CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE Leimuiden, Tuinderij 25 juni 2021

Gemeenteraad 7 maart 2022, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan Tuinderij, Leimuiden19.724 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Tuinderij Leimuiden

Juni 2021

Status: Ontwerp

Tuinderij Leimuiden Ontwerp

BESTEMMINGSPLAN TUINDERIJ LEIMUIDEN

Plannaam: Plantype: IMRO-IDN: Datum:

Tuinderij Leimuiden Bestemmingsplan NL.IMRO.1884.BPTUINDERIJ-ONT1 Juni 2021

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Tuinderij Leimuiden Ontwerp INHOUDSOPGAVE

HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 4 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

AANLEIDING ............................................................................................................................................... 4 LIGGING PLANGEBIED.................................................................................................................................... 4 DE BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN ............................................................................................................. 4 HUIDIG PLANOLOGISCH REGIME ...................................................................................................................... 5 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 6

2.1

BESCHRIJVING PLANGEBIED EN OMGEVING ........................................................................................................ 7

3.1 3.2

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING .......................................................................................................................... 9 VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................................................... 10

4.1 4.2 4.3 4.4

RIJKSBELEID .............................................................................................................................................. 12 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 14 REGIONAAL BELEID ..................................................................................................................................... 18 GEMEENTELIJK BELEID................................................................................................................................. 18

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

GELUID .................................................................................................................................................... 22 BODEM.................................................................................................................................................... 25 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 26 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 28 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 34 ECOLOGIE................................................................................................................................................. 37 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 39 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE .............................................................................................................. 40

6.1 6.2

VIGEREND BELEID....................................................................................................................................... 43 WATERPARAGRAAF .................................................................................................................................... 45

7.1 7.2 7.3

INLEIDING................................................................................................................................................. 46 OPZET VAN DE REGELS ................................................................................................................................ 46 VERANTWOORDING VAN DE REGELS............................................................................................................... 48

HOOFDSTUK 2 HUIDIGE SITUATIE ......................................................................... 7 HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING ....................................................................... 9 HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ........................................................................... 12

HOOFDSTUK 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ................................................... 22

HOOFDSTUK 6 WATERASPECTEN........................................................................ 43 HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING .............................. 46

HOOFDSTUK 8 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................................................. 49 HOOFDSTUK 9 VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN ....................................... 50 9.1 9.2 9.3

VOOROVERLEG .......................................................................................................................................... 50 INSPRAAK ................................................................................................................................................. 50 ZIENSWIJZEN............................................................................................................................................. 50

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING ............................................................................... 51 BIJLAGE 1 AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI ...................................................................................... 52 BIJLAGE 2 BODEMONDERZOEK ........................................................................................................................... 53 BIJLAGE 3 ADVIES VEILIGHEIDSREGIO HOLLANDS MIDDEN ....................................................................................... 54 BIJLAGE 4 AKOESTISCH ONDERZOEK ZWEMBAD............................................................................................................ 55 BIJLAGE 5 STIKSTOFDEPOSITIEBEREKENING ............................................................................................................ 56 BIJLAGE 6 WATERTOETSRESULTAAT ..................................................................................................................... 57

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Tuinderij Leimuiden Ontwerp

HOOFDSTUK 1 1.1

INLEIDING

Aanleiding

In de kern Leimuiden bevindt zich aan de Tuinderij, op de hoek met de Raadhuislaan, een onbebouwd perceel. Initiatiefnemer is voornemens op de locatie een zorgcentrum (Dagelijks Leven) te ontwikkelen. Concreet gaat het om de bouw van een woonzorgvoorziening voor mensen met geheugenproblemen (o.a. dementie) bestaande uit drie bouwlagen met daarbinnen in totaal 20 studioappartementen. Omdat het geldende bestemmingsplan de ontwikkeling niet mogelijk maakt is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in juridisch-planologische vertaling van het voornemen. In dit plan zal worden aangetoond dat de herziening van de bestemming in overeenstemming is met ‘een goede ruimtelijke ordening’ en vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt op de hoek van de Tuinderij en Raadhuislaan in het zuiden van de kern Leimuiden. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Leimuiden en de directe omgeving weergegeven.

Afbeelding 1.1

1.3

Ligging van het plangebied ten opzichte van Leimuiden en de directe omgeving (Bron: ArcGIS)

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan ‘Tuinderij Leimuiden’ bestaat uit de volgende stukken: • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1884.BPTUINDERIJ-ONT1) en een renvooi; • regels (met bijbehorende bijlagen). Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het wijzigingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Tuinderij Leimuiden Ontwerp

1.4

Huidig planologisch regime

1.4.1

Algemeen

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan ‘1e herziening Buitengebied Oost”. Dit bestemmingsplan is op 26 oktober 2020 vastgesteld door de gemeenteraad. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het geldende bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied is hier met rode omlijning aangeduid.

