t_NL.IMRO.1884.BPZWARTEWEG8-VAS1
Tekst van het document
Ladder voor duurzame ontwikkeling In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a. b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 26 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade Kroonjuweel cultureel erfgoed Het plangebied ligt binnen de beschermingscategorie 1. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier niet toegestaan, tenzij de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en daarbij aansluit op de ruimtelijke kwaliteit.
Groene buffer Naast beschermingscategorie 1 geldt voor het plangebied ook beschermingscategorie 2. Ook hier geldt dat ruimtelijke ontwikkelingen niet zijn toegestaan, tenzij de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en daarbij aansluit op de ruimtelijke kwaliteit. Specifiek voor dit plan
Voor wat betreft de ruimtelijke kwaliteit is er sprake van een vorm van inpassen (sub a). De ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaande kavelstructuur en betreft de ontwikkeling van slechts enkele woningen,. De belangrijke karakteristieke boerderij wordt in moderne vorm teruggebouwd, de hoofdvorm van de silo blijft behouden en de twee vrijstaande woningen krijgen een bescheiden ‘agrarische’ uitstraling. Daarmee past de ontwikkeling bij de aard en schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 4.2.1 toegelicht. In toelichting paragraaf 4.1.3 is ingegaan op de eventuele consequenties, m.b.t. het voorliggende plan, van de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieruit is gebleken dat de beoogde ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is sub b niet van toepassing. Bovendien betreft het hier geen locatie groter dan 3 hectare. Er wordt daarmee voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. In toelichting paragraaf 4.2.1 is ingegaan op de kwaliteitskaarten en gebiedsprofielen van de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling passend is in de omgeving en aansluit op de bestaande gebiedsidentiteit..
Voor zowel beschermingscategorie 1 als 2 geldt dat de beoogde ontwikkeling een positieve invloed zal hebben op zowel de gebiedsidentiteit als de ruimtelijke kwaliteit. Met de ontwikkeling wordt nadrukkelijk ingespeeld op het agrarisch karakter van de omgeving. De kenmerkende maar vervallen boerderij wordt, zij het in moderner uitvoering, grotendeels teruggebouwd en de silo blijft als agrarisch artefact in hoofdvorm aanwezig. De stallen worden vervangen door veel kleinere bouwvolumes op een groen erf waardoor de ruimtelijke kwaliteit sterk zal toenemen. Al met als zal deze ontwikkeling niet alleen bijdragen aan het versterken van de kwaliteit van het plangebied, maar ook van de omgeving. Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2021 De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 24 januari 2022 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem versie 2.0' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. ruimte maken - ruimte laten
pagina 27 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan de volgende thema's/onderwerpen centraal: • • • • • • • • •
Samenwerken in en aan Kaag en Braassem Energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; Natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; Wonen in Kaag en Braassem; Gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; Sociaal Kaag en Braassem; Mobiliteit in Kaag en Braassem; Veilig Kaag en Braassem Gebiedstypen
In de omgevingsvisie wordt per thema aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. De ambities bij twee thema’s worden hierbij voor deze locatie uitgelicht.
Wonen In de omgevingsvisie worden onder het thema wonen de volgende ambities geformuleerd: • • • •
Woningbouwplannen richten op de behoefte; Doorstroming bevorderen; Huisvesting voor specifieke/bijzondere doelgroepen realiseren; Het definiëren van wat passend is in de omgeving.
Gebiedstypen In de omgevingsvisie wordt de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Het plangebied ligt in het buitengebied-veenweide. Daar gelden als voornaamste ambities: • •
Het behouden van de bestaande landschappelijke structuur en kwaliteit. Het tegengaan van bodemdaling veroorzaakt door veenoxidatie.
