NL.IMRO.1884.TAMHERENWEG136-VAS1 toelichting incl. bijlagen
Tekst van het document
Naast het feit dat mensen het kunnen ervaren als hinderlijk, kan het waarnemen van een onaangename geur samenhangen met klachten zoals depressie, verminderde kwaliteit van leven en moeheid (Op den Kamp, 2006). De hinder gaat dan vergezeld met stress-gerelateerde lichamelijke gezondheidseffecten. Er is geen eenduidige relatie bekend tussen de hoogte van de geurbelasting en de mate van klachten die ontstaan. Ook kan een onaangename geur veroorzaken dat mensen niet graag thuis zijn of naar buiten willen gaan (Op den Kamp, 2006). Voor de mate van geurhinder geeft de Omgevingswet geen waarden of bandbreedten. Wel zijn er wettelijke geurnormen waaraan men zich moet houden. De gemeente moet bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5.92 lid 1 Bkl). Dit werkt twee kanten op: enerzijds bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen, en anderzijds bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van reeds bestaande geur veroorzakende bedrijven. De gemeente moet overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit of voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit wordt verder ook geborgd in artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet.
Onderhavig initiatief betreft het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning en het oprichten van drie nieuwe burgerwoningen in samenhang met het beëindigen van de veehouderij ter plaatse. Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling hiervan dient in het kader van het aspect geur antwoord gegeven te worden op de vragen: Kan er ter plaatse een minimaal aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd worden? (belang geurgevoelig object);
25
Worden omliggende veehouderijen in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt door de realisatie van de nieuwe woningen? (belangen veehouderij en derden). Op basis van paragraaf 5.1 is één veehouderij, namelijk de varkenshouderij aan de Woudsedijk-Zuid 25, gelegen binnen de richtafstanden. Derhalve kan voor deze veehouderij niet volstaan worden met een verwijzing naar de richtafstanden maar dient dit nader onderbouwd te worden. De regelgeving rondom geur afkomstig van veehouderijen is opgenomen in paragraaf 22.3.6.2 van de Bruidsschat en in paragraaf 5.1.4.6.3 van het Bkl. Met onderhavig initiatief wordt de bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en worden er drie nieuwe burgerwoningen opgericht. Omzetting bedrijfswoning - burgerwoning Op basis van artikel 22.100 sub b van de bruidsschat en artikel 5.111 sub b van het Bkl bedraagt de afstand tussen het emissiepunt van een veehouderij en een bedrijfswoning dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen.
3 nieuwe burgerwoningen Op basis van artikel 22.100 sub c van de bruidsschat en artikel 5.111 sub a van het Bkl bedraagt de afstand tussen het emissiepunt van een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen indien de woningbouw voldoet aan de volgende voorwaarden: Op een locatie die op dat tijdstip (na 19 maart 2000) werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf; In samenhang gerealiseerd wordt met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en In samenhang gerealiseerd wordt met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten. Met onderhavig initiatief wordt voldaan aan de bovengenoemde voorwaarden. De drie nieuwe woningen worden gebouwd op een kavel dat tot op heden in gebruik is als veehouderij, de woningen worden opgericht in samenhang met het geheel buiten werking stellen van de veehouderij en in samenhang met de sloop van alle bedrijfsgebouwen. De drie nieuwe woningen zijn zogenoemde ruimte-voor-ruimtewoningen.
Ruimte-voor-ruimtewoningen hoeven in mindere mate tegen geur beschermd te worden, zo blijkt uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de Bruidsschat, bestaande uit het Omgevingsplan gemeente Kaag en Braassem. Zoals blijkt uit de bovenstaande tekst, zijn er aparte minimumafstanden vastgesteld tussen een dierenverblijf en een ruimte-voor-ruimtewoning in artikel 22.100 van de Bruidsschat. De toelichting bij dit artikel stelt het volgende: “In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. […] De genoemde geurgevoelige objecten krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige objecten,
26
maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden van 100 meter tot een object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een object buiten de bebouwde kom.” Zoals blijkt uit bovenstaand citaat behoeven ruimte-voor-ruimtewoningen dus minder bescherming dan andere geurgevoelige objecten, zoals een andere burgerwoning. Hoewel er nog steeds sprake moet zijn van een minimaal beschermingsniveau, kan dit worden geborgd door de afstand aan te houden welke via artikel 22.100 is toegewezen. Indien er niet kan worden voldaan aan de minimale afstandseis, moet er worden voldaan aan artikelen 22.98 en 22.99 van de Bruidsschat. Deze artikelen stellen waarden voor geur vast, gemeten als ouE/m3. Er hoeft niet te worden voldaan aan de vastgestelde maximumwaarde als in tabel 22.3.10, in dit geval zijnde 8,0 ouE/m3, als er wordt voldaan aan de minimumafstand. Het bovenstaande wordt ook onderschreven door de Nota van Toelichting bij het Bkl. De toelichting bij artikel 5.111 Bkl stelt eveneens dat er niet hoeft te worden voldaan aan de maximumwaarden als de richtafstanden in acht worden genomen: “Dit artikel [5.111] stelt regels voor geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op zogenaamde ruimte-voor-ruimtewoningen.
Als uitzondering op het uitgangspunt dat waarden gelden (artikel 5.109) bepaalt dit artikel dat ten minste bepaalde afstanden in acht moeten worden genomen. De reden daarvoor is dat dit soort, bij andere veehouderijen gelegen, geurgevoelige gebouwen minder bescherming behoeven dan de «normale» geurgevoelige gebouwen. Natuurlijk moet wel sprake zijn van een aanvaardbaar beschermingsniveau.” Concluderend kan er worden gesteld dat er voor ruimte-voor-ruimtewoningen een lager beschermingsniveau geldt dan voor generieke burgerwoningen en dat met de te realiseren ruimtevoor-ruimte woningen wordt voldaan aan het minimale beschermingsniveau, indien er wordt voldaan aan de afstandseisen. Bebouwde kom of buitengebied Om te bepalen of voldaan wordt aan de minimale afstand van 50 of 100 meter dient beoordeeld te worden of de 4 woningen zijn gesitueerd in de bebouwde kom of in het buitengebied. In de omgevingswet is het begrip bebouwde kom niet gedefinieerd. Echter is onder de omgevingswet ook de lokale geurverordening van toepassing. In de geurverordening van gemeente Kaag en Braassem staat het volgende: “De verordening verstaat onder: a.
bebouwde kom : het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woonen verblijffunctie heeft en binnen de rode contour is gelegen zoals aangegeven in de Nota Inbreidingslocaties gemeente Kaag en Braassem, vastgesteld 7 februari 2011” Onderdeel van de Nota Inbreidingslocaties zijn verschillende kaarten. In figuur 5-1 is een uitsnede van een kaart opgenomen. Op basis van deze kaart ligt de locatie Herenweg 136 buiten de rode contour. Derhalve ligt de locatie Herenweg 136 op basis van de lokale geurverordening in het buitengebied.
