CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.TAMNOORDEINDE78-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 8 juni 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Noordeinde 78, Leimuiden’.20.379 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

28

Dit kan positief bijdragen aan het imago en de uitstraling van de buurt en de leefomgeving verbeteren, zonder negatieve gevolgen voor de toegankelijkheid van woningen voor lagere inkomens. Omdat het niet mogelijk is om bij alle projecten woningen te bouwen in het sociale- en middensegment, bestaat de mogelijkheid om, bij projecten onder de 10 woningen, het percentage sociaal en middensegment af te kopen. Daarom zal een afdracht worden gedaan in het sociale vereveningsfonds. Gezien de behoefte aan extra woningen in Kaag en Braassem is dit daarom een gewenste ontwikkeling. Conclusie Het plan voldoet aan het regionale beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 5 februari 2024 de Omgevingsvisie Kaag en Braassem vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen.

In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal: • energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; • natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; • wonen in Kaag en Braassem; • gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; • sociaal Kaag en Braassem; • veilig Kaag en Braassem. In de omgevingsvisie wordt per thema aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstype kernen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. Het plangebied ligt in de kern Leimuiden. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken. Deze worden per kern benoemd en uitgewerkt in de dorpsperspectieven. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

29

Daarnaast worden de kernen onderverdeeld in de sub-gebiedstypen centrum dorps en landelijk dorps. Onder centrum dorps vallen de kernen Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge. Deze kernen hebben een relatief hoog voorzieningenniveau en inwonersaantal ten opzichte van de kernen die vallen onder het sub-gebiedstype landelijk dorps. De uitgangspunten voor dit gebied zijn: • Een passende woning voor iedereen. • Een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving • Het wordt wenselijk geacht om (agrarische) bedrijfsbestemmingen in en rondom de kern te wijzigen naar bijvoorbeeld woningbouw, om zo bedrijfsbestemmingen te clusteren op de bedrijventerreinen en het woon- en leefklimaat in de kernen te verbeteren. • Het in stand houden en verder opwaarderen van het voorzieningenniveau binnen de kernen. • Grootschalige woningbouwprojecten zijn mogelijk. Denk hierbij bijvoorbeeld aan Braassemerland in Roelofarendsveen en de ontwikkeling van de Grietpolder in Leimuiden. • Detailhandel concentreren we zoveel mogelijk in de dorpscentra.

Afbeelding 14

Kaart met kernen Kaag en Braassem

Dorpsperspectief Leimuiden Leimuiden ligt op een strategische plek bij wegen en water. De relatie met dit water kan meer gezocht worden en mag ook beter zichtbaar worden. Rondom Leimuiden vinden we open landschap. We streven het behoud van dit open landschap zo veel mogelijk na. De scheidslijn tussen bebouwing van de kern en het open landschap kan een groengordel worden rondom Leimuiden. Er zijn binnen deze kern al de nodige woningbouwinitiatieven in de afgelopen en aankomende jaren, maar de meest logische plek voor eventuele woningbouw in de toekomst zou nog in westelijke richting zijn. Zo wordt er op dit moment druk getekend aan de Grietpolder-ontwikkeling. Hierbij zullen de verenigingen worden uitgeplaatst naar de polder ten westen van de huidige ijsbaan en wordt er beoogd op de vrijkomende locaties ruim 200 woningen te realiseren.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

30

Ook wordt er gezocht naar een passende entree voor het dorp nu de kerk al enkele jaren is gesloopt. Ten slotte wordt de mogelijke herontwikkeling van twee voormalige bedrijfslocaties (Connexxion-terrein en Boot Beton-terrein) met belangstelling gevolgd. Toetsing omgevingsvisie Het plangebied ligt in de kern Leimuiden in het gebied centrum dorps. De ambities zijn vooral gericht op een passende woning voor iedereen, waarbij er eerst gekeken wordt naar inbreidingslocaties en daarna naar gebieden aan de randen van de kernen. Expliciet wordt genoemd dat het de voorkeur heeft om bedrijvenlocaties te wijzigen naar woningbouw, waarbij de bedrijven op bedrijventerreinen worden geconcentreerd. De transformatie van een bedrijfsperceel naar woningbouw sluit hierbij aan en zorgt ervoor dat identiteit van de kern wordt versterkt: het toevoegen van drie woningen is een kleinschalige ontwikkeling die past binnen het bestaande dorpsbeeld, waardoor de identiteit en het karakter van Leimuiden behouden blijven. Daarnaast zorgt de bouw van de woningen ervoor dat er extra woonruimte binnen de kern ontstaat, wat bijdraagt aan diversiteit in het woningaanbod. Dit ondersteunt de doelstelling om verschillende doelgroepen – bijvoorbeeld gezinnen, starters of ouderen – een passende woning te bieden.

