CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

RO-OP-623.136.40 Motivering TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Drechthoek ll (2025-12-10)

Gemeenteraad 2 februari 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Bedrijventerrein Drechthoek II, Leimuiden’28.584 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Op die manier wordt de beschikbare ruimte voor bedrijvigheid efficiënt benut, passend bij de beoogde verkaveling en de omgeving van het plangebied. Doordat ook altijd de waarden op de gevel van geurgevoelige gebouwen gelden, zal met het oog op de bescherming van deze gebouwen niet altijd de maximale geurruimte (afstand) kunnen worden ingevuld. Deze regeling biedt zo enerzijds (milieu-)ruimte aan nieuwe bedrijven en anderzijds bescherming voor geurgevoelige functies in de omgeving. De waarden voor geur zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Ze gelden voor nieuw te vestigen of te starten activiteiten maar evengoed voor bestaande activiteiten. Zo functioneren de nieuwe regels op dezelfde manier als de regels voor geluid. Dit plan stelt geen aanvullende vergunning- of meldplichten in.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

41 5.6.3 Conclusie Met het toepassen van de hierboven beschreven systematiek wordt erin voorzien dat de geur door activiteiten aanvaardbaar is, en dat er zodoende sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7

Trillingen

5.7.1 Kader Besluit kwaliteit leefomgeving Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij een omgevingsplanwijziging rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen. Het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle trillingveroorzakende activiteiten die het omgevingsplan toelaat, anders dan de activiteit wonen. Daarop gelden enkele uitzonderingen. Zo zijn de instructieregels niet van toepassing op verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat aan de instructieregel wordt voldaan als het omgevingsplan de standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen bevat.

5.7.2 Onderzoek Trillingen door activiteiten Met de wijziging van het omgevingsplan worden verschillende mogelijk trillingenveroorzakende activiteiten toegestaan. Door de verkeersbewegingen binnen het plangebied, bouw- en sloopactiviteiten, aanlegactiviteiten, beheer en onderhoud, maar ook de bedrijfsmatige activiteiten, kunnen trillingen worden veroorzaakt. De activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, zullen echter bij een gebruikelijke manier van uitoefenen aan deze standaardwaarden kunnen voldoen. Trillingen door wegverkeer Het verkeer wordt op behoorlijke afstand van de trillingsgevoelige gebouwen afgewikkeld. Binnen het plangebied zelf geldt een maximale rijsnelheid van 50 km per uur. Er zijn geen maatregelen in de vorm van drempels binnen het plangebied aanwezig, die ook bij deze rijsnelheden zodanige trillingsniveaus kunnen opleveren waardoor de standaardwaarden mogelijk worden overschreden. Ook de overige activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, zullen bij een gebruikelijke manier van uitoefenen aan deze standaardwaarden kunnen voldoen.

5.7.3 Conclusie Het aspect trillingen heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Bodemkwaliteit

5.8.1 Kader Besluit kwaliteit leefomgeving Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. Een omgevingsplan kan deze bouwactiviteit toestaan als op een locatie deze grenswaarden worden overschreden, als daarbij wordt voorgeschreven dat sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen worden. Daarnaast moet in het omgevingsplan op zijn minst een TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

42 meldingsplicht worden ingesteld voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Ook moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die het in stand houden van de sanerings– en andere beschermende maatregelen borgen. Naast regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw moeten er op grond van de instructieregels regels aan het plan worden verbonden over het op of in de grond brengen van grond en baggerspecie. Zo kan er in het omgevingsplan een zogenoemd bodembeheergebied worden aangewezen en moet in het omgevingsplan de landbodem worden ingedeeld in bodemfunctieklassen.

5.8.2 Onderzoek Ter voorbereiding van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan is in 2023 door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek voor het noordelijk deel (Burgemeester Bakhuizenlaan – Oosterweg) van het plangebied en een nader milieukundig bodemonderzoek voor het zuidelijk deel (Oosterweg – Overloop) van het plangebied uitgevoerd (zie afbeelding 5.1). Deze onderzoeken zijn separaat uitgevoerd en toegevoegd als bijlagen 2 en 3. In de onderzoeksresultaten worden beide gebieden apart genoemd.

Afbeelding 5.1: onderzoeklocaties Bodem (bron: IDDS).

De locatie heeft in totaal een oppervlakte van circa 100.000 m2 en betreft enkele agrarische percelen waar een aantal woonfuncties is toegestaan. Burgemeester Bakhuizenlaan – Oosterweg (noordelijk deel) IDDS heeft in 2023 een milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd op de planlocatie ter hoogte van de Burgemeester Bakhuizenlaan en de Oosterweg, conform NEN 5740 en NEN 5725. De belangrijkste resultaten en aanbevelingen uit het onderzoek zijn hieronder samengevat. In de boven- en ondergrond zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen. Ter plaatse van de slootdemping zijn zintuiglijk geen afwijkende materialen waargenomen. Zintuiglijk en analytisch (indicatief) is geen asbest aangetoond. De bovengrond is overwegend licht verontreinigd met enkele van de onderzochte parameters. Ter plaatse van de landbouwdam overschrijdt het gehalte PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) de betreffende TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

