CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststelling bestemmingsplan Floraweg 8b inclusief bijlagen [10-4-2024] verkleind

Gemeenteraad 17 juni 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan Floraweg 8b, Roelofarendsveen.32.917 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

23

Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten vogels, amfibieën, grondgebonden zoogdieren en beschermde soorten vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen 8vrijgestelde9 soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte 8vrijgestelde9 soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond be-schermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.

Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Hiernaast geldt voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving de zorgplicht uit de Wnb. Om deze zorgplicht na te leven kunnen voorafgaand aan de werkzaamheden verschillende praktische richtlijnen gehanteerd worden: • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. • Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering. • Bij de bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat 9s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt. • Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren.

Aangetroffen schuilplekken worden zoveel mogelijk intact gelaten. • In gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Broedende vogels mogen niet worden verstoord. Activiteiten die verstorend zijn voor broedende vogels, zoals rooi- en sloopwerkzaamheden, dienen buiten de broedperiode te worden gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en eind augustus. Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet door een deskundig ecoloog worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. 4.2.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een ander beschermd natuurgebied. Rondom het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

24

Het meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is Kennemerland-Zuid op een afstand van minimaal 12 km. Andere stikstofgevoelige natuurgebieden die op vrijwel dezelfde afstand zijn gelegen betreffen Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Meijendel & Berkheide op een afstand van respectievelijk 13 en 14 km. In dit kader is door KuiperCompagnons een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Hierin is voor de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen de stikstofdepositie beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De notitie inclusief complete berekeningen is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden in zowel de aanleg- als de gebruiksfase van deze nieuwe woningen. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wnb niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. 4.3

Conclusie Op basis van de uitkomsten uit de ecologische quickscan kan worden gesteld dat negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten zijn uitgesloten. Uit van het uitgevoerde stikstofonderzoek blijkt daarnaast dat significant negatieve effecten op de instandhouding van stikstofgevoelige Natura 2000gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wnb niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

25

5

Water

5.1

Kader Nationaal Waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21 e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.

De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en is en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden.

Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Waterbeheerplan 5 2016-2021 Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het Waterbeheerplan 5 2016-2021 (WBP5) <Waardevol Water= vastgesteld. Hierin staat samen werken aan water staat centraal, zodat nu en in de toekomst in dit unieke deel van Nederland onder zeeniveau gewoond, gewerkt en gerecreëerd kan worden. Water is een maatschappelijke opgave en Rijnland wil, samen met zijn omgeving, werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Die toekomst wordt mede bepaald door trends in klimaat en maatschappij en de noodzaak om op duurzame wijze met onze omgeving om te gaan. De verwachte toename van neerslag en droogte, bodemdaling, Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

26

verzilting, zeespiegelrijzing en de verdergaande verstedelijking, leggen een steeds grotere druk op het watersysteem. De hoofdambitie is schoon en voldoende water en droge voeten. Dit wordt bereikt door: - Beschermen tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem door een aanpak in drie lagen (meerlaagsveiligheid): preventie, adviseren over het beperken van de gevolgen van overstromingen (gevolgbeperking), en voorbereiden op een calamiteit; - Zorgen voor schoon en gezond water dat past bij de verschillende functies in een gebied. - Optimaliseren van de verwerking van het afvalwater en hergebruiken van de grondstoffen uit afvalwater. - Zorgen voor voldoende water: niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik. Momenteel wordt gewerkt aan WBP6 voor de periode 2022-2027. Keur Rijnland 2020 en Uitvoeringsregels De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden. Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. Maar ook het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. In deze verordening zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen.

Het uitgangspunt van deze Keur is 8ja, tenzij9: in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald. Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden bij water en dijken. De Uitvoeringsregels kunnen een zorgplicht, een algemene regel en een beleidsregel bevatten. -

De zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico. In de algemene regel staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico. In de beleidsregel staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico, waarvoor een watervergunning nodig is.

Leggers Hoogheemraadschap van Rijnland In de Legger zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is. Voor alle wateren in het gebied is in de Keur aangegeven hoe breed en diep ze moeten zijn, en voor alle waterkeringen hoe hoog en hoe breed. Ook staat erin wie waar voor welk onderhoud verantwoordelijk is. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming heeft plaatsgevonden over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto9s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

27

5.2

Onderzoek Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende 8waterthema9s9, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema9s levert de watertoets op. Huidig watersysteem Afbeelding 5.1 toont een uitsnede van de legger oppervlaktewateren van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het plangebied wordt aan de noord-, zuid- en westzijde begrensd door oppervlaktewater. De watergangen aan de noord- en zuidrand vallen deels binnen het plangebied. De waterpartij ten westen van het perceel is aangeduid als primair water, en valt buiten het plangebied.

