsnog grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dient het historisch onderzoek opgevraagd te worden. Aan de hand daarvan kan worden bepaald of verkennend bodemonderzoek noodzakelijk is. Ter plaatse van Werfdijk 6 bevindt zich een verontreiniging. Het ontwerp voor de dijkversterking ter plaatse betreft een keermuur in combinatie met dijkverhoging in grond (hoogte) en een constructie (stabiliteit). Aan de buitenzijde is het ruimtebeslag circa 2,5 meter gerekend vanaf de huidige buitenteen (rand verharding). De kans bestaat dat de werkzaamheden raakvlak hebben met de beperkte verontreiniging ter plaatse. De verontreiniging kan echter eenvoudig tijdens de planuitwerking worden verwijderd en brengt geen grootschalige sanering met hoge kosten met zich mee. Voor aanvang van de dijkversterkingswerkzaamheden dient ter plaatse wel een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 te worden uitgevoerd de actuele staat van de bodemkwaliteit in beeld te brengen en arbohygiënische risico’s tijdens de uitvoer uit te sluiten. Voor de locatie stortplaats Burkunkstraat is een beperkt geval van ernstige bodemverontreiniging aangetoond [ATKB, 2020; 20200286/rap03]. Voor de locatie stortplaats Boomdijk is een geval van ernstige bodemverontreiniging aangetoond [ATKB, 2020; 20200286/rap02]. Voor beiden locaties is geen nader onderzoek noodzakelijk.

Hoewel het geval van ernstige bodemverontreiniging aan de Boomdijk een stuk groter is dan aan de Burkunkstraat, betreffen beiden een immobiele verontreiniging die tijdens de werkzaamheden ten behoeve van de dijkversterking worden gesaneerd door de aannemer. Werkzaamheden op deze locatie vinden pas plaats wanneer door het bevoegd gezag is ingestemd en het desbetreffende besluit in werking is getreden. Tot slot zijn er op de stortplaats Smokkelhoek Langeweg lichte tot matige verontreinigingen aangetoond [ATKB, 2020; 20200286/rap01]. Ten behoeve van de dijkversterking wordt om de stort heen gewerkt met constructieve oplossingen. Op deze manier hebben de werkzaamheden geen invloed op de bodemkwaliteit. Waterbodem Ten aanzien van de waterbodem is duidelijk dat ter plaatse van de vaargeul van de Westerschelde geen ernstige verontreinigingen aanwezig zijn. Mede door het ontbreken van calamiteiten is het onwaarschijnlijk dat er ter plaatse van het dijklichaam en de twee beoogde loslocaties voor aan te voeren grond ernstige verontreinigingen aanwezig zijn. Diffuse bodemkwaliteit Voor de dijkversterking wordt op diverse plaatsen grond verzet (afgraven en/of opbrengen). Dit kan invloed hebben op de diffuse bodemkwaliteit.

In bijna het gehele onderzoeksgebied geldt een toepassingseis in de klasse Achtergrondwaarde, waarbij voor een groot deel lokaal maximale waarden zijn ingesteld voor gewasbeschermingsmiddelen als DDT, DDE en DDD. Alleen rond het gebied van Hansweert zelf (dijksectie Dorpsrand Werfdijk en een deel van dijksectie Dorpsrand Zeedijk) geldt een soepelere toepassingseis in de klasse Wonen. Dit is ook het deel, waarbij de bovengrond een lagere kwaliteit bevat dan is voorgeschreven als toepassingseis, namelijk klasse Industrie. In dijksectie Dorpsrand Werfdijk vindt er minimaal grondverzet plaats aan de binnendijkse zijde. Dit in tegenstelling tot dijksectie Dorpsrand Zeedijk, waar een grote

87 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

grondoplossing aan de binnendijkse zijde plaatsvindt. Over het algemeen zal hier de diffuse kwaliteit van de grond toenemen, omdat deze minimaal schoner moet zijn dan de huidige diffuse bodemkwaliteit. Voor alle overige delen van het onderzoeksgebied zijn geen grootschalige aanpassingen van de diffuse bodemkwaliteit voorzien, omdat deze veelal is ingedeeld in de klasse die ook als toepassingseis geldt. PFAS De verschillende recente bodemonderzoeken hebben aangetoond dat de grond is belast met PFAS10. Er wordt een bodemkwaliteitskaart opgesteld om bij de werkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk weer binnen het projectgebied te kunnen toepassen. Deze bodemkwaliteitskaart wordt ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraden van Kapelle en Reimerswaal, samen met vast te stellen lokale maximale waarden voor PFAS.