27
Figuur 5-1: uitsnede Nota Inbreidingslocaties; O = bedrijfslocatie
Toetsing afstanden Aangezien de locatie in het buitengebied is gelegen dient getoetst te worden aan de minimale afstand van 50 meter. Op basis van de gewenste situatie bedraagt de afstand 114 meter tussen de gevel van de dichtstbijzijnde woning en het dichtstbijzijnde emissiepunt aan de Woudsedijk-Zuid 25, zie figuur 5-1. Hiermee wordt voor alle vier de woningen ruimschoots voldaan aan de minimale afstand van 50 meter. Om de veehouderij niet in zijn ontwikkelingsmogelijkheden te beperken dient ook beoordeeld te worden of de gevel van de dichtstbijzijnde woning op meer dan 50 meter afstand van de grens van het bouwvlak is gelegen. De afstand van de gevel van de dichtstbijzijnde woning tot de dichtstbijzijnde grens van het bouwvlak bedraagt circa 81 meter. Hiermee wordt ook ruimschoots voldaan aan de minimale afstand van 50 meter.
28
81 meter
114 meter
Figuur 5-2: afstanden tot veehouderijen (bron: eigen ontwerp)
Ondanks dat voldaan wordt aan de minimale afstanden is niet zonder meer sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het is derhalve relevant om vast te stellen wat de geurbelasting op de woningen is, hiervoor wordt er onderstaand ingegaan op de voor- en achtergrondbelasting. Voorgrondbelasting Ten eerste is het relevant om de voorgrondbelasting te bepalen, dit is namelijk bepalend voor het bepalen van de geurhinder, mits de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Gelet op de voorgrondbelasting is de veehouderij aan Woudsedijk-Zuid 25 van belang. Voor deze veehouderij is een geurberekening uitgevoerd op basis van de vergunde situatie (milieudossier). De geurbelasting is berekend met het rekenprogramma V-Stacks vergunning 2020 (meest recente
29
milieuhygiënische inzichten). Bij de geurberekening is rekening gehouden met de actuele handleiding bij V-Stacks Vergunning, waaruit blijkt dat bij grote niet-ronde uitstroomopeningen (in dit geval de luchtwassers EP A&B, EP D en EP N) een diameter van 1,0 meter moet worden gemodelleerd. Zoals hiervoor is beargumenteerd gelden ervoor de nieuwe woningen en de voormalige bedrijfswoning geen geurnormen maar minimale vast afstanden. Om een voorgrondberekening te kunnen uitvoeren is het noodzakelijk om een norm in te voeren. Derhalve is een norm van 8,0 ouE/m3 opgenomen, overeenkomstig met de geurnorm voor andere geurgevoelige objecten in het buitengebied. De toetspunten van de nieuwe woningen en de Herenweg 136 zijn in onderstaande figuur 5-3 weergegeven.
Figuur 5-3: toetspunten
De geurberekening is opgenomen in bijlage 3 en de resultaten zijn weergeven in navolgende tabel 5-1. Op basis van de rekenresultaten betreft de hoogste berekende voorgrondbelasting op een van de drie nieuwe woningen 14,5 ouE/m3. Bijlage 3 en de relevante gegevens zijn weergegeven in navolgende tabel 5-1:
30
Tabel 5-1: geurbelasting op geurgevoelige objecten
Uit de berekening blijkt ook dat het bedrijf overbelast is op de burgerwoningen aan de WoudsedijkZuid 31 en toekomstige woningen aan de Woudsedijk-Zuid 22. Dit betekent dat de geurbelasting niet verder kan toenemen en dat bij bedrijfsontwikkeling de overbelasting minimaal 50% moet dalen conform artikel 22.99 bruidsschat en 5.109a lid 3 Bkl. Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting veroorzaakt door alle veehouderijbedrijven in de omgeving van een geurgevoelig object. Er zijn geen andere relevante veehouderijen in de nabije omgeving van het plangebied, naast de varkenshouderij Woudsedijk-Zuid 25. De achtergrondbelasting is concluderend niet maatgevend voor het bepalen van het woon- en leefklimaat. Beoordeling woon- en leefklimaat Uit voorgaande paragrafen blijkt dat: wordt voldaan aan de minimale afstandseisen de voorgrondbelasting op zijn hoogst 14,6 ouE/m3 bedraagt de achtergrondbelasting niet maatgevend is voor het woon- en leefklimaat, maar de voorgrondbelasting. De hoogst berekende voorgrondbelasting bedraagt 13,5 ouE/m3. Deze waarde voor de voorgrondbelasting komt volgens onderstaande tabel 5-2 overeen met een ‘extreem slecht’ woonen leefklimaat. Tabel 5-2: woon- en leefklimaat a.d.h.v. de voor- en achtergrondbelasting
31
Uit jurisprudentie1 blijkt dat wanneer de in artikel 14 tweede lid, van de Wgv (thans artikel 22.100 sub c van de bruidsschat en artikel 5.111 sub a van het Bkl) bedoelde afstand in acht wordt genomen, dit niet zonder meer betekent dat ervan kan worden uitgegaan dat ter plaatse van de in het bouwplan voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Ook de berekende voorgrondbelasting van 13,5 ouE/m3 met een ‘extreem slecht’ woon- en leefklimaat betekent niet zonder meer dat sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het bevoegd gezag dient per situatie te beslissen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij kan het bevoegd gezag betrekken dat: sprake is van ruimte-voor-ruimtewoningen waarvoor een lagere bescherming geldt ten opzichte van ‘normale’ burgerwoningen. met minimaal 101 meter ruimschoots wordt voldaan aan de minimale afstandseisen (50 meter) voor ruimte voor ruimtewoningen Er komen 3 vrijstaande woningen bij. De toename in het aantal gehinderden zal liggen tussen de 6-12 personen. Het gaat om een beperkte toename van het aantal gehinderden. Bij de omgevingsdienst na 2013 geen geurklachten bekend zijn van de veehouderij aan de Woudsedijk-Zuid 25 de geurbelasting vanuit de Woudsedijk-Zuid 25 niet verder kan toenemen en bij bedrijfsontwikkeling de overbelasting met minimaal 50% moet dalen.
