RO-OP-623.136.40 Motivering TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Drechthoek ll (2025-12-10)
Tekst van het document
3.2.4 Bedrijventerreinenstrategie Zuid-Holland en Holland Rijnland Regionale bedrijventerreinenstrategie 2024 Op basis van de Bedrijventerreinenstrategie Zuid-Holland 2020 heeft de provincie aan de verschillende regio’s, waaronder Holland Rijnland, een uitvraag gedaan om tot een samenhangende regionale bedrijventerreinenstrategie te komen. Hierin moet de regio laten zien hoe zij 1) vraag en aanbod in balans brengen en 2) hoe de regio werkt aan een evenwichtige strategie om ruimte voor economie in de hele regio te faciliteren. De regionale bedrijventerreinenstrategie Holland Rijnland fungeert als onderlegger voor programmeringsafspraken met de provincie als het gaat om het accommoderen van ruimte voor economie. De regio Holland Rijnland heeft een regionale bedrijventerreinenstrategie opgesteld op basis van de vereisten die de provincie heeft meegegeven in 2021. Deze bedrijventerreinenstrategie is door Gedeputeerde Staten van ZuidHolland in oktober 2024 aanvaard. De drie doelstellingen in de regionale visie luiden: • Streven naar balans in vraag en aanbod • Optimale benutting van de schaarse ruimte in onze regio • Toekomstbestendige bestaande en nieuwe bedrijventerreinen Behoefteraming bedrijventerreinen Als input voor de regionale bedrijventerreinenstrategie is in 2021 ook een behoefteraming voor Zuid-Holland uitgevoerd.
In de regionale bedrijventerreinenstrategie (2024) zijn de bevindingen vanuit de raming naar het niveau van de regio Holland Rijnland vertaald. In de behoefteraming wordt de uitbreidingsvraag in Holland Rijnland in de periode 2021 tot en met 2030 geraamd op circa 51 tot 111 hectare netto. Daarnaast wordt als gevolg van transformaties van bestaande bedrijventerreinen een vervangingsvraag van maximaal circa 28 hectare netto in deze periode verwacht. Hiermee komt de totale ruimtevraag in de periode 2021 tot en met 2030 op zo’n 79 tot 139 hectare netto. Daar staat een beperkt planaanbod tegenover. Met aftrek van – op dat moment – het harde planaanbod resteert in de periode tot en met 2030 een totale behoefte (totale ruimtevraag – hard planaanbod) van 41 tot 101 hectare netto.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
24
In de behoefteraming en regionale bedrijventerreinenstrategie is het bedrijventerrein Drechthoek ll met 8 hectare opgenomen als zachte plancapaciteit, als plan waarvoor een bestemmingsplan/omgevingsplan nog dient te worden vastgesteld.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 5 februari 2024 de Omgevingsvisie Kaag en Braassem vastgesteld. Daarmee is de eerste versie van de omgevingsvisie (1.0) uit 2020 geactualiseerd. In deze brede visie verbindt de gemeente de fysieke leefomgeving en het sociale domein aan elkaar. Met de omgevingsvisie wil de gemeente borgen wat goed gaat en inzetten op verdere vernieuwing en ontwikkeling waar dit nodig is. Per onderwerp zijn opgaven weergegeven en is aangegeven met welke doelen de gemeente deze opgaven wil bereiken. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld, met bijbehorende kenmerken en waarden. Op basis daarvan is per gebied een beknopt perspectief voor de toekomst geschetst. Aan de hand van gebiedsgerichte programma’s zijn de gebiedstypen uit de omgevingsvisie nader uitgewerkt, met name bedoeld om richting te geven aan het op te stellen omgevingsplan. Gebiedstype ‘Bedrijventerreinen’ Hoofddoel voor het gebiedstype is om een aantrekkelijk vestigingsgebied voor bedrijven te zijn en blijven. Zoals beschreven in de omgevingsvisie bieden de huidige bedrijventerreinen weinig ruimte om uit te breiden en te ontwikkelen. Hierom wordt hard gewerkt aan het ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen. Zo is onder meer aangegeven dat een marktpartij werkt aan de realisatie van Drechthoek II in Leimuiden.
Voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen bevat de omgevingsvisie (samen met het gebiedsgerichte programma) een aantal specifieke uitgangspunten. Zo biedt de gemeente ruimte op verschillende milieuaspecten zoals geur en geluid, zonder dat dit het woon- en leefklimaat van omliggende woningen schendt. Op bedrijventerreinen staan bedrijfsactiviteiten centraal, en zijn veel andere activiteiten uitgesloten. Verder is onder meer bereikbaarheid belangrijk en wordt ingezet op een duurzame en toekomstbestendige inrichting, mogelijk met meervoudig ruimtegebruik. Toetsing De omgevingsvisie Kaag en Braassem heeft voorliggend plangebied specifiek aangeduid als ontwikkellocatie voor bedrijventerrein, aansluitend op het bestaande bedrijventerrein Drechthoek (zie afbeelding 3.2). De realisatie van het bedrijventerrein Drechthoek ll wordt daarbij specifiek benoemd. De ontwikkeling draagt bij aan het doel van de gemeente om een aantrekkelijk vestigingsgebied voor bedrijven te zijn en blijven. Deze omgevingsplanwijziging maakt de realisatie van dit bedrijventerrein mogelijk. De planregeling biedt ruimte aan verschillende soorten bedrijven. Daarbij wordt vooral gestuurd op de milieueffecten, die zijn afgestemd de gevoelige functies in de omgeving. Paragraaf 5.5 en 5.6 gaan daar nader op in.
Ook wordt aandacht besteedt aan een duurzame inrichting van het terrein, zoals beschreven in paragraaf 5.13.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
25
Afbeelding 3.2: Uitsnede omgevingsvisie Kaag en Braassem.
3.4
Conclusie
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en vormt dit beleid geen belemmering voor de ontwikkeling.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
26
4
Regelmethodiek 4.1
Inleiding
Het omgevingsplan is wezenlijk anders dan het bestemmingsplan. Dit is allereerst het gevolg van de bredere reikwijdte, maar ook de ruimere afwegingsruimte bij het stellen van regels, het ontbreken van de (uitdrukkelijke) eis van uitvoerbaarheid en het loslaten van het limitatief-imperatieve stelsel van vergunningverlening. Dit maakt ook dat er niet meer met een gedetailleerde verbeelding gewerkt hoeft te worden. Wat centraal staat bij het omgevingsplan, en een belangrijk verschil met de manier waarop we voorheen naar ruimtelijke plannen keken, is het stellen van regels over activiteiten in plaats van het toekennen van bestemmingen aan gronden. Wanneer iemand een activiteit in de fysieke leefomgeving wil ondernemen, wordt deze getoetst aan de regels van het omgevingsplan. Dit kan een toetsing aan open (kwalitatieve) dan wel gesloten (kwantitatieve) normen zijn, maar bijvoorbeeld ook een algemene regel over de toelaatbaarheid van de activiteit. Deze regels zijn gekoppeld aan een werkingsgebied, en daarmee aan de plaats waar de activiteit plaatsvindt. Dat kan de hele gemeente zijn, maar ook alleen een specifieke locatie.