43

interventiewaarden, en overschrijdt het gehalte minerale olie de betreffende tussenwaarde. Vermoedelijk beperkt deze verontreiniging zich tot de landbouwdam en wordt het verhoogd gemeten gehalte minerale olie veroorzaakt door deze PAK’s. De omvang van de verontreiniging met PAK is nog niet in kaart gebracht, geadviseerd wordt dit nader te onderzoeken. Het grondwater is overwegend licht verontreinigd met de onderzochte parameters. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt aanvullend onderzoek geadviseerd. Het gaat in ieder geval om nader bodemonderzoek naar de mate en omvang van de aangetroffen verhoging met PAK ter plaatse van de landbouwdam. Oosterweg – Overloop (zuidelijk deel) IDDS heeft in 2023 een milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd op de planlocatie ter hoogte van Oosterweg en de Overloop, conform NEN 5740 en NEN 5725. De belangrijkste resultaten en aanbevelingen uit het onderzoek zijn hieronder samengevat. Ter plaatse van de akker en kas is de grond overwegend vrij van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Ter plaatse van de waarschijnlijke locaties van de gedempte sloten zijn in één boring slibresten aangetroffen, maar geen duidelijk afwijkende bodemopbouw. De bovengrond is overwegend licht verontreinigd met kwik en lood en plaatselijk nikkel en zink.

Op basis van de resultaten blijkt de ondergrond slechts plaatselijk licht verontreinigd te zijn met kobalt en nikkel. In het grondwater overschrijden de concentraties barium, nikkel, molybdeen en tetrachloormethaan in geringe mate de desbetreffende streefwaarden. De concentraties van de overige onderzochte parameters zijn alle lager dan de betreffende streefwaarden. Op basis van deze resultaten wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de akker en kas geen nader onderzoek hoeft plaats te vinden. Dit terreindeel wordt geschikt geacht voor elke bestemming. Ter plaatse van het asfaltpad, zijn bijmengingen met baksteen, kolen, (metsel)puin, glas en resten asfalt aangetroffen. Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De grond is licht verontreinigd met minerale olie en sterk verontreinigd met PAK. Er is voor de grond ten aanzien van PAK sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het sterk verontreinigd bodemtraject begint vanaf het maaiveld tot een diepte van gemiddeld 0,7 m minus maaiveld, over een oppervlak van ca 185 m². Hierdoor is sprake van een sterk verontreinigd bodemvolume van minimaal 130 m³. De verontreiniging is nog niet volledig in kaart gebracht, dit dient nog aanvullend te worden onderzocht. Bij het uitvoeren van werkzaamheden in de sterk verontreinigde grond, dient vrijkomende grond te worden afgevoerd naar een erkende verwerker.

Bij het uitvoeren van werkzaamheden in de bodem is vooralsnog geen veiligheidsklasse van toepassing en kan worden volstaan met het treffen van basis hygiënische maatregelen. Tot slot is in het asfalt geen fluorescentie en analytisch geen gehalte PAK boven de detectiegrens aangetoond, waardoor wordt geconcludeerd dat het asfalt niet teerhoudend is. Advies ODWH en vervolgonderzoek In voorbereiding op deze omgevingsplanwijziging heeft de omgevingsdienst (ODWH) de uitgevoerde onderzoeken beoordeeld en advies gegeven voor het vervolg. Enkele aandachtspunten bij het noordelijk deel zijn in de tussentijd in een nieuwe versie van dit onderzoek aangepast (zie bijlage 2). Het gaat om een herbemonstering van het grondwater op koper, en aanvullend onderzoek naar een verhoogd gehalte PAK ter plaatse van de al onderzochte gedempte sloot. Beide hebben inmiddels plaatsgevonden, op basis van de uitkomsten worden vervolgacties niet meer noodzakelijk geacht. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

44

Verder onderschrijft de ODWH de in de onderzoeken aanbevolen aanvullende onderzoeken. Het gaat om aanvullend onderzoek naar de nog niet onderzochte gedempte sloot en de verontreiniging met PAK en minerale olie ter plaatse van de aanwezige dam in het noordelijke deel; en het verder afperken van de verontreiniging met PAK ter plaatse van het asfaltpad in het zuidelijke deel. Deze aanvullende onderzoeken zullen later, uiterlijk voor de vergunningaanvraag, worden uitgevoerd.

5.8.3 Conclusie Voor het plangebied zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. Op basis van de resultaten zal nog aanvullend onderzoek worden uitgevoerd. Na het uitvoeren van de onderzoeken en daaruit volgende benodigde saneringswerkzaamheden, kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een geschikte bodem voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling, die geen negatieve invloed heeft op de volksgezondheid en het milieu.

5.9

Omgevingsveiligheid

5.9.1 Kader Besluit kwaliteit leefomgeving Op grond van artikel 5.2 van het Bkl moet in het omgevingsplan voor risico’s van branden, rampen en crises rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, de vluchtmogelijkheden en geneeskundige hulpverlening. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden (groepsrisico) gehanteerd. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10 -6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met groepsrisico: het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden.

Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brandaandachtsgebied), overdruk (explosieaandachtsgebied) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolkaandachtsgebied). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Voor de bepaling van de aandachtsgebieden is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en reguliere rampenbestrijding bieden. De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het ‘aandachtsgebied’ is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico’s en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

45 veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen. Aandachtsgebieden kunnen leiden tot voorschriftengebieden indien er sprake is van nieuwbouw, voor bestaande gebouwen gelden voorschriftengebieden niet. Indien men zeer kwetsbare gebouwen wil toestaan in een aandachtsgebied wordt dat aandachtsgebied of het gedeelte met nieuwbouw automatisch een voorschriftengebied. Aanvullende bouweisen gelden voor de nieuwbouw zoals opgenomen in het Bbl. Bij het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen kan de gemeente afzien van een voorschriftengebied, mits goed gemotiveerd. Het bepalen van voorschriftengebieden, de motivatie voor de te nemen maatregelen en dergelijke is een verantwoordelijkheid van de gemeente.