Lukt dit niet is bedrijfsontwikkeling niet mogelijk. er geen significante invloed is vanwege andere veehouderijen in de omgeving. met onderhavig initiatief de veehouderij aan de Herenweg 136 wordt beëindigd en hierdoor het woon- en leefklimaat in de directe omgeving (Woudsedijk-Zuid, kern Rijnstaterwoude) wordt verbeterd. de toekomstige bewoners geursituatie kunnen meewegen in hun overweging zich ter plaatse te vestigen (met als voorwaarde dat de mogelijke toekomstige bewoners vooraf over de geursituatie geïnformeerd worden). Conclusie Gezien er sprake is van ruimte voor ruimte woningen, voldaan wordt aan de minimumafstanden voor deze woningen, de geurbelasting vanuit de Woudsedijk-Zuid 25 niet kan toenemen en bij bedrijfsontwikkeling alleen maar zal dalen en dat met onderhavig initiatief door het saneren van de veehouderij aan de Herenweg 136 het woon- en leefklimaat in de directe omgeving wordt verbeterd, kan in alle redelijkheid worden geconcludeerd dat er in de beoogde situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook is op basis van het voorgaande de conclusie dat omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt door de realisatie van de nieuwe ruimte voor ruimte woningen op meer dan 50 meter afstand van de omliggende veehouderijen waardoor voldaan wordt aan de voorgeschreven minimale afstand.
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van onderhavig initiatief.
1
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@47392/200907242-1-h1/
32
GELUID In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) 5.3.1
Geluid door wegen
Langs rijks-, provinciale- en gemeentewegen en langs waterschapswegen, lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen geldt een standaardwaarde voor geluid. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde (artikel 5.78t Bkl). Slechts onder voorwaarden kan het geluid hoger zijn dan deze waarde. Hiervoor moet aangetoond worden dat er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen, dat de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt en dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde (artikel 5.78u Bkl). Geluidbeperkende maatregelen hoeven alleen in aanmerking te worden genomen als die financieel doelmatig zijn en als daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Als een projectlocatie nabij een weg ligt, kan het zijn dat deze in het geluidaandachtsgebied van die weg ligt. Het geluid in dat gebied kan hoger zijn dan de standaardwaarde voor geluid. Het geluid op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.78s Bkl). Langs rijks- en provinciale wegen kan sprake zijn van een geluidproductieplafond.
Aangezien de gewenste ontwikkeling plaats vindt nabij een provinciale weg is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit rapport is opgenomen als bijlage 4 bij dit document. De conclusie van het rapport luidt als volgt: Ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen aan de Herenweg 136 te Woubrugge bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de provinciale weg inclusief correctie van artikel 110g ten hoogste 53 dB. Derhalve wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor de provinciale weg, echter worden wel voldaan aan de ontheffingswaarde van 58 dB van de “Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet Geluidhinder”. Tevens wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor de provinciale weg. Ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen aan de Herenweg 136 te Woubrugge bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de gemeentelijke wegen ten hoogste 53 dB. Derhalve wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB voor gemeentelijke wegen. De gezamenlijke geluidbelasting bij de beoogde woningen bedraagt ten hoogste 58 dB. Om het binnenniveau met een waarde van 33 dB, volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving, te waarborgen dient de benodigde gevelwering ten minste 25 dB te bedragen.
Ter hoogte van de buitenruimtes aan de oostgevel van de meest oostelijke woning én zuidgevel van de meest zuidoostelijke woningen heerst een matige milieukwaliteit, dit is te verbeteren met de aanleg van een brede groenstrook, waardoor de buitenruimtes worden afgeschermd van de provinciale weg. Door deze afscherming zal de beleving van de milieukwaliteit verbeterd worden. Ter hoogte van de overige buitenruimtes heerst een
33
voornamelijk matige tot redelijke milieukwaliteit. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een voornamelijk matig tot redelijk woon- en leefklimaat. Derhalve wordt onderbouwd verzocht overschrijding van de standaardwaarde te verlenen conform Artikel 5.78u, van het Besluit kwaliteit leefomgeving betreffende de gemeentelijke wegen. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere grenswaarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder betreffende de provinciale weg. Waarbij in de voorschriften wordt opgenomen dat ter plaatse van de noordelijke gevel van woning 2 op de eerste verdieping, een voorhangscherm (of een vergelijkbaar alternatief) wordt gerealiseerd om aan de streefwaarde van één stille gevel (< 48 dB) van de “Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet Geluidhinder” te voldoen. Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Hierom moeten hogere waarden worden vastgesteld. De benodigde maatregelen zijn in het rapport benoemd. Hiermee vormt het aspect geluid geen belemmering voor onderhavig initiatief.
5.3.2
Geluid door industrieterreinen
De gemeente Kaag en Braassem heeft enkele gezoneerde industrieterreinen, dit zijn bedrijventerreinen waar zware industrie wordt toegestaan. De regels die hiervoor in de Omgevingswet zijn opgesteld, zijn niet van toepassing omdat het plangebied niet in de invloedssfeer van een gezoneerd industrieterrein is gelegen. KWALITEIT VAN DE BUITENLUCHT De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) afdeling 2.2. De luchtkwaliteit wordt hier aan de hand van verscheidene omgevingswaarden uiteengezet. Bij de start van een plan moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in plannen die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. De beoogde situatie betreft de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en de oprichting van drie woningen waardoor het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
34
5.4.1
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat
PM10 Op basis van de ‘concentratie fijnstof (PM10)’-kaart wordt getoetst of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Uit figuur 5-4, blauwe cirkel, blijkt dat er ter plaatse van het plangebied de achtergrondconcentratie fijnstof tussen de 16 en de 18 μg/m³. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 40 μg/m³. Derhalve is ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Figuur 5-4: Achtergrondconcentratie fijnstof PM10 (bron: atlasvanderegio.nl) O = plangebied
NO2 Op basis van de ‘concentratie stikstofdioxide (NO2)’-kaart wordt getoetst of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Uit figuur 5-5, blauwe cirkel, blijkt dat er ter plaatse van het plangebied de achtergrondconcentratie fijnstof tussen de 14 en de 16 μg/m³. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 40 μg/m³. Derhalve is ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Figuur 5-5: Achtergrondconcentratie NO2 (bron: atlasvanderegio.nl) O = plangebied
35
BODEMKWALITEIT In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op een bodemgevoelig gebouw. Het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid Bkl, alleen is toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k). Als bodemgevoelige locatie wordt in ieder geval beschouwd (artikel 5.89h): a. de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; b. een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of c. een onmiddellijk aan een op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein.
