Programmabegroting 2022
Tekst van het document
Overhead 6004000 Bestuursondersteuning college 6004001 Gemeentehuis 6004002 Staf afd. dienstverlening 6004003 Staf afd. bedrijfsvoering 6004004 Staf afd. ontwikkeling 6004005 Cluster ICT 6004006 Cluster DIV 6004007 Cluster gegevensbeheer (BAG) 6004008 Cluster financien 6004009 Cluster personeelszaken 6004010 Cluster juridische zaken 6004011 Cluster communicatie 6004012 Cluster bodedienst en facilitair 6004013 Tractiemiddelen 6004014 Huisvesting buitendienst 6004015 Cluster kcc 6004016 Cluster burgerzaken 6004018 Cluster belastingen 6004019 Cluster VTH 6004020 Cluster uitvoering OR 6004021 Cluster beleid en strategie 6004022 Cluster regie en planvorming 6004023 Cluster ruimte en omgevingszaken 6004024 Staf team Ruimte en Omgevingszaken 6004025 Staf team Dienstverlening
Begroting 2022 Lasten Baten 135 0 571 -45 504 0 182 0 218 -15 2.379 0 763 0 580 -3 826 0 973 0 396 0 487 0 242 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 65 0 228 0 35 0 217 0 0 0 111 0 164 0 9.077
-63
Saldo 135 526 504 182 203 2.379 763 577 826 973 396 487 242 0 0 0 0 0 65 228 35 217 0 111 164 9.014
Vennootschapsbelasting Met ingang van 1 januari 2016 is de vennootschapsbelasting (Vpb) voor overheidsbedrijven ingrijpend gewijzigd. Wij hebben aangifte gedaan over de jaren 2016 tot en met 2020. De Belastingdienst heeft onze aangiften over boekjaar 2016 t/m 2018 definitief vastgesteld. Over 2019 en 2020 is een voorlopige aanslag opgelegd conform aangifte. In de zomer van 2020 hebben wij een mondeling overleg gehad met de Belastingdienst. Een meer recente ontwikkeling is dat er in de toekomst mogelijk sprake van kan zijn dat reclame-inkomsten belast zouden kunnen gaan worden voor de Vennootschapsbelasting. Op basis van de aangiften in de afgelopen jaren is het budget voor de Vennootschapsbelasting verlaagd van €5.000 structureel naar €1.000 structureel in de begroting. Onvoorzien Bij het vaststellen van de begroting 2015 is het bedrag voor onvoorzien bepaald op € 0. Deze beleidskeuze is nogmaals vastgesteld bij het vaststellen van de Financiële Verordening 2020 en toegepast. Ook in deze begroting staat de post onvoorzien op € 0.
40
Paragrafen In deze programmabegroting zijn de onderstaande zeven paragrafen opgenomen: 1)
Lokale heffingen
2)
Weerstandsvermogen en risicobeheersing
3)
Kapitaalgoederen
4)
Financiering
5)
Bedrijfsvoering
6)
Verbonden partijen
7)
Grondbeleid
41
1. Lokale heffingen De Gemeentewet geeft een limitatieve opsomming van de belastingen die een gemeente mag heffen. Lokale heffingen vormen voor de gemeente een belangrijke inkomstenbron. Kaag en Braassem kent de onroerendezaakbelastingen (OZB), de roerendezaakbelasting (RZB) en de forensenbelasting. Tevens wordt een aantal rechten geheven: de rioolheffing, de afvalstoffenheffing, leges, marktgelden en grafrechten. In deze paragraaf wordt nader aandacht besteed aan de lokale heffingen, het kwijtscheldingsbeleid en er wordt een overzicht gegeven van de diverse heffingen met de daarbij geraamde inkomsten en de lokale lastendruk in Kaag en Braassem. Per 1 januari 2022 vervalt de precariobelasting. Vanaf dat moment mag geen belasting meer geheven worden op netwerken die beschouwd worden als openbare werken van algemeen nut: gasnetwerken, elektriciteitskabels en waterleidingen. Onze gemeente hief deze belasting op ondergrondse kabels en leidingen van Oasen en Liander. Het gemis van deze structurele baat (€ 2,7 miljoen) moet opgevangen worden binnen onze begroting. Beleid rondom belastingen De gemeente Kaag en Braassem hanteert het uitgangspunt dat de lokale heffingen zoals de OZB met niet meer dan met de verwachte indexatie (inflatie) volgens het CBS mogen stijgen.
Hierbij wordt uitgegaan van het PBBP, het prijs bruto binnenlands product volgens de kerngegevenstabel van het CPB van maart 2021 voor begrotingsjaar 2022. De belastingheffing dient verder maximaal 100% van de kosten te dekken, waarbij rekening wordt gehouden met een eventuele btw-component in de kosten. Tariefontwikkeling in 2022 Bij het bepalen van de ramingen van belastingopbrengsten voor het nieuwe begrotingsjaar wordt rekening gehouden met een inflatiepercentage van 1,6% voor 2022. Onroerendezaakbelastingen 2022 (OZB) Jaarlijks wordt de WOZ-waarde opnieuw bepaald. Vanaf 1 januari 2022 zijn gemeenten wettelijk verplicht om woningen te taxeren op basis van de netto gebruiksoppervlakte; voorheen werd gewaardeerd op basis van bruto inhoud. Ofwel omzetting van inhoud (m3) naar gebruiksoppervlakte (m2). Het gaat om waardering van woningen; de niet-woningen (verhuurbaar vloeroppervlakte en bruto oppervlakte) vallen hier niet onder. Zodra de nieuwe WOZ-waarden voor 2022 (peildatum 1-1-2021) bekend zijn zal bij het tarievenvoorstel na vaststelling van de begroting het definitieve belastingtarief hierop worden aangepast. Eind september is een eerste voorlopige marktontwikkeling inzichtelijk. Bij het bepalen van het tarief voor 2022 wordt tevens rekening gehouden met een inflatiecorrectie van 1,6% ten opzichte van de raming 2021, vermeerderd met areaaluitbreidingen.
Afvalstoffenheffing 2022 De afvalstoffenheffing wordt opgelegd aan gebruikers van woningen en recreatieverblijven en voor het inzamelen en verwerken van grof huishoudelijk afval. Er is vooralsnog een vast basistarief met een differentiatie op basis van eenpersoons- en meerpersoonshuishoudens.
42
Daarnaast zijn er drie variabele tarieven gebaseerd op het aantal keer dat een container (afhankelijk van de grootte, 140 of 240 liter) of een zak restafval wordt aangeboden. In december 2021 worden de vaste en variabele tarieven voor 2022 vastgesteld. Ons beleid is om de tarieven kostendekkend te laten zijn. Op dit moment zijn de tarieven bij de afvalstoffenheffing nog niet kostendekkend. Bij de vaststelling van de verordening afvalstoffenheffing 2021 en de daarin opgenomen afvaltarieven voor 2021 is bepaald dat er een groei in kostendekkendheid wordt nagestreefd in twee jaar tijd. 95% in 2022 en 100% in 2023. Bij het opstellen van deze begroting is daarom uitgegaan van een kostendekkendheid van (afgerond) 95%. Of dit voor een specifieke inwoner hoog of laag zal uitvallen, zal afhankelijk zijn van het aantal ledigingen. Rioolheffing 2022 De tarieven voor de rioolheffing zijn gebaseerd op het GRP 2019-2023. Eind 2019 is het kostendekkingsplan bij het GRP 2019-2023 tussentijds financieel bijgesteld en vastgesteld door de raad. Door het lagere renteomslagpercentage (van 3,12% naar 1,0%) en het hogere aantal aansluitingen dan waarbij in het GRP 2019-2023 vanuit was gegaan, kon het tarief met een lager percentage toenemen. Ook voor 2022 verwachten wij een laag renteomslagpercentage (1%) en een mogelijke areaal-uitbreiding.
