TOE Leimuiden, Tuinderij 25 juni 2021
Tekst van het document
In paragraaf 5.5 wordt geconcludeerd dat met inachtneming van maatregelen, milieuzonering geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. In artikel 110f Wgh is aangegeven dat de cumulatieve geluidbelasting van verschillende geluidbronnen inzichtelijk moet worden gemaakt. Aan de cumulatieve geluidbelastingen worden geen grenswaarden gesteld. De cumulatieve geluidbelasting moet worden berekend volgens de omschreven rekenmethode uit hoofdstuk 2 van bijlage I van het RMG 2012. In deze rekenmethode worden de berekende geluidbelastingen van de verschillende geluidsoorten energetisch bij elkaar opgeteld. Voor de energetische optelling worden de geluidbelastingen van de verschillende geluidsoorten omgerekend naar een geluidbelasting vanwege wegverkeer. Daarbij wordt bij wegverkeerslawaai de reductie volgens artikel 110g Wgh niet toegepast. De omrekenformules voor wegverkeerslawaai en industrielawaai zijn als volgt: • •
Wegverkeerslawaai (VL): L*VL = 1,00 LVL + 0,00 Industrielawaai (IL): L*IL = 1,00 LIL +1,00
Als de geluidbelastingen van de betrokken geluidsoorten op bovenstaande wijze zijn omgerekend in L*waarden (in dB), dan kan de gecumuleerde geluidbelasting worden berekend door de zogenoemde energetische sommatie. De rekenregel hiervoor is: LCUM = 10 log (10 L*vl/10 + 10 L*il/10) Uit de rekenresultaten naar de cumulatie blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting (LCUM) ter plaatse van het noordelijk bouwvlak varieert van maximaal: • •
noordgevel : 59 dB oostgevel : 60 dB.
Voor de overige gevels is cumulatie niet van toepassing. In het hogere waarde beleid zijn geen normen/grenswaarden opgenomen waar aan kan worden getoetst. Bij het vaststellen van hogere waarden moet het college van de gemeente Kaag en Braassem beoordelen of zij de cumulatieve geluidbelastingen aanvaardbaar achten. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Tuinderij Leimuiden Ontwerp 5.1.2.4 Luchtverkeerslawaai Bij de ingebruikname van de vijfde baan van Schiphol (Polderbaan) op 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit (Lib) in werking getreden. Hiermee zijn nieuwe beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven. In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. een geluidssloopzone en een beperkingen geluidszone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt. In voorliggend geval ligt het plangebied binnen het ‘beperkingsgebied’. Tevens is het plangebied gelegen op de ‘Kaart 4 maatgevende kaart toetsingshoogtes’ (zone hoger dan 146 m NAP) en de ‘Kaart 4a Toetshoogte radar’ (zone 80-100 m NAP). Voor het plangebied gelden geen beperkingen in bebouwing of beperkingen in het aantrekken van vogels. Hieronder wordt nader ingegaan op de consequenties voor het plangebied inzage luchtverkeerslawaai,. Kaart 4: Maatgevende kaart toetsingshoogtes Artikel 2.2.1 c: • • • •
• •
Op de gronden die op kaart 4 zijn aangewezen, zijn met het oog op geluidbelasting geen geluidgevoelige gebouwen toegestaan, behoudens: bestaand gebruik van een geluidgevoelig gebouw; toevoeging binnen bestaand stedelijk gebied van niet meer dan 25 woningen per bouwplan of binnen lintbebouwing van niet meer dan 3 woningen per bouwplan; een geluidgevoelig gebouw ter vervanging van een bestaand geluidgevoelig gebouw, mits van gelijke aard en gelijke schaal en onder de voorwaarde dat het te vervangen gebouw wordt verwijderd of dat de functie en bestemming van het te vervangen gebouw wordt omgezet naar niet-geluidgevoelig; herstructurering van een bestaand stedelijk gebied, indien dit niet leidt tot een toename met meer dan 25 woningen en indien dit niet leidt tot een toename van de capaciteit van andere geluidgevoelige gebouwen binnen dit gebied; nieuwbouw van een bedrijfswoning, voor zover de noodzaak daarvan is aangetoond.
Het plangebied ligt in de zone hoger dan 146 m boven NAP en voorziet in 20 wooneenheden. De bovenstaande regels vormen geen belemmering voor het initiatief. 5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. De benodigde akoestische compensatie is gewaarborgd via een bouw- en gebruiksregel die verwijst naar het hogere waardenbesluit en daaraan verbonden voorwaarden met betrekking tot akoestische compensatie.