Een bodemgevoelig gebouw wordt in artikel 5.89g van het Bkl beschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Aangezien de beoogde ontwikkeling betrekking heeft op het realiseren van woonfuncties, is er sprake van een bodemgevoelig gebouw. De waardes als bedoeld in lid 1 van artikel 5.89i en als opgenomen in bijlage XIIIa mogen zodoende niet worden overschreden, conform artikel 5.89k. De interventiewaarden voor de bodemkwaliteit zijn uitgewerkt in bijlage IIa van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het omgevingsplan gemeente Kaag en Braassem geeft onder artikel 22.30 nadere invulling aan de omgevingsplanactiviteit voor het realiseren van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Onder lid 2 van dit artikel is bepaald dat er sprake is van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit (m.u.v. asbest). 5.5.1
Bodemonderzoek
B3244 verkennend bodemonderzoek Om te bepalen of de interventiewaardes voor de bodemkwaliteit worden overschreden is een bodemonderzoek benodigd. Dit onderzoek is op 6 juli 2023 uitgevoerd door het bureau Bodeminzicht. Dit onderzoek heeft enkel betrekking op perceelnummer 2888 omdat op dat perceel de woningen worden gebouwd. Perceelnummer 2892 is wel onderdeel van het plangebied, dit perceel behoudt de agrarische bestemming, enkel verdwijnt het bouwvlak hier. De resultaten van het bodemonderzoek zijn onderstaand uiteengezet en de onderzoeksrapporten zijn bijgevoegd in de bijlagen bij deze GoFlo. Bijlage 5 betreft het verkennend bodemonderzoek en bijlage 6 betreft het verkennend asbest- en nader bodemonderzoek. Bij het verrichten van zintuigelijke waarnemingen tijdens het veldwerk zijn bijmengingen aangetroffen in de bodem die duiden op bodemverontreiniging zoals een bijmenging van baksteen en beton en,
36
plaatselijk, lichte bijmengingen van plastic, aardewerk en asbest. Rond één van de te slopen schuren zijn asbestverdachte materialen waargenomen. Verder zijn er (meng)monsters afgenomen, de asbestverdachte materialen hebben een asbestgehalte van 12,5% wat aanleiding vormt voor een verkennend asbestonderzoek. Daarnaast zijn er traceringen van minerale olie gevonden, maar de aangetoonde concentraties vormen geen aanleiding voor nader onderzoek. Er zijn verder ook gehaltes aan zware metalen, PCB’s, PAK en minerale olie gevonden, welke zijn gerelateerd aan het (agrarische) gebruik door de jaren heen. Hiervoor zijn echter geen aanleidingen gevonden voor nader onderzoek. Het gehalte aan lood in de bovengrond is echter gemeten boven de tussenwaarde, dit vormt aanleiding voor verder onderzoek. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1, gesitueerd ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank, zijn gehaltes aan minerale olie, zink en barium gemeten boven de streefwaarden. Verder zijn er ook natuurlijk verhoogde concentraties aan barium en zink gemeten. Voorgenoemde waarden vormen geen aanleiding voor nader onderzoek. Op basis van de gevonden asbestbronnen zijn er drie grondmengmonsters afgenomen, samengesteld uit de toplaag rondom de stallen. Op twee van de drie locaties is er sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging met asbest.
Eén locatie brengt humane risico’s met zich mee, mits het maaiveld niet permanent begroeid. Uit het verkennend bodemonderzoek zijn enkele conclusies en adviezen getrokken, deze worden onderstaand overgenomen: Conclusies: Het terrein rond schuur 4 en de gedempte sloten b, c en d en de voormalige dam kunnen als asbestverdacht worden beschouwd door aanwezigheid van stortmateriaal en asbesthoudende fragmenten in bodem (meetpunt 8a) en op maaiveld. Ter plaatse van meetpunt 23 is een verontreiniging met lood aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader onderzoek. De toplaag van de zuidelijke druppelzone van stal 3 is ernstig verontreinigd met hechtgebonden asbest. Er is geen sprake van humane risico’s. De toplaag van de zuidelijke druppelzone van schuur 4 is ernstig verontreinigd met niethechtgebonden asbest. Indien de begroeiing intact blijft is geen sprake van humane risico’s. Overige onderzoeksresultaten vormen geen aanleiding voor aanvullend of nader onderzoek. Adviezen: Het verrichten van nader onderzoek ter plaatse van meetpunt 23 wordt geadviseerd om een beeld te krijgen van aard en omvang van de verontreiniging met lood in de bodem. De zuidelijke druppelzone van stal 3 is ernstig verontreinigd met asbest. Geadviseerd wordt de toplaag te saneren voor aanvang sloop van ondergrondse inrichting of nieuwbouw van woningen.
De zuidelijke druppelzone van schuur 4 is ernstig verontreinigd met asbest. Geadviseerd wordt de toplaag te saneren voor aanvang sloop van ondergrondse inrichting of nieuwbouw van woningen.
37
De gedempte sloten b, c en d en de voormalige dam bevatten stortmateriaal met plaatselijk asbesthoudend materiaal. Geadviseerd wordt om verkennend asbestonderzoek conform NEN5707 te verrichten. Op basis van bovenstaande adviezen is nader onderzoek verricht. Dit onderzoek is op 31 januari en 12 april 2024 uitgevoerd door het bureau Bodeminzicht. De resultaten zijn onderstaand uiteengezet en het onderzoeksrapport is bijgevoegd in bijlage 6. B3396 verkennend asbestonderzoek en nader onderzoek Aanleiding voor de bodemonderzoeken wordt gevormd door de resultaten van het verkennend bodemonderzoek. Het doel van het onderzoek is drieledig: De doelstelling van het verkennend asbestonderzoek in bodem conform NEN5707 is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. De doelstelling van het nader asbestonderzoek is het vaststellen van de aard en omvang van de bodemverontreiniging en een bepaling van het gehalte aan asbest op basis van visuele inspectie van het maaiveld en de uitgegraven grond in combinatie met steekproefsgewijze monsterneming. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen of sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging met lood ter plaatse van meetpunt 23.