Daarom kunnen we ook in de begroting 2022 het tarief van 2021 ad € 277,30 blijven hanteren en hoeven we dit niet te verhogen met de index. In december 2021 worden de tarieven voor de rioolheffing definitief vastgesteld. Ook het bijgestelde kostendekkingsplan bij het GRP 2019-2023 zal dan ter vaststelling aan uw raad worden voorgelegd. Mocht dit besluit gevolgen hebben voor de begroting, dan wordt dit als begrotingswijziging op de begroting 2022 verwerkt. Bouwleges 2022 Bij het ramen van de bouwleges wordt, gelet op ervaringen uit het verleden, het voorzichtigheidsbeginsel gehanteerd. Dit wil zeggen dat alleen de reguliere leges worden geraamd en er elk jaar afzonderlijk wordt bekeken of er aanvullend ook leges kunnen worden geraamd voor projecten die in de periode van het meerjarenperspectief van de begroting worden verwacht. Net als in 2021 worden ook in 2022 hogere opbrengsten voor de bouwleges verwacht vanwege de grote projecten die momenteel binnen onze gemeente worden ontwikkeld. De ramingen zijn daarom incidenteel in 2022 en 2023 verhoogd. Vanaf 2024 wordt er in verband met de invoering van de Omgevingswet in het meerjarenbeeld rekening gehouden met een verlaging van de opbrengsten. Overzicht belastingdomein gemeente Kaag en Braassem De hierna volgende tabel geeft een overzicht van het lokale belastingdomein.
Ook is vermeld hoe de ramingen voor 2022 tot stand zijn gekomen en waar nodig nog toegelicht per belastingsoort. De totale raming van eigen inkomsten is bepaald op basis van het bestaande beleid bij de lokale heffingen en als baat opgenomen in de begroting 2022. Aan de hand van de nog vast te stellen WOZ-waarden 2022 (peildatum 1 januari 2021) zullen de definitieve OZB-tarieven 2022 worden bepaald.
43
bedragen in €
begroting 2022 OZB eigenaren woningen 4.415.000 OZB eigenaren niet-woningen 783.000 OZB gebruikers niet-woningen 556.000 RZB eigenaren woningen 19.000 Inzameling grof huishoudelijk afval 58.000 Afvalstoffenheffing 3.895.000 Rioolheffing 3.842.000 Forensenbelasting 327.000 Precariobelasting 0 Diverse rechten grafrechten 63.090 marktgelden 11.000 Diverse leges omgevingsvergunningen 1.318.498 snelle motorboten 20.966 burgerzaken 281.388 15.589.942
Kostendekkendheid Met ingang van 2017 is extra informatie verplicht waarin inzichtelijk wordt gemaakt hoe bij de berekening van tarieven van heffingen die hoogstens kostendekkend mogen zijn, wordt bewerkstelligd dat de baten de lasten niet overschrijden. Deze informatie wordt afzonderlijk in beeld gebracht voor de belangrijkste onderdelen binnen de gemeentelijke belastingen. De tarieven voor afvalinzameling, riolering, begraafplaatsen en omgevingsvergunningen worden ieder afzonderlijk berekend. De resterende opbrengsten betreffen de overige leges te weten het verstrekken van persoons- en reisdocumenten alsook de overige vergunningverlening op basis van de APV. bedragen in €
Nr Afvalinzameling en –verwerking (taakveld 7.3) 1 Kosten taakveld afval (netto) 2 BTW 3 Overhead 4 Toerekening rente 5 Totaal kosten 6 Inkomsten 7 Netto-lasten 8 Kostendekking
1 2 3 4.
Begroting 2022 2.889.942 588.206 707.999 8.402 4.194.550 -3.953.000 241.550 94%
Betreft de kosten zoals die opgenomen zijn in het taakveld afval. Extracomptabele toegerekende BTW op kosten en investeringen op grond van de invoering van de BTWplicht gemeente. Betreft de overhead op de taakgerichte uren. Dit wordt conform BBV-voorschriften extracomptabel toegerekend. Toerekening van rente is gebaseerd op de omslagrente, met inachtneming van de BBV-voorschriften
De kostendekkendheid op afval is al enkele jaren lager dan 100% door de landelijke stijging van de kosten voor de inzameling en verwerking van afval en door de korting die was toegepast in 2018 en heeft doorgewerkt in de tarieven 2019 t/m 2021. Bij de vaststelling van de Verordening afvalstoffenheffing 2021 en de daarin opgenomen afvaltarieven voor 2021 is bepaald dat er een groei in kostendekkendheid wordt nagestreefd in twee jaar tijd. 95% in 2022 en 100% in 2023. Bij het opstellen van deze begroting is daarom uitgegaan van een kostendekkendheid van (afgerond) 95%.
44
Door een goed scheidingsgedrag en zo min mogelijk aanbieden van restafval kunnen inwoners hun werkelijke lasten lager houden.
bedragen in €
Nr Beheer rioleringsstelsel en waterzuivering (taakveld 7.2) 1 Kosten taakveld riolering en waterzuivering 2 BTW 3 Overhead 4 Toerekening rente 5 Totaal kosten 6 Inkomsten 7 Netto-lasten 8 Kostendekking
1 2 3 4
Begroting 2022 2.263.986 761.654 490.252 326.107 3.842.000 -3.842.000 0 100%
Betreft de kosten zoals die opgenomen zijn in het geactualiseerde GRP aangevuld met de taakgerichte uren. Extracomptabele toegerekende BTW op kosten en investeringen op grond van de invoering van de BTWplicht gemeente. Betreft de overhead op de taakgerichte uren. Dit wordt extracomptabel toegerekend op grond van de BBV- voorschriften. Toerekening van rente is gebaseerd op de omslagrente, met inachtneming van de BBV- voorschriften.
De kostendekkendheid van de rioolheffing bedraagt 100%. Door wijziging van het renteomslagpercentage en een jaarlijkse (snellere dan geraamd) en forse uitbreiding van het areaal is het nodig om het kostendekkingsplan van het GRP jaarlijks te monitoren en bij te stellen. Bij het vaststellen van de tarieven 2022 zullen wij daarom het geactualiseerde kostendekkingsplan bij het GRP 2019-2023 opnieuw ter vaststelling aan u voorleggen. In deze begroting hebben wij de opbrengsten opgenomen, waarbij wél rekening is gehouden met een snellere areaaluitbreiding, maar waarbij de indexatie van 1,6% achterwege is gebleven. Daarmee realiseren we al een aantal jaren op rij een kostendekkingspercentage van 100%. bedragen in €
Nr Begraafplaatsen (taakveld 7.5) 1 Kosten taakveld begravingen 2 Overhead 3 Toerekening rente 4 Totaal kosten 5 Inkomsten 6 Netto-lasten 7 Kostendekking
1 2 3
Begroting 2022 163.180 66.048 8.085 237.313 -63.090 174.223 27%
Betreft de kosten zoals die opgenomen zijn in het taakveld begraafplaatsen Betreft de overhead op de taakgerichte uren. Dit wordt extracomptabel toegerekend op grond van de BBVvoorschriften. Toerekening van rente is gebaseerd op de omslagrente, met inachtneming van de BBV- voorschriften.
Voor de begraafplaats van Rijnsaterwoude zal in 2022 een investering worden gedaan. De damwand/beschoeiing wordt vervangen en het verzakte gedeelte wordt hersteld. In 2018 is hier reeds een offerte voor opgevraagd; kosten ca. € 20.000. Dit bedrag zal echter hoger uitvallen.
45
bedragen in €
1 2 3
Nr 1 2 3 4 5 6
Leges: fysieke leefomgeving en omgevingsvergunning (WABO) (taakveld 8.3) Kosten op de taakvelden Overhead Toerekening rente Totaal kosten Inkomsten Netto-lasten
7
Kostendekking
Begroting 2022 1.144.151 633.099 0 1.777.250 -1.318.498 458.752 74%
Betreft de kosten zoals die opgenomen zijn in de taakvelden behorend tot de fysieke leefomgeving (m.n. WABO). Betreft de overhead op de taakgerichte uren. Dit wordt extracomptabel toegerekend op grond de BBVvoorschriften. Toerekening van rente is gebaseerd op de omslagrente, met inachtneming van de BBV- voorschriften. bedragen in €
1 2 3
Nr 1 2 3 4 5 6
Leges: Overige leges (Burgerzaken) (taakveld 0.2) Kosten op de taakvelden Overhead Toerekening rente Totaal kosten Inkomsten Netto-lasten
7
Kostendekking
Begroting 2022 550.906 259.779 0 810.686 -302.354 508.332 37%
Betreft de kosten zoals die opgenomen zijn in de taakvelden die behoren tot dienstverlening. De nadruk ligt hier persoons- en reisdocumenten, alsmede vergunningverlening op basis van de APV. Betreft de overhead op de taakgerichte uren. Dit wordt extra comptabel toegerekend op grond van de BBVvoorschriften. Toerekening van rente is gebaseerd op de omslagrente, met inachtneming van de BBV-voorschriften.
Totale woonlasten meerpersoonshuishoudens
Onder de gemeentelijke woonlasten verstaan we het gemiddelde bedrag dat een huishouden in een bepaalde gemeente betaalt aan OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing. In onderstaande tabel worden de woonlasten van Kaag en Braassem weergegeven.