4.2
Wijziging van het omgevingsplan
Onder de Omgevingswet heeft elke gemeente één omgevingsplan. Het omgevingsplan dat de gemeente bij inwerkingtreding van rechtswege heeft gekregen bestaat uit alle bestaande ruimtelijke plannen en de ‘bruidsschat’ (hoofdstuk 22). Om nieuwe initiatieven mogelijk te maken die niet binnen het omgevingsplan passen, wordt er dus niet een nieuw omgevingsplan gemaakt, maar wordt er een deel van het omgevingsplan gewijzigd. Deze wijziging van het omgevingsplan is voorbereid middels de TAM-IMRO systematiek. De Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) biedt de mogelijkheid om via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan te wijzigen voor urgente gebiedsontwikkelingen. Dit TAM-omgevingsplan wordt als een nieuw hoofdstuk onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem. Dit hoofdstuk is digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Middels een zogenaamde preambule die vóór de inhoudelijke regels staat, wordt bepaald dat dit deel van het omgevingsplan moet worden gelezen als hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem.
Ook is bepaald hoe de koppen en bijbehorende nummeringen gelezen moeten worden. In de planregels wordt het gebied van het ‘TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Drechthoek II’ aangewezen als het toepassingsbereik van de regels in dit TAM-omgevingsplan – oftewel hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem. Middels een voorrangsbepaling is geregeld dat de regels in dit hoofdstuk in de plaats komen van de regels uit het ‘tijdelijke’ omgevingsplan die voorheen voor deze locatie golden. Dat zijn in ieder geval de voormalige bestemmingsplannen die ter plaatse van het plangebied golden. Daarnaast zijn er hier enkele bepalingen opgenomen over de verhouding van het nieuwe hoofdstuk 22c tot de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Zo zijn er enkele regels uit hoofdstuk 22 niet van toepassing; het gaat om regels waarvoor dit TAM-omgevingsplan nieuwe regels bevat die ervoor in de plaats komen. Daarnaast zijn er enkele regels uit hoofdstuk 22, die ook van toepassing worden verklaard op bepalingen die in hoofdstuk 22c staan. Deze wijzigingen in de toepassing van hoofdstuk 22 hebben betrekking op de regels omtrent geluid; daarvoor bevat dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
27 TAM-omgevingsplan namelijk een aangepaste regeling. Voor zover niet in deze voorrangsregels aangewezen, blijven de regels die in hoofdstuk 22 staan onverminderd gelden ter plaatse van de locatie waarop dit TAMomgevingsplan van toepassing is.
4.3
Artikelsgewijze toelichting Artikel 22c.3 lid 1 Twee artikelen van hoofdstuk 22 zijn niet van toepassing in Drechthoek II. Het gaat om artikel 22.57, omdat hiervoor artikel 22c.9 in de plaats is gekomen. Ook artikel 22.63 is niet van toepassing in Drechthoek II. Hiervoor in de plaats zijn de artikelen 22c.87 en 22c.10 in de plaats gekomen. Artikel 22c.3 lid 2 Het is de bedoeling dat de artikelen 22.70 en 22.72 ook van toepassing zijn in Drechthoek II. Omdat deze twee artikelen in hoofdstuk 22 in de aanhef alleen verwijzen naar de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69, is met artikel 22c.3 lid 2 regel expliciet bepaald dat de artikelen 22.70 en 22.72 ook van toepassing zijn op de geluidniveaus, bedoeld in het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c voor Drechthoek II. Artikel 22c.3 lid 3 Het is de bedoeling dat artikel 22.60, vierde lid, aanhef en onder a en artikel 22.73 ook van toepassing zijn in Drechthoek II. Omdat deze twee regels in hoofdstuk 22 alleen verwijzen naar de waarden, bedoeld in paragraaf 22.3.4, is met artikel 22c.3 lid 3 regel expliciet bepaald dat de genoemde regels ook van toepassing zijn op de waarden, bedoeld in paragraaf 22c.2.1.2 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c voor Drechthoek II. Paragraaf 22c.2.1 Deze paragraaf bevat immissiewaarden voor geluid en geur. Het betreft hier alleen de waarden zelf.
De regels voor het verrichten van activiteiten staan in afdeling 22c.4 – bijvoorbeeld het veroorzaken van geluid. Daarin wordt dan bepaald dat bij het verrichten van die activiteit moet worden voldaan aan de waarden die in afdeling 22c.2 staan. Artikel 22c.8 lid 2 Er kunnen uitzonderlijke bedrijfssituaties zijn waarvoor het niet redelijk is te eisen dat aan de geluidnormen wordt voldaan. Om die reden geldt de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving om waarden voor geluid op te nemen in het omgevingsplan niet voor “niet-representatief geluid”. Het is aan het bevoegd gezag is om te bepalen wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. Als de gemeente of de bedrijfseigenaar meent dat het voor bepaald geluid niet redelijk is om aan de geluidnormen te voldoen, kan dit met een maatwerkvoorschrift worden toegestaan. Met een maatwerkvoorschrift kunnen eventueel andere regels worden opgelegd om te zorgen dat het geluid aanvaardbaar is. Eenzelfde regel is opgenomen voor geur door activiteiten (artikel 22c.11 lid 2). Artikel 22c.9 lid 1 In paragraaf 5.5.2 staat beschreven wat bedoeld wordt met “de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht”. Paragraaf 22c.4.2 – artikel 22c.24 en verder De regels in paragraaf 22c.4.2 gaan over het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, die is vereist op grond van het omgevingsplan.