Uit het verkennend bodemonderzoek zijn enkele conclusies en adviezen getrokken, deze worden onderstaand overgenomen: Conclusie asbestonderzoek NEN5757 De bovengrond ter plaatse van meetpunt 11 is verdacht op aanwezigheid van asbest in bodem in een gehalte boven de interventiewaarde. Het is niet duidelijk of de asbestverontreiniging verband houdt met de demping van de sloot of het gevolg is van het toepassen van asbesthoudende grond onder het met betonverharde erf. Conclusie nader asbestonderzoek betonverharde erf Er zijn tijdens het nader onderzoek geen gehalten asbest in de bodem en halfverharding boven de interventiewaarde gemeten ter plaatse van RE1 (proefsleuven 14 t/m 18). Daarmee is conform de Circulaire geen sprake van ernstige bodemverontreiniging. Conclusie nader bodemonderzoek meetpunt 23 De verontreiniging met lood is niet volledig afgeperkt tot bodemkwaliteitsklasse Wonen in het horizontale vlak. Uit deze conclusies vloeit het volgende advies: Geadviseerd wordt de onderzoeksresultaten ter beoordeling voor te leggen aan gemeente Kaag en Braassem.
38
Conclusie en advies De onderzoeksrapporten zijn voorgelegd aan de gemeente. Met het uitgevoerde bodemonderzoek is de bodemkwaliteit in voldoende mate vastgesteld. Na sanering, van de toplaag (0,0 tot 0,10 mmv) ter plaatse van de zuidelijke druppelzone van twee aanwezige stallen (nummer 2 en 3), is de locatie geschikt voor het beoogde gebruik. De conclusie is dat er na het uitvoeren van een bodemsanering, geen belemmering is voor de beoogde ontwikkeling. Met betrekking tot de matig met lood verondreinigde bovengrond, rond boring 23 is een advies gegeven: Uit onderzoek is gebleken dat dergelijk verhoogde gehalten lood bij kinderen kan leiden tot een negatief effect op de ontwikkeling van de hersenen. Voor het gebruik van de bodem zijn daarom de gebruiksadviezen van toepassing uit de folder “let op lood” (https://www.zuidholland.nl/onderwerpen/ruimte/bodem-ondergrond/let-lood/) en de website van de GGD (https://ggdleefomgeving.nl/schadelijke-stoffen/lood/lood-en-gezondheid/). KABELS EN LEIDINGEN In verband met o.a. graafschade moet er bij bouwprojecten worden vastgesteld of de aanwezigheid van kabels en/of (buis)leidingen risico’s met zich meebrengen. Ook zijn bijvoorbeeld elektriciteitskabels voor het hoog- en middenspanningsnet langs het spoor aangewezen (artikel 9.20 Bal).
Om te bepalen of er sprake is van belemmering door de aanwezigheid van kabels en leidingen voor onderhavig initiatief moet de afstand tot de dichtstbijzijnde kabels en leidingen worden bepaald. In onderstaande figuur 5-6 zijn de dichtstbijzijnde kabels en leidingen ten opzichte van de Herenweg 136 gevisualiseerd. De meest nabijgelegen buisleiding ligt op ca. 3,9 kilometer afstand en de dichtstbijzijnde bovengrondse kabellijnen liggen op een afstand van ca. 4,8 kilometer. Gezien de afstand tussen het plangebied en de kabels en leidingen kan worden geconcludeerd dat deze geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.
Figuur 5-6: kabels en leidingen (bron: altlasleefomgeving.nl) O = plangebied
39
EXTERNE VEILIGHEID Met de invoering van de Omgevingswet is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ingetrokken, omdat de inhoud van dit besluit is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen is gebaseerd op artikel 5.1 van de Wet milieubeheer, welke onder de Ow ook vervalt. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen zijn milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid opgenomen die moeten worden opgenomen in een bestemmingsplan en moeten worden meegenomen bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning. In het stelsel van de Omgevingswet komen deze milieukwaliteitseisen terug als instructieregels over externe veiligheid. Deze instructieregels zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de regels voor externe veiligheid. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet aangetoond worden op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Voor het plaatsgebonden risico van een activiteit geldt een grenswaarde van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 Bkl).
Hier wordt, conform artikel 5.8 eerste lid Bkl, aan voldaan door het in acht nemen van de afstanden voor de activiteiten, aangegeven in de daarbij aangegeven onderdelen van bijlage VII van het Bkl. Hiervoor moet eerst worden bepaald welke omliggende activiteiten relevant zijn voor het plaatsgebonden risico aan de Herenweg 136. De facetten voor externe veiligheid zijn gevisualiseerd in de onderstaande figuur 5-7, en de situatie nabij de Herenweg 136 is gevisualiseerd in de navolgende figuur 5-8.