Afbeelding 1.2

1.4.2

Uitsnede geldend bestemmingsplan (Bron: Gemeente Kaag en Braassem)

Beschrijving bestemmingen en aanduidingen

De gronden in het plangebied zijn bestemd als ‘Groen’ en ‘Recreatie – Dagrecreatie’ (met bijbehorende bouwaanduidingen). Daarnaast gelden voor het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waterstaat – Waterkering’. De gronden met de bestemming ‘Groen’ zijn bestemd voor groenvoorzieningen, wandel- en fietspaden, speelvoorzieningen en bij de bestemming behorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd, wel zijn erfafscheidingen tot maximaal 2 meter hoog toegestaan. De gronden met de bestemming ‘Recreatie – Dagrecreatie’ zijn bestemd voor het uitoefenen van activiteiten gericht op dagrecreatie en de daar bij behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en toegangswegen. Er mag worden gebouwd binnen het bouwvlak. De gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Er geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 30 cm. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

5

Tuinderij Leimuiden Ontwerp De gronden met de dubbelbestemming ‘Waterstaat-Waterkering’ zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - primair bestemd voor de waterkering. 1.4.3

Strijdigheid

De bouw van een woonzorgvoorziening is in strijd met het geldende bestemmingsplan, aangezien de bestemming ‘Groen’ en ‘Recreatie-dagrecreatie’ geen passende bouw- en gebruiksmogelijkheden kennen.

1.5

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de ruimtelijk-functionele structuur en de huidige situatie van het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Zuid-Holland en de gemeente Kaag en Braassem beschreven. In hoofdstuk 5 passeren de relevante milieuaspecten de revue en in hoofdstuk 6 wordt in gegaan op het aspect water. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het project en tot slot wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op het vooroverleg.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

6

Tuinderij Leimuiden Ontwerp

HOOFDSTUK 2 2.1

HUIDIGE SITUATIE

Beschrijving plangebied en omgeving

Het plangebied ligt in het zuiden van de kern Leimuiden ten zuiden van de bedrijvenlocatie Tuinderij. De ruimtelijk-functionele structuur wordt voornamelijk bepaald door grondgebonden woningen ten westen van de weg Tuinderij, een recreatiebedrijf ten noorden, een woonwagenkamp ten oosten en rivier de Drecht ten zuiden. Het plangebied zelf is onbebouwd en heeft op dit moment een groene invulling. In afbeelding 2.1 en 2.2. zijn een luchtfoto en enkele straatbeeldfoto’s opgenomen. Het plangebied is hierop met rode omlijning/arcering aangegeven.

Afbeelding 2.1

Luchtfoto ligging plangebied (Bron: Provincie Zuid-Holland)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

7

Tuinderij Leimuiden Ontwerp

Afbeelding 2.2

Straatbeeldfoto’s plangebied (Bron: Weusten Liedenbaum architecten)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

8

Tuinderij Leimuiden Ontwerp

HOOFDSTUK 3 3.1

PLANBESCHRIJVING

Ruimtelijke ontwikkeling

Er is een grote behoefte aan verpleeghuisplaatsen voor mensen met dementie in Nederland. Tot 2050 groeit het aantal inwoners met dementie in de gemeente Kaag en Braassem naar verwachting van 430 inwoners in 2020 tot 1100 inwoners in 2050. De gemeente Kaag en Braassem telt 2 verpleeghuizen gericht op zorg voor mensen met dementie. Naar inschatting van Dagelijks Leven zijn er 36 plaatsen voor dementiezorg. (indicatie VV5 en VV7). Er zijn per oktober 2020, door het CIZ al 95 indicaties afgegeven. Er zijn reeds wachtlijsten en de verwachting is dat deze toe zullen nemen De geplande woonzorgvoorziening voor mensen met geheugenproblemen (o.a. dementerende ouderen) bestaat uit drie bouwlagen. Omdat Dagelijks Leven kleinschaligheid met betaalbaarheid combineert, is de woonzorgvoorziening voor iedereen met een indicatie VV5 of VV7 bereikbaar. De bovenste bouwlaag heeft de uiterlijke verschijningsvorm van een kap, waardoor het gebouw het uiterlijk van een villa heeft. In het gebouw worden op de verdiepingen in totaal 20 studioappartementen gerealiseerd. Op de begane komen twee gezamenlijke woonkamers, een grootkeuken, een dagbestedingsruimte, kantoor voor de nachtwacht, een wasruimte en logeerkamer. Naast het hoofdgebouw wordt een kleine berging gerealiseerd.

Overdag verblijven cliënten, zo mogelijk, in één van de twee woonkamers en de dagbestedingsruimte alwaar de dagelijkse behandeling en verzorging centraal staat. De locatie en iedere verblijfsruimte in het gebouw zijn voorzien van hoogwaardige domotica, waarmee op iedere zorgvraag, technische hulpmiddelen ter ondersteuning van de zorgverlening ingelogd kunnen worden. De stedenbouwkundige opzet is georiënteerd op de Tuinderij. Belangrijk is dat deze zijde van het gebouw als voorkant dient. Het ligt dan ook voor de hand dat de hoofdentree hier gesitueerd is, in aansluiting op het parkeerterreintje. Daarnaast is het wenselijk dat de zijde van het gebouw die aan de Raadhuislaan grenst, zoals in het ontwerp ook het geval is, ook een representatieve gevel krijgt en dus geen achterkantsituatie. Het feit dat de berging ‘weggestopt’ is in de noordoosthoek van het perceel is ruimtelijk gezien ook het meest wenselijk. Ook de situering van de openslaande deuren met aansluitende buitenruimtes worden als stedenbouwkundig inpasbaar bestempeld. Het erf wordt ontsloten via een reeds bestaande parkeerplaats op de Tuinderij. De nieuwe parkeerplaats en het erf behorende bij de woonzorgvoorziening worden via een brug over de sloot aangesloten op de bestaande parkeerplaats. De bestaande bomen in het plangebied blijven zoveel mogelijk behouden.

