CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.TAMADERWEG8-VAS1 toelichting en regels

Gemeenteraad 16 maart 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Park Wijde Aa, Roelofarendsveen’.29.336 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Deze ontwikkeling maakt een kleine uitbreiding van Park Wijde Aa met 22 recreatieverblijven mogelijk. Volgens de CIMLK is de concentratie NO2, PM10 en PM2,5 op de rekenpunten onder de grenswaarden, zodat er geen gevolgen zijn voor deze functie. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren, door het schoner worden van het verkeer, steeds beter. Artikel 8.17 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit luchtkwaliteit) van het Bkl staat deze planontwikkeling niet in de weg. 6.1.6 Omgevingsveiligheid Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare

52

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

locaties (artikel 5.7. lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied.

Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief in een voorschriftengebied ligt, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl). Onderzoek/beoordeling Voor omgevingsveiligheid is een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen. Voor het plangebied is het Portaal Atlas Veiligheid (PAV) geraadpleegd. Deze kaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid. Op het PAV zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd met een brandaandachtsgebied of explosieaandachtsgebied.

Ten westen van het plangebied liggen twee aardgasleidingen van de Gasunie en een olieleiding met een brandaandachtsgebied. De PR 10-6-contouren liggen niet buiten de leidingen. Het brandaandachtsgebied reikt tot het plangebied. De recreatieverblijven zelf vallen hierbuiten (figuur 13), zodat er geen beperkingen zijn voor het plangebied. Conclusie Bij omgevingsveiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport,

Motivering

53

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied, omdat het plangebied niet in een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied of gifwolkaandachtsgebied hiervan ligt.

Figuur 13: Uitsnede PAV. Plangebied zwart omkaderd. 6.1.7 Gezondheid Wettelijk kader In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Eén van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Onderzoek/beoordeling In de Omgevingsvisie Kaag en Braassem is in algemene zin aandacht besteed aan gezondheid. In deze omgevingsvisie ligt het accent, als de gemeente het heeft over gezondheid, niet zozeer op (de afwezigheid van) ziekte en beperkingen, maar veel meer op de veerkracht van de inwoners om te gaan met de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven (positieve gezondheid).

Het gaat hierbij onder andere om regie op het eigen leven, kwaliteit van leven en het kunnen meedoen in de samenleving. De leefstijl van de inwoners kan hier invloed op hebben. Bij leefstijl gaat het om gunstig gedrag voor de gezondheid zoals sport en bewegen, maar ook om ongunstig gedrag zoals roken, (overmatig) alcohol- en drugsgebruik en ongunstig gewicht (onder- en overgewicht). De gemeente wil een gezonde leefstijl voor jong en oud bevorderen, waarbij zij erkent dat ouders een belangrijke voorbeeldfunctie voor hun kinderen hebben. Gezondheid kan ook worden beïnvloed door omgevingsfactoren, zoals luchtkwaliteit, de leefomgeving en gezondheidsbevorderende voorzieningen. De gemeente zet zich daarom in om gezondheid in alle keuzes die zij maakt als belang mee te nemen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om aanpassingen aan de fysieke leefomgeving, zoals het aanleggen van veilige fietsverbindingen om fietsen te bevorderen. Maar

54

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

ook om veilige looproutes naar bijvoorbeeld winkels en huisartsen voor kwetsbare inwoners (in het kader van langer thuis wonen). En om voldoende groen en ruimte te realiseren voor het bevorderen van een gezonde leefomgeving. Conclusie Beschermen van de gezondheid en een veilige leefomgeving is in algemene zin opgenomen in de Omgevingsvisie Kaag en Braassem. Voor deze planontwikkeling is duurzaamheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit nader beschreven in paragraaf 4.4.3. Omgevingsaspecten zijn toegelicht in paragraaf 6.1, waaronder luchtkwaliteit. Hierin is aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gezondheid wordt nader vastgelegd in het omgevingsplan in de vorm van omgevingswaarden. Dit TAM-omgevingsplan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.