Door het bedrijfsperceel te herontwikkelen tot woningen wordt daarnaast het aantal bedrijvigheid-gerelateerde functies in de kern verminderd, waardoor overlast, verkeer en milieu-effecten in het woongebied afnemen. Daarmee wordt ook de woonomgeving veiliger en leefbaarder.

Afbeelding 15

dorpsperspectief Leimuiden

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

31

Nota Inbreidingslocaties Op 7 februari 2011 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld. De ‘Nota Inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelings- en ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen. Lint Noordeinde Het plangebied ligt binnen het lint aan de Noordeinde. In de nota is het volgende opgenomen voor dit lint.

Het Noordeinde bestaat als bebouwingslint niet zo lang als het historische lint van Leimuiden. Begin 20ste eeuw is de eerste bebouwing langs het Noordeinde gerealiseerd. Kenmerkend voor het Noordeinde zijn de vele bedrijven in het lint. De grote bedrijfsgebouwen liggen over het algemeen achter de bedrijfswoningen waardoor het Noordeinde toch een dorps karakter heeft. Aan het einde van het Noordeinde zijn echter enkele expressieve bedrijfsgebouwen gerealiseerd die dit karakter aantasten. Om de kwaliteit van het lint te behouden zijn dergelijke nieuwe ontwikkelingen ongewenst en moet meer aansluiting worden gezocht bij de overige bebouwing aan het Noordeinde. Naast vrijstaande bedrijfswoningen komen er in de eerste lijn ook normale woningen voor. Hierbij gaat het om een mix van woningtypes met verschillende kappen en kaprichtingen. Vanaf de provinciale weg zijn het met name deze kappen die het beeld bepalen. De tweedelijns bebouwing bestaat vrijwel uitsluitend uit bedrijfsgebouwen. Bij inbreidingsinitiatieven is het in ieder geval van belang dat de tweedelijns bebouwing wat betreft maat en schaal aansluit bij de woningbouw in de eerste lijn.

Afbeelding 16 Kaart Leimuiden uit Nota Inbreidingslocaties (globale ligging plangebied witte cirkel) TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

32

In de nota zijn voor het Noordeinde concrete uitgangspunten voor nieuwe bebouwing opgenomen. In onderstaande tabel zijn deze uitgangspunten opgenomen en is aangegeven of het plan hieraan voldoet. Hoofdopzet – Lint Noordeinde Wat Uitgangspunt Bouwen achterop het perceel Alleen als de voorzijde van het perceel bebouwd is Situering op de kavel Aan de weg of achter het lint Nokrichting Haaks op of parallel aan de openbare weg Woningtype Vrijstaande of twee-onder-éénkap-woningen Oppervlak perceel vrijstaand Oppervlak perceel 2^1 Afstand tot zijerfgrens

Afstand tot voorerfgrens Afstand tot achtererfgrens Voorgevelrooilijn Gevels aan openbare ruimte Parkeren Massa Oppervlakte hoofdgebouw

Goothoogte

Nokhoogte

Hellingshoek kap Breedte woning

Minimaal 300m², wateroppervlak Minimaal 200m², wateroppervlak Minimaal 3 meter

Plan De voorzijde zal bebouwd zijn Het plan voldoet hieraan Het plan voldoet hieraan

Het gaat om een twee-ondereen-kap woning en een vrijstaande woning exclusief De kavel wordt 413 m2

exclusief De kavels worden 339 m2 en 371 m2 De afstand van de 2^1 is aan de noordzijde 3,9 m. Hiervoor is gekozen om aan de andere zijde een toegangsweg van 4 m breed te kunnen realiseren naar de bijgebouwen en de woning in de tweede lijn. Circa 7 meter aan het lint en Het plan voldoet hier aan achter het lint minimaal 3 meter Minimaal 8 meter Het plan voldoet hieraan Rechte rooilijn, achter het lint Het plan voldoet hieraan kan de rooilijn verspringen Zijde grenzend aan openbare Het plan voldoet hieraan weg vormgeven als voorgevel Minimaal 2 parkeerplaatsen op Het plan voldoet hieraan eigen terrein maximaal 40% van het Hier voldoet het plan aan perceeloppervlak (exclusief water) maximaal van 150m² In aansluiting op de omgeving De goothoogte wordt iets hoger, maar is nog steeds passend In aansluiting op de omgeving De bouwhoogte wordt iets hoger, maar is nog steeds passend maximaal 60% Het plan voldoet hieraan In aansluiting op de omgeving Het plan voldoet hieraan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