Gemiddelde woonlasten per meerpersoonshuishouden
2021
2022
OZB (2021 cf Coelo met een gemiddelde WOZ-waarde van 353.346), 2022 op basis van een stijging van de last met 1,6%) Afvalstoffenheffing *1) Rioolheffing (tarief 2021 conform tarief 2020, door lager renteomslagpercentage en areaaluitbreiding mogelijk geen tariefsverhoging per 1-1-2022)
€ 363
€ 369
€ 259 € 277
€ 275 € 277
Totale gemiddelde woonlasten per meerpersoonshuishouden
€ 899
€ 921
Woonlasten in verband met precarioheffing (doorbelast door Oasen, berekening Liander) Totale woonlasten, inclusief lasten precarioheffing
€ 152 € 1051
€ 0 € 921
46
*1) De werkelijke last per huishouden afvalstoffenheffing is afhankelijk van het scheidingsgedrag. De gemiddelde tarieven zijn gebaseerd op de geprognosticeerde opbrengsten in 2021, gedeeld door het aantal huishoudens. Bij de woonlast in 2022 is er op afval een prijsstijging van 6% verwerkt waardoor de kostendekkendheid van (afgerond) 95% wordt gehaald. In dit tarief is rekening gehouden met dezelfde tarieven voor het afvalbrengstation als in 2021. Kwijtscheldingsbeleid Een belastingplichtige die een inkomen heeft van 100% of minder van het minimuminkomen komt in aanmerking voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. Er kan uitsluitend kwijtschelding worden verleend voor de afvalstoffenheffing en rioolbelasting. Alle andere heffingen zijn van kwijtschelding uitgesloten. Met ingang van 1 januari 2022 geeft het Rijk de gemeenten de mogelijkheid om voor AOWgerechtigden en volledig arbeidsongeschikten de vermogensnorm voor de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen met maximaal € 2.000 op te hogen. Dit is een keuze die de gemeenten moeten maken. Wat het effect zal zijn op het aantal kwijtscheldingsverzoeken is nog niet duidelijk; er wordt een impactanalyse gemaakt.
47
2. Weerstandsvermogen en risicobeheersing Deze paragraaf geeft inzicht in het verwachte weerstandsvermogen in het begrotingsjaar 2022 en de jaren 2023 t/m 2025 van het meerjarenperspectief. Hiertoe is informatie opgenomen over onderstaande onderwerpen: 1. Een inventarisatie van de weerstandscapaciteit (de beschikbare middelen om aanwezige risico’s te kunnen opvangen); 2. Een inventarisatie van de risico’s van materiële betekenis voor de financiële positie, zoveel als mogelijk gekwantificeerd (hoe groot is de kans dat een risico zicht voordoet en wat is de financiële impact van het risico); 3. Inzicht in het weerstandsvermogen in de periode 2022 – 2025; 4. Inzicht in de financiële kengetallen. Het uitwerken van deze paragraaf gebeurt conform het door de raad in 2019 vastgestelde beleid in de Nota Risicomanagement en weerstandsvermogen (Nota R&W) voor de periode 2020-2023. Actualisatie van de risico-inventarisatie ten opzichte van de inventarisatie bij de Richtbrief 2022 __________________________________________________________________________________ In de presentatie bij de Richtbrief 2022 is er een overzicht opgenomen van de geïnventariseerde risico’s. In bijlage 2 van de brief van ons college aan uw raad d.d. 21 september 2021 zijn de risico’s met een pm-waardering toegelicht.
In deze paragraaf is een totaaloverzicht opgenomen van alle geïnventariseerde risico’s en op pagina 53 e.v. zijn alle geïnventariseerde risico’s toegelicht. Ten opzichte van de situatie bij het opstellen van de Richtbrief zijn de onderstaande risico’s bijgesteld. Wegen (bijgesteld) Het risico van de wegen is niet alleen structureel als het gaat om areaal, maar ook incidenteel. Bij de inspectie in 2021 is gebleken dat een aantal wegen in een snel tempo -sneller dan normaal mag worden verwacht- hard in kwaliteit is achteruit gegaan. Daarnaast worden wij als gemeente geconfronteerd met wegen die moeten worden aangepakt omdat ze op een dijk liggen en deze dijken zodanig in kwaliteit zijn achteruit gegaan dat zij moeten worden aangepakt. Dit heeft tot gevolg dat ook de weg, terwijl deze eigenlijk nog goed is, toch moet worden vervangen. Wij zijn hierover in gesprek met het hoogheemraadschap. De Tweesprong (bijgesteld) Het risico op een exploitatietekort bij De Tweesprong bestond al en was in de begroting 2021 en de jaarrekening 2020 opgenomen. In de presentatie bij de Richtbrief ontbraken in het overzicht de gekwantificeerde bedragen. Deze zijn nu toegevoegd en zijn ongewijzigd ten opzichte van de inventarisatie bij de jaarstukken 2020 en de begroting 2021.
ICT Voor ICT was er een risico opgenomen in verband met de evaluatie van de verdeelsleutels voor de verdeling van de kosten van de BVO Rijn en Braassem over de gemeenten Alphen aan den Rijn en Kaag en Braassem. Deze evaluatie vindt plaats in 2023/2024, waardoor er een pm was opgenomen 48
vanaf 2025. Naast dit risico op hogere lasten door een andere verdeling speelt er nog een tweede risico op hogere lasten. Dit heeft te maken met de inrichting van een CIO Office bij de gemeente Alphen aan den Rijn. In de komende maanden vinden gesprekken plaats tussen de gemeente Kaag en Braassem en de gemeente Alphen aan den Rijn over de mate waarin Kaag en Braassem gebruik gaat maken van dit Office en wat de bijdrage hiervoor dan zal zijn. Vandaar dat in deze begroting ook een risico is opgenomen vanaf 2022. Weerstandsvermogen bij gesignaleerde risico’s Afweging van de beschikbare weerstandscapaciteit versus de gekwantificeerde risico’s in deze paragraaf leidt tot onderstaande conclusie. Door de raad was als kader voor het weerstandsvermogen in de Nota risicomanagement een ratio vastgesteld van 1 - 1.4. Om de benodigde middelen vrij te houden om te komen tot de uitvoering van de Samenwerkingsagenda en de hierin opgenomen ambities voor Focus met ambitie, is in het voorjaar van 2019 besloten om voor het meerjarenperspectief uit te gaan van de onderkant van de ratioklasse, ratio 1. In de Nota risicomanagement 2020, vastgesteld in december 2019, is deze norm voor de structurele weerstandsratio van minimaal 1 vastgelegd.
In het afgelopen jaar hebben wij met (de groep financieel specialisten uit) de raadsfracties in diverse sessies gesproken over ambities en maatregelen ter dekking van het te verwachten begrotingstekort en hebben we met behulp van het knoppenmodel keuzes gemaakt in deze ambities en dekkingsvoorstellen. Uiteindelijk hebben we op basis van de bijeenkomsten op 13 en 27 september het in de brief van 21 september beschreven tweede scenario uitgewerkt in deze begroting 2022 en in het meerjarenbeeld 2023-2025. Dit tweede scenario geeft een reëel en structureel sluitende begroting in 2022 (en 2023), maar nog een tekort op de jaren 2024 en 2025. In de afgelopen week zijn ook de effecten van de Septembercirculaire bekend geworden. Deze zijn nog niet verwerkt in deze begroting, maar geven wel een positief effect op ons resultaat en daarmee ook op de weerstandscapaciteit en de weerstandsratio. Zie hiervoor de onderstaande tabellen: Bedrag * €1.000
Incidenteel 2022
Structureel 2023
2024
2025
Beschikbare weerstand
17.833
511
390
-517
-473
Benodigde weerstand
4.286
523
450
497
497
Ratio
4,16
0,98
0,87
-1,04
-0,95
De effecten van de Septembercirculaire 2021 zijn fors en geven een heel ander beeld van de weerstandsratio voor structurele risico’s: Bedrag * €1.000
Incidenteel 2022
Structureel 2023
2024
2025
Beschikbare weerstand, inclusief effecten Septembercirculaire 2021
17.833
1.919
1.335
398
504
Benodigde weerstand
4.286
523
450
497
497
Ratio, inclusief effecten Septembercirculaire 2021
4,16
3,67
2,97
0,80
1,01
49
Conclusie __________________________________________________________________________________ •
•
Voor de incidentele risico’s gold in de afgelopen jaren een ratio van 1 – 1.4. Dit is voldoende om de geïnventariseerde incidentele risico’s op te vangen, maar is te weinig om de solvabiliteit op een voldoende niveau te hebben. Daarom is in het voorjaar van 2019 bepaald dat de beschikbare weerstand van een zodanig niveau is dat de solvabiliteit minimaal 20% bedraagt. Uit het overzicht van de kengetallen, verderop in deze paragraaf, blijkt dat de solvabiliteit in de komende jaren daalt van 30% naar 21%. Met name door de groei van de algemene reserve is de solvabiliteit sterk verbeterd en is de incidentele weerstandsratio ook in de komende jaren voldoende hoog. Structureel voldoet de ratio met de uitwerking van scenario 2 in 2022 en 2023 net niet en in 2024 en 2025 niet aan de gestelde ratio van minimaal 1. De begroting is gebaseerd op de Meicirculaire, aangevuld met stelposten voor gewenste ambities. Daarnaast heeft ons college ook op verzoek van uw raad waar dat enigszins mogelijk was, de risico’s gekwantificeerd. Door én de ambities in de begroting op te nemen én de risico’s te kwantificeren, hebben we een meer reëel beeld van onze weerstandscapaciteit. Houden we rekening met de effecten van de Septembercirculaire, dan voldoen we ook aan de norm voor de structurele weerstandsratio.