In afbeelding 3.1 is een impressie opgenomen van de gewenste ontwikkeling. In afbeelding 3.2 zijn gevelaanzichten van de gewenste bebouwing weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

9

Tuinderij Leimuiden Ontwerp

Afbeelding 3.1

Impressie gewenste ontwikkeling (Bron: Weusten Liedenbaum architecten)

Afbeelding 3.2

Gevelbeelden gewenste ontwikkeling (Bron: Weusten Liedenbaum architecten)

3.2

Verkeer en parkeren

3.2.1

Algemeen

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

10

Tuinderij Leimuiden Ontwerp verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. De gemeente Kaag en Braassem heeft op 15 maart 2018 de beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 vastgesteld. In dit bestemmingsplan wordt uitgegaan van de parkeernormen uit het gemeentelijk parkeerbeleid waarin wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad ’weinig stedelijk’ (bron: CBS Statline). Gezien de ligging van het plangebied aan de rand van de kern Leimuiden kan het gebied aangemerkt worden als ‘rest bebouwde kom’. 3.2.2

Parkeren

In het plangebied wordt een woonzorgvoorziening met 20 studioappartementen gerealiseerd. Volgens het gemeentelijk parkeerbeleid geldt voor deze functie (gezondheidszorg, verpleeg- en verzorgingstehuis) een minumum parkeernorm van 0,5 per wooneenheid. Voor 20 wooneenheden is de totale parkeerbehoefte 10 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte kan worden opgelost op het eigen terrein. Er wordt een parkeergelegenheid met 10 parkeerplaatsen aangelegd (zie ook afbeelding 3.1 en de erfinrichting in bijlage 1 van de regels). De uitsluiting van het nieuwe parkeerterrein vindt via een brug over de sloot plaats via het parkeerterrein van het zwembad ten noorden van het plangebied. 3.2.3

Verkeersgeneratie

Voor wat betreft de verkeersgeneratie gelden dezelfde uitgangspunten als parkeren. Dit betekent een gezondheidszorg, verpleeg- en verzorgingstehuis met 20 wooneenheden gelegen in ‘weinig stedelijk gebied’ en in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’. Omdat voor een verpleeg- en verzorgingstehuis geen verkeersgeneratie kengetallen voorhanden zijn is in dit geval aangesloten op de meest vergelijkbare functie ‘serviceflat’. Opgemerkt wordt dat deze functie naar verwachting een iets hogere verkeersgeneratie kent dan een verpleeg-/verzorgingstehuis. Voor een serviceflat geldt op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW een gemiddelde verkeersgeneratie van 2,6 per woning. Gelet op het aantal te realiseren wooneenheden (20) leidt het initiatief tot een totale verkeersgeneratie van circa 52 motorvoertuigen per weekdagetmaal. Het verkeer kan eenvoudig en veilig worden ontsloten via Tuinderij richting de Dokter Stapenséstraat en de N207. 3.2.4

Conclusie verkeer en parkeren

Onderhavige ontwikkeling levert met betrekking tot de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering op.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

11

Tuinderij Leimuiden Ontwerp

HOOFDSTUK 4

BELEIDSKADER

4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2.

Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3.

Sterke en gezonde steden en regio’s

Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4.

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

12

Tuinderij Leimuiden Ontwerp 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. 2. 3.

Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.

4.1.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijkingsladder In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR: voorganger van de NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.

stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het wijzigingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 4.1.2

Toetsing van het initiatief aan het Rijksbeleid

Het betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Ten aanzien van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt het volgende geconstateerd. Behoefte De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woonzorgvoorziening voor mensen met geheugenproblemen (o.a. dementerende ouderen). Het gaat om 20 woonappartementen. De appartementen zijn bedoeld voor de lokale markt, daarom wordt de behoefte op lokaal niveau getoetst. In de Regionale Woonagenda Holland Rijnland heeft de regio een actuele, kwalitatieve koers geschetst voor een goed functionerende woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau. Met de 14