33

Toetsing Nota inbreidingslocaties Het plan sluit aan bij de specifieke uitgangspunten voor bebouwing aan het Noordeinde. Daarnaast wordt één van de bedrijfslocaties, die zorgt voor de aantasting van het dorpse karakter van het lint, gesaneerd. Daarvoor in de plaats worden drie woningen gebouwd die aansluiten bij de bebouwing in het lint. Er wordt een twee-onder-een-kap woning gebouwd in het lint en één woning in de tweede lijn. De woning in de tweede lijn sluit aan bij de woningen in het lint. Daarmee draagt dit plan bij aan het versterken van het beeld en de ruimtelijke kwaliteit van het lint. Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem de welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan aanvragen om omgevingsvergunning op welstandsaspecten worden getoetst en het legt voor bepaalde gebieden de beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die zorgen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten.

Planspecifiek Uit de welstandskaart van de gemeente Kaag en Braassem blijkt dat het plangebied is gelegen in een welstandsluw gebied. Er zijn geen monumenten aanwezig binnen het plangebied en het plangebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht. Aan de ontwikkeling worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld. Conclusie Gezien voorgaande voldoet het plan aan het gemeentelijk beleid.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

34

4.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

De beleidsvelden milieu en de fysieke leefomgeving groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en de fysieke leefomgeving. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de fysieke omgevingsaspecten en het milieu die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkeling binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

4.1

Bodem

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Onderzoek Vooronderzoek bodem Door het bureau Millon is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd, d.d. 3 juli 2025. Uit het onderzoek blijkt het volgende. Tijdens eerdere bodemonderzoeken zijn op de locatie maximaal licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en OCB aangetoond. In het grondwater zijn geen barium en xylenen verhoogd aangetoond tot boven de streefwaarde. De drupzone van de voormalig bebouwing en bebouwing op de zuidelijke perceelgrens is niet onderzocht op asbest. Tevens is op het maaiveld puin aanwezig, vermoedelijk van de sloop van de bebouwing. Hiermee is de locatie verdacht op het voorkomen van parameters uit het standaardpakket en asbest.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

35

Afhankelijk van het volume grond dat vrijkomt bij de te realiseren leghavens kan een partijkeuring conform protocol 1001 noodzakelijk zijn voor de afvoer van de grond. Verkennend bodem- en asbestonderzoek conform, respectievelijk de NEN 5740 en NEN 5707, is noodzakelijk gelet op de aangetroffen puinbijmengingen en de drupzones. Met dit onderzoek kan bepaald worden of de locatie geschikt is voor de toekomstige woningen (bodemgevoelige locatie). Vervolgonderzoek naar de waterbodem is niet nodig. De volgende verdachte locaties en onderzoeksstrategieën worden gehanteerd voor het verkennend bodem- en asbestonderzoek:

Om te kunnen bepalen of de bodem geschikt is voor woningbouw is daarom een verkennend bodemonderzoek en een asbestonderzoek nodig. Verkennend bodemonderzoek Door het bureau Millon is een op 25 september 2025 verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt het volgende. In de grond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. Op basis van de gehalten PFAS voldoet de bodemfunctieklasse aan klasse wonen. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetoond. Voor de parameters uit het standaard pakket voldoet de bodem aan de maximaal toelaatbare kwaliteit voor de toekomstige nieuwbouw van de woning. In de druppelzones wordt de grenswaarde voor nader bodemonderzoek voor asbest overschreden. Tevens wordt in één druppelzone de risiconorm voor respirabele vezels overschreden. In verband met de beperkte omvang van druppelzones is nader bodemonderzoek niet mogelijk. Ter plaatse van de drupzones voldoet de grond niet aan de maximaal toelaatbare kwaliteit. Aangezien de gemeente nog geen eigen maximale waarde heeft is de overgangsrecht uit de Wet Bodembescherming van toepassing.

Op de locatie is sprake van drie spots met asbestverontreiniging met de volgende omvang: • Druppelzone 1: 9 m3 (15 m x 2 m x 0,3 m) • Druppelzone 2: 9 m3 (15 m x 2 m x 0,3 m) • Druppelzone 3: 22,5 m3 (75 m x 1 m x 0,3 m) Gelet op de geplande nieuwbouw moeten de drupzones gesaneerd worden. Hiermee is de mba (milieubelastende activiteit) ‘saneren’ van toepassing, paragraaf 3.2.23 en 4.121 uit het BAL van toepassing. Deze moeten uitgevoerd worden door BRL6000 en BRL7000 erkende bedrijven en de noodzakelijke meldingen in het DSO-systeem. In de bovengrond van het overige terrein en het puinpad is zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest boven de grenswaarde voor nader bodemonderzoek aangetoond. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

36

CROW 400 Bij werkzaamheden in de grond dienen de maatregelen conform de CROW-publicatie 400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’ te worden aangehouden. Op basis van het huidige bodemonderzoek is voorlopige veiligheidsklasse voor de druppelzones zwart niet vluchtig van toepassing,. De definitieve klasse kan worden vastgesteld door een middel of hoger veiligheidskundige. Conclusie Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat bodemkwaliteit geschikt is voor de bouw van woningen. Wel dienen een drietal druppelzones met asbestverontreiniging gesaneerd te worden. Er is verder geen nader onderzoek meer nodig.