5.2
Bodem
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie plangebied
In dit geval is er door Adverbo in november 2018 een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Tuinderij Leimuiden Ontwerp Zintuiglijke waarnemingen Zintuiglijk zijn op het maaiveld en in de grond geen bijzonderheden, waaronder asbestverdachte materialen, waargenomen die duiden op bodemverontreiniging. Grond De grond bevat plaatselijk lichte verontreinigingen met kwik en PCB’s. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit is de grond beoordeeld als ‘Altijd toepasbaar’ (MM06, MM07) en ‘Industrie’ (MM05). Grondwater In het grondwater is voor barium een licht verhoogde concentratie aangetroffen. Geconcludeerd wordt dat er geen verontreinigingen aangetroffen die de voorgenomen werkzaamheden voor de herinrichting naar een woonzorgfunctie met bijbehorend tuin en erf belemmeren. 5.2.3
Conclusie
Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Tuinderij Leimuiden Ontwerp 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
In het kader van luchtkwaliteit dient op twee manieren naar een plan te worden gekeken: • •
Externe werking van het plan op de omgeving Interne werking achtergrondwaarden op het plan
5.3.2.2 Externe werking van het plan op de omgeving Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project ver beneden de drempelwaarden ligt en ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Vervolgonderzoek naar effecten op de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 5.3.2.3 Interne werking achtergrondwaarden op het plan Op de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu op https://www.rivm.nl/gcn-gdn-kaarten/concentratiekaarten.nl zijn op schaal van vierkante kilometer vakken de gemiddelde achtergrondconcentraties aangegeven van diverse luchtverontreinigende stoffen. Op deze kaart is voor km2 vak waarin het projectgebied is gelegen aangegeven dat: •
De achtergrond concentratie Stikstofdioxide (NO2) voor projectgebied is 15.31 µg/m3. Dit is ruim onder grenswaarde NO2 40 µg/m3 van de Wet milieubeheer bijlage 2 voorschrift 2.1.
•
De achtergrondconcentratie fijnstof PM10 voor projectgebied is 16.97 µg/m3. Dit is ruim onder grenswaarde PM10 40 µg/m3 van de Wet milieubeheer bijlage 2 voorschrift 4.1.
•
De achtergrondconcentratie fijnstof PM2,5 voor projectgebied is 10.08 µg/m3. Voor fijn stof (PM10 en PM2,5) bevinden de concentraties zich onder de WHO-advieswaarde.
Tot slot wordt geconcludeerd dat de beoogde functies niet worden aangemerkt als gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Tuinderij Leimuiden Ontwerp
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Begrippen externe veiligheid Binnen externe veiligheid spelen een aantal begrippen een belangrijke rol, namelijk het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico en de belemmeringenstrook buisleidingen. Hieronder zijn deze begrippen nader uitgewerkt. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico op een plaats buiten de inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, verblijft overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is (zie ook artikel 1, lid 1 onderdeel p van het Bevi). Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar voor nieuwe en bestaande situaties. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Eventueel aanwezige kwetsbare bestemmingen moeten gesaneerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan. Verantwoordingsplicht groepsrisico Het groepsrisico is de cumulatieve kans dat per jaar dat een groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg hun aanwezigheid in het invloedsgebied in het invloedsgebied van een inrichting of een transport-as en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij een transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is (zie ook artikel 1, lid 1 onderdeel k van het Bevi).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Tuinderij Leimuiden Ontwerp Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. In artikel 13 van het Bevi worden de verplichtingen voor de verantwoording van het groepsrisico voor Wro besluiten vermeld voor zover het inrichtingen betreft. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn de verplichtingen beschreven in onderdeel 4.3 van de Circulaire Rnvgs. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (OW): met de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-6 per jaar, en met de kans op 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-8 per jaar. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico ligt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen een factor 10 lager dan voor inrichtingen. In de verantwoording van het groepsrisico worden onderwerpen behandeld die van belang zijn bij het maken van een afweging over het risico en de ruimtelijke situatie. Het groepsrisico wordt kwantitatief beoordeeld.
Daarnaast komen ook planologische aspecten aan de orde en de mogelijkheden tot rampenbestrijding (zie ook Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico voor inrichtingen). 5.4.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart ter plaatse van de locatie en de omgeving weergegeven. Het plangebied is met de zwarte ster aangegeven.