Dat betreft in ieder geval de omgevingsvergunning voor het bouwen, zoals bedoeld in artikel 22.26, en andere vergunningplichten die zijn opgenomen in dit hoofdstuk (22c) van het omgevingsplan. Waar in deze paragraaf wordt gesproken over ‘het toelaten van activiteiten’, betreft het dus het verlenen van een omgevingsvergunning.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
28 Artikel 22c.35 lid 3 In de omgevingsvergunning voor het bouwen van het geluidgevoelige gebouw wordt het gezamenlijke geluid vastgelegd. Dit geluid moet worden bepaald als het geluidgevoelige gebouw wordt toegelaten, ondanks dat niet wordt voldaan aan de standaardwaarden. Met behulp van de waarde van het gezamenlijke geluid kan worden bepaald wat de geluidwering moet zijn van de gevel volgens artikel 4.103, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 22c.42 en 22c.43 Dit betreft een vergunningplicht voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten. In de gebruiksregels is een ondergrens voor het bruto-vloeroppervlak (500 m2) bepaald. Uitgangspunt is dat kleinere activiteiten doorgaans ook buiten een bedrijventerrein plaats kunnen vinden. Kleinere activiteiten die gelet op hun aard en milieubelasting niet elders inpasbaar zijn, kunnen met deze omgevingsvergunning toch toegelaten worden. Paragraaf 3.2.3 onder ‘bedrijven’ geeft een nadere toelichting hierop. Artikel 22c.57, 22c.58, 22c.61, 22c.62, 22c.65, 22c.66 Deze artikelen bevatten bouwregels voor verschillende typen bouwwerken. Artikel 22.26 van het omgevingsplan bepaalt dat het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het omgevingsplan gestelde regels (artikel 22.29 lid 1 onder a). Deze inhoudelijke bouwregels in hoofdstuk 22c geven hier dus invulling aan. In het tweede lid van de betreffende artikelen is bepaald dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als het bouwwerk toelaatbaar is volgens de regels in paragraaf 22c.4.2. Dit zijn thematische beoordelingsregels, die gaan over geluidgevoelige gebouwen, archeologie en waterkeringen. Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag moet dus ook worden beoordeeld of de bouwactiviteiten aan deze regels voldoen. Artikel 22c.85 De waarden voor geluid door activiteiten op het bedrijventerrein Drechthoek II gelden in beginsel op 50 m of 100 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Hiermee wordt beoogd de ‘milieuruimte’ van bedrijvigheid niet onbegrensd te laten en de effecten van de bedrijvigheid voor de directe omgeving te reguleren. Het kan zijn dat een bepaald bedrijf door de aard van de activiteiten en de specifieke situatie niet aan de geluidnormen kan voldoen. De gemeente is in dat geval bereid om eventueel toestemming te geven om af te wijken van de geluidnormen middels een maatwerkvoorschrift. In dat kader moet worden onderzocht of het redelijkerwijs mogelijk is de geluidniveaus te verminderen.
Met een maatwerkvoorschrift kunnen eventueel andere regels worden opgelegd om te zorgen dat de effecten voor de omgeving zo veel mogelijk worden beperkt.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
29
5
Aspecten van de fysieke leefomgeving 5.1
Milieueffectrapportage
5.1.1 Kader Omgevingswet en Omgevingsbesluit Plan-mer en project-mer De Omgevingswet maakt onderscheid tussen een milieueffectrapportage voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en een milieueffectrapportage voor projecten (paragraaf 16.4.2). Op grond van Ow artikel 16.43 zijn in het Omgevingsbesluit de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen, die mer(beoordelings-)plichtig zijn. Een plan-mer-plicht geldt op grond van Ow artikel 16.36 voor – onder andere – een plan of programma als dat het kader vormt voor te nemen besluiten voor deze projecten. Project-mer en project-mer-beoordeling Voor de milieueffectrapportage voor projecten is onderscheid gemaakt tussen projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt (Ow artikel 16.43 lid 1 sub a), en projecten waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben (Ow artikel 16.43 lid 1 sub b). Die projecten zijn aangewezen in bijlage V van het Omgevingsbesluit, respectievelijk kolom 2 en 3. Plan-mer en plan-mer-beoordeling Er geldt een uitzondering op de plan-mer-plicht. In twee gevallen is een milieueffectrapport bij een plan of programma niet altijd nodig. Voor een plan of programma dat het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau geldt een uitzondering.
Dit geldt ook als het gaat om een kleine wijziging van een plan of programma. Voorwaarde is wel dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Dat moet het bevoegd gezag beoordelen (Ow artikel 16.36 lid 5). Daarbij moet rekening worden gehouden met de relevante criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn: - de kenmerken van het plan of programma - de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed Daarnaast raadpleegt het bevoegd gezag de instanties die moeten adviseren over het plan of programma en de rijksoverheid. Artikel 11.1 van het Omgevingsbesluit bevat nadere regels over de toepassing van de merbeoordeling. Omgevingsplan en besluit benodigd voor projecten Het Omgevingsbesluit legt vast welke besluiten nodig zijn voor de project-mer-(beoordelings-)plichtige projecten. Vaak is dat een omgevingsvergunning, maar soms ook het omgevingsplan. Als het omgevingsplan bepaalt dat voor een project een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit benodigd is, dan is de omgevingsvergunning het besluit waarvan bij de voorbereiding (mogelijk) een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Het omgevingsplan kan dus zowel het besluit zijn waaraan een project-mer-(beoordelingsplicht) is gekoppeld als een kaderstellend plan zijn waaraan een plan-mer-(beoordelingsplicht) is gekoppeld.
5.1.2 Plan-mer-beoordeling De voorgenomen ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals dat in bijlage V van het Omgevingsbesluit (categorie J11) is aangewezen als een mer-(beoordelings-)plichtig project. De aanleg, wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling is in kolom 3 aangemerkt als geval waarin de mer-beoordelingsplicht geldt (Ow artikel 16.43 lid 1 sub b). Als het voor dit project benodigde besluit is in kolom 4 het omgevingsplan aangewezen. Omdat voor het bouwen van de gebouwen een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit benodigd is, is het omgevingsplan het kaderstellende plan. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
30
De wijziging voor Drechthoek II betreft een klein gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente. Voor deze omgevingsplanwijziging dient zodoende een plan-mer-beoordeling te worden uitgevoerd. Kenmerken van het plan De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van het bedrijventerrein Drechthoek II. Het vormt een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Drechthoek, op de agrarische gronden direct ten noorden daarvan. Voor het nieuwe bedrijventerrein is een stedenbouwkundig plan opgesteld, uitgebreider beschreven in paragraaf 2.2. Daarin is het nieuwe bedrijventerrein grofweg opgedeeld in twee kavelgebieden met uitgeefbare gronden, ‘kavelgebied noord’ en ‘kavelgebied zuid’. De kavelgebieden zijn langwerpig en volgen de historische oost-westelijke verkavelingsstructuur. Tussen de twee kavelgebieden wordt een nieuwe weg aangelegd. De twee bestaande agrarische bedrijfswoningen, ten westen van het nieuwe bedrijventerrein, blijven als reguliere woningen behouden. In het noordelijke kavelgebied worden kleinere bedrijfskavels gecreëerd, met een kleinere korrel en maximale bouwhoogte van 8 meter. Het zuidelijke kavelgebied kan worden verdeeld in twee bebouwingsvlakken, en biedt ruimte voor ruimere bedrijfskavels met een grotere korrel en maximale bouwhoogte van 10 meter.