Specifiek voor dit plan Het plangebied ligt circa 600 mm verwijderd van de Kern van Oud Ade in het gebiedstype 'Buitengebied'. In dit gedeelte van het kroonjuweel Kagerplassen en Molens zijn watergangen sterk structuurbepalend geweest. Het plangebied vormt al sinds de 17e eeuw een clusterbebouwing aan het eind van de Zwarteweg. Het gebied heeft historisch een sterk agrarisch karakter. Met het voorliggende plan wordt het karakter van het cluster behouden en de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Zie daarvoor de toelichting paragraaf 3.3 Beeldkwaliteit. De bebouwing zal bestaan uit een aantal leeftijdsbestendige woningen waardoor doorstroming op de lokale woningmarkt bevorderd zal worden. Hiermee past het initiatief binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem: passend in de omgeving, doorstroming bevorderend. ruimte maken - ruimte laten
pagina 28 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade 4.3.2 Nota inbreidingslocaties Op 7 februari 2011 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld. Deze nota is opgesteld om voldoende houvast te bieden bij het beoordelen van initiatieven. Voor elk dorp is een beschrijving gemaakt waarin de bestaande karakteristiek is verwoord. De nota geeft geen antwoord op de wenselijkheid van een initiatief, maar biedt enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit. Anderzijds zorgt de nota ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op ontwikkelingen. Op pagina 10 van de nota staat aangegeven: “De nota heeft betrekking op zelfstandige ontwikkelingslocaties. Bij de ontwikkelingslocaties is sprake van sloop en nieuwbouw (transformatie) of het bebouwen van onbebouwde ruimte binnen de rode contouren van de kernen. De locaties maken geen onderdeel uit van actuele grotere ontwikkelingsgebieden, bedrijfsterreinen, recreatieterreinen / jachthavens of belangrijke openbare groenvoorzieningen.” Specifiek voor dit plan Het onderhavige plangebied ligt ver buiten de indicatie rode contour van Oud Ade, daarmee is er geen sprake van inbreiding en is de nota Inbreidingslocaties niet van toepassing. Met de beoogde planontwikkeling wordt echter wel voldaan aan een aantal uitgangspunten van de nota. Het landschap rond Oud Ade is zeer waardevol.
Met de geplande ontwikkeling wordt dat onderstreept door het vergroten van de ruimtelijk kwaliteit en meer zicht op het omringende landschap aan het eind van de Zwarteweg. Zoals in de nota bepleit wordt voor de buitenrand van de dorpskern is het ook bij deze geplande herontwikkeling een uitgangspunt goede open visuele relaties met het landschap te behouden en te zorgen voor een landschappelijke inpassing met voldoende opgaande beplanting.
4.3.3 Commissie ruimtelijke kwaliteit
illustratie 4-3 Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied West met functieaanduiding: Cultuurhistorische waarde. Het gele vierkantje op de foto-inzet rechts onderin is een klein vevallen buitentoiler aan de oever van de Oude Ade.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 29 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade De gemeenteraad van Kaag en Braassem besloot in 2009 een groot deel van de gemeente welstandsvrij te verklaren. Dit wil zeggen dat voor bouwplannen in het overgrote deel van de gemeente geen advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit vereist is. Een uitzondering werd gemaakt voor ontwikkelingen in beschermde dorpsgezichten, voor gemeentelijke en rijksmonumenten en voor de invloedsfeer van deze monumenten. Met dit specifieke welstandsbeleid streeft de gemeente naar behoud van het cultuurhistorisch en landschappelijk karakter van deze gebieden en monumenten. Voor de genoemde situaties worden bouwplannen beoordeeld en van een advies voorzien door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Kaag en Braassem. Specifiek voor dit plan. Op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied West (illustratie 4.3) zijn gebouwen met cultuurhistorische waarde aangegeven. Binnen het plangebied bevindt zich een klein gebouwtje met een dergelijke waarde: een (bouwvallig) toilethuisje aan de oever van de Oude Ade. In een advies van Dorp, Stad & Land d.d. 12 mei 2023 (zie bijlage 1 bij deze toelichting) wordt vastgesteld: “De commissie heeft echter geconcludeerd dat het hoofgebouw van dit agrarisch ensemble, noch één van de andere objecten (op het buitentoilet na), niet de status van karakteristiek pand heeft.
Ook het gebied waarin het ligt is geen karakteristiek gebied of beschermd dorpsgezicht.” en ook: “Kortom; de commissie heeft geen juridische positie van waaruit zij een advies uit kan brengen, er zij wat dat betreft op die locatie géén welstandskaders.” Conclusie: Ter plaatse van het plangebied gelden geen speciale eisen van welstand. De initiatiefnemer zal in samenwerking met de gemeente een passend en kwalitatief hoogwaardig stedenbouwkundig plan realiseren.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 30 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade
5 Water 5.1 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het WB21 worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: ▪
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
▪
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlakte- en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning.
5.2 Taken en bevoegdheden van Hoogheemraadschap Rijnland als waterbeheerder Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 31 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het Waterbeheersplan (WBP6) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2028. Het WBP6 is afgestemd met landelijke en regionale plannen zoals de Omgevingsvisies van Rijk, provincies en gemeenten.. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheers fase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.
5.3 Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: ▪
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden)
▪
watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken)
▪
andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen)
▪
de bodem van kwelgevoelige gebieden
▪
onttrekken en lozen van grondwater
▪
aanbrengen van verhard oppervlak.
Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist. De actuele (gewijzigde) versies betreffen de Keur Rijnland 2020, vastgesteld op 23 september 2020 en de Uitvoeringsregels Keur 2022, in werking getreden per 1 juni 2022. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.