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

13

Tuinderij Leimuiden Ontwerp regiogemeenten en stakeholders is samengewerkt aan de uitwerking van de woonagenda. Een van de gemaakte keuzes is het langer zelfstandig wonen met zorg te faciliteren. De gemeenten in de regio willen bijdragen aan het langer zelfstandig wonen van mensen met een zorgvraag. Dit vraagt nieuwe woonconcepten in samenhang met een fijnmazige zorginfrastructuur, die op een evenwichtige manier uitgerold zijn over de regiogemeenten. Niet alleen als gevolg van het rijksbeleid, maar ook en vooral dankzij de ontwikkeling van de participatiesamenleving en technologische ontwikkelingen, zijn mensen steeds beter in staat zichzelf te redden. Mensen willen daarbij zo weinig mogelijk afhankelijk zijn van instituties en meer selfsupporting zijn bij de behoefte aan ondersteuning, begeleiding of zorg. Deze trend leidt tot nieuwe woon- en zorgconcepten (Collectief Particulier Opdrachtgeverschap, hofjes, domotica). Gemeenten en zorgkantoren zijn vooral aan zet voor de lokale uitwerking en het ontwikkelen van een inclusief, toekomstgericht en op elkaar afgestemd woonzorgaanbod. Het uitgangspunt van de regionale woonagenda is dan ook dat gemeente zelf verantwoordelijk zijn voor een toekomst gericht woonzorgaanbod. Binnen de gemeente Kaag en Braassem zijn op dit moment onvoldoende zorgplaatsen aanwezig om te kunnen voldoen aan zowel de kwantitatieve als kwalitatieve vraag.

Door de toenemende mate vergrijzing en hiermee ook het aantal dementerenden zal het tekort aan geschikte zorgplaatsen de komende twintig jaar alleen maar verder toenemen. Middels voorliggend initiatief wordt in beperkte mate een bijdrage geleverd aan de huidige en toekomstige vraag naar zorgplaatsen voor mensen met een geheugen problemen, waaronder dementerende ouderen, in een kleinschalige woonzorgvoorziening. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat voldoende is aangetoond dat er sprake is van een actuele behoefte naar de voorgenomen woonzorgvoorziening. Ligt de ontwikkeling binnen of buiten bestaand stedelijk gebied De genoemde definitie van ‘bestaand stedelijk gebied’ komt overeen met het plangebied. De locatie ligt binnen de bebouwde komt van Leimuiden en is ingericht als stedelijk groen. De locatie is daarmee aan te merken als bebouwde kom/stedelijk gebied. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt in bestaand stedelijk gebied, waarmee de ladder voor duurzame verstedelijking succesvol is doorlopen. 4.1.3

Luchthavenindelingsbesluit Schiphol

In het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib) dat hoort bij de Schipholwet uit 2003 zijn ruimtelijke maatregelen in verband met de luchthaven Schiphol opgenomen. Op gronden zoals bedoeld in artikel 2.2.1, 2.2.2, 2.2.2a en 2.2.3 van het Luchthavenindelingbesluit gelden in bepaalde gebieden rondom Schiphol aanvullende bepalingen met betrekking tot bebouwing en gebruik van bebouwing, bouwhoogten en functies met een vogelaantrekkende werking. In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. een geluidssloopzone en een beperkingen geluidszone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt. In paragraaf 5.1 (geluid) en 5.5 (externe veiligheid) wordt nader ingegaan op de gevolgen van het luchthavenindelingsbesluit op het plan. 4.1.4

Conclusie toetsing aan het rijksbeleid

Het rijksbeleid staat de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.2

Provinciaal beleid

Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

14

Tuinderij Leimuiden Ontwerp 4.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

4.2.1.1 Algemeen Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: • •

• •

INTRODUCTIE op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en beschrijving van de ruimtelijke hoofdstructuur; de ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: AMBITIES EN STURING. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. een beschrijving van de OMGEVINGSKWALITEIT van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. de samenhangende BELEIDSKEUZES voor de fysieke leefomgeving. Dit bestaande beleid is integraal toegankelijk via de digitale raadpleegomgeving.

Met betrekking tot de bovenstaande onderdelen uit de Omgevingsvisie zijn op verschillende onderdelen beleidsbeslissingen genomen. In het kader van dit plan zijn met name de beleidsbeslissingen omtrent ‘verstedelijking en wonen’ van belang. 4.2.1.2 Verstedelijking en wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur onder andere uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO2-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woonen leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. 4.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De beleidsbeslissingen zoals verwoord in de provinciale omgevingsvisie werken door naar regels in de omgevingsverordening. In voorliggend geval is met name artikel 6.10 lid 1 (Stedelijke ontwikkelingen) van de omgevingsverordening van belang. 4.2.2.1 Gebiedsprofiel en kwaliteitskaarten De provincie Zuid-Holland heeft in haar kwaliteitskaart de gebiedsprofielen van gebieden beschreven. Het plangebied ligt in het gebiedsprofiel Hollands Plassengebied. Het Hollands Plassengebied is gelegen in het noordwesten van het Groene Hart tussen binnenduinrand, Oude Rijn, Meije, Kromme Mijdrecht en de Haarlemmermeerpolder. De combinatie van de hoge ligging van het boezemwater ten opzichte van de lagere omringende polders, het grote aantal molens en het vele water is uniek en draagt sterk bij aan de ultieme ‘Nederland Waterland’-ervaring: het besef dat je onder de zeespiegel staat. Van grote betekenis voor dit typisch Hollandse open landschap is de ontginning van de veenbodem en het daaraan gekoppelde watersysteem. De plassen, weilanden, droogmakerijen en zelfs de dorpen hebben hun verschijningsvorm te danken aan het (al dan niet afgegraven) veen. Het Hollands Plassengebied heeft een ‘luw’ karakter ten opzichte van de haar omringende stedelijke omgeving. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