6.2

Archeologie en cultuurhistorie

6.2.1 Archeologie Wettelijk kader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS) geeft de cultuurhistorische waarden in archeologisch en landschappelijk opzicht en voor wat betreft de nederzettingen aan. De terreinen waarvan de archeologische waarde bekend is, staan aangegeven op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) staat de zogenaamde verwachtingswaarde aangegeven.

De provincie Zuid-Holland gebruikt beide kaarten en de CHS bij advisering en beoordeling van (wijziging van) het omgevingsplan, bij het verlenen van ontgrondingvergunningen en bij advisering over omgevingsvergunningen, bodemsaneringen en peilbesluiten. In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De plankaart laat zien dat het zuidelijke deel (ruim) dieper dan 5 m maaiveld (basis holoceen) in Oude zee-afzettingen met Veen ligt in de Formatie van Naaldwijk, laagpakket van Walcheren en/of laagpakket van Wormer en Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen laagpakket (figuur 14). Het gebied van 0 - 5 meter onder maaiveld ligt in (oude) stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld met hoge trefkans op archeologische sporen. De Aderweg is aangemerkt als historisch landschappelijke lijn met hoge waarde in een poldergrens. Het westelijke deel ligt in de molenbiotoop van een windmolen. Dit is beschreven in paragraaf 4.2.2.

Motivering

55

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Figuur 14: Uitsnede Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland. Archeologiebeleid gemeente Kaag en Braassem (2013) In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd door The Missing Link. Op basis van deze evaluatie zijn bij raadsbesluit van 13 mei 2013 de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Daarbij is de nieuwe archeologische beleidsadvieskaart opgenomen. Op de beleidskaart heeft het gebied een 'Lage verwachting' (figuur 15).

56

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Figuur 15: Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart. Onderzoek/beoordeling Het projectgebied heeft lage archeologische verwachtingswaarden. Op grond van het gemeentelijk archeologiebeleid is er geen onderzoek nodig. Er zijn vanuit oogpunt van archeologie geen beperkingen. Melding toevalsvondst In geval bij de werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van het bepaalde in artikel 5.10 van de Erfgoedwet te worden gemeld aan de Minister van OC&W, door tussenkomst van de afdeling archeologie van Omgevingsdienst West-Holland, tel. 071-4083100. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek. Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld voor deze planontwikkeling. 6.2.2 Cultuurhistorie en monumenten In het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. In oostelijke richting ligt Poldermolen 'Veendermolen' aan de Aderweg 2 in Roelofarendsveen. De molenbiotoop wordt gerespecteerd zoals toegelicht in paragraaf 4.2.2. Met inachtneming hiervan worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied niet aangetast. De bestaande bebouwing op Park Wijde Aa heeft geen cultuurhistorische waarde.

Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Vanuit dit gezichtspunt worden er geen beperkingen gesteld voor dit TAM-omgevingsplan.

Motivering

57

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

6.3

Flora en fauna

Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Doelen van de Aanvullingswet natuur zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Aanvullingswet natuur zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De provincies kunnen ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/beoordeling Het Natura2000-gebied 'De Wilck' ligt circa 7,8 km ten zuiden van het plangebied. De Natura2000gebieden 'Meijendel & Berkheide' en 'Coepelduynen' liggen respectievelijk 14,0 km en 14,3 km ten westen van het plangebied.

Het Natura2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' ligt op circa 11,2 km ten oosten van de planlocatie. Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein', bestaande uit plassen en graslandpolders, is aangewezen als Speciale BeschermingsZone (SBZ) in het kader van de Vogelrichtlijn. Dit Natura 2000-gebied ligt op circa 16,7 km ten zuidoosten van het plangebied. Sprake is van een kleine uitbreiding van Park Wijde Aa met 22 recreatieverblijven. Natura2000-gebieden worden hierdoor niet beïnvloed. Er worden dan ook geen (significante) effecten verwacht op deze Natura2000-gebieden. Daarom is een Habitattoets achterwege gelaten. Het dichtstbijzijnde NNN van de provincie Zuid-Holland ligt ten noorden van het plangebied op circa 250 meter afstand aan de overzijde van de Wijde Aa (figuur 16). De planontwikkeling heeft geen effect op het NNN. Het plangebied zelf ligt in een belangrijk weidevogelgebied. Een beoordeling vindt plaats in het ecologisch onderzoek, zoals toegelicht in paragraaf 6.3.2.