5.9.2 Onderzoek Bestaande risicobronnen Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten (bedrijfsbebouwing) mogelijk gemaakt. Uit de EV-signaleringskaart blijkt dat de risicobron LPG-tankstation Esso Fuelsco 4 B.V. aan de Provinciale weg 20 te Leimuiden zich op circa 155 meter ten noordwesten van het plangebied bevindt. Dit LPG tankstation heeft een explosieaandachtsgebied dat net over een zeer klein deel van het plangebied valt. Binnen het gedeelte van het plangebied dat zich in het explosieaandachtsgebied bevindt wordt geen bebouwing van (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt, waardoor het niet nodig is een voorschriftengebied op te stellen. Het brandaandachtsgebied en de PR 10-6 contour reiken niet tot het plangebied, waardoor het LPGtankstation geen belemmering vormt voor het plan. De Provinciale weg N207 is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Op de EV-signaleringskaart zijn voor deze weg echter geen aandachtsgebieden aangeduid. Het plangebied bevindt zich op circa 40 meter vanaf de rand van de weg, waardoor het buiten een brandaandachtsgebied zou vallen. Wel wordt over de Provinciale weg GF3 (LPG) vervoerd.

Gezien het lage aantal transporten dat over de weg plaatsvindt en het lage aantal aanwezigen per hectare in het omliggende gebied en het plangebied, kan ervan uitgegaan worden dat de N207 geen belemmering oplevert voor het plan. Nieuwe risicobronnen Deze omgevingsplanwijziging staat verschillende bedrijfsactiviteiten toe, waar mogelijk ook risicovolle activiteiten onderdeel van kunnen zijn. In voorbereiding op deze wijziging is met de omgevingsdienst afgestemd over de wenselijkheid van activiteiten en hierover te stellen regels. Bepaalde grote risicovolle activiteiten zijn expliciet uitgesloten. Het gaat om het exploiteren van lppc-installaties, activiteiten zoals bedoeld in onderdeel A1a, A7, B, D en E van bijlage VII van het Bkl en het opslaan van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk. De aangewezen activiteiten uit bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten die aandachtsgebieden hebben. De andere activiteiten uit onderdeel A hebben geen aandachtsgebied, en de PR-contour moet volgens het Bal in principe binnen de terreingrens vallen. Onderdeel C betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen over hoofdwegen (basisnet) en is dus niet relevant. De overige activiteiten uit bijlage VII kunnen dus worden toegelaten zonder dat dit strijd oplevert met het Bkl. Voor andere dan de nu toegelaten activiteiten is niet de verwachting dat die op het bedrijventerrein verricht zullen worden.

Mocht dat toch aan de orde en wenselijk zijn kan dit buitenplans (na afweging van de risico’s) mogelijk worden gemaakt. Hiernaast is een regeling toegevoegd voor het in werking hebben van energieopslagsystemen. Dit is niet aangewezen als milieubelastende activiteit waarover het Bal regels stelt. Omdat niet is uitgesloten dat deze activiteit op een bedrijventerrein plaatsvindt is hiervoor een vergunningplicht opgenomen. Omdat er nog geen TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

46

voorschriften zijn voor het bepalen van een aandachtsgebied en de afweging afhankelijk zal zijn van de specifieke situatie, is hiervoor een open beoordelingskader opgenomen (in lijn met artikel 5.2 Bkl). Nieuwe kwetsbare objecten Deze omgevingsplanwijziging maakt nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties mogelijk, op het bedrijventerrein en op de bestaande woonpercelen. Zoals beschreven staat het plan geen nieuwe risicobronnen toe die een aandachtsgebied hebben of waarvoor de PR-contour buiten de terreingrens valt. De toegelaten risicobronnen vormen daarom geen belemmering voor nieuwe kwetsbare objecten. Ook zijn er geen bestaande risicobronnen in de omgeving die een belemmering vormen. Een aparte regeling met een toetsing van de aanvaardbaarheid van nieuwe kwetsbare objecten is daarom niet nodig.

5.9.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10 Water 5.10.1 Kader Europees en rijksbeleid Besluit kwaliteit leefomgeving Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Daarnaast is er een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere zes jaar nationale plannen voor water nodig.

In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

47 en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

Kamerbrief ‘Water en bodem sturend’ Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (kamerbrief 25 november 2022). Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

48 Beleid waterbeheerder Hoogheemraadschap van Rijnland Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 8 februari 2022 het Waterbeheerprogramma 2022-2028 ‘Water wijst de weg’ vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap zijn strategische doelen voor het waterbeheer. Naast de wettelijke taken heeft het hoofheemraadschap voor de periode 2022-2028 de werkzaamheden vastgelegd met als doel een toekomstbestendige en duurzame leefomgeving, waarin circulariteit, energie en biodiversiteit het uitgangspunt zijn. Deze werkzaamheden bestaan uit: - Waterveiligheid: het beschermen van het gebied tegen overstromingen; - Voldoende water: zorgen voor voldoende zoetwater, niet te veel en niet te weinig; - Schoon en gezond water: zuiveren van (vervuild) water t.b.v. het watersysteem; - Waterketen: zuiveren van afvalwater voor huishoudens en bedrijven; - Rijnland duurzaam en circulair: sluiten van kringloop van grondstoffen, water en energie, besparen van energie en het versterken van de biodiversiteit; - Rijnland klimaatadaptief: water en bodem sturend, door gebieden en ontwikkelingen klimaatbestendig te richten en te maken. Om dit te realiseren stelt het hoogheemraadschap duidelijke voorwaarden en beleidsregels voor ontwikkelingen.