Figuur 5-7: externe veiligheid (bron: atlasleefomgeving.nl) O = plangebied
40
Figuur 5-8: externe veiligheid in de nabije omgeving (bron: atlasleefomgeving) o = plangebied
Zoals te zien is in de figuren 5-7 en 5-8, ligt het plangebied niet binnen een risicocontour. Het dichtstbijzijnde risico ligt op een afstand van ca. 420 meter tot de perceelgrens en betreft een risico in de restcategorie. Verder laat de kaart overige risicocontouren zien in de omgeving, dit betreffen propaantanks en windmolens. De te realiseren woningen aan de Herenweg 136 liggen op voldoende afstand van deze risicocontouren. Verder gaat de Wet vervoer gevaarlijke stoffen in op het basisnet. Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via hoofdroutes op de weg, het spoor, of vaarwegen plaatsvinden – het netwerk van deze transportroutes wordt het basisnet genoemd. In artikel 12 wordt verwoord, in referentie tot het basisnet, dat de volgende belangen in duurzaam evenwicht moeten zijn met elkaar: Het vervoer van gevaarlijke stoffen over het basisnet; het gebruik van de ruimte langs dat basisnet; en een maatschappelijk aanvaardbaar veiligheidsniveau in de nabijheid van dat basisnet. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het basisnet betreft de Provincialeweg (N445), welke door Roelofsarendsveen loopt. Deze weg ligt op een afstand van ca. 4 kilometer van het plangebied. De N207 langs de Herenweg 136 is geen onderdeel van het basisnet. De afstand tussen de planlocatie en het basisnet is dusdanig groot dat het geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
41
Bij een brand in de omgeving (of een toxische wolk) is het handelingsperspectief voor de aanwezigen schuilen binnen een bouwwerk. Bouwwerken kunnen hiervoor enige tijd bescherming bieden, mits de ramen en deuren gesloten kunnen worden en de (mechanische) ventilatie afgeschakeld kan worden, zoals benoemd in artikel 4.124, lid 4 van het Bbl. VERKEER EN PARKEREN De Herenweg 136 is gelegen naast de provinciale weg N207. Hiernaast kent de omgeving van de planlocatie een goede infrastructurele ontsluiting, onder meer omdat het plangebied is gelegen langs de dorpskern van Rijnsaterwoude. De beoogde ontwikkeling is bemoeid met het beëindigen van de agrarische functie en het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning en het realiseren van drie nieuwe burgerwoningen. Door de beëindiging van de veehouderij aan de Herenweg 136 zijn er geen verkeersbewegingen meer benodigd voor de bedrijfsvoering. In de voorgaande situatie waren verschillende vormen van vrachtverkeer benodigd voor het aan- en afvoeren van bijvoorbeeld voer, mest, en dieren. In de beoogde situatie worden er drie nieuwe burgerwoningen gerealiseerd. Hiervoor zijn op basis van de beleidsregel ‘Parkeernormen Kaag en Braassem 2018’ minimaal 6 parkeergelegenheden benodigd. Alle parkeervoorzieningen worden op eigen terrein gerealiseerd.
zoals onder meer gevisualiseerd is in het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 2), Hiernaast is een woonfunctie ook gemoeid met verschillende verkeersbewegingen. Desalniettemin is er sprake van een verbetering van de verkeerssituatie, omdat de belasting van personenauto’s minder ingrijpend is dan van vrachtverkeer, hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan minder trilling- en geluidsoverlast. Het personenvervoer is daarbij ook gebaat bij de goede infrastructurele voorziening in de omgeving en vormt geen onevenredige toenemende belasting op het wegennet. Onderhavige ontwikkeling heeft concluderend een positief effect op de verkeerssituatie. NATUURBESCHERMING 5.9.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Voor wat betreft de soortenbescherming zijn de Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd in de Omgevingswet. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. In de omgeving van het bedrijf zijn enkele Natura-2000 gebieden gelegen. Ten zuidoosten van het plangebied, op circa 8,5 kilometer afstand, ligt het Natura-2000 gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Op ca. 11,3 kilometer in zuidwestelijke richting ligt verder het Natura 2000-gebied De Wilck. Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling dient beoordeeld te worden of onderhavig initiatief leidt tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde Natura 2000-gebieden. Als niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het project significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied, moet een passende beoordeling worden opgesteld.
42
Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de omvang van het project, de sloop van de bedrijfsgebouwen en de realisatie van de drie woningen, zijn significante negatieve effecten uit te sluiten op basis van vergelijkbare projecten. Aangezien uit de voortoets blijkt dat er geen significant negatieve effecten optreden binnen Natura 2000-gebieden met de realisatie van onderhavig bouwplan is een passende beoordeling niet noodzakelijk. 5.9.2
Soortenbescherming
Artikel 5.1, tweede lid onder g van de Omgevingswet bepaalt dat het verboden is een flora- en faunaactiviteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Onder een flora -en fauna-activiteit wordt verstaan: een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten (bijlage bij artikel 1.1. Ow). Een ecologisch onderzoek moet uitwijzen of er sprake is van gevolgen voor dieren of planten. Als er negatieve gevolgen zijn, dan houdt dat in dat er sprake is van een floraen fauna-activiteit. Een omgevingsvergunning mag dan alleen worden verleend als het voldoet aan de beoordelingsregels van artikel 8.74 lid j van het Bkl. Het ecologisch onderzoek is als bijlage 8 bijgevoegd en de conclusies worden onderstaand besproken. Voor een compleet overzicht van de conclusies wordt er verwezen naar tabel 8 in bijlage 7. Voor de activiteit is geen ontheffing nodig mits er rekening wordt gehouden met het broedseizoen. In het voorjaar kunnen vogels namelijk gaan broeden in de loods of de jongveestal (of de directe omgeving), maar dit hoeft niet het geval te zijn. Op basis van het voorzorgsbeginsel wordt geadviseerd geen werkzaamheden uit te voeren tussen 15 maart en 15 juli. Er zijn echter geen nesten of horsten aangetroffen tijdens het soortenonderzoek.
Voor de overige te toetsen diersoorten zijn geen geschikte habitats aanwezig en zijn negatieve effecten dus uitgesloten. Enkel voor vleermuizen maakt de locatie mogelijk deel uit van een vliegroute. De beoogde ingreep heeft echter op geen enkele wijze invloed op de structuren die de vleermuizen gebruiken. Daarnaast geldt ten tijde van de werkzaamheden altijd de algemene zorgplicht welke bestaat uit de volgende aspecten: Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren. Broedende vogels mogen niet worden verstoord en in gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels, zoals bomenkap, dienen buiten de broedperiode te worden gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. De werkzaamheden worden in de periode april tot en met half oktober alleen overdag uitgevoerd in verband met vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen. NATIONAAL NATUUR NETWERK De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is in 1990 in het leven geroepen om de achteruitgang van de
43
natuur in Nederland een halt toe te roepen. De EHS wordt gedefinieerd als ‘het samenhangend netwerk van in (inter)nationaal opzicht belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen’. Uit deze definitie wordt duidelijk welk doel de EHS moet dienen, namelijk: het duurzaam behouden van ecosystemen die in nationaal of zelfs internationaal opzicht belangrijk zijn. Het middel om dat doel te bereiken is het tot stand brengen van een samenhangend netwerk van natuurgebieden met daartussen ecologische verbindingen. In juni 2013 kondigde staatssecretaris Dijksma aan dat de overheid de naam Natuur Netwerk Nederland (NNN) gaat gebruiken in plaats van Ecologische Hoofdstructuur. NNN-gebieden worden beschermd wanneer zij tevens zijn aangewezen op grond van natuurbeschermende regelgeving of wanneer in het gebied een activiteit wordt opgericht of uitgebreid. Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen geldt binnen het NNN het ‘nee, tenzij’-principe. Ook wanneer een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten het netwerk kan dit aantasting geven van de ecologische waarden binnen het NNN. Dit is in ieder geval aan de orde als een ontwikkeling een negatief effect heeft op de waarden van het NNN vanwege geluid, licht of betreding.
Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld, ook schaduwwerking, windturbulentie of het oprichten van een afscheiding langs een natuurgebied, waardoor migratie niet langer mogelijk is, kan negatieve effecten hebben op de aanwezige waarden. In de omgeving van het bedrijf zijn enkele natuurgebieden gelegen (zie onderstaande figuur 5-9). Onderhavige ontwikkelingen vinden echter buiten deze gebieden plaats, waardoor er geen versnippering ontstaat van het samenhangende netwerk.
Figuur 5-9: Natuurnetwerk Nederland nabij de Herenweg 136 (bron: atlasleefomgeving.nl)
Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland-gebied ligt op een afstand van ca. 85 meter van de te realiseren woningen. Het Natuurnetwerk Zuid-Holland verbindt door middel van Natuurschakels, oftewel bestaande natuurgebieden (o.a. Natura 2000 gebieden), nieuwe natuur en gebieden waar
44
natuur wordt gecombineerd met (natuurinclusieve) landbouw. De provincie, natuurorganisaties en particuliere grondeigenaren beheren bestaande natuurgebieden. Daarnaast kunnen gebieden waar de grond nog geworven moet worden, natuur wordt aangelegd of waar natuur nog tot ontwikkeling moet komen, deel uitmaken van het Natuurnetwerk. Zoals uit de bovenstaande figuur 5-9 en uit het ecologisch onderzoek (bijlage 8) blijkt, ligt het plangebied niet in het NNN. Wel ligt het er dicht tegenaan, de Leidse Vaart maakt namelijk wél deel uit van het NNN. Bij de geplande activiteiten is geen sprake van externe werking en het plangebied zelf maakt geen deel uit van een verbindingszone tussen deze gebieden. Effecten op het NNN zijn derhalve uitgesloten.
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 5.11.1
Archeologie
Erfgoedwet De erfgoedwet uit 2016 bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor het behoud en het beheer van het cultureel erfgoed in Nederland en heeft daarbij enkele nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau, wat de voorgaande wetten en regelingen ook hanteerden, is gehandhaafd in deze wet. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het laatstgenoemde gaat om zaken als de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen. Op basis van het tijdelijk deel van het omgevingsplan is het meest noordelijke deel van het bouwvlak aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. De dubbelbestemming valt echter buiten de bouwvlakken van de gewenste woningen in het plangebied. Derhalve valt te concluderen dat archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
5.11.2
Cultuurhistorie
Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.
45
De Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van Zuid-Holland omvat het historische culturele erfgoed van Zuid-Holland, waarvoor de provincie beleid ontwikkelt en uitvoert. Het cultureel erfgoed wordt hier opgevat als overblijfselen uit het verleden in de vorm van: Archeologie Landschap Nederzettingen
Figuur 5-10: Kwaliteitskaart (bron: gebiedsprofielen.zuid-holland.nl)
In de bovenstaande Kwaliteitskaart ‘Laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ (figuur 5-10) valt het plangebied onder het Droogmakerijlandschap (klei), zoals gevisualiseerd door het groene vlak. Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. In het plangebied wordt het begrensd door een ringvaart. Het landschap is visueel open, grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling. Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Verder is in sommige gebieden nog de (historische) relatie tussen droogmakerij en molengang (toentertijd om diepere plassen droog te malen) herkenbaar. Dit zijn bijzondere elementen in het Zuid-Hollandse landschap.
Voor het cultuurlandschap droogmakerij (klei) is het volgende richtpunt vastgesteld: nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten.
46
Verder visualiseert de paarse lijn in figuur 5-10 linten. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. De lintbebouwing is gelegen langs de Herenweg door de woonwijk ten noorden van het plangebied. Dit vormt dan ook de “onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied” en dit zal door onderhavig plan niet aangetast worden. Dit geldt ook voor de overige relevante richtpunten. WATERPARAGRAAF In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. In hoofdstuk 4.1.2 van deze onderbouwing is reeds het waterbeleid op Rijksniveau besproken en in paragraaf 4.3 het beleid van het Waterschap. Navolgend wordt er ingegaan op de regels van de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur, eerst zal echter de waterkwaliteit moeten worden bepaald. Tot slot zullen de resultaten van de digitale watertoets worden uiteengezet. 5.12.1
Waterkwaliteit
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn bovendien omgevingswaarden voor waterkwaliteit vastgesteld waar aan moet worden getoetst. In het Bkl wordt er onderscheid gemaakt tussen oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen. Voor onderhavig initiatief zijn enkel grondwaterlichamen relevant. Onder artikelen 2.13 en 2.14 van het Bkl zijn omgevingswaarden vastgesteld voor respectievelijk een goede kwantitatieve toestand en een goede chemische toestand. In de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur wordt dit geborgd in artikel 3.27. Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat de chemische toestand van een grondwaterlichaam minder goed wordt, doordat er sprake is van de sanering van een agrarisch bedrijf wordt in redelijkheid verwacht dat dit niet het geval is. In de bodemonderzoeken in bijlagen 5 en 6 is het aspect water ook meegenomen, hier is aan de hand van grondwatermonsters bepaald of er aanleiding is voor vervolgonderzoek. Onderstaand wordt de conclusie van de grondwateranalyse verwoord: “In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1, gesitueerd ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank, zijn gehaltes aan minerale olie, zink en barium gemeten boven de streefwaarden. Het gehalte aan minerale olie is gerelateerd aan het gebruik van de dieseltank.
In het grondwater ter plaatse van peilbuis 2 is een gehalte aan barium gemeten boven de streefwaarde. De gehaltes aan barium en zink kunnen als natuurlijk verhoogde gehaltes worden beschouwd. De aangetoonde concentraties vormen geen aanleiding voor nader onderzoek.” Op basis van de resultaten van de grondwateranalyse kan er worden gesteld dat er sprake is van een goede chemische toestand, zoals verwoord in paragraaf 2.2.2 van het Bkl.