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Tuinderij Leimuiden Ontwerp • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Wegtraject N207-N446 – Knooppunt Burgerveen Ten oosten van het plangebied ligt provinciale weg N207. Over deze weg worden diverse gevaarlijke stoffen vervoerd. In 2012 is in het kader van het bestemmingsplan N207 een risicoberekening 1 uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico Voor het plaatsgebonden risico zijn alleen de wegkenmerken van invloed op de hoogte van het risico en de aard en intensiteiten van het transport van gevaarlijke stoffen. De wegbreedte is daarin de bepalende factor. In het onderzoek is er rekening mee gehouden dat de weg 10 à 16 meter breder wordt. Uitgaande van een worstcase-situatie wordt dan de weg 32 meter breed (16 meter in de huidige situatie + 16 meter verbreding. De stofcategorie GF3 is de maatgevende stofcategorie voor de hoogte van de externe veiligheidsrisico's. In de (concept) Handleiding risico-analyse transport van gevaarlijke stoffen (HART) zijn vuistregels opgenomen die aangeven hoeveel transport van de stofcategorie GF3 leidt tot een PR10-6 contour. Wanneer dit lager is dan 500 tankwagens GF3 zal geen PR10-6 contour berekend worden. Omdat dit bij de N207 het geval is, is er geen PR 10-6 contour aanwezig. Groepsrisico Aan weerszijden van het tracé is sprake van (incidentele) bebouwing, waarbij de bevolkingsdichtheid niet hoger zal zijn dan 80 personen per hectare.
Uit de risicoberekeningen die zijn uitgevoerd voor het bestemmingsplanonderzoek van de N207 is gebleken dat het groepsrisico uitkomt op 0,003 ten opzichte van de oriëntatiewaarde. De wegaanpassingen zijn niet van invloed zijn op de hoogte van het groepsrisico. Het berekende groepsrisico valt in zone 4 van het afwegingskader groepsrisico als bedoeld in paragraaf 4.2 van de Omgevingsvisie Externe Veiligheid Holland Rijnland, maart 2008 (inmiddels vervangen door het bestuurlijk kader externe veiligheid Holland Rijnland, februari 2014). Het groepsrisico is 0,003*OW. een dergelijk groepsrisico is volgens de omgevingsvisie verwaarloosbaar. Een uitgebreide groepsrisicoverantwoording is niet nodig. Omdat het plangebied binnen het invloedsgeboed van de N207 ligt moet wel moet aandacht besteed worden aan de aspecten hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Verantwoording groepsrisico De daadwerkelijke afstand van het plangebied tot de N207 bedraagt circa 160 meter. Binnen het plangebied bevinden zich zowel zelfredzame als niet zelfredzame personen. Hieronder wordt ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid en rampenbesrrijding. Aangezien er ten behoeve van de zorg 24-uurs begeleiding aanwezig is kan het zorgpersoneel de niet zelfredzame personen in veiligheid brengen. Tot slot is het plangebied richting het westen (van de risicobron af) te ontvluchten.
Geconcludeerd wordt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N207 geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid wordt gekeken naar de zelfredzaamheid van de aanwezige personen en hun mogelijkheden, gelet op omgevingsfactoren, om te kunnen vluchten. De mate van zelfredzaamheid wordt bepaald aan de hand van de mate waarin mensen zelfstandig kunnen besluiten te vluchten en tevens in staat zijn te vluchten. Kinderen, ouderen en minder validen zijn voorbeelden van verminderd zelfredzame mensen. Zoals hiervoor aangegeven bevinden zich binnen het plangebied zowel zelfredzame als niet zelfredzame
Onderzoek externe veiligheid t.b.v. bestemmingsplannen wegverbreding N207 Leimuiden – Alphen aan de Rijn, 31 augustus 2012.
1
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Tuinderij Leimuiden Ontwerp mensen. Aangezien er ten behoeve van de zorg 24-uurs begeleiding aanwezig is kan het zorgpersoneel de niet zelfredzame personen in veiligheid brengen. Voor een oordeel of mensen zelfstandig in staat zijn om te kunnen vluchten is de omgeving van belang. Zijn er voldoende en geschikte vluchtwegen voorhanden via welke in korte tijd de afstand tot de N207 vergroot kan worden. In voorliggend geval is het plangebied in westelijke richting (van de risicobron af) te ontvluchten. Er zijn voldoende mogelijkheden voor in het gebied aanwezige personen om te vluchten. Bij een eventuele calamiteit is van belang dat aanwezige personen weten wat hen te doen staat. Hierbij speelt een goede risicocommunicatie een belangrijke rol. Juist omdat de tijd tussen alarmering en gevaarszetting kort kan zijn, is het van het grootste belang dat na alarmering direct actie ondernomen wordt. Een snelle alarmering is hierbij essentieel. De effecten bij een incident met een LPG tankwagen op de N207 kunnen warmtestraling, overdruk en scherfwerking zijn. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving van de incidentlocatie veroorzaken. Gelet op de effecten in relatie tot de afstand tot de N207 is voor zowel het zorgpersoneel als de bewoners het devies om bij een dergelijk incident binnen te blijven en de aanwijzingen van de hulpverleningsdiensten op te volgen.