Afbeelding 5.1: Uitsnede legger oppervlaktewateren.

Het plangebied maakt onderdeel uit van de Veender- en Lijkerpolder buiten de bedijking. In deze polder wordt een zomerpeil van NAP -1,48 m en een winterpeil van NAP -1,52 m gehanteerd. Het overtollige water uit de polder wordt door middel van een gemaal afgevoerd naar het Braassemermeer. Het Braassemermeer is een onderdeel van de boezem van Rijnland en heeft een zomerpeil van NAP -0,61 m en een winterpeil van NAP -0,64 m. Waterkwantiteit Het plangebied is in de huidige situatie vrijwel geheel onverhard. De voorgenomen ontwikkeling leidt dan ook tot een toename van het verhard oppervlak. Bij een toename van verhard oppervlak wordt neerslag versneld afgevoerd. Om te voorkomen dat de versnelde afvoer in de toekomst tot overlast leidt dient de toename van verhard oppervlak gecompenseerd te worden door middel van waterberging. Het aanbrengen van meer dan 500 m² verharding is vergunningplichtig op grond van de Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het voorliggende plangebied is onderdeel van de ontwikkeling van Braassemerland, een groot woongebied aan de zuidzijde van Roelofarendsveen. De voorliggende ontwikkeling van woningbouw op het perceel aan de Floraweg 8b dient dan ook in samenhang met de Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

28

overige ontwikkelingen in het gebied beschouwd te worden. Omdat de toename van het verhard oppervlak als gevolg van de hele ontwikkeling van Braassemerland meer dan 10.000 m² bedraagt, bepaalt het Hoogheemraadschap van Rijnland de compensatieverplichting door middel van een maatwerkberekening. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat de compensatieverplichting voor heel Braassemerland 15% van de toename van het verhard oppervlak bedraagt. De compensatie dient gerealiseerd te worden binnen hetzelfde peilgebied. De inrichting van het watersysteem dient nader afgestemd te worden met het hoogheemraadschap. Volledigheidshalve wordt verwezen naar de watertoets die is uitgevoerd in het kader van het vigerende bestemmingsplan 8Braassemerland 20199 (NL.IMRO.1884.BPBRAASSEMERLAND-VAS1). Afbeelding 5.2 toont de verharde en onverharde oppervlaktes in het plangebied in de bestaande en toekomstige situatie. Deze oppervlaktes zijn samengevat in tabel 5.1. Hieruit blijkt dat de toekomstige bebouwing een extra verharding van circa 1.123 m2 betekent. Daarnaast worden er verhardingen aangebracht ten behoeve van de toegangsweg, paden en parkeerplaatsen. In totaal zal dit circa 2.567 m2 beslaan.

Afbeelding 5.2: Verharde en onverharde oppervlaktes in de bestaande (boven) en toekomstige (onder) situatie (bron: Van Schie Architecten, 6 december 2022).

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

29

Tabel 5.1: Overzicht oppervlaktes in de bestaande en toekomstige situatie (bron: Van Schie Architecten, 6 december 2022).

In de uitvoeringsregels bij de keur van het hoogheemraadschap is als algemene regel bepaald dat het aanbrengen van verharding moet worden gecompenseerd door het graven van compenserend wateroppervlak ter grootte van 15% van het oppervlak van de toename aan verharding (paragraaf 11.3 artikel 2). Daarbij is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het realiseren van alternatieve waterberging ter compensatie van de verharding (artikel 3). Daarvoor geldt een vergunningplicht volgens de voorwaarden van de beleidsregel in paragraaf 27.4. Daarnaast kan het college bij maatwerkvoorschrift afwijken van de compensatieplicht, onder andere voor tijdelijke verharding, lijnvormige verharding en verhardingen waarvan wordt geïnfiltreerd (artikel 5 sub a). In de toekomstige situatie, kan een deel van de aan te leggen verharding worden beschouwd als 8lijnvormige verharding9 en een deel als 8verharding waarvan wordt geïnfiltreerd9. Zoals te zien in afbeelding 5.2 vormen delen van de toegangsweg en paden lijnvormige verhardingen. Het gaat om verhardingen niet voorzien van hemelwaterafvoer, waarbij afstromend water direct kan infiltreren in de bodem in de naastgelegen onverharde stroken. Deze beslaan een oppervlak van circa 773 m 2. Daarnaast worden de toekomstige parkeerplaatsen uitgevoerd als verharding waarvan kan worden geïnfiltreerd.

