NL.IMRO.1884.TAMNOORDEINDE78-VAS1 toelichting
Tekst van het document
Deze Deltabeslissingen zijn in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het Nationaal Waterplan 2009-2015 en zijn inmiddels in het Nationaal Waterplan 2016-2021 geïntegreerd. De volgende onderwerpen zijn in het Nationaal Waterplan 2016-2021 opgenomen: hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid, gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van de watersystemen in Nederland, benodigde maatregelen en ontwikkelingen, beheerplannen voor de stroomgebieden, beheerplannen voor de gebieden met overstromingsrisico mariene Strategie, beleidsnota Noordzee en functies van de rijkswateren.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting
51
Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Rijnland. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het hoogheemraadschap vervangen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De verordening is opgebouwd in drie delen. Het eerste deel heeft algemene regels en gaat ondanks de invoering van de Omgevingswet in gebruik. Deel twee gaat alleen in gebruik met de omgevingswet en deel drie gaat in gebruik zonder de Omgevingswet. Weging van het waterbelang Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben. Berging van water in de bodem Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen moet minimaal 20 mm van elke grote bui in 24 uur in de bodem opgevangen worden. De eis geldt voor al het nieuwe verharde oppervlak.
De neerslag moet opgevangen worden in het naastgelegen onverharde oppervlak, of onder het eigen verharde oppervlak. Watercompensatie Er moet extra waterberging gerealiseerd worden in een plan als het verhard oppervlak 500 m² of groter is. Bij het realiseren van nieuw oppervlaktewater is het oppervlakte minimaal even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak. Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet ervoor gezorgd worden dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied. De 90 mm-regel zorgt ervoor dat wateroverlast in het plangebied zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat de kans op overlast in het omliggende gebied niet toeneemt en in veel gevallen zelfs afneemt. Planspecifiek Als een toename van verhard oppervlak van meer dan 500 m² aan de orde is, is watercompensatie noodzakelijk. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 1.395 m2, waarvan ca. 110 m2 water is. In het water ligt de woonark en daarnaast was een loods aanwezig met een oppervlakte van 180 m2. De rest van het plangebied is onverhard, 1.105 m2. In de nieuwe situatie wordt er ongeveer 425 m2 aan bestrating aangelegd en de woningen met garages hebben een oppervlakte van ca. 435 m2. De rest zal bestaan uit gras en beplanting. Daarnaast wordt er ten behoeve van de ligplaatsen 110 m2 extra water gegraven.
Dit betekent dat in de nieuwe situatie sprake is van 860 m2 verharding en in de oude was dit 180 m2, dus een toename van 680 m2. Dit betekent dat watercompensatie nodig is. Dit is 15% van 680 m2 = 102 m2. Zoals aangegeven wordt er ca. 110 m2 extra water gegraven, waarmee het plan voldoet aan de waterbelangen. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool, maar afgevoerd op de omliggende watergangen. Het afvalwater zal worden aangesloten op het bestaande rioolsysteem.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting
52
Conclusie Het bouwen van de woningen heeft geen negatieve invloed op de waterhuishouding. Het plan zal nog worden voorgelegd aan het Hoogheemraadschap.
4.10 Cultuurhistorie en Archeologie Verdrag van Malta Op internationaal niveau geldt dat Nederland in 1992 het Verdrag van Malta heeft ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is om op verantwoorde wijze om te gaan met archeologische belangen in de ruimtelijke ordening. Een belangrijk uitgangspunt van het Verdrag van Malta en het rijksbeleid is dat het behoud in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van veldonderzoek vroegtijdig inzicht wordt gegeven in de archeologische en cultuurhistorische waarden in het gebied. Op deze manier kunnen de aanwezige waarden bij de planontwikkeling voldoende worden gewaarborgd. Het Verdrag van Malta vindt zijn weerslag in een (ingrijpende) wijziging van de Monumentenwet 1988 die in 2007 van kracht is geworden. Wet op de Archeologische Monumentenzorg Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. Hiermee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: ‘de veroorzaker betaalt’.
Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). Zij vervangt een aantal wetten zoals de Monumentenwet (deels met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) en de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. Zij moeten de kans bieden om zienswijzen in te dienen en bij het vermoeden van landelijke betekenis een adviescommissie van deskundigen inschakelen. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen.
Dit betreft de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. De minister van OCW kan voortaan wel te beschermen ensembles aanwijzen. De tegemoetkoming van het Rijk aan gemeenten voor excessieve opgravingskosten vervalt. Er is hiervoor een beperkte tegemoetkoming in het gemeentefonds. En er komt (tijdelijk) een landelijk fonds of subsidieregeling voor archeologische vondsten van (inter)nationaal belang. Voorts wordt de opgravingsvergunning vervangen door een archeologie-certificaat.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting
53
Beoordeling Archeologie In het bestemmingsplan is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Op grond van deze bestemming zijn geen werkzaamheden dieper dan 0,3 m over een oppervlakte van 2.500 m2 toegestaan. Bouwen is wel mogelijk als uit archeologisch onderzoek blijkt dat er geen sprake is van archeologische waarde. De drie woningen met de garages krijgen geen grotere oppervlakte dan 2.500 m2. Er is daarom geen archeologisch onderzoek nodig. Beoordeling cultuurhistorie Het perceel bestond uit een bedrijfslocatie, waarbij er geen sprake is van cultuurhistorische waarde. De nieuwe woning zullen worden ingepast in het bestaande lint. Conclusie Het plan is vanuit de aspecten archeologie en cultuurhistorie uitvoerbaar.
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie. Klimaatbestendigheid Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. Energietransitie Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie.
De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Beoordeling De woningen worden duurzaam gebouwd. Deze voldoen aan de BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouwen) eisen. Ze worden voorzien van een warmtepomp en zonnepanelen. Daarnaast worden de gevels, kozijnen en ramen voorzien van de vereiste isolatie. Daarmee wordt voldaan aan de duurzaamheidsuitgangspunten.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting
54
Wat betreft klimaatadaptatie geldt dat het waterbergend vermogen van het plangebied wordt verbeterd. Dit kan zorgen voor minder wateroverlast. Er komt minder verharding terug en er wordt een watergang gegraven voor de aanleg van boten. De woningen krijgen daarnaast alle drie een ruime tuin, die gedeeltelijk onverhard zal blijven. Daar waar mogelijk worden enkele bomen aangeplant wat uiteindelijk zorgt voor schaduw binnen het plangebied. Conclusie Het plan voldoet aan de uitgangspunten voor duurzaamheid en klimaatadaptatie.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting
55
5
Juridische planbeschrijving
5.1
Algemeen
Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de RO standaarden 2012 na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO. Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAMomgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de functies aangewezen op locaties. Aan deze locaties zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAMomgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
5.2
Hoofdopzet
Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard en de regels uit het bestemmingsplan ‘Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude’. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de algemene bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsregels. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende functies op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw: • Toepassingsbereik • Functieomschrijving • Beoordelingsregels bouwactiviteiten • Specifieke gebruiksregels
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting
56
Toelichting op functies en locaties De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Kaag en Braassem. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het nu geldende (tijdelijke) omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies en activiteiten: Tuin Deze gronden zijn bestemd voor tuinen bij de woning en voor parkeer- en groenvoorzieningen. Binnen deze functie mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Water De bestaande watergang wordt bestemd als Water. Ook het extra te graven water krijgt deze bestemming. Binnen deze bestemming zijn ook steigers ten behoeve van ligplaatsen voor boeten toegestaan, evenals een botenoverkapping. Wonen De gronden vanaf de voorgevel van de voorste woningen zijn voorzien van de functie 'Wonen'. Ter plaatse van de beoogde woningen is een bouwvlak opgenomen. De beoogde woningen beschikken over een maximale bouwhoogte van 10,5 meter en een maximale goothoogte van 6 meter. Er zijn in totaal drie woningen toegestaan. Daarnaast mogen er bijbehorende bouwwerken worden opgericht. De oppervlakte hiervan is afhankelijk van de omvang van het bouwperceel, maar minimaal 60 m2. Daarnaast zijn erkers en voorportalen toegestaan. In de regels zijn ook twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen.