Bij een incident met toxische stoffen op de N207 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. De gemeente zal periodiek aandacht besteden aan de risico's en wat te doen in geval van een calamiteit. Rampenbestrijding Voor de bestrijdbaarheid gelden de volgende relevante aandachtspunten: 1. 2. 3. 4. 5.
de aanrijtijd van de hulpdiensten; de maximale afstand tussen een bluswatervoorziening en de inzetlocatie bedraagt 160 meter; brandkranen moeten op 15 meter benaderbaar zijn; om de 80 meter moeten brandkranen beschikbaar zijn (primaire bluswatervoorziening); eventueel open water, dat benut kan worden als secundaire bluswatervoorziening.
Een uitgebreide beschrijving van aandachtspunten staat in de praktijkrichtlijnen Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening van de regionale Brandweer Hollands Midden. Om een calamiteit goed en snel te kunnen bestrijden is van belang dat de hulpdiensten snel ter plaatse zijn met de juiste hulpmiddelen en blusmiddelen. De wijze en de snelheid van alarmering en de bereikbaarheid van de locatie van een calamiteit spelen hierbij een essentiële rol. Afhankelijk van de ongevalslocatie zal vanuit een andere brandweerkazerne uitgerukt worden. De aanrijtijden kunnen hierdoor verschillen. Het is van belang te kijken of er voldoende bluswatervoorzieningen in de nabijheid van het plangebied voorhanden is. In het kader van het plan is vooroverleg gevoerd met de regionale brandweer. Op basis van dit overleg is gebleken dat er een opstelplaats op het parkeerterrein gerealiseerd moet worden, waarbij rekening wordt gehouden met de draaicirkels van een tankautospuit of een rijroute door de tuin. Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (Lib-S) Bij de ingebruikname van de vijfde baan van Schiphol (Polderbaan) op 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit (Lib) in werking getreden. Hiermee zijn nieuwe beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven.
In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. een geluidssloopzone en een beperkingen geluidszone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt. In voorliggend geval ligt het plangebied binnen het ‘beperkingsgebied’. Tevens is het plangebied op basis van ‘Kaart 3 Beperking bebouwing’ gelegen binnen het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid. Ten slotte ligt het plangebied op de ‘Kaart 4 maatgevende kaart toetsingshoogtes’ (zone hoger dan 146 m NAP) en de ‘Kaart BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Tuinderij Leimuiden Ontwerp 4a Toethoogte radar’ (zone 60-80 m NAP). Hieronder wordt nader ingegaan op de consequenties voor het plangebied met betrekking tot externe veiligheid. Kaart 3: Beperking bebouwing Artikel 2.2.1 d • •
Op de gronden die op de kaart 3 bij dit besluit met nummer 5 zijn aangewezen, zijn buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan. Voor de gronden die op de kaart in 3 bij dit besluit met nummer 5 zijn aangewezen, motiveren gemeenten in de toelichting op het bestemmingsplan of in de onderbouwing van de omgevingsvergunning de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen.
Het plangebied ligt blijkens kaart op de rand van zone nummer 5 ‘afwegingsgebied geluid en externe veiligheid’. In voorliggend geval ligt het plangebied binnen het bestaande stedelijk gebied en wordt een zorggebouw ontwikkeld voor maximaal 20 cliënten en bijbehorend personeel. Het betreft geen grootschalige woningbouwlocatie. Bij een vliegtuigongeval zal het aantal extra slachtoffers als gevolg van dit bestemmingsplan relatief gezien beperkt blijven. Kaart 4: Maatgevende kaart toetsingshoogtes Artikel 2.2.2: • •
•
• •
•
Op de gronden die zijn aangewezen op de kaart 4 bij dit besluit zijn geen objecten toegestaan die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarden. Op de gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4 bij dit besluit zijn geen bomen of struiken toegestaan die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarden indien de Inspectie Leefomgeving en Transport op schriftelijk verzoek van de exploitant van de luchthaven Schiphol of Luchtverkeersleiding Nederland beoordeelt dat deze een belemmering vormen voor de veiligheid van het luchtverkeer. In afwijking van het eerste lid is een object hoger dan de desbetreffende maximale waarde toegestaan indien: o het object opgericht of geplaatst is overeenkomstig een bouwvergunning of een aanlegvergunning dan wel een omgevingsvergunning, of voor het object een dergelijke vergunning is verleend en de vergunning is verleend voor 1 januari 2015, mits binnen twee jaar na die datum een begin met de werkzaamheden is gemaakt, of o het betreft herbouw, verbouw of vervangende nieuwbouw van objecten als bedoeld onder a, mits de hoogte en het totale volume van het oorspronkelijke object niet worden overschreden.