De grondslagen voor berekening van de ratio’s worden hierna per onderwerp toegelicht. Beschikbare weerstandscapaciteit __________________________________________________________________________________ _ De weerstandscapaciteit wordt onderscheiden in incidentele en structurele capaciteit, zoals vermeld in de Nota R&W: Bedrag * €1.000
A. Incidentele weerstandscapaciteit 1. De algemene reserve
17.833
2. Bestemmingsreserves (reserve grondexploitatie niet gelabeld deel)
Beschikbare weerstandscapaciteit:
0
17.833
3. Stille en geheime reserves:
Theoretische weerstandscapaciteit:
0
17.833
Toelichting incidentele weerstandscapaciteit: 1. De algemene reserve Het saldo van de algemene reserve is per 1 januari 2022 afgerond € 17,8 miljoen. Het saldo is zo gestegen ten opzichte van begin 2021 door het positieve resultaat van 2020 en door de vrijval van de reserve IMNOR in 2021. In deze opstelling is ervan uitgegaan dat onze raad instemt met toevoeging van deze vrijval aan de algemene reserve. 2. Bestemmingsreserves De gemeente beschikt over een bestemmingsreserve bouwgrondexploitatie van € 3,1 miljoen (saldo per 1 januari 2022). Deze reserve moet voldoende van omvang zijn om de berekende risico’s bij verliesgevende plannen af te dekken. In 2022 worden naar verwachting verschillende grondexploitaties afgesloten, zoals Van Egmondterrein/Elzenlaan, Centrumplan Leimuiden en
50
Braassemerland West End. Hiervoor is in totaal mogelijk een dekkingsbijdrage nodig uit deze reserve van € 318.000. Het totale risico op verliesgevende plannen, inclusief de hierboven genoemde bedraagt € 2,262 miljoen, waarvoor wordt verwezen naar de paragraaf grondbeleid. In de reserve bouwgrondexploitatie is rekening gehouden met de berekende omvang van deze risico’s. Daarnaast is rekening gehouden met een aantal specifieke reserveringen, waaronder een reservering voor het vereveningsfonds ter grootte van € 876k en in bovenstaand saldo is ervan uitgegaan dat de gereserveerde bijdrage van € 300k aan de provincie in verband met N207 Passage Leimuiden in 2021 heeft plaatsgevonden. Dit impliceert dat het volledige saldo van deze reserve gelabeld is voor risico’s en specifieke reserveringen bij de bouwgrondexploitatie. 3. Stille en geheime reserves We spreken van stille reserves indien activa lagere balanswaarden hebben dan de werkelijke waarde. Geheime reserves zijn activa die helemaal niet meer op de balans staan (boekwaarde nihil) maar die mogelijk nog wel een restwaarde hebben in het economisch verkeer. Hieronder zijn deze activa in twee onderdelen vermeld: 3.1 Gronden Onze gemeente beschikt over een kleine stille reserve bij de bouwgrondexploitatie. Dit betreft een tweetal grexen die naar verwachting met € 530.000 winst kunnen worden afgesloten (zie paragraaf grondbeleid).
Rekening houdend met het risicoprofiel kan deze winst dalen tot een winst van slechts € 166.000. De winst die vanwege het risicoprofiel mogelijk (bijna) niet gerealiseerd wordt is voorzichtigheidshalve bij het bepalen van de stille reserve niet toegevoegd in de berekening. 3.2 Opstallen Gebouwen die niet meer van belang zijn voor de gemeentelijke bedrijfsvoering kunnen worden afgestoten. In een aantal gevallen blijkt bij verkoop dat de marktwaarde lager ligt dan de boekwaarde. In de gevallen waarbij de marktwaarde hoger ligt dan de boekwaarde, kan de meerwaarde na verkoop worden toegevoegd aan de vermogenspositie. Voor overige activa is het niet goed mogelijk de in de waarden aanwezige stille of geheime reserves te bepalen, omdat de waarde sterk afhankelijk is van de gebruiksmogelijkheden en de marktvraag. Toelichting structurele weerstandscapaciteit: Bedrag * €1.000
2022
2023
2024
2025
B. Structurele weerstandscapaciteit Begrotingsruimte/ buffer
511
390
-517
-473
Beschikbare weerstandscapaciteit:
511
390
-517
-473
Onbenutte belastingcapaciteit
3.029
3.029
3.029
3.029
Theoretische weerstandscapaciteit:
3.540
3.419
2.512
2.555
De begrotingsruimte/buffer Deze begroting is gebaseerd op de ontwikkelingen die we hebben gepresenteerd bij de Richtbrief op 28 juni en op de gesprekken die ons college met uw raad heeft gehad op 13 en 27 september jongstleden. Uitgangspunt bij het opstellen van deze begroting en daarmee ook de begrotingsruimte/buffer is scenario 2 uit de brief van 21 september 2021 van ons college aan uw raad. 51
Hiermee presenteren we een reëel en structureel sluitende begroting in 2022 en 2023. Voor de jaren 2024 en 2025 leidt deze keuze op dit moment nog tot een begrotingstekort. Verschillende ontwikkelingen ten aanzien van de algemene uitkering zien er op dit moment gunstig uit voor onze gemeente. Hiermee is de verwachting dat we bij de Richtnota 2023 zonder al te vergaande maatregelen een reëel en structureel sluitende begroting 2023 en een sluitend meerjarenbeeld kunnen opstellen. De effecten van de Septembercirculaire zijn hierin nog niet verwerkt. Deze effecten worden in het raadsvoorstel opgenomen en als eerste begrotingswijziging bij deze begroting verwerkt. De onbenutte belastingcapaciteit Jaarlijks wordt in de Meicirculaire het percentage van de WOZ-waarde voor toelating tot artikel 12 vastgesteld. Dit zogenaamde redelijk peil is voor 2022 vastgesteld op 0,1800. Uitgaande van de laatst vastgestelde WOZ-waarden en de geraamde opbrengsten OZB is het gewogen gemiddelde tarief voor Kaag en Braasem berekend op 0,1162.
De onbenutte capaciteit kan dan als onderstaand worden berekend: Berekening werkelijk gewogen gemiddelde tarief voor toelating tot artikel 12 WOZ-waarde woningen WOZ-waarde niet woningen eigenaren en gebruikers samen Geraamde OZB-opbrengst obv totaal WOZ-waarde Geraamde onderdekking reiniging/ afvalstoffen Geraamde onderdekking riolering Geraamde OZB-opbrengst gecorrigeerd voor onderdekking Gewogen gemiddelde OZB-tarief Onbenutte belastingcapaciteit t.o.v. het redelijk peil/ "toelatingstarief artikel 12" Redelijk peil conform meicirculaire 2021 voor toelating artikel 12 Werkelijk gewogen gemiddelde OZB-tarief voor de gemeente Kaag en Braassem Verschil (=weerstandtarief) Onbenutte belastingcapaciteit (=weerstandtarief * totale WOZ-waarde)
laatste taxatiewaarde € 4.210.939.000 534.234.000 5.754.000 241.550 -0 5.512.451 0,1162
0,1800 0,1162 0,0638
€
3.028.861
Risico-inventarisatie en kwantificering __________________________________________________________________________________ _ Het inventariseren en kwantificeren van risico’s heeft conform het bepaalde in de Nota R&W plaatsgevonden gedurende het proces naar de begroting bij de Richtbrief 2022. Wijzigingen in de risico-inventarisatie ten opzichte van het moment van opstellen van de Richtbrief zijn aan het begin van deze paragraaf toegelicht onder de ontwikkelingen. Onderstaand is een overzicht opgenomen en zijn alle risico’s voorzien van een toelichting.