5.4 Verhardingen en hemelwater Met betrekking tot het aanbrengen van verharding geldt de volgende algemene regel. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels in artikel 3.2.g opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15% moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. ruimte maken - ruimte laten
pagina 32 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade
5.5 Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
5.6 Legger regionale waterkeringen Een legger is een register waar van alle waterkeringen in het Rijnlandse beheergebied het volgende is weergegeven: de ligging en de vereiste afmetingen, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en wat dit onderhoud inhoudt. De legger is eind 2018 vastgesteld door het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden. In de Legger regionale keringen van het Hoogheemraadschap van Rijnland wordt voor de waterkerende dijken de volgende zonering aangehouden: ▪ ▪
▪
De kernzone (Het centrale gedeelte van het waterstaatswerk, dat als zodanig in de legger is aangegeven) De beschermingszones: Aan een waterstaatswerk grenzende zone, die als zodanig in de legger is opgenomen. Binnen de zone geldt een beperking voor wat betreft het ondernemen van activiteiten zoals bouwen of slopen van werken Buitenbeschermingszone: Aan de beschermingszone grenzende zone, die als zodanig in de legger is aangegeven.
Per zone is aangegeven aan welke minimumeisen de waterkering moet voldoen. Binnen de kernzone geldt daarbij het strengste beschermingsniveau.
5.7 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek kan brengen.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 33 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade
5.8 Specifiek voor dit plan Watercompensatie Met betrekking tot het aanbrengen van verharding geldt de algemene regel dat watercompensatie vereist is indien er meer dan 500 m² wordt aangebracht. In de nieuwe ontwikkeling zal de verharding juist met circa 2400 m² afnemen. Zie tekeningen (illustratie 5.1) en berekeningen (tabel 5.1).
illustratie 5-1 Verhardingen
bestaande situatie
nieuwe situatie
Tabel 5-1 verhardingen bestaand / nieuw
Uit de tabel volgt dat de hoeveelheid verharding met circa 43% afneemt. Dat is volledig in lijn met het uitgangspunt de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren en het geheel het karakter van een ‘groen erf’ te verschaffen. In de uiteindelijke gedetailleerde uitwerking van het plan kunnen procentuele verschillen optreden met deze berekening maar de conclusie zal blijven: Watercompensatie is niet vereist.
Hemel- en afvalwater In de nieuwe situatie zal het hemelwater afkomstig van de daken van de bebouwing opgevangen worden en afwateren op het oppervlaktewater. Hemelwater afkomstig van verharde maaiveldoppervlakten zal infiltreren in de bodem. Het huishoudelijk afvalwater zal worden afgevoerd via de bestaande gemeentelijke riolering. ruimte maken - ruimte laten
pagina 34 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade
De Legger regionale waterkeringen en het verloop van het dijklichaam. In de navolgende afbeelding is, ter hoogte van het plangebied, een uitsnede van de Legger regionale keringen weergegeven, waarbij de verschillende zones worden weergegeven. (illustratie 5.2) Uit die afbeelding is duidelijk af te lezen dat het plangebied binnen de kernzone en beschermingszone ligt van een regionale waterkering. De middenkruinlijn van de waterkering loopt centraal door het plan heen. In een dergelijke zone is het verboden om zonder vergunning bepaalde werkzaamheden uit te voeren. Hiertoe is zowel in het vigerende als in het hier voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Voor het uitvoeren van handelingen binnen de kern- en beschermingszone van de regionale waterkering dient instemming verkregen te worden van het Hoogheemraadschap van Rijnland.
illustratie 5-2`Legger regionale kering. (bron: Hoogheemraadschap Rijnland / kaarten bij de regels)
Zoals uit illustratie 5.2 af te lezen valt loopt de hoogwaterkering midden door het plan en heeft dat consequenties voor de realisatie van de gewenste ontwikkeling. Opmerkelijk is wel dat door in het verleden uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden de huidige fysieke dijk feitelijk een ander verloop heeft dan hoe die is aangegeven in de Legger.
illustratie 5-3 Weg tussen boerderij en stallen. Verloop van de dijk volgens de Legger. (beeld: ir. wim klaassen – ARCHITECT)
ruimte maken - ruimte laten
pagina 35 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade
illustratie 5-4 Middenkruinlijn volgens Legger in vergelijking met werkelijk beloop. (bron: ir. wim klaassen - ARCHITECT)
In bovenstaande afbeelding (illustratie 5.4) zijn hoogtelijnen weergegeven afkomstig vanuit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN-3). Daaraan is af te lezen wat ook in de werkelijkheid duidelijk geconstateerd kan worden. De dijk loopt volgens de legger in het hart van de weg tussen de boerderij en de stallen, maar is daar niet hoog genoeg. De gemiddelde hoogte van de dijk langs de Oude Ade zet zich voort in de strook grond ten zuiden van de boerderij en vormt daarmee in werkelijkheid de fysieke dijk.