In afwijking van het eerste lid is een object dat hoger is dan de desbetreffende maximale waarde eveneens toegestaan voor zover dit in overeenstemming is met een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de wet. In afwijking van het eerste lid is een object dat hoger is dan de desbetreffende maximale waarde eveneens toegestaan indien dit onderdeel is van een plan genoemd in de bij dit besluit gevoegde bijlage 7. Op de in het eerste lid bedoelde gronden is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, voor zover deze werken of werkzaamheden reiken tot een hoogte boven de in dat lid bedoelde maximale waarden.
Het plangebied ligt in de zone hoger dan 146 m boven NAP en voorziet in 20 wooneenheden. De bovenstaande regels vormen geen belemmering voor het initiatief.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Tuinderij Leimuiden Ontwerp Kaart 4a: Toetshoogte radar Artikel 2.2.2a: •
•
•
•
•
Op de gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4A bij dit besluit zijn objecten die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarde toegestaan mits uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. Op de gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4A bij dit besluit zijn geen bomen of struiken toegestaan die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarden indien de Inspectie Leefomgeving en Transport op schriftelijk verzoek van de exploitant van de luchthaven Schiphol of Luchtverkeersleiding Nederland beoordeelt dat deze een belemmering vormen voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer.
In afwijking van het eerste lid is een object dat hoger is dan de desbetreffende maximale waarde toegestaan indien: o het object opgericht of geplaatst is overeenkomstig een bouwvergunning of een aanlegvergunning dan wel een omgevingsvergunning, of voor het object een dergelijke vergunning is verleend en de vergunning is verleend voor 1 januari 2015, mits binnen twee jaar na die datum een begin met de werkzaamheden is gemaakt, of o het betreft herbouw, verbouw of vervangende nieuwbouw van objecten als bedoeld onder a, mits de hoogte en het totale volume van het oorspronkelijke object niet wordt overschreden. In afwijking van het eerste lid is een object dat hoger is dan de desbetreffende maximale waarde eveneens toegestaan indien dit onderdeel is van een plan genoemd in: o de bij dit besluit gevoegde bijlage 8; o de bij dit besluit gevoegde bijlage 8a, onder de in die bijlage genoemde voorwaarde. Op de in het eerste lid bedoelde gronden is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, voor zover deze werken of werkzaamheden reiken tot een hoogte boven de in dat lid bedoelde maximale waarden.
Het plangebied ligt in de zone 60 tot 80 meter boven NAP. Het gebouw wordt maximaal 11 meter hoog. De bovenstaande regels vormen geen belemmering voor het initiatief. Advies veiligheidsregio Hollands Midden De veiligheidsregio Hollands Midden heeft geadviseerd over de ontwikkeling. Het advies is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. Hieronder wordt beknopt ingegaan op het advies. Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten te beperken en / of de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten te verbeteren, adviseert de veiligheidsregio het wij volgende: •
•
Ten aanzien van de bereikbaarheid van het gebouw zijn er een tweetal onduidelijkheden. Onduidelijk is of: o De brug een asbelasting van 100kN aan kan (NEN 1008, klasse 30) en geschikt is voor een voertuig met een massa van ten minste 14.500 kg. o De bereikbaarheid van het gebouw voldoet aan artikel 6.37 van het bouwbesluit. Geadviseerd wordt om een opstelplaats te realiseren op het parkeerterrein of de tuininrichting aan te passen, zodat er een pad kan worden aangelegd naar een alternatieve opstelplaats. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de draaicirkels van een brandweervoertuig. Zie hiervoor ook ons eerder afgegeven advies (kenmerk D2020-11001465). Het handelingsperspectief van de aanwezigen personen is bij een toxische wolk nog niet geborgd. Onduidelijk is of de mechanische ventilatie eenvoudig afschakelbaar is. Voor het scenario toxische wolk adviseert de veiligheidsregiohet mechanische ventilatiesysteem eenvoudig door de bewoners in
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Tuinderij Leimuiden Ontwerp de eigen woning centraal uit te kunnen laten zetten, dan wel een voorziening te treffen waarbij de verzorgers/BHV-ers dit kunnen doen. Dit kan bijvoorbeeld door de stekker van het ventilatiesysteem eenvoudig bereikbaar te maken. Het is advies gericht op het optimaliseren van de veiligheidssituatie. Niet alle geadviseerde maatregelen kunnen worden opgenomen in dit bestemmingsplan, maar zijn bedoeld voor andere afdelingen binnen de gemeente. Deze maatregelen kunnen mogelijk binnen andere ruimtelijke plannen of door andere disciplines van de gemeente worden geborgd. De VRHM gaat ervan uit dat na de bestuurlijke afweging de overgenomen maatregelen bij de juiste afdeling(en) van de gemeente bekend worden gemaakt. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project vanuit oogpunt externe veiligheid verantwoord is, mits de door de Veiligheidsregio Hollands-Midden voorgestelde maatregelen en voorzieningen worden getroffen om de veiligheidssituatie te optimaliseren. Het gaat daarbij om: • • •
een opstelplaats voor de brandweer op het parkeerterrein; het eenvoudig uit kunnen schakelen van het mechanische ventilatiesysteem; een goede risicocommunicatie en een goede kennis van het handelingsperspectief bij een calamiteit met een gevaarlijke stof;
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Tuinderij Leimuiden Ontwerp 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’ Het plangebied is gelegen aan de rand van een woonwijk en direct naast een openlucht zwembad. Daarnaast ligt op circa 145 meter de drukke N207 met een hoge geluidsbelasting. Het plangebied kan dan ook het best worden ondergebracht in het omgevingstype ‘gemengd gebied’.