47
5.12.2
Veiligheid
Het plangebied is deels gelegen in een beschermingszone van een waterkering. Op basis van de gewenste situatie wordt één woning (noordoostelijke woning) binnen de beschermingszone opgericht. Voor het bouwen op deze gronden ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouwd, indien: het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken; de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. De noordoostelijke woning komt ter plaatse van de huidige rundveestal. Bij het slopen van de rundveestal zal de onderliggende mestput verwijderd worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt. Het is hierdoor niet mogelijk om de woning terug te bouwen op de bestaande fundering. Met het hoogheemraadschap zullen afspraken gemaakt worden over het bouwen binnen deze beschermingszone. Hiernaast vormt het bouwen buiten de beschermingszone, wat het geval is voor de overige twee woningen, geen expliciete belemmeringen met betrekking tot waterveiligheid. De beschermingszone van de waterkering zorgt hiermee niet voor belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.12.3
Hydrologisch neutraal ontwikkelen
In de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur zijn de regels opgesteld voor het regionale waterbeheer, bijvoorbeeld over watercompensatie. De doelen van de waterschapsverordening gelden voor het beheergebied van Rijnland. De doelen zijn: Overstromingen, wateroverlast en waterschaarste voorkomen en als het nodig is beperken. De chemische kwaliteit van het water en de ecologische kwaliteit van het water beschermen en verbeteren. De goede werking van de afvalwaterzuiveringen en transportleidingen beschermen en verbeteren. De maatschappelijke functies voor watersystemen waarmaken. Meewerken aan een duurzaam en goed beheer en gebruik van het grondwater. De regels voor bouwen worden in hoofdstuk 9 van de verordening verwoord. In artikel 9.4 is gesteld dat er een vergunning nodig is voor het maken van een bouwwerk als er op grond van artikel 41.3 of 41.16 een verplichting is om een waterberging te maken en deze waterberging niet plaatsvindt in oppervlaktewater. In hoofdstuk 41 worden de regels voor waterberging bij het maken van hard oppervlak verwoord. In artikel 41.3 van de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur wordt onder lid 1 gesteld dat de initiatiefnemer een waterberging moet maken als het hard oppervlak 500 m2 of groter is.
Om te beoordelen of waterberging is benodigd, moet er eerst worden vastgesteld of er bij onderhavig project sprake is van een toename aan hard oppervlak. Hard oppervlak wordt door de verordening gedefinieerd als “een bedekking van de bodem waardoor neerslag niet of maar heel weinig in de bodem kan komen. Bijvoorbeeld bestrating, gesloten teeltvloeren en bouwwerken”. In de huidige situatie bedraagt het totale hard oppervlak aan verharding en bebouwing 2.770 m2 en in de beoogde
48
situatie bedraagt het oppervlak 1.156 m2. Bij onderhavig plan is er dus een afname van 1.614 m2 en is er geen compenserende waterberging benodigd. 5.12.4
Weging van het waterbelang
Bij het vaststellen van omgevingsplannen moet er rekening worden gehouden met de waterbelangen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De weging van het waterbelang (voorheen: watertoets) geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Voor onderhavig plan is er op 25 januari 2024 een Digitale Watertoets uitgevoerd, deze staat bijgevoegd in bijlage 8. 5.12.5
Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur
De meest noordelijke woning ligt in de Kernzone van de Waterkering, zoals bedoeld in artikel 2.10 van de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur. De vergunning bouwen waterkering wordt separaat bij het hoogheemraadschap aangevraagd. Ook ligt de planlocatie binnen het kwetsbaar kwelgebied. Voor het bouwen wordt voldaan aan de regels in paragraaf 9.3.5 van de Waterschapsverordening. Voor het slopen en verwijderen wordt voldaan aan de regels in paragraaf 10.4.2. Voor onderhavig initiatief wordt boven het Profiel van de Vrije Ruimte en buiten de (theoretische) kruin gebouwd. Hiermee zijn de waterhuiskundige belangen niet in het geding. Zoals benoemd wordt de watervergunning separaat van voorliggende ruimtelijke procedure aangevraagd. Tevens is advies van het hoogheemraadschap ingewilligd onder zaaknummer 426230. MILIEUEFFECTRAPPORTAGE (M.E.R.) In deze paragraaf komt aan de orde of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. de merplicht kan worden afgeleid op basis van paragraaf 16.4.2 omgevingswet en afdeling 11.2 omgevingsbesluit. In het omgevingsbesluit (artikel 11.6 en 11.8) is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In bijlage V van het omgevingsbesluit is aangegeven welke activiteiten mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn.
Voor deze activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Gemeenten en provincies moeten bij bouwprojecten beoordelen of een milieueffectrapport (MER) dan wel een m.e.r.-beoordeling nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, moet bepaald worden of de ontwikkeling een
49
activiteit is die terug te vinden is in bijlage V behorende bij Omgevingsbesluit. Indien dit het geval is moet worden beoordeeld of het plan de drempelwaarden overschrijdt. Ten tweede kan ook de noodzaak voor het opstellen van een passende beoordeling zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming leiden tot een rechtstreekse (formele) plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport (MER). Het realiseren van woningen valt in beginsel wel onder J11 (stedelijk ontwikkelingsproject) van bijlage 5 Omgevingsbesluit. Aangezien het gaat om het realiseren van slechts drie woningen, wordt dit op basis van jurisprudentie (oud recht) niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. In lijn met die jurisprudentie valt het realiseren van drie woningen ook niet onder de definitie van een stedelijk ontwikkelingsproject op basis van het Omgevingsbesluit. Derhalve is het niet noodzakelijk om een mer-beoordelingsnotitie op te stellen.
50
UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Mogelijke planschadekosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Er is een anterieure overeenkomst gesloten tussen gemeente en initiatiefnemer die de vergoeding van planschade verzekert, hierin zijn ook afspraken gemaakt omtrent de beëindiging van het agrarische bedrijf. Met het sluiten van deze overeenkomst is het kostenverhaal verzekerd. Overigens is het niet de verwachting dat planschade optreedt. Het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning en het oprichting van drie nieuwe burgerwoningen zorgt namelijk niet voor een beperking van de activiteiten die worden uitgevoerd door (agrarische) bedrijven in de omgeving of gebruiksmogelijkheden van omliggende woningen. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6.2.1