Samen met de visie ‘Blauwe Lens’ vormt het WBP6 de Rijnlandse visie, die een hoofdrol spelen bij het klimaatneutraal maken van het gebied op korte termijn (2030) en lange termijn (2050). Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur Sinds 31 mei 2024 geldt de waterschapsverordening van Rijnland. Voor elke vergunningplichtige activiteit staan in de waterschapsverordening beoordelingsregels. Die worden gebruikt om een vergunningaanvraag te beoordelen. Beleid gemeente Watertakenplan Kaag en Braassem 2024-2027 De gemeente Kaag en Braassem wil een klimaatbestendige gemeente zijn en samen met inwoners en belanghebbenden werken aan het creëren van een veilige, gezonde, robuuste en klimaatbestendige leefomgeving en gemeentelijk afvalwatersysteem. Het watertakenplan beschrijft hoe tussen de periode 20242027 invulling wordt gegeven aan de wettelijke watertaken en hoe er invulling wordt gegeven aan de gemeentelijke ambities, met als hoofdambitie een klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte in 2050.

5.10.2 Onderzoek Bestaande en toekomstige situatie oppervlaktewatersysteem Voorliggend plangebied ligt in het gebied de Vriesekoopsche polder. Het gebied is in beheer van het Hoogheemraadschap van Rijnland. In het peilbesluit Vriesekoopschepolder uit 2012 (DIG-1487/003) is aangegeven dat bij ontwikkeling van de locatie van Drechthoek II er een stuw aangebracht zal worden, net ten zuidoosten van het plangebied (waar de noord-zuidelijke en oost-westelijke watergangen samenkomen). Een stuw verder oostwaarts wordt dan verwijderd. De stuw wordt geplaatst op een hoogte van NAP -5,17 meter. Het achterliggende gebied (waaronder Drechthoek II) komt daarmee te liggen op een vast oppervlaktewaterpeil van NAP -5,17 meter, wat afwijkt van het voorgaande zomerpeil van NAP -5,12 meter en winterpeil van NAP -5,30 meter. Bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein en ophoging van het maaiveld wordt hiermee rekening gehouden, gelet op de droogleggingseis. Uit het stedenbouwkundig plan blijkt dat het toekomstige maaiveld zich circa 1 meter boven het waterpeil zal bevinden. Ondanks de hoge grondwaterstand is er voldoende ruimte voor waterberging, buffering en infiltratie.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

49

Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit (vrijwel geheel) onbebouwd agrarisch grasland. Rondom het plangebied zijn enkele watergangen aanwezig die worden gekenmerkt als primaire watergang. Door het plangebied loopt een aantal overige watergangen (zie afbeelding 5.2). In de toekomstige situatie wordt ten behoeve van het planvoornemen een deel van het bestaande oppervlaktewater gedempt (circa 2.500 m2), zoals beschreven in paragraaf 2.2 en weergegeven op afbeelding 2.5. Dit wordt in ieder geval gecompenseerd door het teruggraven van nieuw oppervlaktewater (circa 2.700 m 2). Daarnaast is gelet op de toename van verharding watercompensatie benodigd.

Afbeelding 5.2: Uitsnede leggerkaart hoogheemraadschap Rijnland (het plangebied is rood omkaderd).

Watercompensatie Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft in het kader van de waterschapsverordening een tool opgesteld om te bepalen in hoeverre een planontwikkeling voldoet aan de regels voor wat betreft waterberging. De ingevulde tool voor Drechthoek ll (juni 2024) is toegevoegd als bijlage 4. De totale oppervlakte van het plangebied van Drechthoek ll bedraagt 65.211 m2. Hiervan is 55.702 m2 onverhard. In de toekomstige situatie neemt het aantal m2 in onverhard oppervlakte af en ontstaat er een toename aan verharding van 38.432 m2. Van het bestaande oppervlaktewater wordt 2.508 m 2 gedempt. Op basis van de klimaatregels van Rijnland geldt een 15%-regel als basis. De toename verharding moet worden gecompenseerd door de aanleg van 15% water (of een andere manier van waterbergen). Indien het toepassen van de 15%-regel voor meer dan 90 mm berging zorgt, geldt dit hogere getal als bergingseis. Bij een lagere waarde geldt de bergingseis van 90 mm. In de huidige situatie is er binnen het plangebied 50 mm berging in het bestaand oppervlaktewater en 27 mm berging in de bodem. Uit de ingevulde rekentool blijkt dat toepassing van de 15%regel resulteert in een bergingseis van 115 mm. Ter compensatie van de toename van verharding worden verschillende maatregelen getroffen om in de benodigde waterberging te voorzien. Deze zijn opgenomen in de rekentool in bijlage 4.