De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer.
5.5.3
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
Gelet op de ligging van het plangebied op zeer korte afstand van het openlucht zwembad de Kleine Oase is door Buijvoets Bouw en Geluidsadvisering een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidshinder vanuit dit zwembad. In het onderzoek komen twee belangrijke vragen naar voren: 1. 2.
Zal de komst van het zorggebouw de belangen van de bedrijven (zwembad) schaden. In dit deel dient getoetst te worden aan het Activiteitenbesluit milieubeheer inclusief het uitsluiten van toetsing van activiteiten overeenkomstig artikel 2.18; (externe werking) Is er sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woonfunctie en bij woningen in de omgeving. In de beoordeling of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat dienen alle geluidsbronnen beoordeeld te worden dus ook de bronnen die volgens artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn uitgesloten van toetsing (interne werking).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Tuinderij Leimuiden Ontwerp In het akoestisch onderzoek is de gewenste stedenbouwkundige opzet (zie ook paragraaf 3.1) die door gemeente en initiatiefnemer is overeengekomen als een gegeven beschouwd. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 4. In de volgende paragraaf worden de resultaten weergegeven. Voor het zwembad gelden daarnaast richtafstanden voor de aspecten geur en gevaar. Volgens de handreiking bedrijven en milieuzonering bedragen de richtafstanden voor een nieuw overdekt zwembad: • •
Geur: 30 meter Gevaar: 10 meter
De afstand van het bouwvlak van het zorggebouw tot de ligweide van het zwembad circa 6 meter. Aan de richtafstanden wordt niet voldaan, maar opgemerkt wordt dat deze afstanden gelden vanwege het gebruik van chloor en verkoop van etenswaren (geur) en gevaarlijke stoffen ten behoeve de reiniging van zwembadwater (gevaar). In voorliggend geval liggen de baden en voorzieningen van het zwembad op meer dan 30 meter van het bouwvlak van het zorggebouw. Verder blijkt uit raadpleging van de risicokaart (zie paragraaf 5.4 dat er ter plaatse geen sprake is van de opslag van gevaarlijke stoffen. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van de aspecten geur en gevaar sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten noorden van het plangebied bevinden zich daarnaast bedrijvenfuncties met bijbehorende milieuhinder. De bedrijfsfuncties ten noorden van het zwembad mogen volgens het bestemmingsplan maximaal milieucategorie 3.1 zijn. Bij dergelijke bedrijfsfuncties hoort op basis van de VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’ een grootste richtafstand van 30 meter in verband met ligging in een gebiedstype gemengd gebied. Aangezien de afstand tot deze bedrijfsfuncties circa 95 meter bedraagt vormen deze geen belemmering voor het initiatief. Op deze functies wordt daarom niet nader ingegaan.