Dit betreft circa 835 m2 halfopen verharding, waarbij water kan afstromen naar en infiltreren in de bodem. Uit de oppervlaktes in afbeelding 5.2 en tabel 5.1 volgt een totaal te compenseren oppervlak van 1.767 m2. Dit bestaat uit de nieuwe bebouwing (1.123 m2), en – met aftrek van de bestaande en uitgezonderde nieuwe verhardingen – te compenseren overige verharding (644 m2). Zoals te zien in tabel 5.2, resulteert een compensatieplicht van 15% in een watercompensatieopgave van 265 m2.

Tabel 5.2: berekening watercompensatie (bron: Van Schie Architecten, 6 december 2022).

De benodigde compensatie zal gedeeltelijk worden gerealiseerd door extra oppervlaktewater te graven. Zo wordt de watergang aan de noordzijde van het perceel uitgebreid met een vertakking die tot halverwege tussen de twee nieuwe gebouwen doorloopt. Verder richting het zuiden wordt de watergang middels een onderdoorgang onder de toegangsweg verbonden met de watergang langs de zuidrand Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

30

van het plangebied. Zoals te zien in de situatietekeningen in afbeelding 5.2, neemt het oppervlaktewater hiermee met 84 m2 toe. In de resterende compensatieopgave wordt voorzien door het aanleggen van een wadi, ten noorden van de toegangsweg aan de oostkant van het plangebied. In de uitvoering wordt rekening gehouden met de voorwaarden in de uitvoeringsregels van de keur, in afstemming met het hoogheemraadschap. Veiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een waterkering. Een smalle strook aan de westzijde van het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding, het beheer en de bescherming van onder andere waterlopen, waterpartijen, waterkeringen met een laag risiconiveau en onderhoudsstroken. Op deze gronden zijn geen ontwikkelingen voorzien, de bescherming van deze gronden zal ook in dit bestemmingsplan worden geborgd door het overnemen van de dubbelbestemming. Volksgezondheid Overstorten van vuilwater dient te worden voorkomen. Door het afkoppelen van hemelwater van de droogweerafvoer (DWA) worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico9s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Riolering De riolering wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem.

Hierbij wordt uitgegaan van een gescheiden rioolstelsel (stelsel waarbij vuilwater en hemelwater door gescheiden buizen worden afgevoerd). Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater leiden. Natte natuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op NNN-gebieden in de omgeving zijn daarmee uit te sluiten. Beheer en onderhoud Er zijn geen wateren en kunstwerken in het plangebied gelegen, die onder de onderhoudsverplichtingen vallen van het Hoogheemraadschap. Beheer en onderhoud van de riolering is in handen van de gemeente Kaag en Braassem. 5.3

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

31

6

Archeologie en cultuurhistorie

6.1

Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument <Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)=.

In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende <Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland= zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.

6.2

Onderzoek Archeologie In het vigerende bestemmingsplan 8Braassemerland 20199 kent het gebied geen archeologische dubbelbestemming. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Op grond van de cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland zijn er in het voorliggende plangebied geen cultuurhistorische waardevolle objecten of structuren aanwezig.

6.3

Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

32

7

Milieu

7.1

Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.

7.2

M.e.r.-beoordeling

7.2.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.

Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan milieueffecten. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-beoordeling of MER noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een MER. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 7.2.2 Afweging en conclusie De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).

Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (ruimschoots) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

33

Door de initiatiefnemer is in dit kader een 8aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling9 opgesteld, waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 3. Uit deze afweging van de verschillende aspecten blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling geen significant nadelige milieueffecten optreden. Deze effecten zijn weloverwogen beoordeeld. Nadelige effecten die eventueel en hooguit in beperkte mate optreden zijn te compenseren, en er is mogelijk ook sprake van positieve effecten. Maatregelen zullen worden uitgevoerd om negatieve effecten te beperken en positieve effecten te stimuleren. De geïnventariseerde effecten maken het opstellen van een MER of m.e.r.-beoordeling niet benodigd. Aan de hand van de aanmeldnotitie besluit het bevoegd gezag of er wel of geen m.e.r.-beoordeling of MER voor het initiatief wordt opgesteld (m.e.r.-beoordelingsbeslissing). Het vormvrije m.e.r.beoordelingsbesluit is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Daarnaast zijn in de voorgaande hoofdstukken en volgende paragrafen diverse omgevings- en milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn op het gebied van verkeer en parkeren, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit, bedrijven- en milieuzonering en externe veiligheid. 7.3