4.5.3

Conclusie

Op delen waar grondroerende werkzaamheden plaatsvinden en waar ter plekke de bodemkwaliteit niet voldoet door verontreinigingen, wordt de grond gesaneerd. In de dijksecties Dorpsrand Werfdijk en Dorpsrand Zeedijk blijft door het opbrengen van schonere grond de diffuse bodemkwaliteit gelijk of verbetert deze. Voor de overige delen zijn minimale veranderingen voorzien voor de diffuse bodemkwaliteit. De bodemsituatie is in het kader van de uitvoerbaarheid afdoende in beeld gebracht. Voor aanvang van de dijkversterking wordt verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een aantal locaties om ernst en omvang van de verontreiniging nader in beeld te brengen en arbohygiënische risico’s te vermijden. Daarnaast wordt een indicatief onderzoek langs de dijk uitgevoerd om de kwaliteit van het dijklichaam en de eventuele verontreiniging met PFAS te bepalen. Indien er geen graafwerkzaamheden plaatsvinden is (nader) verkennend bodemonderzoek niet aan de orde. Vanuit het aspect bodem zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.6

Niet gesprongen explosieven (NGE)

4.6.1

Toetsingskader

Na de Tweede Wereldoorlog (WOII) zijn op diverse plekken in Nederland niet gesprongen explosieven (NGE, ook wel conventionele explosieven genoemd) achtergebleven. Deze NGE vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van NGE uitgesloten te worden of dienen eventuele NGE verwijderd te worden.

10

Poly- en perfluoralkylstoffen. Dit zijn door de mens gemaakte stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen.

88 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

4.6.2

Resultaten

Op basis van historisch vooronderzoek NGE11 is aangetoond dat er mogelijk verschillende typen explosieven in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven tijdens WOII. Met name dijksectie Dorpsrand Werfdijk is verdacht op de aanwezigheid van NGE. Het Slibdepot en een gedeelte van de Kanaalzone zijn deels als verdacht aangeduid waarbij gebieden tot 1 m-mv onverdacht zijn. Dit betreft de aanpassing en demping van het oude kanaal en het oude sluiscomplex die er ten tijde van WOII lagen. Het slibdepot is in de jaren ‘80 aangebracht en hierdoor niet verdacht voor wat betreft de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven. De dijksecties Landelijk gebied, Dorpsrand Zeedijk en een deel van de Kanzaalzone zijn onverdacht op het aantreffen van NGE.

Afbeelding 4.15 NGE bodembelastingkaart

De aansluiting van de Scheldemond op de N289 (oostelijke ontsluiting) is niet opgenomen in de bodembelastingkaart (rode cirkel afbeelding 4.15). De oostelijke ontsluiting kruist een gedempte watergang die als verdacht is aangeduid aangezien mogelijk gedumpte explosieven aanwezig zijn op de harde waterbodem zoals deze was ten tijde van WOII. De locatie is naoorlogs sterk veranderd, met de verwijdering van de sluis en het dempen van het kanaal. Hierdoor is beperkte vrijgave aan de orde. Op basis van het historisch vooronderzoek is er geen aanleiding dat naast de watergang nog verdachte gebieden aanwezig zijn ter plekke van de oostelijke ontsluiting. Voor de start van de uitvoering wordt van de verdachte gebieden een projectgebonden risicoanalyse gemaakt. Uit deze risicoanalyse volgt de conclusie of de gebieden worden vrijgegeven of dat nadere detectie plaats moet vinden dan wel beschermende maatregelen moeten worden getroffen. Voor de overige gebieden geldt dat de kans op het aantreffen van NGE klein is. Hiermee is het geen verdacht gebied. Voor alle werkzaamheden is een protocol opgesteld hoe om te gaan met zogenaamde toevalsvondsten.

11

T&A Survey, 2017; Historisch Vooronderzoek Explosieven, Dijkverbetering tussen dijkpalen: 245 en 296 ‘HWBP Zuid-BevelandWest Hansweert’, kenmerk: GPR6658

89 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

4.6.3

Conclusie

Voorafgaand aan de bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van NGE uitgesloten te worden middels onderzoek. Dijksecties Landelijk gebied, Dorpsrand Zeedijk en een deel van de Kanzaalzone zijn onverdacht op het aantreffen van niet gesprongen explosieven en reeds vrijgegeven. Voor de gebieden die als verdacht zijn aangemerkt wordt een projectgebonden risicoanalyse (PRA) uitgevoerd. Als op basis hiervan gebieden niet vrijgegeven kunnen worden vindt nadere detectie plaats of worden beschermde maatregelen genomen tijdens grondwerkzaamheden. Indien aanwezig worden NGE verwijderd. Vanuit het aspect NGE zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.7

