CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststelling bestemmingsplan Floraweg 8b inclusief bijlagen [10-4-2024] verkleind

Gemeenteraad 17 juni 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan Floraweg 8b, Roelofarendsveen.32.917 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Gemeente Kaag en Braassem

Bestemmingsplan “Floraweg 8b” Vaststelling

621.143.10 KUIPERCOMPAGNONS Datum: Mei 2024

GEMEENTE KAAG EN BRAASSEM

Bestemmingsplan “Floraweg 8b”

TOELICHTING, REGELS, VERBEELDING

werknummer 621.143.10 datum Mei 2024 bestand J:\621\143\10\3.projectresultaat

Procedureoverzicht Fase

Datum

Ontwerp

Juni 2023

Vaststelling

Mei 2024

TOELICHTING

Inhoudsopgave van de toelichting 1.

Inleiding

1

1.1 Aanleiding en doel van het plan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Leeswijzer

1 1 2

2.

3

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie plangebied 2.2 Ontwikkelingen 2.3 Juridische aspecten

3 4 8

3.

Ruimtelijke Ordening

11

3.1 3.2 3.3 3.4 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie

11 12 17 18 20

4

Natuur en landschap

21

4.1 Kader 4.2 Onderzoek 4.3 Conclusie

21 22 24

5

Water

25

5.1 Kader 5.2 Onderzoek 5.3 Conclusie

25 27 30

6

31

Archeologie en cultuurhistorie

6.1 Kader 6.2 Onderzoek 6.3 Conclusie

31 31 31

7

Milieu

32

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8 7.9

Algemeen M.e.r.-beoordeling Bodemkwaliteit Akoestische aspecten Luchtkwaliteit Milieuzonering Externe veiligheid Overige belemmeringen Duurzaamheid

32 32 33 34 37 39 41 45 45

8

Uitvoerbaarheid

47

8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.3 Handhavingsaspecten

47 47 48

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10

Van der Goes en Groot (18 november 2021) Toetsing in het kader van de natuurwetgeving KuiperCompagnons (21 november 2023) Stikstofdepositie-onderzoek KuiperCompagnons (16 juni 2023) Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Terra Milieu (25 november 2021) Verkennend bodemonderzoek [21-271VBO] KuiperCompagnons (20 juni 2023) Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Memo Parkeren Jongerenhuisvesting (23 november 2022) Besluit hogere waarden Besluit vormvrije m.e.r.- beoordeling (19 juli 2023) KuiperCompagnons (15 maart 2024) Akoestisch onderzoek kwekerij Floraweg 10 Nota van beantwoording zienswijzen

1

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel van het plan Aanleiding Stichting Huisvesting Werkende Jongeren heeft het voornemen om in totaal 75 studio9s en appartementen voor lokale werkende jongeren te realiseren, ter plaatse van het perceel tussen Floraweg 8 en Floraweg 10 te Roelofarendsveen. Om dit initiatief te kunnen realiseren is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan vormt een passend nieuw planologisch kader voor deze ontwikkeling. Doel De ontwikkeling past niet binnen de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan. Met dit nieuwe bestemmingsplan wordt de gewijzigde opzet in juridisch-planologische zin mogelijk gemaakt.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Floraweg, ten zuidwesten van Roelofarendsveen. De locatie bevindt zich ten oosten van de A4 en ten westen en zuiden van de Braassemdreef. Het perceel is circa 4.300 m2 groot en is in gebruik als braakliggend grasland. Het plangebied wordt grofweg begrensd door: - woonbebouwing aan de noordzijde; - de Braassemdreef en de Floraweg in het oosten; - een watergang aan de westkant; - glastuinbouw aan de zuidzijde.

Afbeelding 1.1: Globale ligging plangebied

De exacte ligging van het plangebied is weergegeven op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding. Afbeelding 1.1 toont de globale ligging van het plangebied in de omgeving. Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

2

1.3

Leeswijzer Deze toelichting is als volgt ingedeeld. In dit hoofdstuk, hoofdstuk 1, zijn een aantal algemene planaspecten opgenomen. In hoofdstuk 2 vindt de planbeschrijving plaats en wordt tevens een toelichting gegeven op de bestemmingsmethodiek. Hoofdstuk 3 tot en met 7 vormt feitelijk de achterliggende onderbouwing voor de wijziging en gaat in op, onder andere, ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, mobiliteit, natuur en landschap, water, archeologie en cultuurhistorie en milieu. Ten slotte wordt in hoofdstuk 8 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aangetoond en wordt ook ingegaan op het overleg- en inspraaktraject.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

3

2.