illustratie 5-5 Doorsnede Legger regionale waterkering en positie nieuwe 'boerderij'. (bron: ir. wim klaassen - ARCHITECT)
In de nieuwe situatie zal de ‘boerderij’ iets naar het noorden verplaatst worden om ruimte te maken voor de dijk, rekening houdend met het ‘profiel van de vrije ruimte’. Met wat aandacht voor de uitvoering van de fundering kan de nieuwbouw op 3,35 m van de middenkruinlijn gebouwd worden, net buiten dat profiel van de vrije ruimte. ruimte maken - ruimte laten
pagina 36 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade
illustratie 5-6 Dijklichaam aan de zuidzijde van de boerderij. (beeld: ir. wim klaassen - ARCHITECT)
Namens de initiatiefnemer is overleg gevoerd met het Hoogheemraadschap over de positie van het dijklichaam. In dat overleg is gevraagd het verloop van de dijk in de legger in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid. In andere woorden: de middenkruinlijn op tekening te verplaatsen naar de gele lijn in illustratie 5.4.
Watertoets en overleg met het Hoogheemraadschap Rijnland Op 19 december 2022 is een digitale watertoets verricht. Zoals te verwachten was luidt de uitkomst van de toets dat waterschaps-belangen worden geraakt. Realisatie van het project kan alleen plaatsvinden na het verlenen van een watervergunning door het Hoogheemraadschap. Voorts dienen bij de uitvoering van het plan meerdere uitvoeringsregels van het Keur te worden nageleefd. Er heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden met het Hoogheemraadschap Rijnland over het voorliggend initiatief. Dat overleg betrof met name de positie van de waterkering in het gehele plan. Er zal op korte termijn vergunning verleend worden voor het (administratief) verplaatsen van de waterkering van de noordzijde naar de zuidzijde van de boerderij. (als getekend in illustratie 5.4) ). Voor de herbouw van de ‘boerderij’ (woongebouw met drie woningen) is een watervergunning nodig van het HHR. Deze zal verleend worden onder de voorwaarde dat het gebouw buiten het profiel van de vrije ruimte zal worden gerealiseerd. Op de verbeelding van dit bestemmingsplan is de zone ‘dubbelbestemming Waterstaat–Waterkering’ verplaatst t.o.v. de positie als weergegeven op het bestemmingsplan Buitengebied-West. Conclusie: Ten aanzien van het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 37 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade
6 Milieu- en omgevingsaspecten Binnen het kader van een ‘goede’ ruimtelijke ordening moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling die afwijkt van het vigerend bestemmingsplan uitvoerbaar is. Hiervoor moeten de milieutechnische gevolgen en overige omgevingsaspecten in beeld worden gebracht. In dit hoofdstuk worden per milieuaspect de gevolgen beschreven en de eventueel noodzakelijke onderliggende haalbaarheidsonderzoeken toegelicht.
6.1 Milieueffectrapportage (m.e.r.) De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a) het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; b) het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; c)
het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
d) de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet: ▪
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
▪
het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
▪
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel
▪
7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 38 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade Specifiek voor dit plan De planlocatie ligt in het buitengebied van Kaag en Braassem, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het voornemen is de geldende bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’, voor een gebied met een omvang van circa 6000 m2, om te zetten naar de bestemming Wonen. Met dit plan wordt de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing verwijderd en worden in totaal vijf nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Het realiseren van (netto) 5 woningen ter plaatse van de te slopen bedrijfs- en woonbebouwing in een gebied met de omvang van 6000 m2 is een te kleinschalig project om te beschouwen als een activiteit onder D9 (landinrichting) van de D-lijst in de bijlage van het Besluit m.e.r. De ontwikkeling blijft ver onder de gegeven drempelwaarde van een functiewijziging van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw. Conclusies m.b.t. dit plan Het Besluit m.e.r. is niet van toepassing.
6.2 Milieu 6.2.1 Bodem Binnen het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat zowel de kwaliteit van de bodem en als van het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Indien sprake is van een functiewijziging dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd binnen het plangebied. Met behulp van dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Specifiek voor dit plan. Uitgevoerde onderzoeken Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een bestemmingswijziging van een ‘agrarisch met natuurwaarden’ naar ‘wonen’. Dat is een bestemmingswijziging naar een gevoeliger bodemgebruik. Er is in eerste instantie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, project 37159, rapportage d.d. 28 november 2022) (Zie bijlage 2 bij deze toelichting). Het doel van het verrichte chemisch onderzoek was het vastleggen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en het beoordelen of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming. Verspreid over de locatie zijn lichte verhogingen met zware metalen, olie, PAK en PCB’s aangetoond. Deze verhogingen vormen geen belemmering voor de herontwikkeling van de locatie.