Cultuurhistorie

Het uitgangpunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om de binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden te behouden. Cultuurhistorische waarden zijn sporen, objecten, patronen en structuren (zichtbaar of niet zichtbaar) die onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en positief gewaardeerd worden. Voorbeelden van cultuurhistorische waarden zijn gebouwd erfgoed, archeologische resten en cultuurlandschappen. Deze paragraaf gaat in op historische-geografische elementen, patronen en ensembles en op historische (steden)bouwkundige elementen. Archeologie wordt behandeld in paragraaf 4.8.

4.7.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2021 een overgangsregeling opgenomen. Per 1 januari 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd met als doel cultuurhistorische belangen te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Daarmee zijn gemeenten verplicht in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Dat betekent dat een analyse moet worden verricht naar de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en dat daar conclusies aan moeten worden verbonden die in een bestemmingsplan verankerd worden.

4.7.2

Resultaten

Door het aanpassen van de dijk (graven, ophogen, slopen objecten, verplaatsen dijk) kunnen landschappelijke en historische structuren, patronen en elementen in het plangebied verstoord of zelfs vernietigd raken. Omgekeerd is ook door het nemen van bepaalde maatregelen herstel of verbetering mogelijk, met name qua beleving. Voor het aspect cultuurhistorie is onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke effecten welke worden veroorzaakt door de dijkversterking. Dit onderzoek is te vinden in bijlage II achtergrondrapport MER fase 2. Historische-geografische elementen, patronen en ensembles Buitendijks zijn er over het algemeen geen effecten, waardoor de effectbeschrijving zich concentreert op de effecten bij de hieronder beschreven elementen.

90 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Hansweertse sluizen (Oost-, Zuider- en Westsluis) In de Kanaalzone is er vanwege de vierkante versterking op een deel van de oude berm relatief weinig ruimtebeslag in het oude sluiscomplex. Wel wordt een deel van de Oostsluis geraakt. Het noordelijke muurtje wordt met 5,5 meter ingekort, tot 1,5 meter uit kantverharding. De constructie dient tot voldoende diepte te worden weggehaald, om schade aan de weg en ‘bottle neck-effect’ voor passerend verkeer in de gebruiksfase te voorkomen. Ook het slotenpatroon dat de ligging van de oostkant van de Oostsluis aangeeft, komt deels onder de dijk te liggen.

Afbeelding 4.16 Uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN2) - schaduwkaart

Lange Geer en Werfdijk Bij de dijksectie slibdepot is er geen ruimtebeslag op het sluizencomplex of andere elementen. Het gedeelte bij de Dorpsrand Werfdijk heeft vrijwel geen ruimtebeslag buiten het huidige ruimtebeslag. Hierdoor is er ook geen effect op het onderliggende restant van de Werfdijk, omdat deze niet weggegraven wordt. De aansluiting bij Lange Geer wordt weggegraven, een restant van de structuur van de dijk uit 1850 wordt aangetast. Boomdijk Bij de dijksectie Dorpsrand Zeedijk gaat het om de aansluiting met de Boomdijk. Dit was een historische dijk, die inmiddels is afgegraven. Het tracé van de afgegraven dijk wordt zelfs iets duidelijker nu de rotonde weggaat. (Schoorse) Zeedijk De historische (Schoorse) Zeedijk ligt in de huidige dijk. Zolang er geen sprake is van afgraving van de dijk, is er geen sprake van verdere aantasting. Het landgedeelte van de Schoorse Zeedijk (bij de knik in de huidige dijk) wordt voor een deel opgenomen in het nieuwe ruimtebeslag van de dijk die naar de WillemAnnapolder loopt. De verstoring is beperkt. Dijk Willem-Annapolder Bij de dijk van de Willem-Annapolder (landelijke gebied) vindt geen verlegging plaats, maar uitbreiding van de dijk. De historische dijk wordt daarmee niet vernietigd, maar versterkt.