Planbeschrijving

2.1

Bestaande situatie plangebied In het huidige Roelofarendsveen domineren de naoorlogse woonwijken en bedrijventerreinen. Naast deze planmatig ontwikkelde gebieden heeft Roelofarendsveen echter tevens een aantal (historische) bebouwingslinten. Deze linten bepalen door de ligging, ruimtelijke opzet en historie voor een groot deel de identiteit van Roelofarendsveen. De Floraweg heeft een geheel ander karakter dan de andere bebouwingslinten binnen de gemeente. Dit komt doordat de bebouwingsdichtheid beperkt is en het landschap en glastuinbouw de boventoon voeren. In het lint komen vrijwel alleen vrijstaande woningen voor. Deze woningen staan op grote kavels die weer afgewisseld worden met watergangen en open weides en glastuinbouw. Naast watergangen komen ook enkele grotere waterplassen voor in het gebied. Deze waterplassen zijn het resultaat van het afgraven van grond ten behoeve van het ophogen van de nog bestaande percelen. Het lint is oorspronkelijk bedoeld als ontsluitingsweg voor de verschillende tuindersbedrijven. In de loop der jaren zijn onder meer vanwege schaalvergroting en bedrijfsbeëindiging diverse reguliere woonbestemmingen aan het lint toegevoegd. Het plangebied bestaat momenteel uit agrarisch grasland en is onbebouwd.

Afbeelding 2.1: Impressie bestaande situatie plangebied

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

4

Vigerend bestemmingsplan Voor de planlocatie vigeert het bestemmingsplan 8Braassemerland 20199 (vastgesteld op 25 juli 2019). Het plangebied kent hierin grotendeels de enkelbestemming 8Groen9. Een deel van de bestemming 8Water9 aan de noordrand van het plangebied valt binnen het kadastrale perceel en daarom ook in dit plangebied. Daarnaast kent een smalle strook aan de westzijde van het plangebied momenteel de dubbelbestemming 8Waterstaat – Waterstaatkundige functie9. Aan de zuidzijde valt een smalle strook van het kadastrale perceel (3204) binnen het bestemmingsplan 8Geestweg en Floraweg9 (vastgesteld op 13 mei 2013). Deze strook is bestemd als 8Agrarisch – Glastuinbouw9, maar behoort in de feitelijke situatie niet tot het naastgelegen agrarische bedrijfsperceel. De kadastrale grens loopt halverwege de watergang tussen de beide percelen. Omdat de voorziene ontwikkeling niet past binnen het geldende bestemmingsplan wordt met dit voorliggende bestemmingsplan een nieuw juridisch-planologisch kader opgesteld.

Afbeelding 2.2: Vigerende planologische situatie (in rood de globale begrenzing).

2.2

Ontwikkelingen

2.2.1 Programma De Stichting Huisvesting Werkende Jongeren (SHWJ) heeft het voornemen om op het perceel in totaal 75 nieuwe woningen te realiseren, gericht op lokale werkende jongeren. Het programma bestaat uit een combinatie van studio9s en appartementen in verschillende typen. Er zijn 43 studio9s voorzien met een oppervlakte tot 35 m2 go (type A), en 32 studio9s/appartementen tot 50 m2 go (type B, C en D). Daarnaast wordt een gezamenlijke binnenruimte gerealiseerd met een oppervlakte van circa 30 m 2 bvo. Ook is een oppervlakte van 160 m2 bvo ingeruimd ten behoeve van bergruimte, fietsenstalling en technische ruimte. Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

5

Afbeelding 2.3 toont de situatietekening van de beoogde ontwikkeling. De woningen zijn verdeeld over twee appartementengebouwen. Het westelijke gebouw bestaat uit 42 appartementen, in het oostelijke gebouw worden 33 appartementen gerealiseerd. De twee gebouwen bestaan uit maximaal vier bouwlagen, in een carrévorm gesitueerd rondom een binnenplaats. De binnenplaatsen zijn bereikbaar via twee doorgangen in de bebouwing aan de oost- en westkant. Aan de oostzijde van het perceel zijn parkeerplaatsen voorzien, met een parkeerterrein en langsparkeerplaatsen evenwijdig aan de Braassemdreef en toegangsweg tot het perceel. De locatie wordt ontsloten door de momenteel onverharde toegangsweg richting de Floraweg 8 (ten noorden van het plangebied). Deze sluit in oostelijke richting aan op de Floraweg. De nieuwe parkeerplaatsen sluiten hierop aan. Langs de zuidrand van het plangebied loopt daarnaast een ontsluiting voor langzaam verkeer, die aansluit op het fietspad langs de Braassemdreef. Deze dient tevens als toegangsweg ten behoeve van hulpdiensten.

Afbeelding 2.3: Situatietekening toekomstige situatie (bron: Bouwteam P&O, december 2022).

De appartementengebouwen zijn opgebouwd uit verspringende bouwvolumes met afwisselend drie en vier bouwlagen. De bebouwing wordt afgedekt met zadeldaken, deels voorzien van dakkapellen. Afbeeldingen 2.4 en 2.5 tonen een impressie van de bouwvolumes en gevelaanzichten van de beoogde bebouwing.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

6

Afbeelding 2.4: Impressie toekomstige bebouwing, noord- en zuidgevel (bron: Van Schie Architecten, 7 december 2022).

Afbeelding 2.4: Impressie toekomstige bebouwing, oost- en westgevel (bron: Van Schie Architecten, 7 december 2022).