52
Categorieën risico’s met financiële consequenties: Omschrijving risico per categorie
bedragen* € 1000
Kans Risico klasse
Risico (kans x gevolg)
Gevolg Raming schade
Incidenteel 2022
Totaal risico's Financieel 1. Wmo
50%
2. Reguliere jeugdhulp
165
83
2023
2024
2025
0
0
0
0
pm
0
0
pm
pm
pm
3. JB/ JR en gesloten jeugdhulp
50%
50
0
25
25
25
25
4. Sociale woningbouw
50%
1.050
525
0
0
0
0
20-50%
150
85
85
85
85
40%
300
0
0
120
120
pm
pm
pm
pm
5. Ict 6. Kunstwerken - Noorderhemweg
1.500
7. Wethouderspensioenen 8. Wethouders – wachtgeld
80
Product/ diensten 9. Bestrijding essentaksterfte/ kastanje bloedingsziekte
50%
86
10. Openbaar groen
90%
136
43
11a. Wegen, areaal uitbreiding IBOR wegen (index 1,6%) 11b. Wegen, Herenweg en dijkwegen 11c. Grietpolderweg
0
0
0
122
122
122
45
45
45
45
pm 50%
12. Implementatie omgevingswet 13. Werk en Inkomen DVO 14. Werk en Inkomen Buig
0 122
614
307
2.400
1.584
70%
235
50%
200
0
0
0
0
pm
pm
pm
pm
100
100
100
100
146
73
0
0
523
450
497
497
165
Verbonden partijen 15. Algemeen 16. De Tweesprong
Gekwantificeerde risico's
4.286
Toelichting op de risico’s 1. Wmo Wmo incidenteel risico De Wmo betreft een openeinderegeling. Dit betekent dat wij als gemeente maatschappelijke ondersteuning moeten bieden, ook als het budget op is. Een aantal grote woningaanpassingen kan bijvoorbeeld extra lasten met zich meebrengen. Omdat het onzeker is wanneer inwoners meer dan verwacht een beroep doen op een dergelijke woningaanpassing, is ervoor gekozen hiervoor een risico op te nemen in de risicoparagraaf. Een aanvraag voor een grote woningaanpassing staat op zichzelf en heeft geen structureel effect, maar heeft mogelijk een incidenteel effect op de algemene reserve. Op basis van ervaringscijfers van voorgaande jaren achten wij het verantwoord om dit risico incidenteel in te schatten op € 165.000 met een kans van 50%. We zagen in 2020 en zien in 2021 wel een stijging van het aantal woningaanpassingen. We blijven dit monitoren om te beoordelen of dit een trend is waar we wat mee moeten in de begroting of niet. Wmo structureel risico Per 1 januari 2020 vinden er wijzigingen plaats in de Wmo-wet- en regelgeving. Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze geen financiële gevolgen hebben, maar dat is nog erg onzeker. Het gaat hierbij met name om de effecten die de invoering van het abonnementstarief met zich meebrengt en in mindere mate om wijzigingen rondom de verstrekking van hulpmiddelenzorg.
53
Invoering abonnementstarief Wmo Het abonnementstarief, een vast tarief voor de eigen bijdrage aan Wmo-voorzieningen, in plaats van een inkomensafhankelijke bijdrage, is per 1 januari 2020 definitief van kracht. Hierdoor zijn de inkomsten van eigen bijdragen CAK gedaald. Daarnaast heeft het een aanzuigende werking, met name een toenemende vraag naar huishoudelijke hulp van mensen die dit nu zelf geregeld hebben, een toenemende vraag naar (duurdere) hulpmiddelen zoals scootmobielen en een toenemende vraag naar woningaanpassingen. In 2019 en 2020 ziet onze uitvoeringsorganisatie Participe het aantal afgegeven beschikkingen voor huishoudelijke ondersteuning, vervoer- en woonvoorzieningen toenemen. Hierbij is het lastig om te beoordelen of dit wordt veroorzaakt door het abonnementstarief of dat hier ook andere oorzaken aan ten grondslag liggen, zoals vergrijzing. Vanuit het regeerakkoord is een structureel (dalend) bedrag ter compensatie aan de gemeenten beschikbaar gesteld, voor Kaag en Braassem is dit bij benadering € 184.000 in 2022. In 2021 was dit € 191.000. Dit wordt naar verwachting in 2021 volledig gebruikt ter dekking van CAK en verstrekkingskosten. Ook de uitvoeringskosten nemen toe en hiervoor zijn in deze begroting extra middelen geraamd. Een verdere stijging kan dan ook niet meer binnen de budgetten worden opgevangen.
De VNG voert voor de jaren 2019 tot en met 2022 een monitor uit op de effecten van de invoering van het abonnementstarief. Aan de hand van de uitkomsten bespreekt de VNG met de minister over passende maatregelen, als de financiële gevolgen groter blijken dan eerder begroot. In afwachting van passende maatregelen gaan we in deze begroting 2022 uit van financiële compensatie wanneer de groei van deze voorzieningen doorzet. Er wordt daarom geen structureel bedrag gereserveerd in deze risicoparagraaf. 2. Reguliere jeugdhulp Wij hebben als gemeente voor de ambulante jeugdhulp en de jeugdhulp met verblijf een overeenkomst gesloten met GO! voor jeugd. Deze overeenkomst heeft een looptijd van 2018-2021 met de mogelijkheid om de overeenkomst twee keer met twee jaar te verlengen. De afgelopen jaren zijn extra middelen aan GO! toegekend op basis van het risicodossier, wetswijzigingen, autonome ontwikkelingen en corona. Ontwikkelingen waarop GO! geen invloed had en die zij niet hadden kunnen voorzien. Landelijk en subregionaal spelen er echter meerdere ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de kosten van de jeugdhulp. Zo zien wij in 2021 de gevolgen van corona op de aard en omvang van de jeugdhulpvragen. Vraag is of dit in 2022 ook nog aan de orde zal zijn.
Voor 2023 en verder geldt dat de inrichting van de jeugdhulp per 2023 (de huidige verlenging met GO! loopt tot en met 2022), de mogelijk verplichte regionale inkoop van jeugdhulp en de AMvB reële kostprijs kunnen leiden tot een toename van de kosten. Dit maakt de kosten voor 2023 e.v. nog onzeker. Aan de andere kant is het ook nog onzeker in hoeverre er vanuit het Rijk nog structureel extra gelden komen om de hogere lasten bij Jeugd te kunnen dekken. Het is wel de verwachting dat wij als gemeente extra middelen gaan ontvangen. Dit is een resultaat van de uitspraak van de Commissie van Wijzen. Doordat er nog te weinig hierover bekend is, hebben we de jaren 2023 e.v. ingeschat met een pm. 3. JB/JR en gesloten jeugdhulp De zorg verband houdende met jeugdbescherming/jeugdreclassering en gesloten jeugdhulp wordt regionaal ingekocht via TWO Jeugdhulp Holland Rijnland. Voor deze vormen van jeugdhulp geldt een
54
wettelijke regionale samenwerking. Dit betreft een openeinderegeling. De kosten worden verdeeld op basis van een verdeelsleutel. Voor 2022 geldt dat de realisatie van het jaar 2020 per gemeente de basis voor de verdeelsleutel is. De kosten kunnen met name bij gesloten jeugdhulp fluctueren omdat dit een relatief dure vorm van jeugdhulp is. Jeugdhulp Holland Rijnland geeft daarnaast aan dat bij jb/jr een tariefstijging heeft plaatsgevonden die van invloed is op de begroting 2022 en dat regionaal extra middelen worden verstrekt aan jb om de caseload te verlagen. Het woonplaatsbeginsel (zie risico reguliere jeugdhulp) kan ook voor de regio Holland Rijnland een verschuiving betekenen van de verdeling van de kosten. Er zijn nog teveel onduidelijkheden om dit effect te kwantificeren. Met deze verhoging achten wij het verantwoord om het risico te handhaven op € 50.000 met eens kans van 50% dat zich dit voordoet. 4. Sociale woningbouw Dit betreft het risico op afboeken van de boekwaarde van het Connexxionterrein in verband met het realiseren van sociale woningbouw op deze locatie. Of daar sociale woningbouw gaat komen of dat het terrein een andere bestemming gaat krijgen is nog niet bekend. Wel hebben we te maken met een boekwaarde die in welke ontwikkeling dan ook betrokken moet worden.