4.2

Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. Bij planontwikkelingen, de aanleg of wijziging van een weg, spoorweg of industrieterrein, moet worden bepaald of de geluidbelasting op gevoelige bestemmingen voldoet aan de standaardwaarden. Een berekening is nodig indien een gevoelige bestemming ligt binnen het geluidaandachtsgebied (voorheen geluidzones). De omvang van de geluidaandachtsgebieden wordt bepaald op basis van berekeningen en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde mogelijk wordt overschreden. De standaardwaarden zijn in onderstaande tabel opgenomen.

Op grond van artikel 3.22 van het Bkl is bepaald wat een geluidsgevoelige bestemming is. Het gaat dan om een geluidsgevoelige ruimte een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Beoordeling Door het bureau De Roever Omgevingsadvies is op 10 juni 2025, aangepast op 10 december 2025, een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai berekend voor de Noordeinde 78 in Leimuiden. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

37

Hogere waarden Een hogere waarde is nodig omdat niet alle berekende geluidsniveaus komend van de gezoneerde wegen in de omgeving onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. Maatregelen worden niet doelmatig geacht, het verlenen van een hogere waarde blijkt mogelijk. Toetsing standaardwaarden en grenswaarden Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 49 dB. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden. Het berekende geluid van de Provinciale Weg (N207) bedraagt maximaal 60 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 53 dB overschreden maar de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet. Maatregelen worden niet doelmatig geacht, dit is verder onderbouwd in het onderzoek (paragraaf 3.4). Gevelwering en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 62 dB ter plaatse van de voorgevels van de woningen direct aan het Noordeinde (1e en 2e verdieping). De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 62 – 33 = 29 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek gedaan moet worden naar de geluidwering van de gevels. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Slecht’ tot ‘Zeer goed’.

Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.5.1 en 3.5.2 kan gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Conclusie Gezien voorgaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel verkeerslawaai, geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. De omgevingsdienst heeft een besluit hogere waarde genomen.

4.3

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

38

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7. lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk.

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief in een voorschriftengebied ligt, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl). Beoordeling Voor Omgevingsveiligheid is een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen. Voor het plangebied is de Atlas voor de Leefomgeving geraadpleegd. Deze kaart geeft inzicht in de verschillende risico's in de woonen werkomgeving.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

39

Op de Atlaskaart zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven en transportroutes gevestigd. Er zijn geen aandachtsgebieden vanuit oogpunt van omgevingsveiligheid. De planlocatie ligt wel binnen de LIB-4 en LIB-5 contour van het Luchthavenindelingsbesluit (LIB). In het Bkl is bepaalt dat bij het toelaten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen LIB-contouren rekening moet worden gehouden met: • de veiligheid van personen op de grond (externe veiligheid); • de geluidbelasting door vliegverkeer; • de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een calamiteit; en • de goede ruimtelijke ordening binnen het beperkingengebied. Binnen de LIB-4-contour (circa 58–63 dB(A)) geldt dat woningbouw in beginsel niet wenselijk is, tenzij sprake is van zeer beperkte, ruimtelijk inpasbare bebouwing die de omgevingsveiligheid niet aantast. Binnen de LIB-5-contour (circa 48–58 dB(A)) kan woningbouw toelaatbaar zijn, mits de geluidbelasting en veiligheidsaspecten verantwoord zijn. Het plan omvat de realisatie van drie woningen binnen bestaand bebouwd gebied. Er is geen sprake van grootschalige verstedelijking of de vorming van een woonwijk, maar van een kleinschalige, incidentele toevoeging passend bij het bestaande ruimtelijke karakter.