Echter: Bij vier boringen zijn verhogingen aangetoond waar afhankelijk van de gedetailleerde uitwerking van het plan aanvullend onderzoek nodig is voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Dat betreft: •
Ter plaatse van boring 02 is onder de asfaltverharding en de fundatielaag een sterke verhoging met PAK en matige verhogingen met barium en zink aangetoond.
•
Ter plaatse van boring 03 is in het zand onder het asfalt en de fundatielaag een matige verhoging met koper aangetoond.
•
Ter plaatse van boring 08 is in een baksteen- en betonhoudende bodemlaag een sterke verhoging met zink aangetoond.
•
In het grondwater afkomstig van peilbuis 14 is een matige verhoging met zink aangetoond.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 39 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade Het doel van het uitgevoerde verkennend asbestonderzoek was om met een relatief geringe onderzoeksinspanning te bepalen of de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie verontreinigd is met asbest. Resultaat: De gestelde hypothese dat de grond en de fundatielagen verdacht zijn op het voorkomen van asbest, is niet bevestigd. In de bovengrond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. Het met het verkennend onderzoek aangetroffen viertal verontreinigingen vormde aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek. (Grondslag, project 37159, aanvullende onderzoek, rapportage d.d. 24 februari 2023) (Zie bijlage 3 bij deze toelichting). Het doel van dit nader onderzoek was: •
Het vast stellen of de verontreinigingen reproduceerbaar zijn;
• •
Het afperken van de verontreinigingen in horizontale en verticale richting, in zowel grond als grondwater;
•
Het beoordelen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging;
•
Het beoordelen of er sprake is van een spoedeisende sanering, in het kader van de Wet bodembescherming.
Na beoordeling stelt de Omgevingsdienst West-Nederland dat de uitgevoerde bodemonderzoeken voldoen aan de geldende normen. Uit de bodemonderzoeken blijkt het volgende: •
In het opgeboorde bodemmateriaal zijn bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen. Plaatselijk zijn verhardingslagen met verschillende samenstellingen (puin, menggranulaat, slakken, etc.) aangetroffen. Zintuiglijk en analytisch is geen asbesthoudend materiaal aangetroffen in de grond en de verhardingslagen.
•
Ter plaatse van de boringen 02 en 101 (bodemlaag 0,45-0,9 m-mv-onder asfaltverharding) is de grond sterk verontreinigd met PAK. De verontreiniging met PAK is in horizontale en verticale richting afgeperkt, voor zover aanwezige bebouwing dit mogelijk maakte. Op basis van de gegevens is sprake van een verontreinigingsspot met een omvang van ongeveer 12,5 m2.
•
Ter plaatse van de boringen 08 en 111 (bodemlaag 0-0,5 m-mv) is de grond sterk verontreinigd met zink. De verontreiniging met zink is in horizontale en verticale richting afgeperkt, voor zover aanwezige bebouwing dit mogelijk maakte. Op basis van de gegevens is sprake van een verontreinigingsspot met een omvang van ongeveer 18 m2.
•
Op het resterend perceel is de bovengrond niet of licht verontreinigd met de onderzochte parameters.
•
De ondergrond is niet of licht verontreinigd met de onderzochte parameters. De matige verontreiniging met koper ter plaatse van boring 3 (bodemlaag 0,4-1,0 m-mv) is met het aanvullend bodemonderzoek niet reproduceerbaar.
•
Het grondwater is niet of licht verontreinigd met de onderzochte parameters. Met het aanvullend onderzoek is de matige verontreiniging met zink niet bevestigd.
Conclusies m.b.t. dit plan De resultaten van de bodemonderzoeken geven geen aanleiding tot het nemen van vervolgstappen Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van beperkingen in de hergebruiksmogelijkheden en/of van verwerkingskosten. Ook kan door derden, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden. Bij graafwerkzaamheden in de grond dient rekening gehouden te worden met eventueel te treffen veiligheidsmaatregelen conform ruimte maken - ruimte laten
pagina 40 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade de CROW-publicatie 400. Voor graafwerkzaamheden ter plaatse van de verontreinigingsspot met zink en PAK dient een plan van aanpak opgesteld te worden dat beoordeeld en goedgekeurd dient te worden door de Omgevingsdienst West-Nederland. Deze eis kan te zijner tijd opgenomen worden in de omgevingsvergunning. Eindconclusie: Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden ten aanzien van de bodem geen belemmeringen verwacht.