Afhankelijk van welke ontwikkeling het gaat worden, zal het bedrag van het verlies hoger of lager zijn. De kans dat de volledige boekwaarde moet worden afgeboekt is daarom bij begroting 2019 bijgesteld naar 50%. Deze inschatting blijft nu ongewijzigd. Met een boekwaarde van € 1.050.000 komt het incidentele risico voor deze post uit op € 525.000. 5. ICT ICT - CIO Office De BVO Rijn en Braassem (BVO) verzorgt de uitvoering van onze ICT. Om de BVO opdrachten en kaders mee te geven over welke ICT de gemeentes nodig hebben, is door de gemeente Alphen aan den Rijn besloten om tot oprichting van het CIO Office over te gaan. Het CIO Office is als het ware een “strategische denktank” op ICT-gebied. De inzet van het CIO Office draagt bij aan een uniform applicatielandschap. De gemeente Kaag en Braassem is nu in gesprek met de gemeente Alphen aan den Rijn om te onderzoeken of en hoe wij aan kunnen sluiten bij het CIO Office. De voorwaarden en kosten maken ook onderdeel uit van het gesprek. De verwachting is dat aansluiting door de gemeente Kaag en Braassem bij het CIO Office noodzakelijk is. Dit om de BVO goed haar werk te kunnen laten doen, ook voor ons. Daarnaast zorgt een uniform applicatielandschap voor schaalvoordeel en kostenbesparing. De financiële impact is nog niet duidelijk. De totale kosten van het CIO Office bedragen op dit moment ca. € 750.000.
Het is nog niet duidelijk in welke omvang de gemeente Kaag en Braassem van het CIO Office gebruik gaat maken. Ook is nog niet duidelijk of én zo ja, in welke mate de gemeente Kaag en Braassem kosten in rekening gebracht gaat krijgen van het CIO Office. Vandaar dat hiervoor in 2022 e.v. een pm-post is opgenomen in de risicoparagraaf. Wel duidelijk is dat de rol en het budget van de Chief Information Security Officer (CISO) en het budget voor de securitykosten voor 2022 uit de BVO-begroting zijn gehaald. De CISO en security zijn onderdeel van de CIO Office en hebben een totaal budget van € 180.000 voor de beide deelnemers. Voor de gemeente Kaag en Braassem betekent dit dat € 36.000 naar de gemeentelijke begroting is
55
teruggevloeid ter dekking van deze CISO- en securitykosten. Deze verschuiving van de BVO naar de CIO Office heeft geen budgettaire gevolgen. Op dit moment bedraagt de verdeling van de kosten van de BVO begroting 80/20. De kosten van de CISO (€ 100.000) zullen naar verwachting ook in deze verhouding worden doorbelast. Daarmee komen we op een hogere last in onze begroting van € 20.000. Van de overige diensten die bij de CIO Office zijn geraamd voor € 650.000 zullen wij naar verhouding minder gebruik maken. Deze extra lasten schatten wij nu in op 50% * 20/80 verdeling op € 650.000 = € 65.000. Daarmee komt het totaal geraamde effect voor de extra ICT-lasten op € 85.000. Dit is exclusief de effecten die vanaf 2024 kunnen optreden door het wijzigen van de verdeelsleutels, zoals hierna toegelicht. ICT - kostenverdeling Op dit moment bedraagt de verdeling van de kosten van de BVO-begroting 80/20. In 2023 zal verder worden onderzocht wat een eerlijke verdeling is van de kosten over de gemeenten Kaag en Braassem en Alphen aan den Rijn. Wat de uitkomst van dit onderzoek zal zijn, is nog niet bekend. Dit kan positief voor ons uitvallen, maar ook negatief. Vanwege deze onbekende verandering is een pm-post opgenomen. 6. Kunstwerken - Noorderhemweg Uit de inspectie van 2018 komt naar voren dat in 2022/2023 onderhoud nodig is aan de Noorderhemweg.
De omvang van de onderhoud bedraagt naar verwachting ca € 1,5 miljoen en maakt dat de constructie weer 20 tot 30 jaar mee kan gaan. Ook is een globale berekening gemaakt van de kosten bij vervanging. Deze is een factor 2 tot 3 groter dan het onderhoud, maar dan heeft de brug een levensduur van ca 100 jaar. De werkzaamheden moeten binnen ca 10 jaar gebeuren. Tegelijkertijd wordt er gewerkt aan de inrichting van het project Braassemerland. Uit de inrichting van Braassemerland komt naar voren dat er mogelijk verkeer afgewikkeld dient te worden over de Noorderhemweg. Bij inbreiding van het Braassemerland bestaat er het risico dat de Noorderhemweg verbreed dient te worden. Dan zal de omvang van de investering, afhankelijk van de keuze, liggen op 4 tot 6 keer de omvang van groot onderhoud. Voor een raadsvoorstel is het noodzakelijk te weten wat Braassemerland straks nodig heeft, zodat het juiste budget kan worden aangevraagd. De raad is hierover geïnformeerd via een brief. Nadat er meer duidelijkheid is over de noodzaak tot verbreding van Braassemerland wordt een raadsvoorstel aan de raad gepresenteerd. Mede op verzoek van uw raad hebben wij een inschatting gemaakt van de effecten van bovenstaand risico op onze begroting. Onafhankelijk van de keuze die wordt gemaakt, zullen we te maken krijgen met een extra kostenpost van minimaal € 1,5 miljoen aan noodzakelijk groot onderhoud.
Deze post is als incidenteel risico opgenomen voor dit volledige bedrag. Op dit moment is nog niet bekend wanneer dit onderhoud plaats gaat vinden. Als door uw raad niet wordt gekozen voor deze variant, maar voor één van de twee andere varianten, dan ontstaat de kans dat de brug binnen 10 jaar moet worden vervangen. Dit zal niet van de een op de andere dag gebeuren. Er is een kans dat in 2024 e/o 2025 gestart zal worden met de voorbereiding. De voorbereidingskosten hebben we geraamd op 10% van het investeringsbedrag van zo’n € 3 miljoen. (boven op de € 1,5 miljoen). De kans dat deze voorbereidingskosten al in 2024 e/o 2025 plaats gaan vinden, worden ingeschat op 40%. 40% * 10% * € 3 miljoen komt op een kwantificering van € 120.000 in 2024 en 2025. Constructieve veiligheid In het beheersplan kunstwerken 2021/2024 is het onderzoek naar de constructieve veiligheid van diverse kunstwerken benoemd. De eerste kunstwerken (bruggen Floraweg) zijn onderzocht en dit leidt
56
tot het nemen van maatregelen van gewichtsbeperking met als uiteindelijke noodzaak het herstellen/vervangen van kunstwerken. Voor de komende jaren staan diverse onderzoeken gepland. Dit kan leiden tot extra noodzakelijke investeringskredieten voor het vervangen van diverse kunstwerken binnen de gemeente Kaag en Braassem. De twee bruggen in de Floraweg hebben een vervangingswaarde van b.v. ca € 500k - € 750k wat mogelijk leidt tot extra kapitaallasten op het onderdeel kunstwerken. 7. Wethouderspensioenen De pensioenverplichting die een gemeente heeft voor ( ex-) wethouders wordt jaarlijks geactualiseerd aan de hand van de op dat moment geldende rentestand. De huidige lage rentestand brengt extra kosten met zich mee voor het op peil houden van de pensioenvoorziening. Met een nieuw college in 2022 kunnen de kosten toenemen door benoeming van nieuwe wethouders. Op dit moment is onbekend wat de verkiezingsuitslag zal zijn en wat dit dus betekent voor het aantal deelnemende wethouders in het APPA-fonds en de daarbij behorende verplichtingen voor de gemeente Kaag en Braassem. 8. Wethouders – wachtgeld In 2022 zijn de gemeenteraadsverkiezingen en vinden er mogelijk wisselingen plaats binnen het college van burgemeester en wethouders. Bij wisselingen bestaat een risico dat de huidige wethouders aanspraak maken op wachtgeld. Deze kosten komen voor rekening van de gemeente.