2.2.2 Verkeersgeneratie en parkeren Parkeren In de 8Nota parkeernormen 20189 (op 15 maart in werking getreden) van de gemeente Kaag en Braassem zijn parkeernormen opgenomen voor het bepalen van de parkeerbehoefte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en functiewijzigingen. Daarbij is onderscheid gemaakt in verschillende categorieën functies. Voor zover een bepaalde functie niet genoemd is wordt gemotiveerd gekozen voor de best passende parkeernorm, waarbij de landelijke CROW-richtlijnen worden toegepast. Indien dit niet mogelijk is dient een parkeeronderzoek te worden uitgevoerd. De gemeente Kaag en Braassem wordt als weinig stedelijk aangemerkt. Het plangebied ligt volgens de gebiedsindeling binnen de 8rest bebouwde kom9. De beoogde ontwikkeling bestaat uit jongerenhuisvesting, klein van opzet met een oppervlakte variërend tussen 35 en 50 m 2. Deze ontwikkeling is niet eenduidig in te delen in de functiecategorieën uit de Nota parkeernormen 2018 en CROW-publicatie. In dit kader is voor de voorgenomen ontwikkeling een aparte parkeermemo opgesteld en afgestemd met de gemeente, om te komen tot een passende parkeeroplossing. Mede op basis van een referentieproject met vergelijkbare woningen in Leiden is daarbij een voorstel gedaan voor de te hanteren parkeernormen. Dit voorstel is beschreven in een memo, die als bijlage 6 is opgenomen bij deze toelichting.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

7

De categorie 8kamerverhuur (zelfstandig en niet-zelfstandig)9 lijkt passend voor de woonruimtes van 35 m2 gebruiksoppervlak. Het betreffen immers zelfstandige eenheden bestemd voor verhuur, met een oppervlak dat vergelijkbaar is met een kamer of studio. Dit betekent een parkeernorm van minimaal 0,6 parkeerplaats per woonruimte. Voor de grotere woonruimtes ligt dit echter minder voor de hand. In overleg tussen initiatiefnemer en gemeente is bepaald deze woningen onder 8etage goedkoop <65 m 29 te scharen, met een parkeernorm van minimaal 1,2 parkeerplaats per woonruimte. Met behulp van deze parkeernormen is voor de voorgenomen ontwikkeling de parkeerbehoefte berekend. Uit de berekening in tabel 2.1 volgt dat in totaal 64,2 parkeerplaatsen benodigd zijn. Woning 35 m2 go 50 m2 go Totaal

Aantal 43 32 75

P-norm 0,6 1,2

P-plaatsen 25,8 38,4 64,2

Gemiddeld

0,87

Tabel 2.1: parkeerberekening.

In de verkavelingstekening voor het perceel is voorzien in een sluitende parkeeroplossing. Zoals te zien in afbeelding 2.5 worden op het parkeerterrein direct ten oosten van de appartementen 52 parkeerplaatsen aangelegd. Evenwijdig aan de toegangsweg is voorzien in nog eens 13 parkeerplaatsen. In totaal worden zodoende 65 parkeerplaatsen gerealiseerd.

Afbeelding 2.5: Uitsnede situatietekening met parkeeroplossing (bron: Bouwteam P&O, december 2022).

Verkeersgeneratie De Nota parkeernormen 2018 bevat geen kengetallen voor verkeersgeneratie. De categorieën zoals gehanteerd in de parkeerberekening zijn hier dan ook niet bruikbaar. Daarom is de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie berekend op basis van de CROW publicatie 381 8Toekomstigbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen9. Daarbij is uitgegaan van 75 woningen in de categorie 8huur, appartement, midden/goedkoop9. Categorie

Aantal

Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)

75

Minimale norm 3,7

Maximale norm 4,5

Tabel 2.2: Berekening verkeersgeneratie.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

Gemiddeld totaal aantal verkeersbewegingen 307,5

8

Zoals te zien in tabel 2.2, komt de toekomstige verkeersgeneratie van de nieuwe appartementen uit op circa 308 motorvoertuigbewegingen. Afgaande op de weginrichting van de Floraweg, de Braassemdreef en de omliggende wegen kan worden aangenomen dat deze over voldoende capaciteit beschikken om de toename in verkeersbewegingen goed op te vangen. Daarnaast ligt de locatie op zeer korte afstand van de A4. De beoogde ontwikkeling leidt dan ook niet tot een onacceptabele verkeerstoename. 2.3

Juridische aspecten De gewenste ontwikkeling van het plangebied zoals beschreven in vorige paragrafen, is juridisch vertaald in de planregels en de planverbeelding. In deze paragraaf wordt een nadere toelichting gegeven op deze juridische vertaling.

2.3.1 Planmethodiek De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken: • Inleidende regels (hoofdstuk 1); • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2); • Algemene regels (hoofdstuk 3); • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). Hierna worden de vier hoofdstukken kort toegelicht. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een groot aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel <Wijze van meten= opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Groen De bestemming 8Groen9 is opgenomen voor de groenstroken rondom de nieuwe bebouwing en verhardingen. Deze gronden zijn bestemd voor onder andere groenvoorzieningen, wegen en paden, verhardingen en verschillende (ondergeschikte) voorzieningen.

Bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn beperkt mogelijk, gebouwen zijn hier niet toegestaan. Met de bestemming is aangesloten bij de groenbestemming in de omgeving. Verkeer Aan de nieuwe ontsluitingsstructuur en parkeerplaatsen binnen het plangebied is de bestemming 8Verkeer9 toegekend. Daarbinnen zijn onder meer wegen en paden met hoofdzakelijk een verkeers- of verblijfsfunctie, voet- en rijwielpaden en parkeervoorzieningen toegestaan. De bestemming is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan, en sluit aan de oostkant aan op de verkeersbestemming van de Braassemdreef. Water Het bestaande en nieuwe oppervlaktewater dat binnen het kadastrale perceel valt is opgenomen in het plangebied en bestemd als 8Water9. Het gaat om de bestaande watergangen langs de noord- en zuidrand van het plangebied. Deze worden deels uitgebreid, met name in de vorm van een insteker Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

9

tussen de twee appartementengebouwen aan de noordkant. Aan deze zijde sluit de bestemming ook aan op de aangrenzende waterbestemming. Wonen Ten behoeve van de nieuwe woningen is de bestemming 8Wonen9 opgenomen. Het gaat om twee bestemmingsvlakken met elk een bouwvlak waarbinnen de appartementengebouwen mogen worden gebouwd. Middels de bouwaanduiding 8gestapeld9 is bepaald dat alleen gestapelde woningen zijn toegestaan. Verder zijn er maatvoeringsaanduidingen opgenomen voor de maximale bouwhoogte (12, 14 en 16 m) en het maximum aantal wooneenheden per bouwvlak, aansluitend bij het beoogde bouwplan. Ook zijn enkele bepalingen opgenomen met betrekking tot akoestiek, voortkomend uit het akoestisch onderzoek (zie paragraaf 7.4 en bijlage 5). Zo moet onder meer ter plaatse van de aanduiding 8specifieke bouwaanduiding – dove gevel9 een dove gevel gerealiseerd en in stand gehouden worden. Hoofdstuk 3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat regels welke op de bestemmingen van hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Het gaat om de volgende artikelen.

Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, galerijen en kelders. Daarnaast zijn er regels opgenomen ten aanzien van ondergronds bouwen en bestaande afstanden en maten. Daarnaast is in de algemene bouwregels een regeling ten aanzien van parkeren opgenomen. Indien op grond van één van de in het voorliggende plan opgenomen bestemmingen wordt gebouwd, dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het vigerende gemeentelijke parkeerbeleid. Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de 8Nota Parkeernormen 20189. Indien deze parkeernota in de toekomst herzien wordt, dient getoetst te worden aan het meest recente gemeentelijke parkeerbeleid. Algemene gebruiksregels In dit artikel is in algemene zin aangegeven wanneer sprake is van strijdig gebruik met de regels uit het bestemmingsplan.

Tevens is een regeling opgenomen voor aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven (afwijkingsbevoegdheid). Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het opstellen van een landschappelijk inrichtingsplan en het nemen van akoestische maatregelen ten behoeve van het naastgelegen glastuinbouwbedrijf. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier onder meer een standaardregeling die beperkte afwijkingen in de maatvoering bij de uitvoering van bouwplannen mogelijk maakt. Daarnaast is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor de bouw van openbare nutsvoorzieningen, kunstobjecten en andere nutsgebouwen.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

10

Algemene wijzigingsregels Een wijzigingsbevoegdheid is onder voorwaarden opgenomen voor geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmeting van bestemmingsgrenzen met niet meer dan 10%. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 2.3.3 Geometrische plaatsbepaling Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven.

Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

11

3.

Ruimtelijke Ordening

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet Voorliggend projectgebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Rijk legt met het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Binnen het plangebied komen geen nationale ruimtelijke belangen voor. Het Barro vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening) Op 1 juli 2017 is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: 8ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen9. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 75 nieuwe woningen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is.

De voorliggende ontwikkeling is met 75 woningen dus ladderplichtig. Behoefte Op basis van de Woningbehoefteraming (WBR 2019) en de Trendraming (TR 2019) van de provincie Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

12

Zuid-Holland bedraagt de woningvoorraadtoename voor Kaag en Braassem binnen de regio Holland Rijnland 1.740 woningen tot en met 2030, waarvan 840 in de periode 2020-2025. De procentuele groei van de gewenste woningvoorraad (GWV) van de gemeente Kaag en Braassem bedraagt tot 2040 meer dan 15%. In de recentere WBR 2021 is de regionale woningbehoefte voor Holland Rijnland voor de periode 2021-2030 nog min of meer gelijk gebleven, met circa 27.500. Met een overcapaciteit van 30% betekent dit een toegestane plancapaciteit van 35.685 woningen. Daarnaast is er op dit moment een aanzienlijke schaarste aan woningen in de sociale huur. De regio Holland-Rijnland ziet de wachttijden over de hele linie van sociale huurwoningen oplopen. In de prijsklasse tot €410,- neemt de schaarste volgens gemeenten het sterkst toe. Volgens de Woningmarkverkenning Zuid-Holland is er in Holland Rijnland tot 2030 een netto toename van de behoefte van zo9n 1.600 woningen in de sociale huursector. Gezien het voorgaande kan worden geconstateerd dat er in de regio en de gemeente Kaag en Braassem een grote woningbehoefte bestaat, en specifiek ook naar huurwoningen in het goedkope segment. Met de beoogde ontwikkeling worden 75 studio9s en appartementen gerealiseerd. Deze worden uitgevoerd als (sociale) huurwoningen, gericht op werkende jongeren.

Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de grote regionale en lokale behoefte. De voorgenomen ontwikkeling voldoet zodoende aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Locatie (bestaand stedelijk gebied) De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied van Roelofarendsveen. Hoewel het plangebied zelf onbebouwd is, ligt de locatie ingeklemd tussen het woongebied van Roelofarendsveen (Braassemerland) aan de noord- en oostkant, het glastuinbouwgebied aan de zuidkant, en de A4 en aangrenzende bedrijvigheid aan de westkant. De locatiekeuze behoeft dan ook geen verdere onderbouwing in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland Oorspronkelijk op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland haar 8Omgevingsbeleid9 vastgesteld. Het omgevingsbeleid omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Het bestaat uit drie hoofdinstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en de omgevingsverordening. De omgevingsvisie schetst de beleidskaders; de strategische ambities, beleidsdoelen en -keuzes voor de toekomst van de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. In het omgevingsprogramma zijn deze nader uitgewerkt in maatregelen die de provincie treft. De omgevingsverordening stelt de juridische kaders; instructieregels voor andere overheden en direct werkende regels voor burgers en bedrijven. De provincie wijzigt de verschillende onderdelen wanneer daartoe aanleiding is; de laatste integrale herziening (Herziening 2021) is op 2 februari 2022 door Provinciale Staten vastgesteld en op 15 maart 2022 in werking getreden. Omgevingsvisie Zuid-Holland De omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid voor de gehele fysieke leefomgeving van de provincie Zuid-Holland.

Ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland, schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities: Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

13

1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid‐Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid‐Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid‐Holland. 5. Versterken natuur in Zuid‐Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid‐Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. Ruimtelijke hoofdstructuur De essentie en samenhang van de verschillende ruimtelijke keuzes uit de omgevingsvisie, is gevat in de ruimtelijke hoofdstructuur. Opgebouwd uit verschillende kaartbeelden, vormt de ruimtelijke hoofdstructuur een integraal kaartbeeld dat inzichtelijk maakt hoe de strategische beleidskeuzes van de provincie ruimtelijk samenkomen. Afbeelding 4.1 geeft de ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland weer.

Afbeelding 3.1: Omgevingsvisie Zuid-Holland – ruimtelijke hoofdstructuur.

Uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving Bij het vormgeven en uitvoeren van de ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving: - Streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; - Gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen, waarin is beschreven welke kwaliteiten in welke gebieden de provincie nastreeft; - Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling, om te beoordelen of bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk zijn. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie Zuid-Holland geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

14

ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. Uitgangspunt van het kwaliteitsbeleid is een 8ja, mits9-beleid: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengebracht in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten, gebiedsprofielen en enkele bepalingen in de omgevingsverordening. De kwaliteitskaart toont de kwaliteitsambities van de provincie. De belangrijke gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland zijn weergegeven in vier lagen: de laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen, laag van de stedelijke occupatie en laag van de beleving. De integrale kwaliteitskaart vat de vier lagen in één kaartbeeld samen. Met behulp van de kwaliteitskaart houden betrokken partijen bij ruimtelijke ingrepen rekening met de gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van een gebied. De kwaliteitskaart biedt randvoorwaarden voor het maken van integrale afwegingen, die nader zijn geconcretiseerd in richtpunten. De richtpunten beschrijven de bestaande kenmerken en waarden, en de wijze waarop ruimtelijke ontwikkelingen daarmee rekening kunnen houden. De kwaliteitskaart en bijbehorende richtpunten zijn regionaal vertaald in verschillende gebiedsprofielen.

Deze gebiedsprofielen fungeren niet als toetsingskader maar als handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit. Passende ruimtelijke ontwikkeling Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is. In dit kader maakt de provincie onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing.

Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening. Doorwerking in het plangebied Het voorliggende plangebied valt niet binnen een van de gebiedsprofielen. Wel is het aangeduid op twee van de kwaliteitskaarten. Het plangebied is opgenomen in drie kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als 8Veencomplex – Veen9. Richtpunt is dat ontwikkelingen zorg dragen voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Ook is een deel van het plangebied aangeduid als 8Bijzonder reliëf – oude stroomgordels en geulafzettingen9. Richtpunten hierbij zijn dat ontwikkelingen de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand houden en dat waar mogelijk de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar worden gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op bodemdaling. Daarnaast zijn er ter plaatse van het plangebied geen bijzondere patronen of reliëf in het landschap en/of archeologische waarden aanwezig, die met de ontwikkeling worden aangetast.