5.5.3.2 Resultaten akoestisch onderzoek Toetsing bij woningen ten gevolge van het zorggebouw (externe werking) De berekende geluidbelasting LAr,LT ten gevolge van parkeren bij het zorggebouw ligt in punt 4 bij woningen van derden ruim onder de richtwaarde. De berekende geluidbelasting LAmax ten gevolge van het sluiten van portieren van auto ’s is in punt 4 gelijk aan de maximale richt/grenswaarde van 60 dBA in de maatgevende nachtperiode. Het zorggebouw is voor het aspect geluid aanvaardbaar voor de omgeving. Toetsing bij het zorggebouw ten gevolge van het zwembad (interne werking) Toetsing vindt alleen overdag en in de avond plaats tijdens het gebruik van het zwembad. De berekende geluidbelasting LAr,LT ten gevolge van het zwembad bedraagt maximaal 54 dBA (etmaal) op de noordgevel op 8 m hoogte in punt 1 waarmee de richtwaarde met 4 dBA wordt overschreden. De plafondwaarde van 55 dBA in een gemengd gebied wordt niet overschreden. Een overschrijding van de 50 dBA grenswaarde (etmaal) dient het bevoegd gezag te motiveren waarom een concrete geluidbelasting acceptabel wordt geacht, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. De gecumuleerde geluidbelasting van weg- en industrielawaai conform het Reken- en meetvoorschrift 2012 is : • •
punt 1 noordgevel 2e verd. wegverkeer 57 + zwembad (54 + 1)= 59 dB; eis GA;k = 59 – 33 = 26 punt 2 oostgevel 2e verd. wegverkeer 59 + zwembad (52 + 1)= 60 dB; eis GA;k = 60 – 33 = 27
Op de overige gevels speelt cumulatie geen rol. De gecumuleerde belasting wordt voornamelijk bepaald door wegverkeerslawaai, waarvoor een hogere waarde moet worden vastgesteld. Alle gevels worden voldoende geïsoleerd waarbij kan worden gerekend met de gecumuleerde belasting en een binnenniveau van 33 dB. De vereiste geluidwering GA;k is dan maximaal 27 dB. Door het toepassen van WTW balansventilatie komen geen roosters in de gevel en bedraagt de geluidwering met een goede kierdichting minimaal 27 dB tegen stemgeluid waarmee het binnenniveau van 33 dB (etmaal) is gewaarborgd. De berekende geluidbelasting LAmax ten gevolge van schreeuwende kinderen op het zwembad bedraagt maximaal 67 dBA op de noordgevel in punt 1 waarmee de VNG richtwaarde wordt overschreden. Conform voorschriften van het Activiteitenbesluit wordt stemgeluid niet getoetst. Het zwembad wordt dus niet beperkt. De vraag is of bij de zorgwoningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Tuinderij Leimuiden Ontwerp Maatregelen in de vorm van een scherm zijn niet realistisch, omdat dan een lang scherm van ruim 7 m hoog nodig is om ook de bovenste bouwlaag af te schermen zowel voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT als de piekgeluiden LAmax. Op de verdieping bevinden zich geen buitenruimten/balkons (vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan), zodat het stemgeluid alleen in de verblijfsruimten wordt ervaren. Omdat de zorgwoningen mechanische balansventilatie krijgen is de geluidwering van de gevels minimaal 27 dBA tegen stemgeluid zodat het binnenniveau LAmax zonder extra maatregelen met (67 – 27 =) 40 dBA voldoende laag is en niet of nauwelijks herkenbaar. Op de terrassen van het gebouw, waar geluid vanaf het zwembad wel wordt ervaren, liggen de niveaus LAr,LT en LAmax ruim onder de richtwaarde. Geadviseerd wordt met name bij punt 3 (westzijde) een terras in te richten omdat op die positie zowel geluid van het zwembad als van de N207 wordt afgeschermd zodat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het uitgangspunt is dat muziekgeluid afkomstig van het zwembad met het ingestelde niveau d.d. 10 mei 2020 bij het zorgcomplex niet herkenbaar is boven het omgevingsgeluid.