58

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Figuur 16: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied zwart omkaderd). 6.3.1 Stikstofdepositie Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.21 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij Koninklijk Besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. De Natura2000- gebieden 'Meijendel & Berkheide' en 'Coepelduynen' en het Natura2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' zijn stikstofrelevante habitatrichtlijngebieden. Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein', bestaande uit plassen en graslandpolders, is aangewezen als Speciale BeschermingsZone (SBZ) in het kader van de Vogelrichtlijn. Dit gebied is momenteel nog niet stikstofgevoelig, maar mogelijk wordt de Polder Stein binnenkort wel aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Het Natura2000-gebied 'De Wilck' is geen stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt ook onder de Omgevingswet vanaf 1 januari 2024).

De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe is een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. Op voorhand kan de toename van stikstofdepositie niet worden uitgesloten. In verband hiermede zijn stikstofberekeningen van de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd door Cauberg Huygen (notitie stikstofdepositie van 27 oktober 2025, Bijlage 3). Uit de AERIUS-berekeningen (Bijlage 4) volgt dat in de aanleg- en gebruiksfase er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen vergunningplicht voor een omgevingsvergunning voor een Natuuractiviteit. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit TAM-omgevingsplan geen belemmering. Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.

Motivering

59

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

6.3.2 Flora- en faunatoets Bij nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot te Rijswijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het onderhavige plangebied (rapport van 27 september 2025, Bijlage 5). Op basis van inventarisatie, literatuuronderzoek en verkennend onderzoek zijn de volgende conclusies en aanbevelingen overgenomen uit het rapport. Beschermde soorten Het plangebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het broedseizoen betreft de periode dat actieve nesten van vogels aanwezig zijn. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig.

Het broedseizoen loopt (normaliter) grofweg van 1 maart tot 1 september. Het aangetroffen nest in de boom kan in gebruik zijn door uilen en roofvogels zoals Boomvalk, Sperwer en Ransuil. Nesten van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet zijn uit te sluiten, is onderzoek naar nesten en nestlocaties van deze vogelsoorten noodzakelijk (zie voor de onderzoeksperiode tabel 5-1 van het rapport). Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus en Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep, omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Voor incidenteel aanwezige beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdieren wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving.

De dieren kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdieren. Het potentiële foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied betreft vanwege de grootte en geschiktheid van het plangebied mogelijk een essentieel deel van het leefgebied van vleermuizen. Nader onderzoek naar terreingebruik is noodzakelijk (zie voor de onderzoeksperiode Tabel 5-1 van het rapport). Afhankelijk van de uitkomsten van de inventarisatie dient mogelijk een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. De potentieel aanwezige vliegroute voor vleermuizen binnen het plangebied betreft vanwege de ligging en aanwezige lijnstructuren mogelijk een essentieel deel van het leefgebied van vleermuizen. Nader onderzoek naar terreingebruik is noodzakelijk (zie voor de onderzoeksperiode Tabel 5-1 van het rapport). Afhankelijk van de uitkomsten van de inventarisatie dient mogelijk een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Omgevingswet of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Gezien de ligging van het plangebied binnen bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of