91 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Historische (steden)bouwkundige elementen De gebouwde elementen van de sluis zijn van belang als historisch-bouwkundige elementen en ook geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Zij hebben echter grote samenhang met de historische geografie en zijn daar beschreven. In of nabij het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Wel zijn er nog enkele andere waardvolle of kenmerkende historisch-bouwkundige elementen te vinden. Een opvallend element is het woonhuis aan de Lange Geer 25, voornamelijk vanwege de karakteristieke gevel. Dit is ook een MIP-object. Daarnaast is het terrein van het bedrijf ‘Van der Straaten’ een voormalig scheepswerf uit het begin van de 20e eeuw. Dit is eveneens een MIP-object. Het terrein en de gebouwen zijn niet meer in gebruik als scheepswerf, maar een oude loods uit circa 1917 is nog aanwezig. De loods is grotendeels gemoderniseerd, ook qua uiterlijk, en nauwelijks nog als oude loods herkenbaar. Het gemaal aan de Schoorse Zeedijk is een poldergemaal uit 2015 en daarmee niet van historisch belang.

4.7.3

Conclusie

In het plangebied blijven de historische dijkstructuren onder de huidige dijk behouden. Enkele historischgeografische elementen (historische sluis, dijkrestanten) worden aangetast. Vanwege de ruimtelijke inpassing van de dijkversterking en de toekomstige verkeersveiligheid wordt het noordelijke muurtje van de Oostsluis geamoveerd tot 1,5 meter uit de kantverharding. De beschreven historisch (steden)bouwkundige elementen bevinden zich buiten het ruimtebeslag. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.8

Archeologie

Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingplan moet inzicht in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving zijn verkregen. Tevens wordt in kaart gebracht wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening moet worden gehouden.

4.8.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2021 een overgangsregeling opgenomen. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien er sprake is van een hoge trefkans of indien het plangebied niet is gekarteerd.

4.8.2

Resultaten

Bureauonderzoek Het archeologisch bureauonderzoek (bijlage II achtergrondrapport MER fase 2) wijst uit dat er geen archeologische monumenten, vindplaatsen of vondstmeldingen in het plangebied geregistreerd staan. Ook zijn in de omgeving van het plangebied geen gemeentelijke vindplaatsen bekend. Op drie locaties zijn mogelijk nog resten van 16e/17e-eeuwse verdedigingswerken aanwezig: huisplaats ‘Smoors doot quartier’

92 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

en twee redoutes. De resten hiervan zitten in de ondergrond en waarschijnlijk voor een groot deel onder het huidige dijklichaam. Van de genoemde objecten is buiten niets meer zichtbaar. De genoemde werken bevinden zich langs de Schoorse Zeedijk, ter hoogte van de Boomdijk, Steenweg en ter hoogte van de Eeweg. In het archeologisch bureauonderzoek is een specifiek archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op onderstaande afbeelding is deze te zien.

Afbeelding 4.17 Advieskaart dijkversterking Hansweert

Verkennend booronderzoek Vastgesteld is dat de voorgenomen dijkversterking in de deeltrajecten 2-6 en de maatwerklocaties 3 en 5 mogelijk leiden tot verstoring van de te verwachte archeologische waarden. Om die reden heeft vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek en een oppervlaktekartering plaatsgevonden. Dit onderzoek is uitgevoerd om vast te stellen of in genoemde deeltrajecten archeologische resten te verwachten zijn, en of deze bedreigd worden door de voorgenomen dijkversterking. Dit verkennend booronderzoek is bijgevoegd als bijlage VI en de belangrijkste resultaten zijn hier weergegeven. Op basis van de resultaten van het booronderzoek en de oppervlaktekartering kunnen 6 zones worden gedefinieerd waarin sprake is van een hoge verwachting voor archeologische resten (zone A t/m F). Geadviseerd wordt om de gebieden buiten de zones (inclusief de niet met grondboringen onderzochte locaties nabij Gemaal Schore en de Veerweg) vrij te geven op grond van de bijgestelde lage verwachting op

93 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

archeologische resten en/of de verstoorde aard van de archeologische lagen buiten de aangegeven zones (afbeelding 4.18 en afbeelding 4.19)

Afbeelding 4.18 Advieskaart voor het noordelijke deel van het onderzoeksgebied

94 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Afbeelding 4.19 Advieskaart van het zuidelijk deel van het onderzoeksgebied