Bodemkwaliteit

7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

34

7.3.2 Onderzoek Door Terra Milieu is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies benoemd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de bodem verhogingen van koper, kobalt, kwik, molybdeen, lood en/of zink ten opzichte van de achtergrondwaarden wordt aangetroffen. In het grondwater wordt een verhoging van barium ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. De locatie kan daarom niet meer als onverdacht worden beschouwd, de resultaten van het bodemonderzoek geven echter geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Ter plaatse van de gedempte sloot is zintuiglijk in één boring (B20) sporen baksteen in de bovengrond aangetroffen. In de overige boringen zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Analytisch blijkt deze laag licht verontreinigd te zijn met kwik en lood. De ondergrond ter plaatse van de gedempte sloot is niet verontreinigd met een van de geanalyseerde parameters. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarden, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie.

Op basis van dit bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot de geplande nieuwbouw. Vanuit de resultaten bestaat geen noodzaak tot het uitvoeren van sanerende maatregelen. Er bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, met inachtneming van bovenstaande, dan ook géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie, alsmede de bestemmingsplanwijziging. Zowel de boven- als ondergrond zijn indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Op basis van deze indicatieve toetsing valt de bovengrond in de klasse Wonen en valt de ondergrond aan klasse Achtergrondwaarde. 7.3.3 Conclusie Het aspect bodem vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 7.4

Akoestische aspecten

7.4.1 Kader Wegverkeerslawaai Onderzoekszone Op grond van artikel 74 Wgh bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). Normstelling In het geval er nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen de zone van een weg, mag de geluidsbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

35

verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kaag en Braassem bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Reductie geluidsbelastingen wegverkeerslawaai Op grond van de verwachting dat de geluidproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidbelastingen op de gevels worden gereduceerd. Vanaf 1 juli 2012 moet worden gerekend met het vernieuwde 8Reken- en meetvoorschrift geluid 20129. (RMG 2012). De resultaten zijn, voor wegen met een rijsnelheid van 70 km/uur, in veel situaties 1 tot 2 dB hoger dan berekend met het oudere reken- en meetvoorschrift. Railverkeerslawaai Onderzoekszone en normstelling Op grond van hoofdstuk VII 8Zones langs spoorwegen9 Wgh en hoofdstuk 4 8Spoorwegen9 van het Bgh geldt een onderzoeksplicht voor spoorweglawaai. De breedte van de geluidzone langs spoorwegen is geregeld in artikel 1.3 van het Bgh en is gerelateerd aan het gebruik van de spoorweg. De zone langs de voor het plangebied relevante spoorlijn (Rotterdam – Schiphol) heeft een breedte van 600 m vanuit het hart van het spoor gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf. In afdeling 4.2 van het Bgh worden de grenswaarden vermeld met betrekking tot nieuwe situaties bij zones.

Hogere waardenbeleid gemeente Kaag en Braassem Voor de gemeenten die binnen het werkgebied van de Omgevingsdienst West-Holland vallen, waaronder Kaag en Braassem, is een hogere waarde beleid van toepassing. Dit beleid is vastgelegd in het rapport 8Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder9, van 4 maart 2013. Kort gezegd is in dit beleidsstuk vastgelegd onder welke voorwaarden kan worden meegewerkt aan het vaststellen van een hogere waarde. Daarbij zijn er enkele algemene en specifieke criteria met aanvullende voorwaarden gesteld voor het vaststellen van hogere waarden. 7.4.2 Onderzoek De nieuwe woningen liggen binnen de onderzoekszone van de rijksweg A4, de Alkemadelaan, de Braassemdreef, de Floraweg en de HSL. Op grond van de Wgh is om deze reden akoestisch onderzoek noodzakelijk. Aangezien de woningen niet binnen een gezoneerd industrieterrein liggen, is onderzoek naar dit aspect niet benodigd. KuiperCompagnons heeft in dit kader een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies benoemd. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat het verkeer op de rijksweg A4, de Alkemadelaan, de Braassemdreef en de HSL leidt tot een geluidsbelasting die hoger is dan voorkeursgrenswaarde.