Deze maatregelen bestaan uit het realiseren van nieuw oppervlaktewater door verbreden van de watergang in het noorden en oosten, aanleg van een watergang in het zuiden en aanleg en verbreding van watergangen in het westen. Er wordt in totaal circa 2.645 m2 nieuw oppervlaktewater gerealiseerd, waarmee wordt voorzien in compensatie van het te TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

50

dempen oppervlaktewater. In totaal zorgt dit voor 39,3 mm aan waterberging. Daarnaast worden op de bodem groenvakken opgehoogd met 20 centimeter ten behoeve van 10,1 mm extra waterberging. Ten slotte zijn andere mogelijke manieren van waterberging het aanleggen van wadi’s, steenwolblokken, polderdaken en een waterbergende weg. Op deze manieren kan water tijdelijk geborgen worden, op basis van het bergingsvolume en tijdsduur tot de berging leegloopt en het water is geïnfiltreerd in de bodem. Conform de tool van het hoogheemraadschap wordt met deze maatregelen een berging van 44,6 mm gerealiseerd. Met het realiseren van deze waterbergende maatregelen kan worden voldaan aan de 15%-regel en berekende bergingseis van 115 mm van het hoogheemraadschap. In totaal wordt er op basis van het bovenstaande 25 mm waterberging gedempt en 151,6 mm gerealiseerd, wat resulteert in 126,5 mm nieuwe waterberging. Daarmee kan het plan dus ruim voldoen aan de bergingseis van 115 mm. Uiteindelijk zal voor het aanbrengen van verharding moeten worden voldaan aan de regels van de waterschapsverordening. Hierin zijn vergunningplichten en algemene regels opgenomen voor het toevoegen van verharding in de vorm van bestrating (hoofdstuk 7) en bouwactiviteiten (hoofdstuk 9). Daarmee is het realiseren van de benodigde waterberging via de regels van het hoogheemraadschap geborgd.

Afbeelding 5.3: Overzicht rekentool Hoogheemraadschap van Rijnland (juni 2024).

Riolering In het plangebied zal worden aangesloten op bestaande riolering. Daarnaast wordt een gescheiden rioolstelsel toegepast. Dit betekent dat het schone hemelwater, dat valt op daken en (niet vervuilde) terreinverhardingen, zoveel als mogelijk lokaal apart dient te worden ingezameld en dat alleen het vervuilde huishoudelijke afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Waterkwaliteit Voor nieuwbouw gaan het waterschap en de gemeente daarnaast uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater van de DWA komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen bij de toekomstige ontwikkeling voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben).

Voorliggend plan heeft geen effect op de waterkwaliteit omdat door middel van het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomen wordt dat het hemelwater wordt vervuild. Waterveiligheid Ten noorden van het plangebied ligt een regionale waterkering. Hiervoor is een beperkingengebied opgenomen op de verbeelding, waaraan voorwaarden voor bouw- en aanlegactiviteiten zijn verbonden in de regels van deze omgevingsplanwijziging. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

51

Het plangebied ligt in de Vriesekoopschepolder, waarvoor de VRHM een impactanalyse hoogwater heeft uitgevoerd1. Hierin zijn voor verschillende polderclusters de effecten van hoogwater beschouwd. In de voorbereiding van deze omgevingsplanwijziging heeft de VRHM aangegeven dat de ontwikkeling naar verwachting een (zeer) geringe invloed heeft op de uitkomsten en de snelheid waarmee het water stijgt. Wel blijkt het plangebied een belangrijke verbinding om overtollig water vanuit een bres vanuit de Grietpolder (woonkern Leimuiden) naar het westelijk deel van de Vriesekoopschepolder te laten lopen. De ontwikkeling van Drechthoek II biedt mogelijk kansen om dit zo goed mogelijk vorm te geven. De mogelijkheden voor het laten afstromen van overtollig water uit een bres vanuit de Grietpolder zullen bij de nadere inrichting en technische uitwerking van het bedrijventerrein worden meegenomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de impactanalyse van de VRHM en zal nader worden afgestemd met het Hoogheemraadschap van Rijnland.

5.10.3 Conclusie Het omgevingsplan heeft naar verwachting geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Door de te realiseren waterberging draagt het plan bij aan de klimaatdoelen van het waterschap. In het kader van het vooroverleg zijn het toekomstige watersysteem, de te realiseren waterberging en deze waterparagraaf met het Hoogheemraadschap van Rijnland afgestemd.

5.11 Natuur en ecologie 5.11.1 Kader Omgevingswet en AMvB’s Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. Besluit activiteiten leefomgeving De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Bal opgenomen. Daarin zijn regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan.

Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000-gebieden in stand te houden en het uitvoeren van maatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het

1 Veiligheidsregio Hollands Midden (7 mei 2019) Impactanalyse hoogwater polderclusters VRHM.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

52 opstellen van omgevingsplanwijzigingen door gemeenten. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan op haar beurt beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten.

5.11.2 Onderzoek Soortenbescherming Flora- en faunaonderzoek Ter voorbereiding van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan is door ABO-Milieuconsult een onderzoek naar flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen bij deze motivering als bijlage 5. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde soorten of sporen van beschermde soorten waargenomen. Op basis van het onderzoek is het onaannemelijk dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van beschermde soorten. Nadelige effecten op beschermde flora en fauna worden niet verwacht, nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. De resultaten zijn samengevat in tabel 5.1.