In het verkennend booronderzoek is per zone met een hoge archeologische verwachting een specifiek advies opgesteld: - zone A: Omdat de geplande graafwerkzaamheden dieper plaats vinden dan 30 cm -mv en de geplande ophoging hoger is dan 3 m, worden mogelijk archeologische resten verstoord. Om verstoring van archeologische resten te voorkomen wordt een oppervlaktekartering uitgevoerd om vast te stellen of er oppervlaktevondsten aanwezig zijn. Indien hierbij vondsten worden aangetroffen dient er archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek plaats te vinden. Indien de veldkartering geen vondsten oplevert kan het gebied worden vrijgegeven; - zone B: Omdat de geplande ophoging hoger is dan 3 m, , worden mogelijk archeologische resten verstoord. Om verstoring van archeologische resten te voorkomen wordt vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek uitgevoerd; - zone C: Omdat de geplande graafwerkzaamheden dieper plaats vinden dan 30 cm -mv en de geplande ophoging hoger is dan 3 m, worden mogelijk archeologische resten verstoord. Om verstoring van archeologische resten te voorkomen wordt er vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek uitgevoerd; - zone D: Het voorkomen van intact, veraard veen geeft aan dat er kans is op het aantreffen van resten uit de Romeinse tijd.

Het betreft echter maar weinig boringen waarbinnen dit intacte veen is aangetroffen (4 van de 13 boringen in zone D). De verspreidde ligging van de aangetroffen zones met veraard veen maakt dat de informatiewaarde laag is. Derhalve kan zone D worden vrijgegeven; - zone E: Omdat de geplande graafwerkzaamheden dieper plaats vinden dan 30 cm -mv en de geplande ophoging hoger is dan 3 m, worden mogelijk archeologische resten verstoord. Om verstoring van archeologische resten te voorkomen wordt er vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek uitgevoerd; - zone F: Omdat de geplande graafwerkzaamheden dieper plaats vinden dan 30 cm -mv en de geplande ophoging hoger is dan 3 m, worden mogelijk archeologische resten verstoord. Om verstoring van archeologische resten te voorkomen wordt er vervolgonderzoek uitgevoerd. Indien dit vervolgonderzoek

95 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

proefsleuven betreft is het met het oog op efficiëntie wijsheid om in deze zone rekening te houden met doorstart naar een opgraving. Vervolgonderzoek In gebieden met hoge verwachtingen waar om civieltechnische redenen geen vooronderzoek mogelijk was, worden civieltechnische graafwerkzaamheden onder archeologische begeleiding uitgevoerd. Elk onderzoek wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag, waarna deze een besluit neemt over het vervolgproces (vrijgeven, opgraven). Indien planaanpassing niet mogelijk is en vervolgonderzoek dient plaats te vinden wordt archeologisch maatwerk geleverd. In het geval van het graven van een sloot wordt een archeologische begeleiding voldoende geacht. In het geval van grotere bodemverstorende ingrepen vindt archeologisch vervolgonderzoek plaats in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Indien bij een proefsleuvenonderzoek waardevolle archeologische resten worden aangetroffen en deze door de voorgenomen ontwikkeling bedreigd worden, vindt opgraving plaats als vervolgstap. Beslissingen hieromtrent worden genomen door, en in overleg met (de adviseur archeologie van) de bevoegde overheid.

Wanneer bij de uitvoering van de werkzaamheden in de vrijgegeven zones onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen (toevalsvondsten), dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding online via ARCHIS of het vondstmeldingsformulier). De provincie Zeeland heeft daarvoor een loket bij Erfgoed Zeeland. In geval van toevalsvondsten werkt het Waterschap Scheldestromen, conform afspraak met de gemeenten, met de regeling ‘Plan van Aanpak Toevalsvondsten’.

4.8.3

Conclusie

Ter bescherming van de archeologische waarden zijn archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Voor deze dubbelbestemmingen geldt een vergunningenstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. In het kader van de dijkversterking is archeologie op basis van de beschreven onderzoeksresultaten voldoende beschermd. Voordat daadwerkelijke gestart wordt met grondroerende werkzaamheden wordt het archeologisch onderzoeksproces zoals beschreven doorlopen en ter goedkeuring voorgelegd. Proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd indien dat noodzakelijk is om de archeologische waarden in beeld te brengen. Vanuit het aspect archeologie zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.9

Landschappelijke inpassing

In dit project is er over het algemeen sprake van een verhoging en verbreding van de dijk, waarbij de versterking landinwaarts plaatsvindt. Dit leidt tot de ruimtelijke opgave om de dijk en de daarop aansluitende locaties en wegen opnieuw in te richten. Het doel van de nieuwe landschappelijke inrichting is een situatie terug te brengen die minstens zo mooi en gebruiksvriendelijk is als de bestaande situatie. In 2019 is het Ruimtelijk Kwaliteitskader dijkversterking Hansweert (RKK) opgesteld. Dit RKK is de leidraad geweest voor de uitwerking van de ruimtelijke opgaves in de stap van voorkeursalternatief tot inrichtingsplan. Het RKK beschrijft een ruimtelijke analyse van de situatie die tegen het licht wordt gehouden van de versterkingsopgave. Vervolgens is de stap naar integraliteit gemaakt door ook ruimtelijke aspecten mee te nemen. Deze zijn in een ruimtelijke ambitie verwoord en abstract getekend en vervolgens in ontwerpprincipes uitgewerkt. In mei 2020 is als aanvulling op het RKK een Inpassingsvisie opgesteld.