Tevens wordt voor de rijksweg A4 de maximale ontheffingswaarde overschreden op de noord- en westgevel van de beide gebouwen. Op die plaatsen moet een dove gevel worden toegepast. Omdat het verkeer op de rijksweg A4, de Alkemadelaan en de HSL op dezelfde gevels een hogere geluidsbelasting veroorzaakt moeten aan al deze geluidsbronnen maatregelen worden toegepast om de geluidsbelasting significant te kunnen reduceren, waardoor deze maatregelen niet financieel doelmatig zijn. Omdat op de niet-dove gevels een geluidsbelasting resulteert die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde voor de rijksweg A4, de Alkemadelaan en de Braassemdreef moet een hogere Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

36

waarde worden vastgesteld. De benodigde hogere waarden zijn in de rapportage van het akoestisch onderzoek gepresenteerd. Uit een toetsing aan de voorwaarden uit het hogere waardenbeleid kan worden geconcludeerd dat het plan voldoet aan die voorwaarden. Zonder maatregelen is er bij de meeste woningen op de tweede en derde verdieping geen sprake van een geluidsluwe gevel. Voor alle woningen op de tweede en derde verdieping wordt ter hoogte van de slaapkamer, aan de gevel die georiënteerd is op de binnenzijde van het carré, een verdiepingshoge afscherming geplaatst die ertoe leidt dat ter hoogte van de slaapkamer sprake is van een geluidsluwe gevel. In de carrés wordt een gemeenschappelijke buitenruimte gerealiseerd die voor wegverkeerslawaai (cumulatief) grotendeels en voor railverkeerslawaai volledig geluidsluw is. Omdat de grootte van de woning beperkt is hoeven geen buitenruimtes te worden gerealiseerd zodat deze (geluidsluwe) gemeenschappelijke buitenruimte bovenwettelijk is. Vanwege de geluidsbelasting van de rijksweg A4 op de noord- en westgevel van beide gebouwen, is voor enkele woningen sprake van meer dan één dove gevel. De kavel bevindt zich in de nabijheid van rijksweg A4, waarbij de kavel schuin op de weg georiënteerd staat. Hierdoor komt het maatgevende verkeersgeluid schuin aan op het plangebied.

Dit resulteert erin dat op de noord- en westgevel het meeste geluid binnenkomt en dat deze gevels voornamelijk als dove gevels worden uitgevoerd. Het aanhouden van meer afstand tot de rijksweg is niet mogelijk omdat in dat geval een groot deel van de locatie niet kan worden bebouwd als uitgegaan zou worden van één dove gevel. Het bouwplan bestaat uit 75 appartementen voor werkende jongeren waarbij het oppervlak per woning beperkt is tot maximaal 50m2. Hierdoor bestaat het plan uit één- en tweekamerappartementen. Om zoveel mogelijk kwalitatieve geluidsluwe ruimte te creëren is het plan ontworpen met twee binnenhoven. De binnenhoven krijgen een groene inrichting om zo een optimaal woon- en leefklimaat te realiseren. De appartementen krijgen door deze indeling één gevel aan de buitenzijde en één aan de binnenzijde. De binnengevels zijn zo afgeschermd van de voornaamste geluidsbron dat aan de binnenzijde geluidsluwe gevels ontstaan. Het bouwvolume heeft hierdoor geluidsluwe gevels aan de binnenzijde en licht en vrij uitzicht aan de buitenzijde. Door de ligging ten opzichte van de rijksweg ontstaan er op de noordwesthoek van het gebouw een beperkt aantal appartementen met twee dove gevels. De meerwaarde van deze appartementen is echter dat zij door hun ligging aan meerdere kanten licht en vrij uitzicht behouden en aan de binnenzijde een geluidsluwe gevel.

Het laten vervallen van één dove gevel door het aanbrengen van een loze ruimte of een leidingschacht gaat ten koste van een deel van de lichtinval en het uitzicht. Een extra dove gevel is in deze situatie daarom eerder gewenst dan dat het een belemmering oplevert. Daarnaast zorgt het laten vervallen van een dove gevel voor extra kosten en gaat dit ten koste van het bouwvolume. De in het rapport van het akoestisch onderzoek aangegeven maatregelen (dove gevels, afgeschermde slaapkamergevels, de geluidsluwe gemeenschappelijke buitenruimte en de geluidscompensatie) zijn vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan (artikel 6.2). In het kader van het bestemmingsplan wordt een hogere waarde procedure doorlopen. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting en zal gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. De hogere waarden moeten zijn vastgesteld voordat het bestemmingsplan kan worden vastgesteld.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

37

7.4.3 Conclusie Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden door het verkeer op de rijksweg A4, Alkemadelaan en HSL. Hierom moeten hogere waarden worden vastgesteld. Uit het onderzoek blijkt dat kan worden voldaan aan de voorwaarden uit het hogere waardenbeleid. De daartoe te nemen maatregelen zijn in het rapport benoemd en in de regels van het bestemmingsplan geborgd. Daarnaast wordt door de rijksweg A4 de maximale ontheffingswaarde overschreden op de noord- en westgevel van beide gebouwen. Op deze plaatsen moet een dove gevel worden toegepast. Het Besluit hogere waarden is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. 7.5

Luchtkwaliteit

7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3.