Wanneer muziekgeluid herkenbaar zou zijn wordt de geluidbelasting ten gevolge van de muziekgeluidtoeslag in het maatgevende punt 1 59 dBA in de avond en wordt ook de plafondwaarde ruim overschreden wat niet toelaatbaar is. Het zwembad wordt beperkt wanneer het muziekniveau lager moet worden ingesteld dan gemeten op 10-5-2020. De kans dat dit nodig is lijkt uitgesloten gezien het hoge omgevingsgeluidniveau. Omdat de gevels van het zorggebouw tegen het wegverkeerslawaai moeten worden geïsoleerd wordt ook automatisch het geluid afkomstig van het zwembad geïsoleerd. Hiermee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening. 5.5.4
Conclusie milieuzonering
Met inachtneming van het vorenstaande wordt gesteld dat milieuzonering geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ bevindt zich op circa 10,7 kilometer afstand van het plangebied. Dit betreft een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Om de stikstofdepositie van het voornemen op Natura 2000gebieden te bepalen zijn door BJZ.nu met behulp van de AERIUS calculator 2020 twee berekeningen gemaakt, namelijk: een berekening van de stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase en als gevolg van de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Tuinderij Leimuiden Ontwerp gebruiksfase. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Hieronder worden de rekenresultaten weergegeven. Uit de berekeningen is naar voren gekomen dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De locatie is niet gelegen binnen de concreet begrensde NNN. Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op circa 500 meter afstand aan de noordkant van de kern Leimuiden. Gezien de onderlinge afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.6.2
Soortenbescherming
5.6.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.6.2.2 Situatie plangebied Het plangebied heeft in de huidige situatie een groene invulling met gras en enkele bomen en struiken. De locatie maakt deels onderdeel uit van een dijk. In de nieuwe situatie blijven de bomen langs de randen van de locatie behouden. De bomen welke centraal op de locatie staan worden gekapt ten behoeve van het te realiseren woonzorggebouw. Gelet op het huidige gebruik van de gronden (openbare ruimte) en relatief intensieve beheer in de vorm van periodiek grasmaaien, wordt de ecologische waarde als laag beoordeeld. Daarnaast wordt er geen bebouwing gesloopt. Het is om voorgenoemde redenen niet te verwachten dat de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten zou kunnen hebben op flora- en fauna die de wet beoogd te beschermen. Een quickscan flora en fauna wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
In de aanwezige bomen en struiken kunnen mogelijk algemene broedvogels aanwezig zijn. Het verstoren van broedvogels en het vernielen van in gebruik zijnde nesten is verboden. Activiteiten die verstorend zijn voor broedende vogels, zoals rooi- en kapwerkzaamheden, dienen daarom bij voorkeur buiten de broedperiode gestart te worden. Ten allen tijd moet voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, aantoonbaar worden vastgesteld dat er geen broedende vogels in of direct rond het plangebied aanwezig zijn. Daarnaast wordt benadrukt dat rekening wordt gehouden met de in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplichtbepaling. 5.6.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Tuinderij Leimuiden Ontwerp
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Kaag en Braassem beschikt over een archeologische beleidsadvieskaart. Het plangebied heeft op basis van deze kaart een middelhoge verwachtingswaarde. In onderstaande afbeelding is dit weergegeven, het plangebied is indicatief aangeduid met de rode omlijning. Voor gronden met een middelhoge verwachting geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld. De gewenste bebouwing is kleiner van omvang, een archeologisch onderzoek kan daarom achterwege blijven. In het bestemmingsplan is ter bescherming van de archeologische waarde de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 3’ opgenomen overeenkomstig het ontwerpbestemmingsplan ‘1e herziening Buitengebied Oost’.
Afbeelding 5.2
Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart (Bron: Gemeente Kaag en Braassem)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Tuinderij Leimuiden Ontwerp 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied In de omgeving van het plangebied zijn geen rijksmonumenten dan wel gemeentelijke gemeenten en overige bouwkunsten aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.7.3
Conclusie
Het uitvoeren van een nader archeologisch onderzoek is in het kader van dit plan niet noodzakelijk. Tot slot vormen cultuurhistorische aspecten geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Tuinderij Leimuiden Ontwerp geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Beoordeling
5.8.2.1 Wet natuurbescherming Bij elke activiteit die een extra stikstofdepositie met zich meebrengt, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. In dit geval gaat het om de ontwikkeling van een woonzorggebouw met 20 wooneenheden. Wanneer er verwacht wordt dat er sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, dient een passende beoordeling te worden opgesteld. Voor deze ontwikkeling is een stikstofberekening met behulp van de AERIUS-calculator uitgevoerd. Uit de berekeningen is naar voren gekomen dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen, waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit vergeleken met de omvang van ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieuen omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf kan worden aangemerkt als een vormvrije m.e.r.-beoordeling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Tuinderij Leimuiden Ontwerp 5.8.3
Conclusie
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het verlenen van deze omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag dient een vormvrij m.e.r. beoordelingsbesluit te nemen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Tuinderij Leimuiden Ontwerp
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
Het waterbeleid voor de periode 2016 tot 2021 van de provincie Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 en de relatie met andere Besluiten, Verordeningen, Agenda’s etc. Dit betreft een herziening en geen nieuw beleid, actualisatie zal in samenwerking met betrokken partijen/overheden worden opgepakt. De ambities uit bovenstaande stukken zijn onder andere: het aangrijpen van de zandige versterking van de Noordzeekust om de regio, ruimtelijk en economisch, te versterken en extra aandacht besteden aan de economische kant van water. Daarnaast gaat het om betaalbaar waterbeheer waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit en duurzaamheid. Tevens dient er aandacht te zijn voor het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van Nederland. In het beleid zijn maatregelen en kosten opgenomen, waaronder tevens maatregelen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. 6.1.4