96 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

4.9.1

Toetsingskader

Ruimtelijke ambitie Een ruimtelijke ambitie is een gezamenlijk doel dat nagestreefd wordt. Het gaat daarbij om wat bereikt dient te worden en niet hoe iets eruit moet zien. De ruimtelijke ambitie dient als uitgangspunt van en inspiratie voor de ontwerpprincipes. De volgende algemene ruimtelijke ambities zijn voor de dijkversterking geformuleerd: - er is sprake van logica en herkenbaarheid in het dijkontwerp. De versterkte dijk past bij de Zeeuwse dijkentraditie; - constructies worden alleen toegepast ‘als het niet anders kan’; - de zeedijk is toegankelijk en de zee is zichtbaar (multifunctioneel gebruik en gastvrij); - bestaande bebouwing en bouwwerken worden gespaard; - de dijk is een verbinding, geen barrière. De dijk is toegankelijk, maar verstoring wordt voorkomen; - er worden materialen toegepast die mooier worden naarmate ze verouderen en het ontwerp wordt zorgvuldig gedetailleerd. De dynamiek van de zee wordt in de materialisatie en detaillering voelbaar en zichtbaar gemaakt; - houdt de ruimte groot; - de zeedijk sluit qua karakter aan bij het omringende landschap en de functionaliteit is ruimtelijk ‘leesbaar’; - laat de dijk de geschiedenis van het landschap vertellen; - versterk de verbroken verbinding van het dorp Hansweert met het buitenwater; - versterk de identiteit waar mogelijk. Integrale ontwerpprincipes In het RKK zijn 11 integrale ontwerpprincipes opgesteld.

Ze zijn de basis voor een integraal ontwerp waar technische en ruimtelijke aspecten bijeen komen. Deze ontwerpprincipes geven richting aan hoe een bepaalde oplossing ‘sober en doelmatig’ ontworpen kan worden. Dit gaat over de uitstraling en het karakter van het betreffende thema op een plek. Als alle ontwerpprincipes bij elkaar worden gevoegd zal dit de basis vormen voor een karaktervol en mooi dijkontwerp. De vormgeving en materialisering is daarvan de uitwerking. In de inpassingsvisie zijn er 10 aanvullende ontwerpprincipes toegevoegd om de stap naar het integrale ontwerp te vergemakkelijken en tevens de juiste diepgang te bereiken bij de uitwerking van de maatwerklocaties.

4.9.2

Resultaten

In navolging op de ruimtelijke ambitie en de integrale ontwerpprincipes is een inrichtingsplan opgesteld. De voornaamste ontwerpoplossingen uit het inrichtingsplan zijn hieronder beschreven. Landschapstype en -structuur De zeedijk zelf is de belangrijkste landschappelijke structuur. Er vinden wijzigingen plaats aan het profiel: - dijksectie 1 aansluiting sluizencomplex Hansweert: De aansluiting op het Sluizencomplex Hansweert bestaat uit een nieuw aan te brengen grondlichaam; - dijksectie 2 kanaalzone: de dijk wordt vierkant versterkt en in het noordelijke en zuidelijke gebied binnen het huidige profiel. Er is in de bestaande situatie sprake van een kreukelberm aan de buitenzijde, waardoor er weinig ruimtebeslag is. Op het tussenliggende deel is er wel binnendijks ruimtebeslag buiten het huidige dijkprofiel. Dit heeft een negatief effect op historische geografie, maar niet zozeer op de landschappelijke structuur van de dijk. Het profiel wordt eenduidiger; - dijksectie 3 slibdepot: de dijk wordt naar buiten toe versterkt. De kruin wordt breder, maar het kenmerkende zeedijkprofiel wordt toegepast. Binnendijks en buitendijks wordt op een ‘zachte wijze’ met elkaar verbonden; - dijksectie 4 dorpsrand Werfdijk: het huidige profiel blijft behouden, maar er komt een muurtje op de dijk.