Eén voor het verwijderen van de woonboot en de andere voor het realiseren van een privacy scherm op het dakterras van de woning op kavel 3. Dit ondoorzichtige scherm wordt aan de zijde van Noordeinde 84 geplaatst. Waarde - Archeologie 3 De archeologische functie is overgenomen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Hierin zijn de gronden van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1'. Archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 30 cm -Mv en waarbij het plangebied groter is dan 2500 m². Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting
57
6.
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan als publiekrechtelijk instrument komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
Planspecifiek De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in nadeelcompensatie, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit hoort een beschrijving van de wijze waarop die participatie plaats heeft gevonden en wat daarvan het resultaat was. Participatie De gemeente Kaag en Braassem heeft een wegwijzer vastgesteld om te initiatiefnemers te helpen bij het uitvoeren van participatie. In deze werkwijzer geeft de gemeente handvatten om de participatie in zeven stappen te organiseren. De eerste stap is het bepalen van het participatieniveau. Daarbij is van belang wat de impact van een plan op de omgeving is. Hoe groter de impact van een plan, hoe uitgebreider de participatie zal moeten plaatsvinden. In dit geval is sprake van een plan met een gemiddeld effect op de omgeving. Van belang is dat de direct omwonenden worden geïnformeerd en kunnen aangeven wat zij van het plan vinden. Vervolgens kan daar een verslag van worden gemaakt. Verslag Met de participatie willen wij de omwonende informeren over de voorgenomen plannen met aansluitend het verzamelen van eventuele reacties.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting
58
Waar mogelijk kan er in de planvorming worden ingegaan op suggesties van de omwonende. Deze fase van het plan is dit het startpunt voor de verdere informatieverstrekking. Gezien de kleinschaligheid van het voorgenomen plan is de invloedcirkel beperkt. Het zijn voornamelijk de aansluitende percelen aan de noordzijde die zicht hebben op het plan. Aan de zuidzijde grenst het plan aan de Kringloopwinkel. Specifiek gaat het om de volgende adressen: Noordeinde 70, 72, 80, 82 en 84.
Afbeelding 19
Invloedcirkel omwonenden
De meeste omwonenden zijn in de periode na het conceptverzoek benaderd toen de ontwerpen van de woningen zelf ook zover waren dat die, naast het inrichtingsplan, besproken konden worden. Daarvoor is een informatiebrief opgesteld met o.a. het inrichtingsplan, verkaveling en impressies van de woningen. De aansluiting op het tussenliggende vaarwater is daar ook in opgenomen. Vervolgens hebben in de afgelopen periode gesprekken over het plan plaatsgevonden. De resultaten van deze gesprekken zijn door de initiatiefnemer, per mail of telefonisch, aan de omwonende teruggekoppeld. Aan de gesproken omwonende is gevraagd hun feedback te geven op het voorgenomen plan en die waren allemaal positief. Dat het vaarwater wordt verbreed is eveneens positief ontvangen. Over het tussenliggende vaarwater zijn afspraken gemaakt welke worden vastgelegd in een overeenkomst. Deze afspraken betreffen o.a. de werkzaamheden voor het aanleggen en onderhouden van het water en beschoeiingen en tevens de kostenverdeling. In het kader van privacy is opgenomen dat er op het balkon van de vrijstaande woning een afscherming aangebracht zal worden om het zicht af te schermen. Zienwijzen Het ontwerp van dit omgevingsplan heeft overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 3:11 tot en met 3:16) gedurende zes weken, van 18 december 2025 tot en met 28 januari 2026, ter inzage gelegen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting
59
Binnen de gestelde termijn zijn zienswijzen ingediend. De ingekomen zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een Nota van Zienswijzen, die als bijlage bij dit omgevingsplan is opgenomen en waarvan de inhoud is meegewogen bij de vaststelling van het plan. Naar aanleiding van de zienswijzen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 8.4.3 b, waarbij is bepaald dat er verplicht een ondoorzichtig scherm van 1,8 m op het dakterras van de woning op kavel 3 moet worden geplaatst.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Noordeinde 78, Leimuiden - Toelichting
60