15

Tuinderij Leimuiden Ontwerp In het Hollands Plassengebied is een tweedeling te zien tussen veenweidegebieden en droogmakerijen. De veenweidegebieden liggen hoger dan de droogmakerijen en herbergen vaak een groter aantal functies. In deze gebieden zijn graslanden voor de melkveehouderij, oude lintdorpen, (glastuinbouw)bedrijven, natuurgebieden en relatief veel opgaand groen naast elkaar aan te treffen. De droogmakerijen worden gekenmerkt door een grootschalig, rechthoekig en agrarisch karakter met melkveehouderij en akkerbouw. De overgang tussen veenweide en droogmakerij is veelal abrupt door het grote hoogteverschil. Het water in het Hollands Plassengebied is vanaf het maaiveld paradoxaal genoeg, nauwelijks direct beleefbaar. Het verbeteren van deze beleefbaarheid en de toegankelijkheid van het water zou de identiteit van het gebied versterken. Daarnaast is in de kwaliteitskaart op basis van de lagenbenadering in beeld gebracht wat de gebiedskenmerken en kernkwaliteiten van gebieden zijn in de volgende lagen: • • • •

Laag van de ondergrond; Laag van de cultuur- en natuurlandschappen; Laag van de stedelijke occupatie; Laag van beleving;

4.2.2.2 Relevante artikelen In voorliggend geval zijn met name artikel 6.9 lid 1 (ruimtelijke kwaliteit) en 6.10 lid 1 (Stedelijke ontwikkelingen) van de omgevingsverordening van belang om te toetsen. Artikel 6.9 (Ruimtelijke kwaliteit) 1.

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: a. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: a. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en b.

het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

Artikel 6.10 (Stedelijke ontwikkelingen) “Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;” 4.2.3

Toetsing van het initiatief aan de omgevingsvisie en omgevingsverordening Zuid-Holland

Gebiedsprofiel Voorliggend plan voorziet in een woonzorgvoorziening voor mensen met geheugenproblemen (o.a. dementerende ouderen) binnen de kern Leimuiden. Het plangebied ligt ten zuiden van de bedrijvenlocatie BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

16

Tuinderij Leimuiden Ontwerp Tuinderij aan de rivier de Drecht. Het plangebied is momenteel groen ingericht, maar is omringd door diverse functie zoals grondgebonden woningen ten westen van de weg Tuinderij, een recreatiebedrijf ten noorden, een woonwagenkamp ten oosten. Gelet op het voorgaande maakt het plangebied onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Gelet op de ligging in het bestaand stedelijk gebied ingeklemd tussen bestaande bebouwing doet de ontwikkeling geen afbreuk en tevens geen bijdrage aan het gebiedsprofiel ‘Hollandse Plassen’. Kernkwaliteiten in verschillende lagen Wat betreft de kernkwaliteiten in de verschillende lagen kan worden gesteld dat vanwege ligging van het plangebied in het bestaand stedelijk gebied de ‘Laag van de ondergrond’ niet relevant is. Deze laag is door het in cultuur brengen van de gronden reeds verstoord of niet meer aanwezig. De ‘Laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ is in de omgeving nog wel waarneembaar, zoals de dijk langs de Drecht en het gebied aan de overzijde van het water. De ontwikkeling vindt echter achter deze dijk plaats en doet geen afbreuk aan de kernkwaliteiten. Verder gelden er in de ‘Laag van beleving’ geen specifieke kwaliteiten in het plangebied. In de laag van de stedelijke occupatie is het gebiedskenmerk ‘Steden en dorpen’ van toepassing. Richtpunten voor ontwikkeling in deze laag zijn: • • •

•

Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.

De nieuwe bebouwing is qua hoogte (3 bouwlagen, waarvan de 3e bouwlaag de uiterlijke verschijningsvorm van een kap heeft) iets hoger dan de woonbebouwing in de directe omgeving. Door ligging achter de dijk wordt de ervaring van deze hoogte enigszins getemperd en daarnaast worden de bestaande bomen in het plangebied zoveel mogelijk behouden (zie ook hoofdstuk 3), waardoor de nieuwe bebouwing goed in de omgeving wordt ingepast.

Relevante artikelen De nieuwe woonzorgvoorziening betreft een inpassing van een nieuwe functie binnen bestaand stedelijk gebied. Doordat ze ontwikkeling zich goed voegt in de omgeving (zoals hiervoor reeds beargumenteerd) en voldoet aan de richtpunten voorziet deze niet in een wijziging op structuurniveau. De ontwikkeling voorziet zoals eerder al aangegeven (Ladder voor duurzame verstedelijking, paragraaf 4.1.2) in de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woonzorgeenheden voor mensen met geheugenproblemen (o.a. dementerende ouderen) binnen de provincie Zuid-Holland en de gemeente Kaag en Braassem. Daarnaast wordt er gebouwd op een locatie binnen bestaand stedelijk gebied, waarmee sprake is van effectief en compact ruimtegebruik. Met betrekking tot het aspect duurzaamheid wordt opgemerkt dat de bebouwing niet op het gasnetwerk wordt aangesloten. Geconcludeerd wordt dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