Op dit moment is onbekend wat de verkiezingsuitslag zal zijn en wat dit dus betekent voor de zittende wethouders en de mate waarin vanaf 2022 aanspraak zal worden gemaakt op wachtgeld. Uitgaande van een bezetting van 3,5 wethouder is in de risicoparagraaf nu rekening gehouden met de kosten van in totaal één fulltime wethouder, zijnde 80% van de salarislast van een fulltime wethouder in het eerste jaar. Daarna is er nog twee jaar sprake van 70% doorbetaling. Hier is nog geen rekening mee gehouden. Uiteraard hebben wij bij de Richtnota 2023 een beter inzicht in de effect van de verkiezingen op deze begrotingspost. 9. Bestrijding essentaksterfte/kastanjebloedingsziekte De essen in de gemeente zijn aangetast door essentaksterfte en kastanjes door de kastanjebloedingsziekte. Ieder jaar komt de boom in een nieuwe ziektefase. Het verloop van de ziekte wordt nauwkeurig gemonitord. Zieke bomen worden verwijderd, als deze een gevaar (gaan) vormen voor de veiligheid. Naarmate de ziekte verder verloopt, wordt de kans op verwijderen groter. De maximale impact is incidenteel en wordt ingeschat op € 85.000, de kans is 50%, we schatten dit risico in op € 43.000. In de afgelopen jaren zijn de kosten van extra onderzoek en snoei opgevangen binnen de begroting. Bij de Richtnota 2023 zal worden gekeken in hoeverre we dit risico kunnen opnemen binnen de reguliere budgetten voor openbaar groen. 10.
Openbaar groen Begin 2020 is het IBOR 2020-2024 vastgesteld. Het nieuwe IBOR is grotendeels ongewijzigd vastgesteld. De beschikbare budgetten zijn na vaststelling structureel opgehoogd met € 32.000. Daarnaast is het budget in 2020 incidenteel opgehoogd vanuit Focus met Ambitie met € 100.000. Daarmee was het budget voor 2020 toereikend en heeft dit risico zich niet voorgedaan. Ook voor 2021 is het budget incidenteel opgehoogd vanuit Focus met Ambitie. Daarom is het risico voor 2021 op € 0 ingeschat. Voor 2022 e.v. is het risico niet gewijzigd ten opzichte van de begroting 2021 en blijft daarmee op € 136.000 met een kans van 90%.
57
11a. Wegen, areaaluitbreiding IBOR wegen - Het extra areaal dat door ontwikkelingen naar ons toe komt is niet volledig bekend aangezien dat afhankelijk is van anterieure overeenkomsten. Daarbij is het moment waarop de overdracht plaats gaat vinden niet in beeld. - Door uitbreiding van het areaal en het niet synchroon meestijgen van budgetten kan er in verhouding minder onderhoud worden uitgevoerd. - In het IBOR hebben we die planningen beter bij elkaar gebracht, maar een deel is pas later bekend als gevolg van de afspraken tussen partijen. - Ook voor deze post heeft ons college een inschatting gemaakt van de mogelijk extra kosten. Dit is nu gekwantificeerd door het indexpercentage van 1,6% toe te passen op het deel van de budgetten van IBOR die gevoelig zijn voor prijsinflatie, in totaal € 2,8 miljoen, waarmee het risico is gekwantificeerd op € 45.000. 11b. Wegen, Herenweg en dijkwegen - Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft diverse projecten gestart die ook op onze wegen van invloed zijn. Deze zaten niet in onze planningen aangezien ze voor ons niet zelfstandig een probleem zijn. - Het verzwaren en uitvoeren van onderhoud aan keringen tekent zich onder andere door zetting af op wegen op en nabij keringen. Door de diversiteit van de grondsamenstelling en het afwijken van aangeleverde meerjarenplannen kunnen we de hieruit voortvloeiende kosten niet kwantificeren.
- Door schaalvergroting van bedrijven gelegen aan ondergeschikte wegen gaat de kwaliteit van deze wegen harder achteruit dan voorzien. - Bij onderhoud en reconstructies wordt er vaak door bijvoorbeeld participatie besloten de wegen anders in te richten. Wat hogere kosten met zich mee brengt in aanleg maar met name voor beheer en onderhoud. - De klimaatsverandering tekent zich af op wegen met name op keringen. Vorig jaar hebben we dat kunnen zien door de extreme droogte. - Algemeen. Veel wegen zijn aangelegd op een fundering van hoogovenslakken. Diktes en milieuhygiënische kwaliteit hiervan variëren sterk waardoor er bij reconstructie en onderhoud de financiële consequenties sterk uiteenlopen. 11c. Grietpolderweg In het Dorpshart Leimuiden worden door Smit’s Bouwbedrijf (SBB) eengezinswoningen, appartementen, commerciële ruimten en een dorpshaven gerealiseerd. Voor de realisatie en bereikbaarheid van de haven is er in de Grietpolderweg een brug gerealiseerd. De Grietpolderweg moet aansluiten op deze brug en moet hiervoor deels opgebroken en opnieuw opgebouwd worden. De ontwikkelaar draagt de weg en de brug, inclusief openbare ruimte rondom woningen, na realisatie over aan de gemeente. De Grietpolderweg is gelegen op een veendijk van het hoogheemraadschap van Rijnland (HHR).
Om de weg te laten aansluiten op de nieuw gerealiseerde brug moeten er grondlichamen (taluds) aangebracht worden waarop de weg kan worden aangelegd. Uit berekeningen is gebleken dat de aannames die bij het opstellen van het ontwerp en aannemingscontract zijn bepaald, niet overeenkomen met de daadwerkelijke situatie. De weg zal, als deze conform het oorspronkelijke ontwerp wordt gerealiseerd, een ongewenst grote zetting krijgen (samendrukken van de grond door voorbelasting). Door deze zetting is het ongewenst om de weg aan te leggen omdat dit kan leiden tot een onveilige situatie.
58
Tussen SBB, HHR en gemeente is er een geschil ontstaan wie verantwoordelijk is voor de ontstane situatie en het herstel daarvan. Na een lange periode van overleg en onderzoeken zijn SBB en de gemeente tot een overeenkomst gekomen waarin in eerste instantie de kosten 50/50 verdeeld worden. Daarnaast is er de afspraak gemaakt dat de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen te Utrecht zich over de zaak zal moeten buigen en uitspraak zal moeten doen over wie er aansprakelijk is en wie de kosten zal moeten dragen. Er bestaat een risico dat de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen SBB in het gelijk stelt en dat de gemeente verantwoordelijk is voor de totale kosten. Op dit moment zijn de kosten geraamd op ca. € 614.000. In de brief van ons college aan uw raad heeft u kunnen lezen dat SBB voornemens is de opdracht te verstrekken aan Strukton. Hiermee zal waar mogelijk een optimalisatie (versnelling) in het werk worden doorgevoerd. De definitieve kosten zijn op dit moment nog niet bekend, deze zullen snel volgen. Nu het werkplan inzichtelijk is en de definitieve kosten snel volgen, zullen partijen samen met hun juridisch adviseurs het juridisch traject verder opstarten en zo nodig de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen te Utrecht vragen zich over de zaak te buigen en uitspraak te doen over wie er aansprakelijk is en wie de kosten zal moeten dragen.
Wij kunnen in het meeste negatieve scenario het bedrag ter grootte van ca. € 614.000 dekken uit het begrotingsresultaat 2021. 12. Implementatie Omgevingswet De nieuwe Omgevingswet betekent een volledige herziening van de wet- en regelgeving voor de fysieke leefomgeving. De regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water worden gebundeld. De wet zou medio 2019 in werking treden, maar is o.a. als gevolg van de coronacrisis opnieuw uitgesteld. Momenteel is de verwachting dat de Omgevingswet medio 2022 in werking treedt. Naast de brede herziening van de regelgeving vraagt de Omgevingswet ook om een andere werk- en denkwijze van overheden, inwoners en bedrijven. Integraal werken en meer ruimte voor initiatieven zijn belangrijke uitgangspunten. Ondanks het uitstel gaat Kaag en Braassem door op de ingeslagen weg met de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Er staat inmiddels een stevig fundament waarop de komende tijd verder wordt gebouwd. De rijksoverheid betaalt de investeringskosten die samenhangen met de wet zoals de centrale digitale voorzieningen. Gemeenten moeten zelf de kosten dragen voor de transitie naar het werken met de nieuwe wetgeving. De omslag in wetgeving vraagt om een zorgvuldige voorbereiding in de gemeente.