Tabel 5.1: Overzicht onderzoeksresultaten flora- en faunaonderzoek (bron: ABO-Milieuconsult, maart 2023).

Voor aanwezige algemene soorten geldt de algemene wettelijke zorgplicht. In het kader van de zorgplicht kan gedacht worden aan verschillende maatregelen: • Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden; of kunnen gevangen en direct overgeplaatst worden naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. • Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren. • Gefaseerd verwijderen van vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke), waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten. Bij kap van vegetatie in de winter dient men rekening te houden met zoogdieren in winterslaap. Door struikgewas handmatig en gefaseerd te kappen en werkzaamheden overdag te plannen wordt verstoring zoveel mogelijk voorkomen. • Broedende vogels mogen niet worden verstoord en in gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Activiteiten die verstorend zijn voor broedende vogels, zoals bomenkap, dienen buiten de broedperiode te worden gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn.

Bovengenoemd onderzoek is uitgevoerd voor inwerkingtreding van de Ow. Na inwerkingtreding zijn de regels die te maken hebben met natuurbescherming ongewijzigd overgegaan in de Ow. Het beschermingsniveau blijft dus hetzelfde en de bevoegdheidsverdeling blijft ook in grote lijnen hetzelfde. De overgang is dus beleidsneutraal. Dit komt doordat een groot deel van de regels uit de Wnb direct voortvloeien uit Europese en internationale verplichtingen, zoals de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn. De Ow moet ook aan die verplichtingen voldoen. Hoewel

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

53

het beschreven onderzoek is uitgevoerd onder voorgaande wetgeving, bieden de resultaten daarom voldoende zekerheid dat de ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor beschermde flora en fauna. Gebiedsbescherming Beschermde natuurgebieden Het plangebied ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Met de ontwikkeling gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Ook valt het plangebied niet samen met andere beschermde natuurgebieden, zoals belangrijk weidevogelgebied, strategische reservering natuur of karakteristieke landschapselementen. Stikstofdepositie Rondom het plangebied liggen verschillende Natura 2000-gebieden. De meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Kennemerland-Zuid (circa 15 km afstand), Coepelduynen (circa 17 km afstand), Meijendel & Berkheide (circa 18 km afstand), Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (circa 10 km afstand) en Botshol (circa 15 km afstand). Voor het gebied De Wilck (circa 14 km afstand) geldt dat binnen dit gebied geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn. Voor de voorgenomen ontwikkeling heeft KuiperCompagnons een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (zie bijlage 6).

Hierin is beoordeeld of in de aanleg- en gebruiksfase van het project sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitats van Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van het plan. Geconcludeerd kan worden dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat het aspect stikstofdepositie niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

5.11.3 Conclusie Op basis van de conclusies uit bovenstaande onderzoeken blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling voor wat betreft natuur en ecologie geen negatieve invloed heeft op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Landschap, cultuurhistorie en archeologie 5.12.1 Kader Rijksbeleid Omgevingswet en AMvB’s Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Bkl in paragraaf 5.1.5: ‘Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed’. Voor enkele nationaal beschermde landschappen zijn instructieregels opgenomen. Voor overige landschappen zijn veelal kaders vastgelegd in de provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening, en mogelijk ook in lokaal beleid. Daarin kan dan een beschermingsregime zijn opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is een van de belangen van de Omgevingswet (art 1.2 Ow). De Erfgoedwet is deels opgegaan in de Omgevingswet: in de Omgevingswet zijn de regels voor de omgang met de TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

54 fysieke leefomgeving geïntegreerd, waaronder onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die voorheen in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Bal staan regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Bbl zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. Gemeentelijk beleid De archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem geeft inzicht in de aanwezige en te verwachten archeologische waarden.

Voorliggend plangebied is gedeeltelijk gelegen in een gebied met lage verwachting en gedeeltelijk gelegen (aan de noord- en westrand) in een gebied met middelhoge verwachting. Op deze gebieden bestaat de mogelijkheid dat er gebouwd gaat worden. Voor dit laatste gebied geldt de doelstelling dat de eventuele gevonden resten in huidige staat worden behouden. De voorwaarde hiervoor is dat er geen bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld plaatsvinden. Deze zonering is in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost’ (2020) aangeduid met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3 in het bestemmingsplan). Om deze reden is archeologisch onderzoek benodigd.

5.12.2 Onderzoek In 2024 is door Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie een vooronderzoek uitgevoerd voor het plangebied van de voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7. De conclusies zijn hieronder samengevat. Op basis van het bureauonderzoek is een zonering aan te wijzen binnen het plangebied, met een tweetal verwachtingszones; grotendeels een lage archeologische verwachting en deels een middelhoge verwachting. Voor de zone met een middelhoge verwachting, aan de noordwestzijde van het plangebied, wordt geadviseerd een dubbelbestemming te hanteren, met een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 2500 m2 en ingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld. Voor de rest van het plangebied met de lage verwachting wordt geen dubbelbestemming of onderzoeksplicht geadviseerd. De grootste kans op het aantreffen van resten van historische bebouwing geldt voor de strook tussen de Burgemeester Bakhuizenlaan en de kavelsloot aan de zuidzijde daarvan (buiten het plangebied). Het plangebied met de geplande ingrepen ligt ten zuiden van de kavelsloot. Normaliter is een proefsleuvenonderzoek de meest geëigende prospectiemethode voor het opsporen van resten van historische bebouwing.