In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is het plangebied aangeduid als 8Onverveende bovenlanden9. Richtpunt is dat ontwikkelingen bijdragen aan de contrasten tussen het (oude) bovenland Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

15

(hooggelegen, besloten, kleinschalig karakter) en de aangrenzende droogmakerijen (laaggelegen, grootschalig, weids). Het plangebied betreft een braakliggend perceel dat in de huidige situatie bestaat uit grasland. Het wordt grotendeels omringd door bestaande bebouwing en wegen. Landschappelijke contrasten tussen bovenland en droogmakerijen zijn in de omgeving van het plangebied niet zichtbaar. In de laag van de stedelijk occupatie is het plangebied aangeduid als 8Stads- en dorpsranden9. Ontwikkelingen binnen dit gebied dienen bij te dragen een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Het plangebied past binnen de overgangskwaliteit 8contact9. Bebouwd gebied en landschap zijn hier verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon.

Het plangebied bevindt zich aan de rand van het bebouwd gebied van Roelofarendsveen. Een van de laatste braakliggende percelen in de omgeving wordt ingevuld met woningbouw. Het perceel ligt ingeklemd tussen de bestaande glastuinbouwbebouwing aan de zuidkant, de Alkemadelaan en A4 aan de westzijde en de Braassemdreef in het noorden en oosten. Van een verbinding tussen bebouwd gebied en landschap is hier geen sprake. Met de ontwikkeling wordt wel aangesloten bij de bestaande landschappelijke structuren in de omgeving. Door de situering van de twee gebouwen 8achter elkaar9 op het perceel blijft de langwerpige kavelstructuur behouden en herkenbaar. De parkeerplaatsen en ontsluitingsweg volgen de golvende lijn van de Braassemdreef. Omgevingsverordening Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Sindsdien zijn verschillende (partiële) herzieningen doorgevoerd. De meest recente herziening is door Provinciale Staten op 12 oktober 2022 vastgesteld. De instructieregels hebben een directe doorwerking in bestemmingsplannen. Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende regels van belang.

Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9 van de omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft (lid 1). Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit (lid 2). Bij het beoordelen van de ruimtelijke kwaliteit bij een ontwikkeling wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd (lid 3). Met de voorgenomen ontwikkeling is sprake van aanpassen: de ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit (verdere invulling van woongebied Braassemerland) maar veroorzaakt wijzigingen op structuurniveau (toevoegen van bebouwing, verkeers- en groenstructuren). Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit (lid 5 sub b). Wanneer sprake is van aanpassen of transformeren moet daarnaast een zorgvuldige afweging over de locatiekeuze worden gemaakt. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop (lid 4).

Daarnaast is het plangebied aangeduid als 8beschermingscategorie 3 buitengebied9. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hierbinnen mogelijk, mits de openheid en het groene karakter van het landschap Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

16

niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied (artikel 6.9a). Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit braakliggend grasland. De locatie ligt ingeklemd tussen het bebouwd (woon-)gebied en glastuinbouwgebied van Roelofarendsveen en de infrastructuur in de vorm van de Braassemdreef, Alkemadelaan en A4. Het plangebied kent geen specifieke landschappelijke waarden of bijzondere ruimtelijke kwaliteit. Op de ruimtelijke kwaliteit en de inpassing in de relevante richtpunten is onder het kopje 8Omgevingsvisie9 nader ingegaan. Zo wordt met de ontwikkeling wel aangesloten bij de bestaande landschappelijke structuren in de omgeving. Ook wordt een rand rondom de nieuwe bebouwing ingericht met groen en water. Daarmee wordt aangesloten bij het groene karakter van het kavel ten noorden van de locatie en de groen- en waterstructuur langs de Braassemdreef. Wat betreft de locatiekeuze, is in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 3.1.3) al beargumenteerd dat de locatie zich binnen bestaand stedelijk gebied bevindt.

In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft de provincie bovendien aangegeven dat zij, mede gelet op het feit dat het plangebied als bestaand stads- en dorpsgebied kan worden aangemerkt, het plan voldoende passend acht binnen de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. Stedelijke ontwikkelingen Volgens artikel 6.10 van de omgevingsverordening (Stedelijke ontwikkelingen) gaat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6 Bro (lid 1 sub a). Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 ha nodig is, wordt gebruik gemaakt van de in de omgevingsverordening aangewezen bouwlocaties en criteria (lid 1 sub b). Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling (lid 3). In de omgevingsverordening is zodoende bepaald dat toepassing moet worden gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking conform het Bro.

Daaraan is het aspect van regionale afstemming toegevoegd. Voor de voorgenomen ontwikkeling is op de Ladder als onderdeel van het rijksbeleid nader ingegaan in paragraaf 3.1. Artikel 6.10b bepaalt verder dat een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning hanteert; waarvan kan worden afgeweken als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. Voor de voorgenomen ontwikkeling hanteert de gemeente haar eigen parkeerbeleid, en de parkeernormen die specifiek zijn bepaald voor en afgestemd op de ontwikkeling. Paragraaf 2.2.2 gaat hier nader op in. Klimaatverandering De omgevingsverordening bepaalt (artikel 6.27a) dat een bestemmingsplan rekening moet houden met de gevolgen van de risico9s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico9s ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte, droogte en (de effecten hiervan op) bodemdaling. Waar nodig en mogelijk wordt in het ontwerp van de nieuwe bebouwing en buitenruimte rekening gehouden met een klimaatadaptieve inrichting. De ruimte rondom en tussen de bebouwing wordt voorzien van groen en water, wat kan zorgen voor verkoeling c.q. het tegengaan van hittestress.