17

Tuinderij Leimuiden Ontwerp

4.3

Regionaal beleid

4.3.1

Regionale woonagenda Holland Rijnland

4.3.1.1 Algemeen De regio Holland Rijnland ambieert met de Regionale Woonagenda (RWA) een actuele, kwalitatieve koers te schetsen voor een goed functionerende woningmarkt; op regionaal, subregionaal en lokaal niveau. Zij wil daarmee aansluiten bij de behoefte aan verschillende woonvormen en woonmilieus. De gemeenten in Holland Rijnland kennen een traditie van samenwerking. De afgelopen jaren zijn gezamenlijk verschillende keuzes gemaakt, die invloed hebben op het wonen in de regio. Gericht op een beter functionerende woningmarkt, maar ook vanuit de regionale ontwikkeling, werken, kantoren, verduurzaming, etc. De RWA vormt de basis voor een programmering waarmee de regio adequaat kan inspelen op de veranderende vraag: uitgaande van trends voor de korte en lange termijn, de woningbehoefte van de diverse inkomensgroepen, de behoefte onder bijzondere doelgroepen en tot slot de ontwikkeling van de behoefte aan woonmilieus. De woningmarkt is echter geen statische markt. Ontwikkelingen gaan snel en zijn vaak moeilijk te voorspellen. Renteontwikkeling, ontwikkeling van bouwkosten, ontwikkeling werkgelegenheid, trek naar de stad, etc. zijn van invloed op deze markt. De RWA schetst dan ook geen statisch eindbeeld, maar een adaptieve benadering om er voor te zorgen dat de komende jaren de juiste woning op de juiste plek kan worden ontwikkeld.

De RWA helpt gemeenten bij de juiste woning op de juiste plek, en afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio. Daarmee biedt dit een onderbouwing voor plannen, passend bij de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Hoewel de beschikbare plancapaciteit groter is dan volgens de kwantitatieve behoefte noodzakelijk, is het de bedoeling ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening niet meer te bouwen dan de behoefte. In de RWA worden een aantal keuzes voor de regio gemaakt. In Keuze 7: “Langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren” wordt de ambitie uitgesproken dat de gemeenten in de regio willen bijdragen aan het langer zelfstandig wonen van mensen met een zorgvraag. Dit vraagt nieuwe woonconcepten in samenhang met een fijnmazige zorginfrastructuur, die op een evenwichtige manier uitgerold zijn over de regiogemeenten. In de woonagenda daarnaast ook aangegeven dat er in het kader van kwalitatief goed aanbod ook aandacht is voor voldoende aanbod aan bijzondere zorgdoelgroepen in de vorm van beschermd wonen, maatschappelijke opvang en jeugdzorg. 4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de Regionale Woonagenda Holland Rijnland Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van een woonzorgvoorziening met 20 woonzorgeenheden voor dementerende ouderen in de kern Leimuiden.

Hiermee wordt invulling gegeven aan de lokale kwalitatieve behoefte aan deze vorm van zorg. De gemeente Kaag en Braassem heeft de betreffende gronden voor deze ontwikkeling verkocht, waarmee in beperkte mate wordt voorzien in voldoende huisvestingsmogelijkheden voor deze kwetsbare doelgroep. Hier wordt geconcludeerd dat de regionale woonagenda zich niet verzet tegen de ontwikkeling.

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Omgevingsvisie Kaag en Braassem

4.4.1.1 Algemeen De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

18

Tuinderij Leimuiden Ontwerp samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal: • • • • • •

energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.

In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. 4.4.1.2 Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. 4.4.1.3 Dorpsperspectief Leimuiden Leimuiden ligt op een strategische plek bij wegen en water. De relatie met dit water kan meer gezocht worden en mag ook beter zichtbaar worden. Rondom Leimuiden bevindt zich open landschap. De gemeente streeft het behoud van dit open landschap zoveel mogelijk na. De scheidslijn tussen bebouwing van de kern en het open landschap kan een groengordel worden rondom Leimuiden. Er zijn binnen deze kern al de nodige woningbouwinitiatieven in de afgelopen en aankomende jaren, maar de meest logische plek voor eventuele woningbouw in de toekomst zou nog in westelijke richting zijn. De verenigingen die hier gehuisvest zijn (volkstuinen, ijsbaan en scouting) zijn van grote waarde voor de lokale gemeenschap.

Bij toekomstige ontwikkelingen in westelijke richting zal, in samenspraak, worden gekeken naar een andere locatie voor deze verenigingen passend in de situatie van dat moment. Daarnaast is er een IKC in ontwikkeling, en wordt hard gewerkt aan een impuls voor het dorpshart. Ook wordt er gezocht naar een passende entree voor het dorp nu de kerk is gesloopt. De gemeente blijft zich inzetten voor een oplossing voor zwaar landbouwverkeer. Voor Drechthoek II gaat een marktpartij in samenwerking met de gemeente onderzoeken of er een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein mogelijk is. Ten slotte wordt de mogelijke herontwikkeling van twee voormalige bedrijfslocaties (Connexxion-terrein en Boot Beton-terrein) met belangstelling gevolgd. 4.4.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Kaag en Braassem Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van een woonzorgvoorziening met 20 wooneenheden voor mensen met geheugenproblemen in de kern Leimuiden. De locatie is niet specifiek benoemd in het dorpsperspectief voor Leimuiden, maar sluit wel goed aan op de ambities van het thema ‘sociaal Kaag en Braasem’. Met de ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de lokale behoefte aan deze vorm van zorg. De ontwikkeling is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