Op deze manier verloopt het bedrijventerrein in maat en schaal van klein naar groot, vanuit de woningen aan de noordkant richting het bestaande bedrijventerrein in het zuiden. De precieze indeling van de bedrijfskavels is nog niet vastgelegd en kan flexibel worden ingevuld afhankelijk van de behoefte van de bedrijven. Het bedrijventerrein biedt plaats aan verschillende typen bedrijven. Bijvoorbeeld kan gedacht worden aan diverse vormen van productie, op- en overslag of zakelijke dienstverlening. De exacte typen bedrijven worden in de omgevingsplanwijziging niet op voorhand vastgelegd. Het plan maakt bedrijvigheid mogelijk met ruim gedefinieerde gebruiksactiviteiten. Daarbij wordt voornamelijk gestuurd via de bouwregels, en door het toekennen van milieugebruiksruimte. Op die manier biedt het plan flexibiliteit voor toekomstige bedrijvigheid en zorgt het tegelijk voor een goede afstemming op de omgeving. De ontwikkellocatie bevindt zich aan de oostkant van het dorp Leimuiden, ten oosten van de N207 en grenzend aan het bebouwd gebied van de kern. Het plangebied wordt begrensd door de Burgemeester Bakhuizenlaan, Oosterweg, Waaier en Overloop. Het terrein is globaal aan drie zijden omsloten door bebouwing. Aan de zuidkant ligt het bestaande bedrijventerrein Drechthoek, ten noorden en westen van de locatie bevinden zich voornamelijk woningen en enkele losse bedrijven.
De gronden kennen in de huidige situatie hoofdzakelijk een agrarische bedrijfsfunctie en bestaan grotendeels uit open veld, waarin de langwerpige polderverkaveling zichtbaar is. Aan de westkant bevinden zich twee agrarische bedrijfswoningen, met daarbij enkele bedrijfsgebouwen en kassen. Op de beoogde transformatie naar bedrijventerrein is al voorgesorteerd in onder meer de gemeentelijke omgevingsvisie, provinciale behoefteraming en regionale bedrijventerreinenstrategie. De ontwikkellocatie valt niet samen met beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland (NNN). belangrijk weidevogelgebied of karakteristieke landschapselementen. De meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Kennermerland-Zuid (circa 15 km afstand), Coepelduynen (circa 17 km afstand), Meijendel & Berkheide (circa 18 km afstand) Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (circa 10 km afstand) en Botshol (circa 15 km afstand). Binnen het gebied De Wilck (circa 14 km afstand) zijn geen stikstofgevoelige habitats aanwezig. Kenmerken van de effecten en de gebieden die kunnen worden beïnvloed Geluid door infrastructuur Uit akoestisch onderzoek blijkt dat het verkeer op de nieuwe ontsluitingsweg geen geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB.
De aanleg van de nieuwe wegen kan daarom plaatsvinden zonder TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
31
belemmeringen vanuit het aspect geluid. De indirecte akoestische effecten veroorzaken een geringe toename van de geluidbelasting bij bestaande woningen; omdat deze lager is dan 1,5 dB is geen sprake van significante effecten en zijn geen maatregelen noodzakelijk. Geur en geluid door activiteiten Deze omgevingsplanwijziging voorziet in de ontwikkeling van een bedrijventerrein, waar bedrijven zich kunnen vestigen die mogelijk geur en/of geluid veroorzaken. Om toekomstige geur- of geluidhinder te voorkomen zijn in het omgevingsplan regels gesteld ten aanzien van geur en geluid door activiteiten. Uitgangspunt is een milieuzonering ‘nieuwe stijl’, waarin geur- en geluidruimte wordt toebedeeld aan activiteiten afhankelijk van de locatie waar de activiteit plaatsvindt. Het omgevingsplan bevat waarden voor de maximale hoeveelheid geur en geluid, die gelden op aangegeven afstanden vanaf de begrenzing van de locatie. Indien een geur- of geluidgevoelig gebouw binnen die afstand aanwezig is of kan komen, dan gelden de waarden ter plaatse van dat geur- of geluidgevoelig gebouw. Op die manier is de milieuruimte begrensd en wordt een minimaal beschermingsniveau bij gevoelige functies gewaarborgd. Bodem Voor het plangebied zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten zal nog aanvullend onderzoek worden uitgevoerd.
Zo zullen in ieder geval de aangetroffen (ernstige) bodemverontreinigingen met PAK in het zuidelijk deel van het plangebied nader worden onderzocht. Na het uitvoeren van de onderzoeken en de daaruit volgende benodigde saneringswerkzaamheden kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een geschikte bodem voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling, die geen negatieve invloed heeft op de volksgezondheid en het milieu. Omgevingsveiligheid De ontwikkeling heeft wat betreft het aspect omgevingsveiligheid geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Voor het toelaten van nieuwe risicobronnen zijn aanvullende planregels opgenomen, om ervoor te zorgen dat er geen onevenredige effecten op de omgeving optreden. Water Met de voorgenomen ontwikkeling wordt verharding toegevoegd, en een deel van bestaand oppervlaktewater gedempt. Ter compensatie van de toename van verharding worden verschillende maatregelen getroffen om in de benodigde waterberging te voorzien. Met het realiseren van deze waterbergende maatregelen voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de 15%-regel en berekende bergingseis van 115 mm van het hoogheemraadschap. Ter bescherming van de regionale waterkering ten noorden van het plangebied bevat deze planwijziging een beperkingengebied.