6.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken Rijk, provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Specifiek voor dit plan Het voorliggende initiatief is een kleinschalige ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit is daarmee niet vereist. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&W en RIVM) echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen respectievelijk 16 µg/m³, 8 µg/m³ en 16 µg/m³. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke EUgrenswaarden van 40 μg/m³ fijnstof PM10, 40 μg/m³ stikstofdioxide en 25 µg/m³ fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
6.2.3 Geluid De mate waarin geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): •
woningen;
•
geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid
ruimte maken - ruimte laten
pagina 41 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade behoeft, niet zijnde een woning). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is het geluid dat wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarde is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een procedure hogere voorkeursgrenswaarde. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB.
illustratie 6-1 Uitsnede kaart geluidsbelasting (plangebied indicatief groen aangeduid.(bron: Atlas leefomgeving)
Specifiek voor dit plan Met geplande ontwikkeling worden een aantal woningen gerealiseerd, dus binnen het kader van de wet geluidhinder geluidgevoelige objecten. De Zwarteweg is een doodlopende weg met een geringe hoeveelheid bestemmingsverkeer. Ter plekke van het plan is het een privé-weg waarover overpad aan buren wordt verleend. De snelheid wordt door de aanleg van de weg sterk beperkt. De initiatiefnemer kan voor de veiligheid een bord met 30 km snelheidsbeperking laten plaatsen. De afstand tot de provinciale weg met twee rijstroken is meer dan 250 m, te weten: 370 m. Conclusie: er hoeft niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 42 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade 6.2.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof.
De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Specifiek voor dit plan Met het voorgenomen plan worden zes woningen gerealiseerd, waarvan één als vervanging van de al enige tijd niet meer bruikbare woning in de te slopen boerderij. Er dient getoetst te worden of de beoogde ontwikkeling geen belemmering veroorzaakt voor de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' is er bepaald of er voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. In de omgeving van het plan zijn in totaal 3 agrarische bedrijven aanwezig. Aan de Akerslootpolder 3a is een schapenhouderij gevestigd. Het bedrijf wordt niet door de bouw van de woningen belemmerd omdat deze woningen niet dichterbij komen dan de reeds dichterbij gelegen woningen op de adressen Zwarteweg 5, 6, 6a en 7. Op de percelen Zwarteweg 4a en Vrouwe Vennepolder 3 zijn melkrundveehouderijen gevestigd.
Op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet de afstand tot woningen van derden minimaal 50 meter bedragen. De werkelijke afstand van de dichtstbij gelegen woningen in de nieuwe ontwikkeling is respectievelijk 200 en 460 meter. Binnen het plangebied, maar buiten de bestemming Wonen bevinden zich twee bestaande, te handhaven gebouwen, te weten een werktuigberging (W) en een werkruime/berging (O). De initiatiefnemer die op de locatie blijft wonen in de te verbouwen silo zal een (relatief klein) deel van het huidige agrarische kavel voor hobby-matig gebruik behouden en handhaven als grasland. Op die wijze blijft voor dat deel van het kavel het landschappelijk karakter en daarmee de ruimtelijke kwaliteit behouden in de zin van de bestemmings-omschrijving in de regels van het bestemminsplan. (hfst. 2 art. 3.1 lid a). De voor het onderhoud van dat grasland benodigde (al aanwezige) machines zoals een maaimachine zullen daarin gestald blijven. In de werkruimte blijven hobbymatige werkzaamheden uitgevoerd worden. Conclusie: Het aspect milieuzonering veroorzaakt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 43 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade 6.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich middels het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) op de volgende risico’s: ▪
risicovolle Bevi- en niet-Bevi-inrichtingen;
▪
vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
▪
vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Specifiek voor dit plan Met de beoogde ontwikkeling van zes woningen is er sprake van kwetsbare objecten. Daarom dient de externe veiligheid voor de gewenste ontwikkeling getoetst te worden. In de onderstaande illustratie wordt een uitsnede van de risicokaart weergegeven ter plaatse van het plangebied.
illustratie 6-2 Uitsnede risicokaart (plangebied indicatief groen aangeduid.(bron: Atlas leefomgeving)
Zoals zichtbaar is op de afbeelding en leesbaar in het informatiekader zijn er geen Bevi-inrichtingen in de nabijheid van het plangebied, alsook geen niet-Bevi bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd of opgeslagen. De planlocatie ligt ook niet in het invloedsgebied van vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op circa 2150 m tussen Rijpwetering en Roelofarendsveen. De planlocatie ligt op een afstand van ongeveer 1,3 km van de autosnelweg A4.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 44 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade Over de A4 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van de categorie LT3 heeft de A4 een invloedsgebied van meer dan vier kilometer. Daarbinnen ligt dus het plangebied. Door de ligging van de planlocatie in het (toxische) invloedgebied van de A4 is het verstandig maatregelen en voorzieningen te treffen die de zelfredzaamheid van personen kunnen vergroten. Bij het in werking treden van de Omgevingswet op 1 januari 2024 treedt ook het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) in werking. BBL art 4.124 lid 4 luidt: “Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.” In de regels bij dit bestemmingsplan is een verwijzing naar BBL art. 4.124 lid 4 opgenomen. De gewenste ontwikkeling heeft zelf geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals rampenbestrijding, bereikbaarheid of mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Conclusie: Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
6.3 Ecologie 6.3.1 Wettelijk kader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de ter plaatse aanwezige natuurwaarden. In de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt de bescherming van natuurgebieden, soorten en bos geregeld. Deze wet is sinds 1 januari 2017 van kracht en vervangt drie voorgaande wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De Wet natuurbescherming heeft drie doelen. Naast de bescherming van de biodiversiteit in Nederland gaat het om decentralisatie van natuurbescherming en om de vereenvoudiging van regels. De provincies zijn met de nieuwe wet verantwoordelijk geworden voor het natuurbeleid: de provincies bepalen wat welen niet mag in de natuur en zorgen daarbij ook voor vergunningen en ontheffingen. In de wet worden gebiedsbescherming, soortbescherming en bosbescherming in afzonderlijke delen behandeld, voortbouwend op de drie vervangen wetten. De wet Wnb regelt de bescherming van planten- en diersoorten. De soortenbescherming binnen de wet is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
6.3.2 Gebiedsbescherming (Natura2000; NNN; Stikstofdepositie) De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Dit houdt in dat ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden mogelijk zijn, maar met inachtneming van het in stand houden van de specifieke waarden. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 45 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade Specifiek voor dit plan.