19

Tuinderij Leimuiden Ontwerp 4.4.2

Nota inbreidingslocaties

4.4.2.1 Algemeen Op 7 februari 2011 is de Nota inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. De ‘Nota inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelings- en ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen. Vanwege de beperkte uitbreidingsmogelijkheden in de dorpen zijn kleine locaties (inbreidingslocaties) van belang om in de lokale behoefte te voorzien.

Dit betekent uiteraard niet dat alle onbebouwde of in onbruik geraakte ruimte binnen de kernen moet worden gebruikt voor het realiseren van nieuwe woningen, winkels en bedrijfsruimten. Om voldoende houvast te bieden bij het beoordelen van initiatieven is in de Nota inbreidingslocaties voor elk dorp een beschrijving gemaakt waarin de bestaande karakteristiek is verwoord. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De nota biedt enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op ontwikkelingen. Het uiteindelijke doel van de Nota inbreidingslocaties is om de behandeling van inbreidingsinitiatieven op een transparante manier te laten verlopen en om de initiatieven uiteindelijk te laten leiden tot een duurzame ruimtelijke/functionele ontwikkeling van de locatie zelf en het dorp als geheel. 4.4.2.2 Leimuiden Het plangebied behoort niet tot één van de deelgebieden zoals opgenomen in de Nota inbreidingslocaties. Het plangebied ligt wel direct naast het deelgebieden ‘De woonwijken van Leimuiden’ en Historisch lint’. In de beschrijving van deze deelgebieden wordt aangegeven dat het mogelijk is bedrijfsbebouwing te vervangen door woningbouw.

Voor dergelijke grote initiatieven heeft de nota echter slechts een hoofdrichting aan en dient apart een stedenbouwkundig kader te worden opgesteld. Op het realiseren van een woonzorgvoorziening op de voorgestelde locatie gaat de nota niet specifiek in. 4.4.2.3 Algemene voorwaarden Nota inbreidingslocaties In de Nota inbreidingslocaties heeft de gemeente Kaag en Braassem een aantal algemene voorwaarden opgenomen waarin initiatieven worden getoetst. Het betreffende de volgende: •

• • •

De nota heeft betrekking op zelfstandige ontwikkelingslocaties. Bij de ontwikkelingslocaties is sprake van sloop en nieuwbouw (transformatie) of het bebouwen van onbebouwde ruimte binnen de rode contouren van de kernen. De locaties maken geen onderdeel uit van actuele grotere ontwikkelingsgebieden, bedrijfsterreinen, recreatieterreinen/jachthavens of belangrijke openbare groenvoorzieningen; Voor alle verzoeken is een kostendekkend legestarief verschuldigd conform de gemeentelijke legesverordening. De woningen dienen elk zelfstandig volledig te voldoen aan de normen van het Bouwbesluit, de bouwverordening en andere van toepassing zijnde bouw- en gebruiksregelgeving. Burgemeester en wethouders behouden zich het recht om, omwille van de verdeling van de ambtelijke werklast over de diverse projecten, een volgorde van behandeling te hanteren.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

20

Tuinderij Leimuiden Ontwerp •

Aanvulling van de criteria kan plaatsvinden door burgemeester en wethouders op grond van stedenbouwkundig advies, op advies van de welstands/monumentencommissie en kaderstellende normen van andere overheden zoals de provincie Zuid-Holland en het Hoogheemraadschap van Rijnland.

4.4.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Nota inbreidingslocaties Het plangebied betreft een onbebouwde ruimte binnen de rode contour van de kern Leimuiden, het betreft op dit moment een groene ruimte ten zuiden van de bedrijvenlocatie Tuinderij. Het gebouw wordt gebouwd conform de geldende bouw- en gebruiksregelgeving. Door burgemeester en wethouders is reeds ingestemd met de stedenbouwkundige inpassing zoals in hoofdstuk 3 reeds aan bod is gekomen. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Nota inbreidingslocaties van de gemeente Kaag en Braassem. 4.4.3

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

21

Tuinderij Leimuiden Ontwerp

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologisch & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmings/wijzigingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

De geplande zorgwoningen worden op basis van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai Ingevolge de Wgh hebben alle wegen een zone waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. De breedte van de zone, aan weerszijde van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat deze zones niet gelden voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art. 74.2).