Daarbinnen gelden voorwaarden voor bouw- en aanlegactiviteiten binnen de beschermingszone van de waterkering. Daarnaast heeft de VRHM in de voorbereiding van deze omgevingsplanwijziging aangegeven dat de ontwikkeling naar verwachting een (zeer) geringe invloed heeft op de uitkomsten en de snelheid waarmee het water in de Vriesekoopschepolder stijgt. Wel blijkt het plangebied een belangrijke verbinding om overtollig water vanuit een bres vanuit de Grietpolder (woonkern Leimuiden) naar het westelijk deel van de Vriesekoopschepolder te laten lopen. De mogelijkheden voor het laten afstromen van overtollig water uit een bres vanuit de Grietpolder zullen bij de nadere inrichting en technische uitwerking van het bedrijventerrein worden meegenomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de impactanalyse van de VRHM en zal nader worden afgestemd met het Hoogheemraadschap van Rijnland.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
32
Natuur en ecologie Voor de planlocatie is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Daarbij zijn in het gebied geen beschermde soorten of sporen van beschermde soorten waargenomen. Op basis van het onderzoek is het onaannemelijk dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van beschermde soorten. Nadelige effecten op beschermde flora en fauna worden niet verwacht, nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied bevindt zich geen beschermd natuurgebied, waardoor directe effecten als gevolg van de ontwikkeling kunnen worden uitgesloten. Wat betreft stikstofdepositie is op voorhand niet uit te sluiten dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de omliggende Natura 2000gebieden. In dat kader zijn aanvullende stikstofberekeningen uitgevoerd. Daaruit blijkt dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitats van Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van het plan. Significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten, het aspect stikstofdepositie leidt niet tot belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen. Archeologie Een beperkt deel aan de noordwestkant van het plangebied kent een middelhoge archeologische verwachting.
In de planregels is hiervoor een aandachtsgebied opgenomen. Voor toekomstige werkzaamheden in dit gebied die dieper reiken dan 0,3 m -mv, moet worden aangetoond dat de archeologische waarden niet worden geschaad en een archeologisch rapport worden overlegd. Met deze regeling is gewaarborgd dat de ontwikkeling geen onevenredige effecten heeft op de aanwezige archeologische waarden. Adviezen Vanuit de rijksoverheid is alleen advies uitgebracht over de procedure aspecten. Van andere instanties is geen advies ontvangen over de plan-mer-beoordeling.
5.1.3 Conclusie De effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn weloverwogen beoordeeld, zoals hierboven beschreven. Het voornemen om het bedrijventerrein uit te breiden leidt in beperkte mate tot effecten voor het milieu en de omgeving. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om deze effecten te beperken. De mogelijke effecten worden daarnaast voorkomen door adequate regels in deze wijziging van het omgevingsplan en mogelijk via voorschriften bij toekomstige vergunningen. Op basis van deze beoordeling kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen plan niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten. De effecten op het milieu zullen hooguit in beperkte mate optreden, en kunnen door het stellen van regels en treffen van maatregelen worden voorkomen of beperkt. Om deze reden is het maken van een milieueffectrapport bij de voorbereiding van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan niet benodigd.
5.2
Laddertoets
5.2.1 Kader Besluit kwaliteit leefomgeving Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
33
In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven: 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het
3.
4.
belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2.2 Onderzoek Deze omgevingsplanwijziging voorziet in de ontwikkeling van een bedrijventerrein, als uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Drechthoek in Leimuiden. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling is sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarvoor de behoefte moet worden beschreven. Het plangebied ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Daarom moet worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Hierna worden de behoefte en locatiekeuze onderbouwd. Behoefte Zoals beschreven in paragraaf 3.2.4, volgt uit de provinciale behoefteraming en regionale bedrijventerreinenstrategie een geraamde uitbreidingsvraag in de regio Holland Rijnland van 51 tot 111 hectare bedrijventerrein voor de periode 2021 tot 2030. Met inbegrip van de vervangingsvraag bedraagt de totale ruimtevraag in deze periode circa 79 tot 139 hectare netto. In die behoefte wordt nog maar beperkt voorzien door het harde planaanbod. Door het zachte planaanbod ‘hard’ te maken kan de resterende behoefte (totale ruimtevraag – hard planaanbod) nader ingevuld worden. In de provinciale behoefteraming is het bedrijventerrein Drechthoek II opgenomen als zachte plancapaciteit, met een omvang van 8 hectare netto. Dit zijn de locaties waar de provincie akkoord op heeft gegeven, maar waarvoor nog een omgevingsplan moet worden vastgesteld.
Deze omgevingsplanwijziging voorziet hierin. De behoefte aan de ontwikkeling van dit bedrijventerrein is zodoende provinciaal en regionaal aangetoond en afgestemd. Locatie De ontwikkellocatie bevindt zich aan de rand van het stedelijk gebied van Leimuiden. Hoewel het in de bestaande situatie nog een agrarische functie kent, wordt het aan drie zijden al ingeklemd door bebouwing: het bestaande bedrijventerrein Drechthoek in het zuiden, de dorpsrand en N207 in het westen en de woningen aan de Burgemeester Bakhuizenlaan in het noorden. In de gemeentelijke omgevingsvisie ligt de locatie dan ook binnen TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
34
het gebied ‘kern’, en ook in de provinciale kwaliteitskaart valt de locatie binnen de stads- en dorpsrand. Feitelijk is de locatie dan ook al onderdeel van het dorpsgebied van Leimuiden. Het benutten van het gebied voor de voorgenomen ontwikkeling lijkt hier dan ook logisch en passend. Elders binnen het stedelijk gebied van Leimuiden zijn hiervoor geen mogelijkheden. In het gemeentelijke beleid is hierop ook al voorgesorteerd, in de omgevingsvisie is het plangebied aangeduid als ontwikkellocatie voor een bedrijventerrein. Ook is de locatie in de provinciale en regionale bedrijventerreinenstrategie opgenomen als zachte plancapaciteit, en in de omgevingsverordening als grote buitenstedelijke bouwlocatie. De locatiekeuze voor de voor de ontwikkeling is hiermee voldoende onderbouwd.
5.2.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet gezien bovenstaande zowel in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Het planvoornemen sluit zodoende aan bij het toekomstbestendig maken van het bestaande bedrijventerrein en het vraaggericht oppakken van nieuwe bedrijvigheid. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1 Kader Omgevingswet Op grond van artikel 1.3 en 2.1 van de Omgevingswet moet het omgevingsplan gericht zijn op het bereiken en in stand houden van veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Of de luchtkwaliteit gezond genoeg is dient in het kader hiervan onderzocht worden. Het omgevingsplan moet in ieder geval de regels bevatten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Besluit kwaliteit leefomgeving Voor luchtkwaliteit heeft het Rijk instructieregels gegeven die een evenwichtige toedeling uitwerken. Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Bkl zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, autosnelweg of tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als het gaat om activiteiten die leiden tot een verhoging van concentraties in de buitenlucht binnen de aangewezen aandachtsgebieden, moeten bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. Uitgezonderd zijn activiteiten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan verhoging van de concentratie van die stoffen. Daarvoor zijn in het Bkl (artikel 5.54) enkele standaardgevallen aangewezen.