illustratie 6-3 Omliggend Natura2000-gebied (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselketen, 2022)
Het plangebied ligt op ongeveer 7,6 kilometer afstand van Natura 2000-gebied ‘De Wilck’. (zie illustratie 6.3) Overige Natura 2000-gebieden zijn op een grotere afstand dan 10 kilometer gelegen. Gezien de ligging ten opzichte van de Natura 2000-gebieden en uit te voeren activiteiten (sloop en nieuwbouw) zijn geen directe effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten.
illustratie 6-4 Omliggende NNN-gebieden (Rijksoverheid, 2022)
ruimte maken - ruimte laten
pagina 46 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade Het plangebied ligt op 1,7 km van Natuurnetwerk Nederland als genoemd in Omgevingsverordening ZuidHolland. (zie illustratie 6.4) Nu het plangebied niet in NNN als genoemd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland van de provincie Zuid-Holland (Rijksoverheid, 2022) ligt, is geen sprake van aantasting van NNN. Het plangebied valt niet binnen het door de Provincie Zuid Holland aangewezen belangrijk weidevogelgebied of binnen de strategische reservering natuur. Ook liggen er geen karakteristieke landschapselementen in het plangebied. De genoemde provinciaal beschermde gebieden veroorzaken aldus geen planologische belemmeringen voor het initiatief.
Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Relevante stikstofemissies, zowel tijdens de bouw- als de gebruiksfase kunnen negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Specifiek voor dit plan Het onderzoek naar de relevante emissies van stikstofoxide (NOx) en ammoniak (NH3) is uitgevoerd conform de versie 2022(d.d. 26 januari 2023) van de AERIUS Calculator. Het projecteffect bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0.00 mol/ha/j. (zie bijlage 4 bij deze toelichting) Bij een dergelijke projectbijdrage treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000gebieden. Een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is voor het plan niet noodzakelijk. Conclusie: T.a.v. het aspect stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
6.3.3 Soortenbescherming De wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van planten- en diersoorten en heeft als doel het behouden, bereiken en/of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. De soortenbescherming binnen de wet is opgedeeld in drie beschermingsregimes: soorten uit de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en andere nationaal beschermde soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Indien een ontheffing of vrijstelling Wnb vereist is in verband met aanwezigheid van beschermde soorten binnen een projectgebied dan geldt Wnb artikel 3.3 lid 4: Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. b.
c.
er bestaat geen andere bevredigende oplossing zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren 4. ter bescherming van flora of fauna 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
ruimte maken - ruimte laten
pagina 47 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade Specifiek voor dit plan. Quickscan wet natuurbescherming. De gewenste ontwikkeling gaat uit van het slopen van een aantal gebouwen: de boerderij (1), het zomerverblijf (2), de voormalige hooiberging (3), de twee ligboxenstallen (4 en 5) en een recreatiewoning met berging (7). Dat alles t.b.v. de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit middels de realisatie van een plan met nieuwbouw van een in totaliteit aanzienlijk geringer volume. De bestaande mestsilo (6) zal worden verbouwd tot een woonhuis. Om te voorkomen dat de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden, is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde gebieden en flora en fauna.