Het realiseren van extra oppervlaktewater (uitbreiding van de bestaande watergang) en onverharde oppervlakten (waaronder mogelijk parkeerplaatsen in halfverharding) zorgt voor de opvang en afvoer van (overvloedig) hemelwater. Op de invulling van de benodigde watercompensatie door de toename Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

17

in verharding gaat paragraaf 5.2 nader in. Op het gebied van duurzaamheid en energie wordt in ieder geval voldaan aan de geldende wettelijke vereisten (zie ook paragraaf 7.9). Omgevingsprogramma Zuid-Holland Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland is parallel aan de omgevingsvisie en omgevingsverordening opgesteld. Het omgevingsprogramma bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het omgevingsprogramma. 3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland geeft de grote lijnen weer van de door gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: • Holland Rijnland is een top woonregio; • Leiden vervult een regionale centrumfunctie; • Concentratie stedelijke ontwikkeling; • Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; • Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; • Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; • Verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Planspecifiek De in dit bestemmingsplan opgenomen woningbouwontwikkeling levert een bijdrage aan de uitwerking van de eerste en de derde kernbeslissing om in de aaneengesloten stedelijke agglomeratie van Holland Rijnland netto 30.000 woningen toe te voegen, om te kunnen voorzien in de regionale behoefte. Gesteld kan worden dat het initiatief aansluit op de Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020.

3.3.2 Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2017 Het aantal inwoners en huishoudens in Holland Rijnland neemt nog steeds toe. Daarnaast verandert de leeftijd en samenstelling van de bevolking door vergrijzing en steeds kleinere gezinnen. Om goed in te kunnen spelen op deze ontwikkelingen, stelden de gemeenten in Holland Rijnland de Regionale Woonagenda 2017 op. Dit document vervangt de vorige woonagenda uit 2014. Met de woonagenda willen de gemeenten het woningaanbod de komende jaren beter laten aansluiten op de behoefte in de regio Holland Rijnland en in de subregio9s Duin- en Bollenstreek, Leidse regio en Rijnen Veenstreek. Op de eerste plaats gaat het om de ontwikkeling van kansrijke bouwlocaties (woonmilieus). Andere belangrijke opgaven zijn het voorzien in voldoende sociale huurwoningen en passende woonruimten voor bijzondere doelgroepen, waarvoor aanvullende zorg noodzakelijk is. Met de vernieuwde Regionale Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

18

Woonagenda zijn gemeenten in staat hun woningbouwplannen onderling beter af te stemmen, qua bouwjaar en woonmilieu. In de regio Holland Rijnland blijkt uit de bandbreedte in de behoefteramingen van de provincie dat er meer behoefte is dan enkel vanuit de regio zelf; immers de behoefte volgens de provinciale Bevolkingsprognose (BP) ligt ruim boven het niveau van de Woningbehoefteraming (WBR) die uitgaat van de autonome regionale behoefte. Er is een substantiële behoefte van buiten de regio. De autonome woningbehoefte in de regio is volgens de WBR van de provincie in de periode 2015 - 2030 30.000 woningen (uitgaande van de lokale bevolkingsontwikkeling, zonder saldo instroom van buiten). Planspecifiek De in dit bestemmingsplan opgenomen woningbouwontwikkeling levert een bijdrage aan het voorzien in de verwachte woningbehoefte, en met name aan de opgave om sociale huurwoningen en passende woonruimten voor bijzondere doelgroepen (werkende jongeren) te realiseren. 3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 24 januari 2022 de Omgevingsvisie Kaag en Braassem vastgesteld. Daarmee is de eerste versie van de omgevingsvisie (1.0) uit 2020 geactualiseerd. In deze brede visie verbindt de gemeente de fysieke leefomgeving en het sociale domein aan elkaar. Met de omgevingsvisie wil de gemeente borgen wat goed gaat en inzetten op verdere vernieuwing en ontwikkeling waar dit nodig is. Per onderwerp zijn opgaven weergegeven en is aangegeven met welke doelen de gemeente deze opgaven wil bereiken. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld, met bijbehorende kenmerken en waarden. Op basis daarvan is per gebied een beknopt perspectief voor de toekomst geschetst. Aan de hand van gebiedsgerichte programma9s zijn de gebiedstypen uit de omgevingsvisie nader uitgewerkt, met name bedoeld om richting te geven aan het op te stellen omgevingsplan. Gebiedstype 8Kernen9 Het plangebied bevindt zich binnen het gebiedstype 8Kernen9. De gemeente Kaag en Braassem bestaat uit 11 kernen. De kernen zijn de gebieden binnen de gemeente waar onder andere veel ruimte is voor winkels, horeca, sport en wonen. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken. Deze zijn per kern benoemd en uitgewerkt in de dorpsperspectieven. Daarnaast worden de kernen onderverdeeld in 8centrum dorps9 en 8landelijk dorps9.