Omdat de kans op het aantreffen van archeologische resten gezien de afstand tot de dijk hier lager is dan direct langs de dijk, wordt geadviseerd om in het gedeelte met een middelhoge verwachting ten zuiden van de kavelsloot (ca. 1 hectare) in eerste instantie een verkennend/karterend booronderzoek uit te voeren om de bodemopbouw en de mate van verstoring in kaart te brengen. Het bevoegd gezag neemt uiteindelijk een besluit ten aanzien van het beëindigen of verder laten verlopen van het onderzoeksproces. De gemeente heeft tijdens de voorbereiding van deze planwijziging het rapport beoordeeld, en onderkent het onderzoek en daarin opgenomen advies.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

55

In de regels van deze omgevingsplanwijziging is voor het gebied met middelhoge verwachting een aandachtsgebied voor archeologie opgenomen, conform het advies. Voor bouwactiviteiten en het uitvoeren van werken en werkzaamheden binnen dit gebied die de vrijstellingsgrens overschrijden geldt een vergunningplicht. De activiteiten zijn alleen toegelaten als de archeologische waarden niet worden geschaad, of mogelijke schade kan worden voorkomen door het verbinden van voorschriften aan de vergunning. Om de archeologische waarde van de betrokken locatie vast te stellen dient een archeologisch rapport te worden overlegd.

5.12.3 Conclusie Voor werkzaamheden binnen het gebied met middelhoge verwachting die dieper reiken dan 0,3 m -mv, moet op grond van de planregels worden aangetoond dat de archeologische waarden niet worden geschaad en een archeologisch rapport worden overlegd. Voor de andere gronden gelden vanuit archeologie geen belemmeringen. Vanuit dit aspect is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.13 Duurzaamheid 5.13.1 Kader Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doestellingen waarmee aan de doelbijdrage kan worden getoetst. Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VNklimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd.

Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio’s krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio. Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting.

Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

56 bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien. Landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving In 2023 heeft de Rijksoverheid de Landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving uitgebracht. Deze maatlat biedt richtlijnen en prestatie-eisen voor klimaatadaptief bouwen en daarmee de ruimtelijke omgeving voorbereidt op de gevolgen van klimaatverandering. De maatlat stimuleert gemeenten en ontwikkelaars om bebouwing in te richten ten behoeve biodiversiteit en het tegengaan van onder andere wateroverlast, droogte, hittestress en bodemdaling. De maatlat schrijft geen voorschriften maar kan ingezet worden als instrument om de leefomgeving veerkrachtiger te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering en bevordert daarmee een duurzame en gezonde fysieke leefomgeving.

Convenant klimaatadaptief bouwen Als aanvulling op de landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving is de Convenant klimaatadaptief bouwen een overeenkomst tussen verschillende partijen die zich committeren aan het bouwen van klimaatbestendige nieuwbouw. Het convenant legt de principes vast in een programma van eisen en stimuleert de samenwerking tussen gemeenten en ontwikkelaars. Zo wordt klimaatadaptief inrichten van de openbare ruimte de norm en bevordert dit een duurzame en gezonde fysieke leefomgeving.

5.13.2 Onderzoek Bedrijventerrein Drechthoek ll moet een toekomstbestendig bedrijventerrein zijn. Hierom zijn in 2015 doelen opgezet om een raamwerk te creëren voor mondiale duurzame ontwikkeling richting 2030. Bij voorgenomen ontwikkeling ligt de nadruk op klimaatadaptatie, natuurinclusief, circulariteit, energietransitie en gezondheid en welzijn. Klimaatadaptatie Het toekomstige bedrijventerrein wordt toekomstbestendig en klimaatadaptief ingericht. Dit betekent dat het gebied is voorbereid op de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling. Dit betekend dat zowel de inrichting van de buitenruimte als de bebouwing voldoen aan de Landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving en Convenant Klimaatadaptief Bouwen Provincie Zuid-Holland. Er wordt met name ingericht op de waterberging: het opvangen, bufferen, infiltreren en afkoppelen van hemelwater. Dit wordt gerealiseerd door onder andere waterdoorlatende parkeervlakken, groenvlakken en groene daken te creëren. Natuurinclusiviteit Op het toekomstige bedrijventerrein wordt ruimte gereserveerd voor biodiversiteit op, aan of in de toekomstige bebouwing, zodat er (inheemse) planten en diersoorten kunnen leven. Een natuurinclusieve inrichting bevordert de biodiversiteit en de gezondheid en het welzijn van de gebruikers van het toekomstige bedrijventerrein.

In het stedenbouwkundig ontwerp wordt dit gerealiseerd door middel van groenstroken, natuurlijke watergangen, plaatsen van bomen en struiken en te verbinden met de bestaande groenstructuren. Circulariteit Voor het ontwerpen van de openbare ruimte en bebouwing gelden acht ontwerpprincipes. Deze zijn gericht op flexibiliteit en losmaakbaarheid, hergebruik en minder materiaalgebruik. Bij elk ontwerp wordt gekeken of het door hergebruik en minder gebruik er zo circulair mogelijk gebouwd kan worden.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

57

Energietransitie Met betrekking tot de energietransitie ligt de focus op toekomstbestendigheid en zelfvoorzienendheid. De bedrijven zorgen gedeeltelijk voor eigen energieopwekking door middel van zonnepanelen en energiezuinige maatregelen te treffen. Naast het minimaliseren van energieverbruik wordt duurzame mobiliteit ondersteund. Bij nieuwbouw moeten bedrijfspanden met meer dan 10 parkeerplaatsen minimaal 1 laadvoorziening hebben. Ook moet 1 op de 5 plaatsen een aansluiting voor een laadpaal hebben. Tot slot komt er op de bedrijventerreinen geen gasaansluiting. Naast stroom wordt onderzocht of er alternatieve energiebronnen beschikbaar zijn en of er aangesloten kan worden op de Lokale Energie Strategie (LES) van de gemeente.