De toevoeging van drie woningen betekent een zeer beperkte toename van de personendichtheid en vormt geen relevante wijziging voor de veiligheidscontouren. De ontwikkeling leidt hierdoor niet tot overschrijding van de risicogrenzen en heeft verwaarloosbare invloed op het groepsrisico. Wat betreft de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid geldt daarbij dat de locatie goed bereikbaar is voor hulpdiensten en er zijn geen beperkingen met betrekking tot ontsluiting, bluswatervoorziening of vluchtroutes. De bewoners kunnen zich bij calamiteiten tijdig in veiligheid brengen. De zelfredzaamheid wordt als hoog beoordeeld. Geconcludeerd kan daarom worden dat de ontwikkeling geen onevenredige aantasting van de omgevingsveiligheid veroorzaakt. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van paragraaf 5.1.2.6 Bkl. Mechanische ventilatie Indien er in de omgeving een incident voordoet waarbij giftige (rook) gassen vrijkomen moet worden voorkomen dat deze naar binnen worden gezogen. Daarom moeten (nieuwe) woningen worden voorzien van mechanische ventilatie die met één druk op de knop is uit te schakelen. In de voorwaarden van de te verlenen omgevingsvergunning wordt opgenomen dat een nieuwe woning pas mag worden gebruikt indien ventilatieopeningen, ventilatiesystemen en luchtbehandelingsinstallaties in de woning kunnen worden afgesloten en uitgeschakeld bij calamiteiten door bewoners.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

40

Afbeelding 17

Risicokaart (atlas van de leefomgeving)

Conclusie Bij omgevingsveiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen, inrichtingen en luchtvaart gelden geen beperkingen voor het plangebied.

4.4

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

41

Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In Bkl zijn onder andere omgevingswaarden opgenomen voor zwaveldioxide (artikel 2.3), stikstofdioxide en stikstofoxiden (artikel 2.4) en fijn stof (artikel 2.5). De omgevingswaarden gelden voor de buitenlucht. Deze zijn niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG 1989, L 393) waartoe het publiek gewoonlijk geen toegang heeft. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de omgevingswaarden uit het Bkl.

Artikel 8.17 van het Bkl stelt dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als de omgevingswaarden in acht worden genomen.

Onderzoek luchtkwaliteit Voor de toetsing of het plan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit is van belang met welke functies het plangebied wordt uitgebreid. Ten opzichte van de bestaande situatie is er sprake van de sanering van een bedrijfslocatie en daarvoor in de plaats bouwen van drie woningen. Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd voor 2023 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Noordeinde ter hoogte van het plangebied (x: 106129.0106000006, y: 471454.3535000011). Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 12,67 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 13,76 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 6,758 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat het Bkl de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Deze ontwikkeling maakt drie woningen mogelijk op een voormalige bedrijfslocatie.

Volgens de CIMLK is de concentratie NO2, PM10 en PM2,5 op de rekenpunten onder de grenswaarden, zodat er geen gevolgen zijn voor deze functie. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren, door het schoner worden van het verkeer, steeds beter. Artikel 8.17 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit luchtkwaliteit) van het Bkl staat deze planontwikkeling niet in de weg.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

42

Afbeelding 18

4.5

Kaart Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit

Geur

Het Rijk heeft in het Bkl voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. Gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen worden niet als woonfunctie aangemerkt. De gemeente moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan. De gemeente moet daarnaast in haar omgevingsplan een ‘bebouwingscontour geur’ vastleggen rondom een rioolwaterzuiveringsinstallatie, rondom locaties waar landbouwhuisdieren in een dierenverblijf worden gehouden en rondom agrarische activiteiten als deze activiteiten geur veroorzaken op een geurgevoelig gebouw. Binnen de contour geldt een ‘hoge bescherming’ en daarbuiten een ‘lage bescherming’. Voor andere geurveroorzakende activiteiten mag een gemeente zelf bepalen of zij daar geurregels voor opstelt in het omgevingsplan. Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de Bruidsschat. Hierin wordt nog onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en buiten de bebouwde kom, in plaats van een bebouwingscontour. Beoordeling De woningen zijn geurgevoelige gebouwen. De locatie ligt nabij de kern waar voornamelijk woningen en bedrijven liggen. Er is geen sprake van geur veroorzakende bedrijfsactiviteiten in de omgeving, zoals bijvoorbeeld veehouderijen. Op de naastgelegen locatie ligt een kringloopwinkel, Noordeinde 72. Op Noordeinde 70 is een watersportbedrijf gevestigd. Ook op het perceel Noordeinde 62 is een watersportbedrijf gevestigd. Er zal hierdoor geen sprake zijn van geuroverlast.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

43

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.6

Activiteiten en milieuzonering

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Het beleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Overal, maar voornamelijk ter plekke van bedrijven, kunnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de activiteiten. Meestal is geluid de belangrijkste factor, maar ook geur kan de afstand tot gevoelige functies bepalen. Gemeenten kunnen binnen de bandbreedte die het rijk geeft zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid- of geurhinderniveaus zijn. Voor het bepalen welke activiteiten aanvaardbaar zijn, heeft de VNG een nieuwe handreiking opgesteld, Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden.