In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 7.5.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

38

In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 75 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daardoor is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In afbeelding 7.1 zijn deze concentraties weergegeven voor het jaar 2020, afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2021.

Afbeelding 7.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, jaar 2020 (NSL-monitoringstool 2021).

Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 20,0 µg/m3, 16,6 µg/m3 en 8,7 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6,0, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. Op grond van de wettelijke eisen uit de Wet milieubeheer en de normen uit het NSL vormt de luchtkwaliteit zodoende geen belemmering voor het plan. Gezien de beoogde realisatie van woningen in de omgeving van drukke wegen heeft de GGD geadviseerd over de ontwikkeling. Met de toekomstige inrichting van het plangebied wordt hier gedeeltelijk rekening mee gehouden. Zo wordt in ieder geval voldaan aan de door de GGD geadviseerde afstand van 50 m tot drukke lokale wegen (Alkemadelaan en Braassemdreef), en ligt het plangebied buiten de zone van 100 m tot een snelweg (circa 180 m) waarin de GGD woonfuncties sterk afraadt. Gezien de geconstateerde concentraties stoffen die ruim onder de grenswaarden liggen wordt de luchtkwaliteit aanvaardbaar geacht. Bovendien is de trend dat in de toekomst de emissies en achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor ook geen overschrijdingen van de grenswaarden te verwachten zijn.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

39

7.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 7.6

Milieuzonering

7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 8Bedrijven en milieuzonering9 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. 7.6.2 Onderzoek In de omgeving van het plangebied zijn, naast (bedrijfs-)woningen, verschillende bedrijven/inrichtingen aanwezig en/of bestemd in het vigerende bestemmingsplan. Om deze reden is het gebiedstype aan te merken als 8gemengd9. Ten noordwesten van het plangebied ligt een kantoorbestemming. Uit de VNG-handreiking blijkt dat deze bestemming een richtafstand van 10 meter kent. Gereduceerd blijft hier een richtafstand van 0 meter over. Deze bestemming zorgt dan ook niet voor belemmeringen. Ten zuidwesten van het plangebied ligt het 8Bedrijventerrein A49. Op dit bedrijventerrein zijn verschillende milieucategorieën toegestaan en is er sprake van inwaartse zonering.

Aan de rand van het terrein is maximaal categorie 3.1 toegestaan en centraal op het terrein is bedrijvigheid tot maximaal categorie 4.2 mogelijk. De afstand van het plangebied tot het bedrijventerrein is 70 meter. Voor categorie 3.1 geldt een gereduceerde richtafstand van 30 meter en daaraan wordt voldaan. Voor de categorieën 3.2, 4.1 en 4.2 gelden gereduceerde richtafstanden van respectievelijk 50, 100 en 200 meter. De feitelijke afstanden bedragen 98, 150 en 250 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden, en vormt dit bedrijventerrein dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten zuiden van het plangebied ligt de bestemming 8Agrarisch – Glastuinbouw9. Op het aan deze zijde aangrenzende perceel (Floraweg 10) is glastuinbouw (kwekerij) aanwezig. Een 8tuinbouwbedrijf met bedrijfsgebouwen9 en 8kassen met gasverwarming9 vallen onder milieucategorie 2, waarbij in 8gemengd gebied9 een richtafstand van 10 meter vanaf de gebouwen geldt. Aan deze richtafstand wordt voldaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de bedrijfsvoering van de kwekerij nader beschouwd. De volgende potentiële hinderbronnen zijn te onderscheiden: - de overige installaties van de kassen; - de laad- en losactiviteiten van de kassen; - lichtuitstraling vanuit de kassen; - het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

Op deze vier potentiële hinderbronnen wordt achtereenvolgens ingegaan. Ketelhuizen en overige installaties Ter plaatse van de aangrenzende kwekerij (Floraweg 10) zijn twee ketelhuizen aanwezig. Hierin zijn verwarmingsketels opgesteld. Een ketel wekt warmte op, die vervolgens via transportleidingen naar de kassen wordt gebracht. Het betreft hier verwarmingsketels en geen WKKinstallaties (warmtekrachtkoppeling) waarbij naast warmte ook elektriciteit geproduceerd wordt. Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