5.3.2 Onderzoek In het geval van voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van een van de bovengenoemde activiteiten. Het plangebied ligt ook niet binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. Een toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen is daarom in principe niet benodigd. De wijziging van het omgevingsplan leidt niet tot een toename van gevoelige gebouwen in het gebied. Daardoor is er geen sprake van een toename van (kwetsbare) personen die langdurig worden blootgesteld aan een slechte luchtkwaliteit.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
35 5.3.3 Conclusie Op basis van de conclusies uit bovenstaande beschrijving blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen negatieve invloed heeft op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
5.4.1 Kader Besluit kwaliteit leefomgeving Op grond van onder meer het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein, geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen. Deze paragraaf gaat nader in op het geluid door infrastructuur en industrieterreinen. Instructieregels hierover staan in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl. Voor geluid door individuele activiteiten geldt een apart kader; zie hiervoor paragraaf 5.5 van deze motivering. Wegverkeerslawaai De instructieregel over lawaaibeheersing wordt in het Bkl meer in detail uitgewerkt voor de geluidbelasting door het wegverkeer. Deze instructieregel richt zich daarbij op wegen waarop de intensiteit van het wegverkeer gemiddeld over een jaar, groter is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. De instructieregel stelt beperkingen aan het aanleggen of wijzigen van wegen én het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen die worden beïnvloed door de geluidbelasting van het wegverkeer. Daarbij beperkt de instructieregel zich tot het zogenoemde geluidaandachtsgebied rond deze wegen.
De geluidbelasting door het wegverkeer buiten dit aandachtsgebied onttrekt zich aan de beperkingen van de instructieregel. Op grond van de instructieregel gelden er voor de geluidbelasting door gemeentewegen ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied een standaardwaarde van 53 dB voor het Lden en een grenswaarde van 70 dB voor het Lden. Een geluidbelasting tot de standaardwaarde is altijd toelaatbaar. Een geluidbelasting tot de grenswaarde is alleen toelaatbaar als er geen mogelijkheden bestaan om de geluidbelasting gelijk of lager dan de standaardwaarde te laten zijn. In de motivering van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan (waarmee de geluidbelasting door het verkeer op de gemeentewegen ter hoogte van de geluidgevoelige gebouwen voor het eerst wordt toegestaan) moet dit worden gemotiveerd. Daarnaast moet in het omgevingsplan de waarde van het gezamenlijke geluid ter hoogte van deze geluidgevoelige gebouwen worden vastgesteld. Dit is de gesommeerde geluidbelasting door alle geluidbronnen (wegverkeer, industrie en railverkeer). Tot slot moet in de motivering ook worden aangegeven in hoeverre het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is. Dit gecumuleerde geluid is niet hetzelfde als het gezamenlijke geluid.
Bij het berekenen van het gecumuleerde geluid wordt ook de geluidbelasting van het industrielawaai, wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai gesommeerd, maar deze deelbijdragen worden dan éérst gecorrigeerd voor de verschillende mate van hinderbeleving tussen deze verschillende geluidsoorten. Ook het geluid door luchtvaart moet worden betrokken bij het bepalen van het gecumuleerd geluid, voor geluidgevoelige gebouwen binnen de 48 L den contour van een luchthaven. Tot slot moeten ook de akoestische gevolgen door het veranderen van de verkeersintensiteit of de geluidoverdracht binnen het aandachtsgebied door het bouwen of slopen van gebouwen of bouwwerken bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan worden gemotiveerd.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
36 Industrielawaai Op grond van hoofdstuk 3 van het Bkl wordt de geluidproductie door industrieterreinen beperkt met geluidproductieplafonds (geluidproductieplafonds industrielawaai of GPPIL). Rond het industrieterrein geldt op grond van het Bkl een aandachtsgebied dat zich uitstrekt tot de afstand waarop, rekening houdende met de beperking van de geluidemissie door de geluidproductieplafonds, de geluidbelasting gelijk is aan de standaardwaarden. Het projecteren van geluidgevoelige gebouwen binnen dit aandachtsgebied is aan voorwaarden verbonden. Deze omgevingsplanwijziging voorziet niet in de realisatie van een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond geldt, waardoor deze instructieregel niet van toepassing is.
5.4.2 Onderzoek Deze planwijziging voorziet in de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein. Omdat in het plan een nieuwe ontsluitingsweg wordt aangelegd is akoestisch onderzoek op grond van het Bkl noodzakelijk (artikel 78). Ook de wijziging aan de bestaande infrastructuur kan leiden tot indirecte akoestische effecten, die noodzaken tot de uitvoering van akoestisch onderzoek. In dit kader heeft KuiperCompagnons een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport is opgenomen als bijlage 1 bij deze motivering. De belangrijkste conclusies uit het onderzoek worden hieronder beknopt samengevat. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat het verkeer op de nieuwe ontsluitingsweg geen geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB. De aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg kan daarom plaatsvinden zonder belemmeringen vanuit het aspect geluid. De indirecte akoestische effecten op de gemeentewegen veroorzaken een toename van de geluidsbelasting van maximaal 0,98 dB ter plaatse van de woningen langs de Burgemeester Bakhuizenlaan en 1,32 dB ter plaatse van de bestaande woningen langs de Oosterweg. Omdat de toename lager is dan 1,5 dB is geen sprake van significante effecten en zijn geen maatregelen noodzakelijk.
5.4.3 Conclusie Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg niet leidt tot overschrijding van de standaardwaarde van 53 dB, en daardoor geen belemmering oplevert vanuit het aspect geluid. De indirecte akoestische effecten veroorzaken een geringe toename van de geluidbelasting bij bestaande woningen; omdat deze lager is dan 1,5 dB is geen sprake van significante effecten en zijn geen maatregelen noodzakelijk.
5.5 5.5.1
Geluid door activiteiten
Kader Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De gemeente dient ervoor te zorgen dat het omgevingsplan in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Ow). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: - de ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar (bijvoorbeeld afstand tussen een woning en een bedrijf); - het stellen van regels aan activiteiten op een locatie (bijvoorbeeld via waarden voor geluidimmissie of preventieve maatregelen). TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
37 De regels aan activiteiten op een locatie in het omgevingsplan voldoen aan de instructieregels uit het Bkl. Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. Bij elke aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager).
Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen, in aanvulling op of in plaats van de waarde. Milieuzonering nieuwe stijl De handreiking Bedrijven- en milieuzonering van de VNG is jarenlang gebruikt als (semi-juridische) leidraad in bestemmingsplannen om daarmee milieucategorieën toe te kennen aan bedrijven. De toekenning van deze (algemene) categorieën geeft echter niet altijd een goed beeld van de daadwerkelijke milieubelasting van een bedrijf. Het ene milieucategorie 3.1-bedrijf kan namelijk veel meer hinder veroorzaken dan een ander milieucategorie 3.1-bedrijf, terwijl ze beiden in dezelfde milieucategorie voorkomen. Al in 2017 heeft het bestuur van de VNG mede daarom aangegeven dat de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' niet meer wordt onderhouden of geactualiseerd. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is ‘ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit’. Gelet op dit doel is het logisch dat in de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor zijn geïntegreerd. Onder de Omgevingswet wordt het gebruikelijk en noodzakelijk om concrete milieunormen op te nemen in het omgevingsplan.
Met de publicatie Handreiking Activiteiten en Milieuzonering (2024) biedt de VNG een manier om hier in een omgevingsplan invulling aan te geven. Uitgangspunt van de voorgestelde systematiek voor een milieuzonering ‘nieuwe stijl’ is dat niet langer wordt gewerkt met zones gekoppeld aan milieucategorieën en een lijst met afstanden voor activiteiten, maar met zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen. De publicatie richt zich in het bijzonder op regels voor geluid en geur, voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen. De systematiek is gebaseerd op de artikelen 5.69 en 5.93 Bkl, die ruimte bieden om in het omgevingsplan de geluid- en geurwaarden op een andere locatie te laten gelden dan op de gevels van geluid- en geurgevoelige gebouwen. Het basisprincipe is, net zoals voorheen, functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Dit resulteert in maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones met bijbehorende waarden zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten hebben meer of minder milieugebruiksruimte, afhankelijk van de ligging van de activiteit ten opzichte van een zone.
In principe geldt daarbij hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur er per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit is. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
38 5.5.2
Onderzoek Deze omgevingsplanwijziging voorziet in de ontwikkeling van het nieuwe bedrijventerrein Drechthoek II. Er worden nieuwe milieuhinderlijke activiteiten mogelijk gemaakt. Het plan voorziet niet in nieuwe milieugevoelige functies. Binnen het plangebied liggen wel twee bestaande woningen, en ook in de omgeving zijn verschillende gevoelige functies aanwezig (met name aan de Oosterweg en Burgemeester Bakhuizenlaan). Voor het nieuwe bedrijventerrein Drechthoek II is op hoofdlijnen aangesloten bij de systematiek van ‘milieuzonering nieuwe stijl’. De publicatie van de VNG is als basis gebruikt voor een regeling voor de aspecten geluid en geur (zie paragraaf 5.6), om gelet op de instructieregels van het Bkl erin te voorzien dat het geluid en de geur op gevoelige gebouwen aanvaardbaar is. In de gekozen systematiek is de gebruiksruimte van ieder bedrijf gelimiteerd voor het aspect geluid. Dit is gereguleerd via een aparte milieubelastende activiteit ‘geluid door activiteiten’ (afdeling 4.6 van de regels). De regels voor deze activiteit gelden los van de regels voor het planologisch toegestane gebruik, zoals bedrijfsmatige activiteiten (afdeling 4.3 van de regels). De hoeveelheid gebruiksruimte is afhankelijk van de zone binnen het bedrijventerrein waar de activiteit wordt verricht.
Op die manier is in het omgevingsplan geluidruimte toebedeeld aan locaties, met behulp van geluidzones. In het omgevingsplan zijn hiervoor werkingsgebieden opgenomen. Binnen een zone (werkingsgebied) geldt een regeling met waarden voor geluid (afdeling 2.1 van de regels), waaraan bij het verrichten van de milieubelastende activiteit moet worden voldaan. Voor deze zones is aansluiting gezocht bij de VNG-handreiking. Dit resulteert voor Drechthoek II in twee zones voor geluid: ‘geluid basis’ en ‘geluid verruimd’. Voor activiteiten binnen beide zones gelden dezelfde waarden voor geluid, voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en maximaal geluidniveau. Deze waarden komen overeen met de waarden in het Bkl (artikel 5.65). Belangrijk verschil is dat de opgenomen waarden niet standaard gelden op de gevel van een geluidgevoelig gebouw, zoals dat het geval is voor de huidige geluidregels in hoofdstuk 22 (afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit) en de instructieregels van het Bkl. De nieuwe waarden gelden op een aangegeven afstand vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Voor de zone ‘basis’ is dit een afstand van 50 m, voor de zone ‘verruimd’ van 100 m.
Als er binnen deze afstand vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht een geluidgevoelig gebouw aanwezig is (of kan komen), dan geldt de waarde in afwijking van deze afstand ter plaatse van dat geluidgevoelig gebouw. Op die manier is geborgd dat altijd ook wordt voldaan aan de waarden voor geluid op de gevel zoals bepaald in het Bkl. De begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, is de grens van de locatie waarop alle activiteiten worden verricht die volgens artikel 5.58 Bkl als één activiteit moet worden beschouwd. Veelal is dat de kavelgrens van het betreffende bedrijf. De bedoelde begrenzing is waar de locatie van het geheel aan activiteiten begint en ophoudt, zoals ook bedoeld bij de aan te leveren gegevens en bescheiden volgens het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze wijziging voorziet in een passende regeling die enerzijds (milieu-)ruimte biedt voor nieuwe bedrijven en anderzijds bescherming biedt voor gevoelige functies in de omgeving. De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als gemengd gebied. Zo zijn er behalve woningen in de directe omgeving al verschillende bedrijven aanwezig, waaronder bedrijventerrein Drechthoek I. Ook ligt op korte afstand de provinciale weg N207. In lijn met de VNG-handreiking is daarom gekozen voor twee zones, ‘basis’ en ‘verruimd’.