Niet meer met een vaste richtafstand per bedrijfstype, maar aan de hand van een concrete waarde per activiteit wordt het ruimtebeslag bepaald. Omdat deze handreiking nog niet is verwerkt in het omgevingsplan wordt nog gebruikt gemaakt van de ‘oude’ handreiking Bedrijven en milieuzonering 2009. Beoordeling Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. In de directe omgeving van het plangebied liggen woningen en enkele bedrijven. De omgeving van het plangebied kan dan ook overwegend worden gekarakteriseerd als een gemengd gebied. Interne werking Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. De dichtstbijzijnde functies anders dan wonen zijn de bedrijven op de percelen Noordeinde 62, 70 en 72. Op grond van het bestemmingsplan mogen hier bedrijven worden gevestigd in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Voor categorie 2 bedrijven geldt een richtafstand van 30 m. Omdat sprake is van gemengd gebied mag uitgegaan worden van 1 afstand lager, dus 10 m. Op het naastgelegen perceel, Noordeinde 72, ligt een kringloopwinkel.

Voor de verkoop van producten aan particulieren geldt een richtafstand van 10 m (categorie 1/SBI 47). Deze afstand mag in gemengd gebied dus 0 m zijn. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

44

Op de andere percelen zijn watersportbedrijven gevestigd. Het bedrijf op nr. 70 houdt zich bezig met de opslag en reparatie/onderhoud van boten. Het bedrijf op nr. 62 houdt zich bezig met de verkoop van boot accessoires en het op maat maken van zeilen. Op grond van het bestemmingsplan zouden beide bedrijven maximaal in categorie 2 mogen vallen. Dit geldt in ieder geval voor het bedrijf op nr. 62. Het bedrijf op nr. 70 valt, vanwege het onderhouden en repareren van de boten, in categorie 3.1, wat een richtafstand van 50 m en in gemengd gebied dus 30 m betekent. Omdat, volgens het bestemmingsplan, alleen bedrijven tot milieucategorie 2 zijn toegestaan heeft het bedrijf een onderzoek laten uitvoeren, bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt dat het onderdeel ‘reparaties en onderhoud van kleine pleziervaartuigen’ een ondergeschikt (< 500 m2) bedrijfsonderdeel vormt van de hoofdonderdelen stalling van pleziervaartuigen en detailhandel voor watersport. Uit de milieutechnische analyse is voorts gebleken dat de activiteiten en milieubelasting van deze onderschikte onderhouds- en reparatieactiviteiten vergelijkbaar zijn met activiteiten binnen milieucategorie 2 zoals onder meer een werkplaats < 1000 m2 bij een aannemersbedrijf of een locatie voor reparaties voor particulieren. Daarmee geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 m. Hieraan wordt voldaan voor kavel 1 en 2.

Vanaf de kadastrale grens van kavel 4584 tot aan de gevel van de geplande woning op kavel 3 van het plangebied zal de afstand volgens de plattegrond 1 meter zijn. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstand. Aan deze zijde bestaan de bedrijfsactiviteiten alleen uit opslag (dit blijkt uit het onderzoek naar de bedrijfsactiviteiten). De milieuhinder van deze activiteit is lager dan van de overige bedrijfsactiviteiten. Een afstand van 1 m is hierdoor acceptabel. De afstand tot de werkplaats is 12 m en voldoet daarmee aan de richtafstand. Alle andere bedrijven voldoen ook aan de richtafstanden, waardoor de bedrijven geen belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Externe werking Bij externe werking gaat het om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die vanuit hinder bezien in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De woonfuncties is geen milieubelastende activiteit voor de directe omgeving. Er is dus door de bouw van de woningen geen hinder richting de omgeving. Er is daarmee geen sprake van een negatieve aantasting van het woon- en leefklimaat ter hoogte van omliggende gevoelige functies. Conclusie Vanuit activiteiten en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Milieueffectrapportage

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

45

Er wordt niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma’s uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval moeten nagaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Beoordeling Met deze aanvraag omgevingsvergunning worden drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling valt niet onder ’plannen en programma’s’ zoals genoemd in de richtlijn in artikel 2 van de SMB-richtlijn. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn in één lijst zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. In het Besluit milieueffectrapportage waren dat nog twee lijsten (onderdelen C en D in de bijlage bij dat besluit). Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten is het volgende opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit.