5.13.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt er rekening gehouden met het inpassen van duurzaamheidsmaatregelen. Het aspect duurzaamheid heeft geen negatieve invloed heeft op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.14 Mobiliteit 5.14.1 Kader Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd.

5.14.2 Verkeersstructuur Hoofdverkeersstructuur Om het bedrijventerrein toekomstbestendig in te richten is het uitgangspunt een goede bereikbaarheid en toegankelijkheid voor alle verkeersvormen. Daarvoor zijn goede verkeersstructuren van belang. De beoogde nieuwe verkeersstructuur in en om het plangebied is te zien in afbeelding 5.4. Als hoofdontsluiting voor het bedrijventerrein wordt een nieuwe ontsluitingsweg in het plangebied aangelegd. De nieuwe weg komt te lopen door het nieuwe bedrijventerrein, tussen het noordelijke en zuidelijke kavelgebied. De weg sluit aan de noordwestkant aan op de Burgemeester Bakhuizenlaan, die zorgt voor ontsluiting richting de N207. Via een bocht loopt de weg parallel aan de Burgemeester Bakhuizenlaan en de Waaier richting het oosten. Daar sluit de weg aan op de Overloop, die vervolgens aansluit op de Herenweg richting Kudelstaart. In de bocht van de ontsluitingsweg aan de zuidwestkant wordt daarnaast via een vertakking richting het zuiden een verbinding gerealiseerd met de Waaier. Zo sluit de nieuwe wegenstructuur ook aan bij het bestaande bedrijventerrein. De ontsluitingsweg wordt breed opgezet met een gescheiden fietspad en ruimte voor voetgangers. Het aantal inritten wordt beperkt ten behoeve van de veiligheid en ruimtelijke kwaliteit van de weg.

Er zal een maximumsnelheid van 50 km/u gelden, waarbij de haakse bochten worden ingericht voor een rijsnelheid van 30 km/u. Met het oog op de ontwikkeling van het bedrijventerrein en de weg zijn verschillende scenario’s en varianten onderzocht. Op basis daarvan is de gekozen verkeersstructuur als voorkeursvariant naar voren gekomen. Ook is een mobiliteitsstudie uitgevoerd die ingaat op het ontwerp van de nieuwe weg en van de omliggende fiets- en voetgangersroutes. Op basis hiervan zal de precieze inrichting en vormgeving van de nieuwe wegenstructuur worden bepaald.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026

58 De nieuwe weg zal in ieder geval dienen als hoofdontsluiting van het nieuwe (en bestaande) bedrijventerrein. Deze weg op het bedrijventerrein is de ‘basisvariant’. Daarnaast wordt rekening gehouden met een alternatieve variant, waarin de weg ook functioneert als bovenlokale verbinding tussen de N207 en Kudelstaart. In het stedenbouwkundig plan is daarom de mogelijkheid voor een alternatieve inrichting open gehouden. Op die manier zou de Burgemeester Bakhuizenlaan, op dit moment de hoofdontsluitingsweg tussen Leimuiden en Kudelstaart, kunnen worden ingericht als woonstraat voor bestemmings- en langzaam verkeer. Hetzelfde geldt voor de Oosterweg, die dit karakter nu al meer heeft. Zo kunnen deze wegen worden ontlast en verkeershinder worden verminderd. De inrichting en uitvoering van de woonstraat zal in dat geval later verder worden uitgewerkt.

Afbeelding 5.4: Verkeer en ontsluiting Drechthoek ll (bron: AW Groep, juni 2025).

Openbaar vervoer en langzaam verkeer In de huidige situatie vormt de Burgemeester Bakhuizenlaan de regionale fietsroute tussen Leiden en Kudelstaart. In de nieuwe situatie (zie afbeelding 5.4) blijft deze regionale fietsverbinding voor het doorgaande fietsverkeer over de Burgemeester Bakhuizenlaan (en Oosterweg) behouden. Als deze weg wordt ingericht als woonstraat voor bestemmings- en langzaam verkeer ontstaat hier een veiligere situatie voor langzaam verkeer. Daarnaast wordt door het plangebied een nieuw fietspad aangelegd. De ontsluitingsweg wordt breed opgezet met een gescheiden fietspad en ruimte voor voetgangers. Een gescheiden fietspad draagt bij aan de verkeersveiligheid. Op de overige wegen bevinden fietsers zich op de rijbaan, wandelpaden zijn gescheiden. De fietsroute sluit via de Oosterweg ook aan op de fietsverbinding richting het zuiden van Leimuiden. Op deze manier zijn de bedrijfskavels ook goed voor langzaam verkeer bereikbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=7dc5fbf0-f439-4c49-a177-1d328b57588c