In de Wgh worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige gebouwen die liggen binnen de geluidszone van een weg. De voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting vanwege wegverkeer bedraagt 48 dB. Het bouwbesluit stelt daarnaast de eis dat het binnengeluidniveau in bedruimten ten hoogste 28 dB mag bedragen. Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de N207. De overige wegen in de omgeving betreffen 30 km/uur wegen. Deze wegen kennen geen wettelijke geluidszone, maar wel moet worden beschouwd of er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonzorginstelling als gevolg van wegverkeerslawaai BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Tuinderij Leimuiden Ontwerp van deze wegen. Door Buijvoets Bouw- en Geluidsadvisering is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 1 hieronder worden de onderzoeksresultaten besproken. Het zorggebouw ligt op ca 3.5 –NAP. De Raadhuislaan, ter hoogte van het geplande zorggebouw, ligt op een dijk langs de Drecht op een hoogte van 0,5 m -NAP. Ter plaatse van het viaduct met de N207 ligt de Raadhuislaan ca 1.3 m -NAP. De N207 ligt op een talud en gaat op ca 4.3 m + NAP over de Drecht. Door de hoge ligging tem opzichte van het lokale maaiveld heeft de N207 minder bodemdemping, waardoor het geluid verder draagt. De hoogtelijnen zijn gebaseerd op informatie van de hoogtekaart Nederland(AHN) en in het model opgenomen. Voor de rekeninvoergegevens wordt verwezen naar de berekening in bijlage I van de onderzoeksrapportage. Berekend is de invallende geluidbelasting LDEN op de gevels van het geplande gebouw, dat is de gemiddelde geluidbelasting van de dag, avond en nachtperiode. Toetsing van de geluidbelasting aan de grenswaarden gebeurd volgens de Wgh per weg. Alvorens de geluidbelasting te toetsen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB mag de berekende waarde op grond van art. 110g van de Wet geluidhinder worden verminderd met een tijdelijke aftrek (i.v.m.

het stiller worden van motorvoertuigen) van 5 dB voor wegen met een wettelijk maximum snelheid tot 70 km/uur. Voor wegen waar de representatieve snelheid voor lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt, wijzigt de aftrek op basis van artikel 110g Wgh (art. 3.4, lid 1) in: • • •

4 dB voor situaties dat de geluidsbelasting zonder aftrek 110g Wgh 57 dB is; 3 dB voor situaties dat de geluidsbelasting zonder aftrek 110g Wgh 56 dB is; 2 dB voor andere waarden van de geluidsbelasting.

Om de hoogte van de reductie te bepalen, zal er eerst berekend moeten worden hoeveel de geluidsbelasting zonder aftrek bedraagt. De geluidbelasting LDEN incl. 2 dB aftrek op de oostgevel van het gebouw ten gevolge van de N207 bedraagt maximaal 57 dB waarmee de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. De bovengrens van 58 dB uit het geluidbeleid wordt niet overschreden. De geluidbelasting LDEN incl. 5 dB aftrek op de gevels t.g.v. de overige wegen ligt ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In artikel 110a lid 5 van de Wet geluidhinder is bepaald dat een hogere waarde alleen kan worden verleend indien : toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, de weg of spoorweg, van de gevel van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van de betrokken geluidsgevoelige terreinen tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Hierna wordt op mogelijke maatregelen om de geluidbelasting te reduceren ingegaan. Bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen rekenen op zwaarwegende bezwaren. Als gevelwerende maatregelen worden toegepast, wordt een binnenniveau van 33 dB gerealiseerd.

Ieder verzoek om hogere grenswaarde wordt in ieder geval aan de voornoemde criteria getoetst. Daarnaast worden bij de afweging over het toekennen van een verzoek om een hogere grenswaarde ook de locatiespecifieke kenmerken betrokken. Hier is sprake van ontheffingsgrond 3: Woningen die door de gekozen situering een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen. Met criteria 8, 9 en 10 wordt in het plan rekening gehouden. Het gebouw heeft aan de westzijde een luwe gevel en terras (LDEN <=48 dB). Criterium 8 : akoestische compensatie De gevels krijgen geen roosters waardoor de gevelwering standaard al ca. 28 dB is (minimumeis Bouwbesluit GA;k = 20 dB). De kamerscheidende wanden hebben een ca 10 dB hogere geluidisolatie dan minimaal vereist (DnT,A,k = 32) BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Tuinderij Leimuiden Ontwerp Criterium 10 : tenminste één stille gevel (< 48 dB) De westgevel ligt geluidluw. Criterium 13 : hogere waarde is niet hoger dan 58 dB De maximale hogere waarde is 57 dB Het gebouw heeft voor iedere bewoner een eigen studio, waarvan ±50% geluidbelast is en de andere 50% aan de luwe zijde liggen. De bewoners hebben geen keuze voor een kamer aan de luwe zijde zoals bij een ééngezinswoning. Dat is inherent aan zorggebouwen met meerdere studio ’s op geluidbelaste locaties. Voor het zorggebouw kan een hogere waarde worden vast gesteld van 57 dB. Gelet op het vorenstaande is er mits er een hogere waarde wordt vastgesteld en gevelwerende maatregelen worden getroffen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gewenste woonzorgcomplex voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. In de bouwregels van het bestemmingsplan is dit juridisch verankerd. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai In de nabijheid van het plangebied bevindt zich geen spoorlijn. Railverkeerslawaai behoeft om deze reden geen nadere aandacht. 5.1.2.3 Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op het onderzoek naar industrielawaai als gevolg van individuele bedrijven (nabij gelegen zwembad).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=bd36599b-d7e8-4deb-897b-3a1473bcc10a