J11

Projecten

Gevallen waarin de merplicht geldt (artikel 16.43, lid 1 onder a Ow)

Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen

Niet van toepassing

Gevallen waarin de merbeoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, lid 1 onder b Ow) Aanleg, wijziging of uitbreiding

Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, lid 3 onder c Omgevingsbesluit Het omgevingsplan

Tabel 6.1: Bijlage V bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

Deze planontwikkeling maakt het mogelijk om drie woningen toe te voegen. De ontwikkeling valt niet onder ’plannen en programma’s’ zoals genoemd in de richtlijn in artikel 2 van de SMB-richtlijn. De ontwikkeling op deze plaats is om de volgende redenen niet te beschouwen als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in artikel 16.34, lid 2 van de Omgevingswet: • fysieke wijziging: deze is beperkt, omdat er sprake is van het bouwen van drie woningen in de kern Leimuiden. De woningen worden gebouwd op een voormalige bedrijfslocatie. • lokale context: doordat sprake is van de sanering van een bedrijfslocatie en het terugbouwen van een beperkt aantal woningen heeft het plan een positief effect op de beeldkwaliteit van het plangebied. • planologische mogelijkheden: de gronden zijn in het geldende bestemmingsplan bestemd voor ‘Bedrijf’. Het vervangen van de bedrijfsbestemming door een woonfunctie draagt bij aan een kwaliteitsverbetering van het plangebied. Er is geen milieueffectrapport nodig, omdat de bouw van drie woningen volgens de Omgevingswet niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Conclusie Bij dit plan is geen sprake van een mer-beoordelingsplicht.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

46

4.8

Natuur

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogelen Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een ‘flora- en fauna activiteit’ is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten. Gebiedsbescherming Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000 gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels.

Stikstofdepositie Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie. Zorgplicht Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt ten allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn.

Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Concreet gaat het om de volgende maatregelen: • Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden; • Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren; • Schuilplekken worden zoveel mogelijk intact gelaten;

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

47

•

• •

•

•

Broedende vogels mogen niet worden verstoord en in gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels, zoals rooi- en sloopwerkzaamheden, dienen bij voorkeur buiten de broedperiode te worden gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot en met augustus, maar ook buiten deze periode zijn in gebruik zijnde nesten beschermd. Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Voer de werkzaamheden uit tussen zonsopgang en zonsondergang, zodat vleermuizen en andere nacht actieve dieren niet verstoord worden; Indien werkzaamheden na zonsondergang onvermijdelijk zijn, beperk dan zoveel mogelijk het gebruik van licht op het terrein en maak gebruik van gerichte lichtbronnen waarbij de boven- en achterzijde afgeschermd zijn.

Hierdoor worden vleermuizen en andere nacht actieve dieren niet verstoord; Om kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen worden: o De werkzaamheden zoveel mogelijk aanééngesloten uitgevoerd zodat de rugstreeppad geen kans krijgt om het plangebied te koloniseren; o Eventueel aanwezig bandensporen, kuilen, plassen worden uitgevlakt, of worden voorkomen door rijplaten te gebruiken; o Opslag van zand wordt afgedekt met plastic en de randen van het afdek plastic worden ingegraven zodat de rugstreeppad niet onder dit plastic kan komen; o Of langs de randen van het plangebied een amfibieënscherm te plaatsen. Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van (beschermde) soorten.

Beoordeling ecologie Door het bureau De Roever Omgevingsadvies is een quickscan ecologie uitgevoerd d.d. 13 mei 2025, aangepast op 24 november 2025. Uit deze quickscan blijkt het volgende. Conclusies gebiedsbescherming De dichtstbijzijnde gronden met bestemming ‘natuur’ zijn gelegen op 20 meter noordoostelijk van het plangebied. De afstand tot het Natuurnetwerk Nederland is eveneens ongeveer 20 meter (groenstrook tussen N207 en het kanaal noordoostelijk van het plangebied). Ten westen van het plangebied ligt op ca. 95 meter nog een perceel met bestemming ‘natuur’ dat tevens onderdeel is van Natuurnetwerk Nederland. In provincie Zuid-Holland wordt niet beoordeeld op externe werking, waardoor factoren als verstoring door trillingen, geluid en optische effecten niet te hoeven worden getoetst voor deze gebieden. Deze beschermde gebieden zijn daardoor op dusdanige afstand gelegen dat negatieve effecten van het plan op voorhand kunnen worden uitgesloten voor de gunstige staat van instandhouding van deze in het kader van de Omgevingswet (in het kader van het overgangsrecht) beschermde gebieden. Het plangebied ligt op een afstand van ±11,3 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en op een afstand van ±12,3 km van het Natura 2000 gebied ‘Kennemerland-Zuid’. Op basis hiervan zijn verlies aan oppervlakte of versnippering uitgesloten.