Onder 8centrum dorps9 vallen de kernen Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge. Deze kernen hebben een relatief hoog voorzieningenniveau en inwonersaantal ten opzichte van de kernen die vallen onder het subgebiedstype 8landelijk dorps9. Voor dit gebiedstype zijn de volgende drie doelen geformuleerd: • Het in stand houden en verder opwaarderen van het voorzieningenniveau binnen de kernen. • Een passende woning voor iedereen. • Een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving. Specifieke uitgangspunten hierbij zijn: • Binnen deze kernen is hoogbouw mogelijk, mits passend in de omgeving. Vanaf vijf bouwlagen dan wel 12/13 meter wordt er gesproken over hoogbouw. • Grootschalige woningbouwprojecten zijn mogelijk. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van Braassemerland en Leimuiden-West. Deze ontwikkelingen zijn mogelijk mits er voldoende maatregelen worden getroffen die een positieve invloed hebben op de klimaatadaptatie.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

19

•

•

Detailhandel concentreren we zoveel mogelijk in de dorpscentra. In het buitengebied, glastuinbouwgebieden en de bedrijventerreinen is detailhandel uitgesloten, op volumineuze detailhandel en verkoop van streekproducten na. Binnen sommige kernen zijn er karakteristieke gebieden (voorheen beschermde dorpsgezichten). Deze straatbeelden moeten behouden blijven en worden niet specifiek gekoppeld aan de subgebiedstypen centrum dorps en landelijk dorps.

Dorpsperspectief Roelofarendsveen/Oude Wetering In de omgevingsvisie wordt aangegeven dat Roelofarendsveen samen met Oude Wetering het meest verstedelijkte gebied in de gemeente vormt. Veel van de voorzieningen in de gemeente zijn dan ook hier gevestigd. Detailhandel concentreert zich in het winkelcentrum Noordplein en Zuidplein, en ook rondom de Meerkreuk blijft er ruimte voor detailhandel. Daarnaast bevindt zich er grootschalige bedrijvigheid. Kenmerkend voor Roelofarendsveen is de aanwezigheid van de glastuinbouw aan de noord- en aan de westzijde van de kern. Roelofarendsveen en Oude Wetering liggen centraal in de gemeente, tussen het Braassemermeer, de Ringvaart en de corridor van de A4/HSL. De ligging van Roelofarendsveen aan de A4 maakt de dorpen erg goed bereikbaar vanuit de richting Schiphol/Amsterdam en vanuit de regio Den Haag. Wat voorzieningen betreft functioneren de dorpen als één dorp. In het midden van beide dorpen bevindt zich een cluster van sportvoorzieningen. Een groot deel van de inwoners beschouwt deze locatie als het hart van de woonkern. Voor het gebied aan het Sportpad is daarom recentelijk een masterplan ontwikkeld. Het masterplan is de ruimtelijke uitwerking van de door de gebiedspartijen opgestelde gezamenlijke visie. In deze visie komen sport, onderwijs, kinderopvang, cultuur, wonen en zorg samen voor alle inwoners van 0 tot 100 jaar.

De komende jaren vinden er verschillende inbreidingsinitiatieven en herontwikkelingen binnen deze kernen plaats. Planspecifiek De gemeente richt zich in de omgevingsvisie op het bouwen voor alle doelgroepen, maar heeft op basis van woononderzoeken een extra focus op jongeren, starters en senioren. De gemeente zet dan ook in op het bouwen van betaalbare woningen voor ouderen, starters en jongeren om zo de doorstroming te stimuleren. Daarnaast stelt de gemeente dat vrijkomende locaties in bijvoorbeeld glastuinbouwgebieden waar mogelijk in eerste instantie ingezet zouden moeten worden ten behoeve van woningbouw en pas daarna voor de inpassing van groen of duurzame energieopwekking. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in het toevoegen van 75 studio9s en appartementen voor lokale werkende jongeren. Gelet op het voorgaande draagt de ontwikkeling bij aan de ambities en uitgangspunten van de omgevingsvisie. 3.4.2 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving.

De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

20

dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Planspecifiek Het plangebied ligt ten zuidwesten van de kern Roelofarendsveen en is gelegen in een welstandsluw gebied. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen monumenten aanwezig, Tevens maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht. Daarnaast vinden er geen fysieke aanpassingen aan bebouwing plaats. Aan de ontwikkeling worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld. 3.4

Conclusie Gezien het voorgaande vormen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

21

4

Natuur en landschap

4.1

Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.

4.1.1 Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.

Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

22

3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Kaag en Braassem is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb).

Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.1.2 Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 8externe werking9) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 8habitattoets9 dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 4.1.3 Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). 4.2

Onderzoek

4.2.1 Soortenbescherming Door onderzoeksbureau Van der Goes en Groot is in 2021 een ecologische quickscan uitgevoerd, dat is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting. De belangrijkste resultaten zijn beschreven in deze paragraaf.

Bestemmingsplan <Floraweg 8b= Toelichting Vaststelling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=183d234f-e5d9-4913-9168-f42dfee4eb6d