Dat geldt voor de aanpassing van (digitale) systemen, het voorbereiden van de nieuwe visie, plannen en vergunningstrajecten en om verandering in houding en dienstverlening. De VNG heeft een rekenmodel ontworpen waarmee gemeenten een eerste indicatie kunnen krijgen van kosten voor de invoering van de Omgevingswet. Het model werkt op basis van gemeentegrootte en omvat de visie- en planvorming, de instrumenten, dienstverlening, werkprocessen, opleidingen en de informatiearchitectuur. De uitkomsten zijn in deze fase slechts indicatief op te vatten. De doorrekening voor Kaag en Braassem resulteert in een bedrag van € 2,4 miljoen voor de invoeringskosten tot en met 2024. Afhankelijk van de concrete veranderopgave in Kaag en Braassem zijn de invoeringskosten en exploitatielasten op een later moment meer exact in beeld te brengen. Vooralsnog nemen we dit bedrag op als een risicoreservering onder aftrek van de werkelijke bestede bedragen van 2017-2020 (€ 538.479) en de jaareindeverwachting voor 2021 (totaal € 277.392, inclusief de overheveling vanuit 2020 en het extra bedrag voor de ICT). In de begroting is nog geen raming voor 2022 opgenomen. Zodra bekend is wat hiervoor benodigd is, zal ons college een apart budgetvoorstel hiervoor aan uw raad voorleggen. Gebaseerd op het rekenmodel worden de overige implementatiekosten voor 2022 tot en met 2024 nog ingeschat op € 1.584.000.
In het raadsvoorstel bij deze begroting stelt ons college voor om een budget van € 200.000 beschikbaar te stellen voor 2022. Indien uw raad hiermee instemt,
59
dan kan het restant gereserveerde bedrag naar beneden worden bijgesteld met € 200.000 tot € 1.384.000. 13. DVO Werk en inkomen Voor de uitvoering van de taken Werk en inkomen hebben wij als gemeente een dienstverleningsovereenkomst (DVO) afgesloten met Alphen aan den Rijn. Deze DVO is voor onbepaalde tijd afgesloten, maar de financiële afspraken voor de uitvoering van de DVO lopen af per 2022. Dit betekent dat nieuwe afspraken moeten worden gemaakt voor 2022 en volgende jaren. De huidige afspraken zijn gebaseerd op de meerjarenbegroting van Rijnvicus 2018-2021. Het is de verwachting dat de huidige afspraken niet meer afdoende zullen zijn en dat de kosten voor de uitvoering van de DVO daarom gaan toenemen per 2022. In onze begroting 2022 is hier rekening mee gehouden en wij hebben een inschatting gemaakt. De gesprekken over de prijsafspraken zijn nog niet afgerond en mogelijk is het extra budget in de begroting 2022 e.v. niet afdoende, vandaar ook hier een pm. 14. Werk en inkomen BUIG In de afgelopen jaren, in tijden van economische groei hadden we steeds te maken met een afnemend aantal bijstandsontvangers en daarmee ook lagere kosten voor de bijstandsuitkeringen. Omdat de vergoedingen waren gebaseerd op een driejaarsgemiddelde en de aantallen daalden, leverde dit in de afgelopen jaren voordelen op.
In de Voortgangsmonitor van 2019 zijn de kostenramingen in verband met de bijstandsuitkeringen (en de bijbehorende doeluitkeringen van het Rijk) structureel met € 200.000 verlaagd. In 2021 hebben we te maken met een forse toename van het aantal bijstandsontvangers en verwachten we per saldo een hogere last van € 400.000 ten opzichte van de begroting 2021. Ook voor 2022 wordt nog steeds een hoog aantal bijstandsontvangers verwacht. Daarnaast wordt in 2021 de dienstverleningsovereenkomst met de gemeente Alphen aan den Rijn herzien. In de op 13 september gepresenteerde bijstelling was rekening gehouden met een toename van het aantal bijstandsontvangers én met hogere kosten als gevolg van de (nog af te sluiten) nieuwe dienstverleningsovereenkomst. Terecht gaf u de suggestie van meer inkomsten in de toekomst in verband met een mogelijke vangnetuitkering. Wij waren dit ook al nagegaan, maar voor 2021 en 2022 kunnen wij niet voor een vangnetuitkering in aanmerking komen, omdat wij niet aan de voorwaarden hiervoor voldoen. Dit komt doordat de overschotten in voorgaande jaren hoger waren dan de tekorten waar we nu mee te maken hebben. Naar aanleiding van uw opmerking tijdens de Context-en-Kadersavond over de vangnetuitkering én uw opmerking over het voorzichtig begroten, hebben wij nogmaals naar deze bijstelling in onze begroting gekeken.
Wat daarbij opviel, was dat de uitkering vanuit het Rijk in het meerjarenbeeld gelijk was gehouden. Wij hebben nieuwe berekeningen gemaakt van de Rijksbijdrage op basis van de prognoses in 2021. Deze geactualiseerde berekeningen hebben een positief effect op het meerjarenbeeld ten opzichte van het beeld bij de Richtbrief 2022. Bovenstaande aanpassing in onze begroting zorgt ook voor een gewijzigde financiële impact van het risico dat de bijdragen van het rijk niet toereikend zijn voor de stijgende kosten. Met het stijgende BUIG-budget van het rijk, is het mogelijke tekort berekend op € 235.000. Met de kans van 70% dat dit
60
zich voordoet bedraagt het incidenteel risico € 164.500. Deze is incidenteel omdat vanaf 2023 verwacht wordt dat de balans tussen de doeluitkering en de uitgaven weer bereikt is. 15. Verbonden partijen - algemeen In de afgelopen jaren is het regelmatig voorgekomen dat wij als gemeente werden geconfronteerd met structurele begrotingswijzigingen bij onze verbonden partijen door uitbreiding van taken of andere oorzaken, die een grotere impact hadden op onze begroting dan de afgesproken indexatie. Met name als dit om structurele zaken gaat, hebben de verbonden partijen hiervoor onvoldoende reserves om deze toegenomen kosten te dekken. Wij hebben hiervoor in de Richtnota 2022 een risicoreservering opgenomen van 2,5 % van de totale bijdragen aan de verbonden partijen. De totale bijdragen aan de verbonden partijen bedraagt in de Richtnota 2022 bijna € 8 miljoen en met een kans van 50% dat een verhoging zich bij alle partijen voordoet, is dit gekwantificeerd op € 100.000 structureel. 16. De Tweesprong - structureel aflopend risico Voor de komende jaren wordt een risicoreservering opgenomen voor de gemeentelijke B.V. De Tweesprong. De risicoreservering heeft betrekking op het exploitatietekort waarvoor de gemeente contractueel het risico draagt. Het bedrag is gebaseerd op de trend van toenemende kosten en dalende inkomsten van de afgelopen jaren.
Alhoewel wij de situatie intern, met de komst van de nieuwe directeur, de afgelopen periode zien stabiliseren en wij daarom ook verwachten dat deze de komende periode verder zal stabiliseren verwachten wij een blijvend risico. Dit heeft onder andere te maken met het feit dat de ondergrens van de voorziening 'nog te besteden exploitatiebijdrage' is bereikt. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de financiële gevolgen - voor zover wij die nu kunnen inschatten - die COVID-19 met zich mee brengt. In 2020 viel het tekort op de exploitatie enorm mee door extra gelden voor de Tweesprong vanuit het Rijk. Voor 2021 e.v. is hier nog geen zekerheid over. Covid-19 brengt inkomstendervingen mee en vraagt om extra veiligheidsmaatregelen die zowel extra personele inzet als fysieke aanpassingen vereisen. Het effect zal zich nog enkele jaren voordoen en vraagt een geleidelijke aanpassing van de exploitatie. Financiële kengetallen __________________________________________________________________________________ _ Al een aantal jaren maken financiële kengetallen vast onderdeel uit van de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van gemeentelijke jaarrekeningen. Er is vanuit het BBV geen normering aangegeven waaraan deze kengetallen kunnen worden getoetst. De provincies hebben in 2016 gezamenlijk met het ministerie van Binnenlandse Zaken signaleringswaarden benoemd.
Deze signaleringswaarden passen wij hieronder toe bij de beoordeling van de kengetallen op zich en geven een indicatie over de financiële situatie van onze gemeente. Algemeen beeld financiële kengetallen In de voorgaande begrotingen is aangekondigd dat onze financiële positie vanaf 2022 kwetsbaarder zou worden door het wegvallen van de precarioheffing. In de voorgaande begrotingen was die kwetsbaarheid zichtbaar. Zonder dekkingsmaatregelen zou ons meerjarenbegrotingsbeeld niet sluitend zijn. Hoewel dit niet in de stoplichten tot uitdrukking komt, zijn de kengetallen iets verbeterd ten opzichte van de vooruitzichten in de begroting 2021. Met name de schuldpositie, de solvabiliteit en exploitatieruimte zijn iets verbeterd ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit komt door een sterke