Effecten zoals trillingen, licht, geluid en optische effecten kunnen wel op grotere afstanden optreden. Omdat de afstand van het plangebied tot grenzen van de Natura 2000 gebieden meer dan 500 meter bedraagt kunnen deze overige effecten worden uitgesloten. Op nog grotere afstanden van ruimtelijke ontwikkelingen kunnen negatieve effecten plaatsvinden door stikstofdepositie. In de Natura 2000-gebieden ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en ‘Kennemerland-Zuid’ bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

48

Bij de voorgenomen ingreep vindt naar verwachting stikstofuitstoot plaats. Hierdoor zijn negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Wij adviseren u daarom een stikstofberekening m.b.v. AERIUS Calculator uit te voeren en te laten toetsen door het bevoegd gezag. Conclusies Soortenbescherming Flora Van het plan worden geen negatieve effecten op beschermde flora verwacht. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Zoogdieren Vleermuizen Van het plan zijn negatieve effecten op beschermde vleermuissoorten te verwachten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk voor de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen in de te slopen bebouwing en de te verwijderen vegetatie. Wel is het noodzakelijk om voorzorgsmaatregelen te nemen omtrent bouwverlichting om te voldoen aan voorschriften uit de specifieke zorgplicht. Dat wil zeggen dat tussen zonsondergang en zonsopkomst geen breed uitstralende bouwverlichting in gebruik mag zijn tijdens de uitvoering van werkzaamheden. Overige zoogdieren Van het plan zijn geen negatieve effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren te verwachten.

Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Om het ontstaan van geschikt biotoop voor waterspitsmuis te voorkomen is het wel belangrijk dat de oeverzone periodiek wordt gemaaid om het ontstaan van een ontwikkelde kruidige vegetatielaag tegen te gaan. Vogels Broedvogels Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen kunnen negatieve effecten op vogelsoorten niet worden uitgesloten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk mits de werkzaamheden buiten de actieve broedperiode van gierzwaluw kunnen worden uitgevoerd. Deze loopt grofweg van 15 april t/m 15 juli. Ook mogen werkzaamheden niet worden gestart binnen het algemene broedseizoen (grofweg 15 maart t/m 15 juli). Wanneer werkzaamheden moeten worden uitgevoerd in de periode van 15 april t/m 15 juli is alsnog aanvullend onderzoek noodzakelijk voor gierzwaluw. Wettelijk is geen periode vastgesteld als broedseizoen. Onder afdeling 11.2 van het Bal zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar. Het is daarom noodzakelijk om te werken op een manier waarop broedactiviteit van vogels niet verstoord wordt.

Werkzaamheden zijn mogelijk indien door een deskundige is vastgesteld dat er geen bewoonde vogelnesten zijn, of indien is vastgesteld dat met het werken volgens een goedgekeurd werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Een dergelijk ecologisch werkprotocol dient te zijn opgesteld door een ter zake deskundige en vervolgens goedgekeurd te zijn door het bevoegd gezag.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

49

Vissen Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op vissen uitgesloten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Wel dient met schotten langs de oever te worden gewerkt om aan de algemene zorgplicht voor vissen te voldoen. Reptielen en amfibieën Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op reptielen en amfibieën niet uit te sluiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel is de specifieke zorgplicht van toepassing voor algemene amfibieënsoorten. Dat wil zeggen dat zo veel mogelijk in één richting gewerkt moet worden om de dieren een duidelijke vluchtroute te verschaffen, dat de werkzaamheden stapvoets moeten worden uitgevoerd, en dat de werkzaamheden worden stilgelegd bij waarneming van een beschermde soort tot de dieren uit eigen beweging zijn weggevlucht. Daarnaast is het noodzakelijk om langs de landranden van het plangebied een amfibieënscherm te plaatsen, ter voorkoming van het vestigen van rugstreeppadden binnen het plangebied. Ongewervelden Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op ongewervelden uitgesloten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk.

Beoordeling Stikstof Door De Roever Omgevingsadvies is ook een stikstofberekening gemaakt, d.d. 22 april 2025. Uit de berekening blijkt het volgende. Uit de gecombineerde berekening van de aanlegfase en gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000activiteit. Conclusie Het plan is niet in strijd met de natuurwetgeving en zorgt ook niet voor stikstofdepositie op natura 2000-gebieden. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden zal aan de zorgplichtmaatregelen worden voldaan.

4.9

Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting

50

Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd; • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit en -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.

Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning. 2e Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) vastgesteld door het kabinet. Het beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het waterplan vormt daarnaast het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen, maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zo maar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan. Het rijksbeleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is met de vastgestelde Deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=8bee314f-852b-4d50-b14d-8984b805ad32