Een strengere regeling (‘beperkt’) voor rustige woongebieden is hier niet aan de orde. De basisregeling (50 dB(A) op 50 m) zal naar verwachting voor veel bedrijven al toereikend zijn. Gelet op de ligging en kenmerken van het gebied, wordt een TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
39 verruimde regeling hier ook passend geacht. Op die manier wordt de beschikbare ruimte voor bedrijvigheid beter benut. Dit sluit ook aan bij het provinciale beleid (zie hiervoor paragraaf 3.2). Daarbij is op een logische manier aangesloten bij de beoogde verkaveling van het bedrijventerrein. Het noordelijke kavelgebied is aangemerkt als ‘geluid basis’, het zuidelijke kavelgebied als ‘geluid verruimd’. Geluidgevoelige gebouwen bevinden zich met name en op de kortste afstand ten noorden van het plangebied. Op de kleinere noordelijke kavels zijn daarom minder ‘zware’ bedrijven passend, in het zuidelijke kavelgebied is ruimte voor grotere kavels en ‘zwaardere’ bedrijven. Doordat ook altijd de waarden op de gevel van geluidgevoelige gebouwen gelden, zal met het oog op de bescherming van deze gebouwen niet altijd de maximale geluidruimte (afstand) kunnen worden ingevuld. Met deze regels voor het geluid van activiteiten wordt rechtstreeks verzekerd dat het geluid van een enkele activiteit op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Daarnaast geven de regels invulling aan de plicht om rekening te houden met het geluid door activiteiten. Doordat de waarden gelden op een vaste afstand van de locatie waarop de bedrijfsactiviteiten worden verricht, wordt ongeacht de ligging van geluidgevoelige gebouwen een grens gesteld aan de geluidproductie van het bedrijventerrein.
De globale (cumulatieve) geluidsituatie wordt met deze regels aanvaardbaar geacht. De waarden voor geluid zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Ze gelden voor nieuw te vestigen of te starten activiteiten maar evengoed voor bestaande activiteiten. Zo functioneren de nieuwe regels op dezelfde manier als de regels voor geluid uit hoofdstuk 22 (en voorheen het Activiteitenbesluit). In bepaalde gevallen zal een onderzoek moeten worden verricht op basis van artikel 22.60; deze regel blijft ook van toepassing op activiteiten op Drechthoek II. Dit plan stelt geen aanvullende vergunning- of meldplichten in. De geluidregels van deze wijziging vormen een aanpassing van de regels in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Uitgangspunt is dat alléén de regels uit hoofdstuk 22 buiten toepassing worden verklaard waarvoor deze wijziging nieuwe regels bevat. Voor het overige blijven de regels van hoofdstuk 22 dus gelden. Enkele regels uit hoofdstuk 22 zijn bovendien ook van toepassing verklaard op de regels in deze wijziging. De regels van deze wijziging (hoofdstuk 22c) moeten dus altijd worden gelezen in samenhang met de (eveneens geldende) regels in hoofdstuk 22. De bepalingen in artikel 22c.3 zijn hierbij leidend.
5.5.3 Conclusie De regels in het omgevingsplan met bijbehorende afstanden en waarden voor geluid zorgen ervoor dat het geluid van activiteiten op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde van artikel 5.65 Bkl. Gelet op artikel 5.64 eerste lid van het Bkl is het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar. Met het toepassen van de beschreven systematiek is zodoende sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6
Geur
5.6.1 Kader Besluit kwaliteit leefomgeving De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het plangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het plangebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Bkl is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan de regels in het omgevingsplan erin moeten voorzien dat het geurhinderniveau ter plaatse van geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Voor dat doel geeft het Bkl voor enkele specifieke categorieën activiteiten aanwijzingen waaraan de regels moeten voldoen: het exploiteren van TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Bedrijventerrein Drechthoek ll Motivering Vaststelling – 2 februari 2026
40 waterzuiveringsinstallaties (rwzi’s), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten geldt alleen dat het omgevingsplan rekening moet houden met de geur op geurgevoelige gebouwen. Hiermee laat het Bkl ruimte voor een lokale afweging om te bepalen of en welke regels in het omgevingsplan nodig zijn om te zorgen voor een aanvaardbare geurbelasting.
5.6.2 Onderzoek In lijn met het aspect geluid door activiteiten, is voor het nieuwe bedrijventerrein op hoofdlijnen aangesloten bij de systematiek van ‘milieuzonering nieuwe stijl’. De publicatie van de VNG is als basis gebruikt voor een regeling voor de aspecten geluid en geur, om gelet op de instructieregels van het Bkl erin te voorzien dat het geluid en de geur op gevoelige gebouwen aanvaardbaar is. In de gekozen systematiek is de gebruiksruimte van ieder bedrijf gelimiteerd voor het aspect geur. Dit is gereguleerd via een aparte milieubelastende activiteit ‘geur door activiteiten’ (afdeling 4.6 van de regels). De regels voor deze activiteit gelden los van de regels voor het planologisch toegestane gebruik, zoals bedrijfsmatige activiteiten (afdeling 4.3 van de regels). De hoeveelheid gebruiksruimte is afhankelijk van de zone binnen het bedrijventerrein waar de activiteit wordt verricht. Binnen een geurzone (werkingsgebied) geldt een regeling met waarden voor geur (afdeling 2.1 van de regels), waaraan bij het verrichten van de milieubelastende activiteit moet worden voldaan. Voor deze zones is aansluiting gezocht bij de VNG-handreiking. Dit resulteert voor Drechthoek II in twee zones voor geur: ‘geur basis’ en ‘geur verruimd’. Voor activiteiten binnen beide zones gelden dezelfde waarden voor het geurniveau als gevolg van activiteiten.
Waarden voor geur door activiteiten zijn niet landelijk voorgeschreven in de instructieregels van het Bkl. Voor deze waarden is aangesloten bij de VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’. Deze waarden zijn gebaseerd op wat volgens veel in Nederland gehanteerd geurbeleid aanvaardbaar is. Vergelijkbaar met het aspect geluid gelden de geurwaarden niet standaard op de gevel van een geurgevoelig gebouw, maar op een gegeven afstand vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Voor de zone ‘basis’ is dit een afstand van 50 m, voor de zone ‘verruimd’ van 100 m. Als er binnen deze afstand vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht een geurgevoelig gebouw aanwezig is (of kan komen), dan geldt de waarde in afwijking van deze afstand ter plaatse van dat geurgevoelig gebouw. Op die manier is geborgd dat altijd ook wordt voldaan aan de waarden op de gevel. De geurzones komen qua ligging overeen met de geluidzones. Dat betekent dat het noordelijke kavelgebied is aangemerkt als ‘geur basis’, het zuidelijke kavelgebied als ‘geur verruimd’. Aan de noordkant zijn kleinere bedrijven met minder geurruimte passend, aan de zuidkant is ruimte voor grotere bedrijven die meer geurruimte nodig hebben.