40

De geplande woningen staan op ongeveer 10 meter van de bestaande kassen. Voor de geluiduitstraling van de ketelhuizen die aan de noordzijde van het kassencomplex zijn gelegen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat met maatregelen aan de geluidsvoorschriften kan worden voldaan. Deze maatregelen zijn geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van het doen van onderzoek naar laag frequentiegeluid. Verder is een condensor aanwezig bij de inrichting. Deze condensor bevindt zich op circa 70 meter afstand. Gezien de grote afstand en de afscherming van de tussengelegen kassen wordt van deze installatie geen belemmering verwacht. Laad- en losactiviteiten Op basis van recente luchtfoto9s (bron: Pdok) blijkt dat de laad- en losactiviteiten van de kassen plaatsvinden aan de oostzijde van de aanwezige bedrijfswoning aan de Floraweg 10. De afstand tot deze laad- en losplaats bedraagt circa 105 meter (zie afbeelding 7.2). Gezien de grote afstand tot de toekomstige woningen en gezien de aanwezige afscherming van de losplaats, leidt dit aspect niet tot belemmeringen. Daarnaast zijn op kortere afstand van deze losplaats reeds woonbestemmingen aanwezig, die bepalend zijn voor de activiteiten die ter plaatse verricht kunnen worden.

Lichtuitstraling Bij kassen is in het bijzonder het aspect assimilatiebelichting van belang. Hiervoor zijn in het Activiteitenbesluit specifieke regels opgenomen. Zo is onder meer in art. 3.59 bepaald dat vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang de gevel van een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast op een zodanige wijze moet zijn afgeschermd dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95% wordt gereduceerd en dat de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn. Aan deze regels moet worden voldaan, ongeacht de ontwikkeling. In de kassen ter plaatse van de Floraweg 10 wordt geen assimilatiebelichting toegepast, waardoor dit aspect niet tot belemmeringen leidt. Bestrijdingsmiddelen Wat betreft het gebruik van bestrijdingsmiddelen is sprake van handmatige bespuiting met behulp van een spuitwagen of machinale bespuiting door middel van een spuitboom in de kas. Planten worden over het algemeen in de kasruimte gespoten en de drift die daarbij ontstaat is, in het kader van een eventueel aan te houden spuitzone, niet relevant door de afscherming van de kas. Daarbij bevinden te openen delen zich niet in de zijwand aan de kant van het plangebied, en ligt er bovendien een sloot tussen de kassen en het plangebied.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

41

Afbeelding 7.2: Afstand tot potentiële hinderbronnen

Op basis van bovenstaande kan worden gesteld dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbare situatie gewaarborgd is, en het bedrijf door de ontwikkeling niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd wordt. 7.6.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. 7.7

Externe veiligheid

7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico9s, transportrisico9s en risico9s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.

Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

42

betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. 7.7.2 Onderzoek Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in de omgeving aanwezig: • Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijkswegen A4 en A44. Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied van GF3 (LPG) is 355 meter en het invloedsgebied van toxische stoffen is meer dan 4.000 meter. De bebouwing in het plangebied ligt op circa 190 tot 270 meter ten zuidoosten van de Rijksweg A4 en bevindt zich daarmee deels net binnen het verantwoordingsgebied, waardoor het groepsrisico beoordeeld dient te worden. Tevens bevindt het plangebied zich binnen de invloedsgebieden voor GF3 en toxische stoffen. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid'. Gezien de grote afstand van het plangebied tot de weg is door middel van de vuistregels uit de Handleiding Risico-analyse Transport (HART) inzichtelijk gemaakt of een berekening van het groepsrisico achterwege kan blijven.

Vervoersaantallen De rijksweg A4 is opgenomen in het Basisnet weg. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de gevaarlijke stoffen die ter hoogte van het plangebied over de A4 vervoerd worden. Deze cijfers zijn afkomstig uit Regeling Basisnet.

Stofcategorie LF1 LF2 LT1 LT2 LT3 GF1 GF2 GF3 GT3 GT4

Invloeds- transporten wegvak Z6: gebied Knooppunt Burgerveen – afrit 6a (Zoeterwoude Rijndijk) 45 45 730 880 >4000 40 280 355 560 >4000

4.312 17.457 131 260 131 0 0 2.162 0 0

Tabel 7.1: Transporthoeveelheden en invloedsgebieden gevaarlijke stoffen Rijksweg A4.