Het muurtje is niet kenmerkend voor een zeedijk, maar de dijk behoudt zo wel een groen uiterlijk aan de binnendijkse zijde;

97 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

-

-

dijksectie 5 dorpsrand Zeedijk: hier vindt een binnendijkse versterking plaats, grotendeels in grond. Aan de buitenzijde blijft de kreukelberm. Tussen Pluimpot en Mastgat is binnendijks sprake van een berm en een damwand. Het profiel is grotendeels kenmerkend voor een zeedijk; dijksectie 6 landelijk gebied: hier komt een binnenwaartse dijkverhoging met binnenberm. De binnenberm is niet kenmerkend voor een zeedijk; dijksectie 7 overgang naar traject 30-03: In dijksectie 7 is gekozen voor een binnenwaartse dijkverhoging met binnenberm. De binnenberm is niet kenmerkend voor een zeedijk.

Het ontwerp heeft een goede lijnvoering en continuïteit van de dijk als geheel is geborgd doordat het bovenste deel van het binnentalud steiler is dan het buitentalud. De kruin heeft een vaste breedte van 3 meter. Zonder uitzondering bestaat het gehele talud van de dijk aan de binnenzijde uit gras. Uitgangspunt is om verharding op het buitentalud een groene uitstraling te geven door voldoende open ruimte tussen de stenen te laten waarin begroeiing kan ontstaan. De dijkversterking is hoofdzakelijk uitgevoerd in grond. Alleen bij de Werfdijk wordt een zichtbare constructie toegepast. Verschillen in hoogte en breedte zijn over het algemeen toegepast voor een betere ruimtelijke inpassing. Het dijkprofiel wordt in lijn met de historische ontwikkeling op grote delen van het traject naar binnen versterkt. De historische bochten blijven scherp, waarbij de breedte van de kruin en het talud gelijk blijft aan het traject voor en na de bocht. Ruimtelijk-visuele kenmerken Buitendijks zijn er nauwelijks wijzigingen, en het waterlandschap wordt niet geraakt door de dijkversterking. Wat betreft bekleding is er wel een verschil met de referentiesituatie. Vanaf Werfdijk tot en met het landelijk gebied wordt het buitentalud tot aan de kruin verhard. Doel is dit talud een zachte begroeide uitstraling te geven. Dit is opgenomen in het inrichtingsplan.

Hierdoor blijft de groene uitstraling behouden. In Hansweert worden vooral bomenrijen en bosjes langs de dijk getroffen door de dijkversterking. Dit is het geval bij de Boomdijk en de dorpsrand. Vooral langs de dorpsrand Zeedijk staan grote bomen die niet zomaar vervangen zijn. Door het vernietigen van de bomen wordt de kenmerkende beslotenheid van dit gebied of kenmerkende bomenrijen doorbroken. In het inrichtingsplan is aangegeven dat nieuwe bomen in rijen terugkomen langs een centraal wandelpad en in een bosplantsoen bij het meest westelijke sportveld (zie afbeelding 4.20).

Afbeelding 4.20 Impressie parkzone vanaf Boomdijk richting woningen aan Pluimpot (Bron: inrichtingsplan)

In de dorpsrand is sprake van een grote ophoging van de dijk. De dijk wordt als zeer massief ervaren en geeft verdwerging van de woningen. De groenstrook langs de woningen wordt behouden en ook komen er bomen terug bij het wandelpad. Daarmee is het zicht op de dijk beperkt (zie ook afbeelding 4.20).

98 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

Vanaf de Veerweg tot aan de sportvelden wordt de parkzone als geheel ingericht. Een centraal pad, dat voor een groot gedeelte op de dijkberm ligt, is het verbindend element. Andere maatregelen om de lengte van het park te benadrukken zijn het verplaatsen van de keerlus van de bus (nieuwe rotonde) en het verwijderen en slim terugplaatsen van bomen en beplanting. Verspreid in de parkzone worden sport- en speelvoorzieningen teruggebracht. Rondom de vijver bij Pluimpot wordt de parkzone structureel aangepast met een nieuwe vorm van de vijver zodat het water weer een prominente plek krijgt in het park, er voldoende speelruimte is en de paden en beplanting goed aansluiten op de omgeving. Er is gekozen voor het ‘draaien’ van het westelijk voetbalveld en het compenseren van het verlies van het trapveld met een kunstgrasveldje van 20x35 meter. Om dit in te passen zal ook het oostelijk voetbalveld richting de parkeerplaats opschuiven. Langs de dijkberm en de bermsloot wordt een windsingel geplant. In overleg met de agrarische perceeleigenaren zijn de toegangsdammen aangepast ten opzichte van het ontwerp bestemmingsplan. Deze wijzigingen zijn meegenomen in het inrichtingsplan.