illustratie 6-5 Aanduiding onderzocht gebied en gebouwen Quickscan Wnb (bron MBH Consult) Te slopen gebouwen: boerderij (1), zomerwoning (2), voormalige hooiberging(3), stal (4), stal (5), recreatiewoning(7) en de te verbouwen silo (6)
Een quickscan Wet natuurbescherming is in november 2022 uitgevoerd. (MBH Consult, verslag d.d. 7 november 2022, zie bijlage 5 bij deze toelichting). Uit de Quickscan bleek dat in het plangebied of in de directe omgeving in de wet natuurbescherming opgenomen beschermde soorten kunnen voorkomen. Samenvattend kwam uit de Quickscan naar voren dat in het plangebied bestaan : Potentiële verblijfsplaatsen voor de volgende waargenomen beschermde soorten: 1. Huismus (boerderij, zomerwoning, de twee stallen en de recreatiewoning(1,2,4,5 en 7)), 2. Boerenzwaluw (boerderij, de twee stallen en de recreatiewoning(1,4,5 en 7)), 3. Spreeuw (boerderij, zomerwoning, de twee stallen en de recreatiewoning(1,2,4,5 en 7)), Potentiële verblijfsplaatsen voor de volgende niet-waargenomen soorten:: 4. Gierzwaluw (boerderij en zomerwoning(1 en 2)), 5. Meervleermuis; gewone grootoorvleermuis; gewone dwergvleermuis; laatvlieger en ruige dwergvleermuis (zomerwoning(2)), 6. Rugstreeppad. ruimte maken - ruimte laten
pagina 48 van 58
Bestemmingsplan Zwarteweg 8 Oud Ade Vastgesteld werd dat het uitvoeren van de werkzaamheden, waaronder het slopen van de genoemde gebouwen mogelijk kan leiden tot overtreding van de Wet Natuurbescherming artikel 3.5 lid 1 (doden of verwonden), lid 2 (opzettelijk verstoren) en lid 4 (beschadigen/vernielen van verblijfsplaatsen). Voorts werd aangenomen dat het aannemelijk is dat de planlocatie, met uitzondering voor de hierboven genoemde soorten, voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling bestaat binnen het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen belangrijke functie heeft. De Omgevingsdienst West-Nederland heeft in haar advies van 17 april 2023 de quickscan goedgekeurd en ingestemd met de conclusie dat nader onderzoek naar vleermuis, huismus, boerenzwaluw, spreeuw en rugstreeppad noodzakelijk was Nader soortgericht onderzoek Dit nader soortgericht onderzoek is in de per soort voorgeschreven periodes uitgevoerd in 2023. Voor alle in de quickscan genoemde soorten is per 13 september 2023 het onderzoek afgerond. (De Aquanoom B.V, Verslag definitieve versie d.d. 15 september 2023, zie bijlage 6 bij deze toelichting). Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de per soort bestaande kennisdocumenten en conform de geldende protocollen en richtlijnen. Met name de ‘Richtlijn soortenbescherming juli 2020’ van de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH).
Dat is voor dit project het bevoegd gezag Wet Natuurbescherming m.b.t. het verlenen van ontheffingen. Het doel van het nader onderzoek was het aantonen ofwel uitsluiten van nesten, voortplantings- en rustplaatsen van bovengenoemde soorten. Vervolgens werd bepaald of door de werkzaamheden sprake kan zijn van het overtreden van de Wet natuurbescherming (Wnb) en indien dat het geval is welke vervolgstappen (mogelijk) noodzakelijk zijn. Op basis van het soortgerichte onderzoek kan (per soort) het volgende geconcludeerd worden (gebouwaanduidingen als in illustratie 6.5): Vleermuis -
-
In het projectgebied zijn geen zomer- of kraamverblijven vastgesteld van vleermuizen; In het woonhuis (net naast het projectgebied) is een kraamverblijf (20-25 individuen) van gewone dwergvleermuis aanwezig die mogelijk nadelige gevolgen van de werkzaamheden ondervinden, als deze werkzaamheden tijdens het kraamseizoen plaatsvinden. Werken buiten de kwetsbare periode voorkomt een overtreding van de wet natuurbescherming. Paarverblijven bevinden zich op enige afstand van de werkzaamheden, waardoor geen nadelige gevolgen worden verwacht voor paarverblijven van vleermuizen. Lichtverstoring van vleermuizen in de nacht dient in het kader van de zorgplicht te worden voorkomen. Ook dient in de nieuwe situatie geen extra licht uitgestraald te worden om vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen te waarborgen.
Huismus -
In de stallen (4 & 5) zijn nesten en nestindicerend gedrag aangetroffen van huismus (maximaal 12 nesten). De werkzaamheden zullen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Hiervoor dient een ontheffing worden aangevraagd.
Gierzwaluw -
In het projectgebied zijn geen nesten van de gierzwaluw vastgesteld.
Spreeuw -
In het projectgebied zijn 5 nesten van spreeuw vastgesteld. Deze nesten bevinden zich in gebouw 1, 4 en 5. Voor spreeuwen zijn er in de directe omgeving genoeg alternatieven om te broeden. Deze vogels beschikken over voldoende flexibiliteit om alternatieve nestgelegenheden te benutten. Werken buiten het broedseizoen is noodzakelijk.