PR contour en PAG De rijksweg A4 heeft geen PR 10-6 contour en maar wel een PAG. Het plangebied is ruim buiten het PAG gelegen, waardoor dit geen belemmering vormt. Groepsrisico De hoogte van het groepsrisico is inzichtelijk gemaakt op basis van de vuistregels uit de HART, routetype autosnelweg. Het dichtstbijzijnde gedeelte van het bouwvlak ligt 190 meter van de rand van de weg af en 220 meter van de as van de weg. Aan beide zijden van de rijksweg is het gebied bebouwd, waardoor getoetst is aan de drempelwaarden GF3-vervoer voor overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde,

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

43

autosnelweg, tweezijdige bebouwing 1. Hieruit blijkt dat 10% van de oriëntatiewaarde bij een vervoersaantal van 2.162 transporten GF3 en een afstand van 200 meter tot de as van de weg pas overschreden wordt bij een bevolkingsdichtheid van meer dan 400 aanwezigen per hectare. De omgeving van het plangebied bestaat uit bedrijventerreinen, kassengebieden, agrarisch gebied en lintbebouwing waardoor de bevolkingsdichtheid veel lager is dan 400 aanwezigen per hectare. Voor bedrijventerreinen wordt doorgaans uitgegaan van een gemiddelde maximale dichtheid van 80 personen per hectare. Voor kassengebieden, agrarisch gebied en lintbebouwing is de gemiddelde dichtheid zelfs nog lager. Op basis hiervan kan geconcludeerd kunnen worden dat geen overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde plaatsvindt langs dit deel van de A4, waardoor een berekening met RBMII achterwege kan blijven en het groepsrisico geen belemmering vormt.

Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Het advies van de Veiligheidsregio Hollands Midden met betrekking tot de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is in deze paragrafen verwerkt. Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte is rekening gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. Het plangebied wordt omsloten door water, waardoor het plangebied slechts via een ontsluiting aan de oostzijde bereikbaar is. Om de bereikbaarheid van hulpdiensten voor het westelijk woonblok zo goed mogelijk in te richten is het fietspad aan de zuidkant van het plangebied ook bestemd voor hulpdiensten. Daarbij wordt de T-splitsing tussen de beide woonblokken gezien als keermogelijkheid. In de uitwerking zal rekening worden gehouden met de afmetingen om een brandweervoertuig te kunnen laten steken. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden.

In de nadere uitwerking van bouw- en inrichtingstekeningen zal een voorstel voor de positionering van brandkranen en eventueel andere bluswaterwinmogelijkheden (inclusief gereserveerde opstelplaats van het brandweervoertuig) worden gedaan en voorgelegd aan de Veiligheidsregio Hollands Midden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat een NL-Alert wordt ingezet. De meest nabijgelegen WAS-paal ligt op 1650 meter. Regulier wordt voor de sirene een dekkingscirkel van 800 meter aangehouden. Gezien de ontwikkelingen van het NL-alertsysteem en daarmee op termijn de afschaffing van de WAS-palen wordt door de veiligheidsregio niet geadviseerd alsnog een WAS-paal voor dit gebied te voorzien. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het plangebied ligt buiten de veiligheidszone als bedoeld in het Bouwbesluit 2012. Verder heeft het plan betrekking op de realisatie van kwetsbare objecten die gelegen zijn buiten een veiligheidszone. Artikel 2.10 van de Regeling Bouwbesluit is daarom niet van toepassing op het plan. Om de tijd te vergroten

1

Handleiding Risicoanalyse Transport, Bijlagen versie 1.2, RIVM Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

44

dat bij een eventuele calamiteit met gevaarlijke stoffen op de A4 waarbij giftige dampen vrijkomen de bewoners veilig kunnen schuilen in de bebouwing binnen het plangebied, is het echter toch van belang dat ramen en deuren gesloten worden en de aanwezige mechanische ventilatiesystemen uitgeschakeld worden. In artikel 9.7 van de regels van dit bestemmingsplan is daarom geborgd dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen pas mag worden verleend indien in voldoende mate is aangetoond dat het gebouw wordt voorzien van een afsluitbare mechanische ventilatie, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen bij calamiteiten. Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een koop/huurcontract kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico9s gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Voor de voorlichting kan gebruik gemaakt worden van de website https://hollandsmiddenveilig.nl/wat-kan-ikdoen/ken-de-risicos. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Alle LPG-tankwagens in Nederland zijn voorzien van een hittewerende bekleding. De uitvoering en de keuring van de hittewerende bekleding is geregeld in de NTA 8820:2015.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=183d234f-e5d9-4913-9168-f42dfee4eb6d