4.9.3

Conclusie

Landschappelijke inpassing is onderdeel geweest van het ontwerpproces. Met de uitwerking van de ruimtelijke ambitie en integrale ontwerpprincipes zijn ruimtelijke aspecten volwaardig meegenomen in het ontwerp van de kering bij Hansweert. De dijkverbetering is zorgvuldig landschappelijk ingepast en heeft daardoor geen negatief effect op de belevingswaarde van de dijk. Met de uitwerking in het inrichtingsplan is landschappelijke inpassing geborgd in de dijkversterking. Er zijn geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.10

Verkeer

4.10.1 Toetsingskader In het belang van een goede ruimtelijke ordening moet sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen.

4.10.2 Resultaten Voor het onderdeel verkeer is het van belang dat dezelfde functies van wegen worden teruggebracht en dat het buitendijkse bedrijfsterrein Van der Straaten goed bereikbaar blijft. Tevens wordt de verkeersveiligheid vergroot door gebruik te maken van de principes van ‘Duurzaam Veilig’ voor de weginrichting. Daarnaast wordt voor fietsers en voetgangers ruimte geboden binnen het landschap met als doel de verkeersveiligheid te vergroten en het aantal verkeersongevallen te reduceren. De dijkversterking heeft geen verkeeraantrekkende werking ten aanzien van gemotoriseerd verkeer. Op een aantal locaties wijzigt de verkeerskundige situatie. Deze wijzigingen worden hieronder besproken. Bereikbaarheid Van der Straaten Door de dijkversterking Hansweert wordt de dijk hoger en breder. Daardoor wordt de wegenstructuur die op en rond de dijk ligt aangepast. Voor het buitendijks gelegen Van der Straaten is de bereikbaarheid voor speciale transporten van essentieel belang. Voor de normale bedrijfsvoering maakt Van der Straaten gebruik van een tweetal poorten. Poort 1 (in groen aangeduid op afbeelding 4.21) wordt gebruikt als hoofdpoort voor het eigen materieel en voor leveranciers van materiaal.

Met behulp van simulaties is aangetoond dat met de versmalde Werfdijk de poort voor de gebruikelijke voertuigen toegankelijk is, zonder dat dit invloed heeft op de aanwezige parkeerstroken. Poort

99 | 120 Witteveen+Bos | 118115-3/21-018.198 | Definitief 05 (bestemmingsplan)

2 (rood) wordt gebruikt voor aan- en afvoer van grotere onderdelen en voor special transporten. Poort 2 is door de versmalling van de Werfdijk minder goed bruikbaar voor lengtetransport. Voor de speciale lengtetransporten wordt in de nieuwe situatie de oostelijke poort 3 (geel) gebruikt. Vanuit poort 3 is het mogelijk om zowel de huidige westelijke ontsluiting als de oostelijke ontsluiting te gebruiken.

Afbeelding 4.21 Locatie poort 1, 2 en 3 Van der Straaten

Schoorse Zeedijk De Schoorse Zeedijk is in de huidige situatie ingericht als een weg bedoeld voor de ontsluiting van de aan de weg gelegen landbouwpercelen, het gemaal en een tweetal windmolens. Tevens is deze weg bedoelt voor speciaal transport van het bedrijf Van der Straaten van- en naar de A58. Ook is de Schoorse Zeedijk een fietsroute voor schoolgaande jeugd richting Goes en in combinatie met het buitendijkse fietspad een onderdeel van een toeristische fietsroute (de fietsroute 514332). Vanwege de combinatie van een fietsroute voor schoolgaande jeugd, ontsluiting voor landbouwverkeer en speciale transporten wordt de weg ingericht met fietssuggestiestroken. De verkeersveiligheid neemt toe door een duidelijke fietsstrook op het wegdek en omdat de snelheid van het wegverkeer wordt gematigd door het visueel versmallen van het wegdek. Steenweg De nieuwe Steenweg komt direct ten oosten van het gemaal te liggen, en de huidige weg blijft als doodlopende weg liggen ten behoeve van de bereikbaarheid van de windturbine en aangrenzende percelen. De toegankelijkheid van de Steenweg blijft gelijk. Boomdijk De Boomdijk loopt vanaf de dijk tot in het centrum van Hansweert. Aan de dijk bevindt zich een rotonde waar het openbaar vervoer en vrachtverkeer keert om de route terug te rijden op de Boomdijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11174022/1