60

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

belangrijk weidevogelgebied is een toetsing van de gevolgen van dit plan aan de orde. Deze toetsing is separaat uitgevoerd. In paragraaf 6.3.3 wordt hierop ingegaan. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. In verband hiermede zijn voor de aanleg- en gebruiksfase stikstofberekeningen uitgevoerd. Zie hiervoor paragraaf 6.3.1. Hieruit blijkt dat de stikstofuitstoot lager is dan 0,00 mol per jaar per hectare. Er wordt volgens de plannen mogelijk een rijbeplanting van meer dan 20 bomen en buiten de bebouwde kom gelegen beplanting gekapt die groter dan 1.000 m² is en daarmee geldt als houtopstand. Als een houtopstand gekapt dient te worden, moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag en moet herplant plaatsvinden. De Omgevingswet verleent aan Gedeputeerde Staten en het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) de bevoegdheid een vergunning te verlenen van de meld- en herplantplicht. Aanbevolen wordt hierover contact op te nemen met het bevoegd gezag, de Provincie Zuid-Holland. Zorgplicht Teneinde het naleven van de algemene en specifieke zorgplicht voor kwetsbare en bedreigde soorten kan men gebruikmaken van genoemde passende preventieve maatregelen en passende ontwikkelingsen herstelmaatregelen, zoals toegelicht in hoofdstuk 7 van het ecologisch onderzoek.

Conclusie Op basis van het ecologisch onderzoek is een aanvullend onderzoek nodig naar de aanwezigheid van nesten en nestlocaties van Boomvalk, Sperwer en Ransuil. Ook is onderzoek nodig naar vleermuizen. Dit onderzoek zal plaatsvinden, voordat een aanvraag omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Initiatiefnemer zal in de grondexploitatie een budget reserveren voor het aanvullend onderzoek. Met inachtneming hiervan vormt de Aanvullingswet natuur geen belemmering voor het vaststellen van dit TAM-omgevingsplan. 6.3.3 Toetsing belangrijk weidevogelgebied In verband met de uitbreiding van het plangebied in een belangrijk weidevogelgebied heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot te Rijswijk een toetsing uitvoerd naar de effecten op weidevogelbelangen (rapport van 7 juli 2025, projectcode 2025-152, Bijlage 6). Uit de resultaten van het rapport kan het volgende worden afgeleid. Toetsing Volgens de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is een ruimtelijke ontwikkeling in een Belangrijk Weidevogelgebied alleen mogelijk voor zover de ontwikkeling, en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen, geen significante beperking inhoudt van de kenmerken van het gebied en evenmin leidt tot een significante vermindering van het oppervlak, de kwaliteit of de samenhang daarvan.

In de motivering om een ontwikkeling mogelijk te maken moeten de hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor worden betrokken alsmede de factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding met relatief hoge grondwaterstanden, de landschapsstructuur en de rust van het gebied. De uitbreiding van Park Wijde Aa verandert niets aan de waterstand en de huidige al slechte ruimtelijke kwaliteit voor weidevogels in de verstoringszone van 175 meter rond het plangebied. Als gevolg van deze slechte ruimtelijke kwaliteit broeden vrijwel geen weidevogels in dit gebied, en zeker geen steltlopers. Door de aanwezigheid van een erf aan de noordzijde van de Aderweg schuift de verstoringszone van opgaande elementen niet noemenswaardig in noordelijke richting op. Het project leidt daarmee niet tot een afname van de kwaliteit en samenhang van het Belangrijk Weidevogelgebied. De afname in oppervlak met 1,5 ha van potentieel leefgebied van weidevogels is marginaal ten opzichte van het totale oppervlak van het Belangrijk Weidevogelgebied. Conclusie De functie van het Belangrijk Weidevogelgebied voor weidevogels zal door dit project niet in betekenende mate worden aangetast. De uitbreiding van Park Wijde Aa zal daarom geen negatief effect hebben op de populaties van weidevogels in het omliggende Belangrijk Weidevogelgebied.

Motivering

61

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

6.4

Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

6.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is in dit TAM-omgevingsplan.

62

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Hoofdstuk 7 7.1

Juridisch kader TAM-omgevingsplan

Algemeen

Dit TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De uitbreiding van Park Wijde Aa met 22 recreatieverblijven aan de Aderweg 8 in Roelofarendsveen is in strijd met in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied West', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een preambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22f van het omgevingsplan.

7.2

Verbeelding

De verbeelding voor het TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt.

7.3

Regels

De regels en verbeelding van voorliggend TAM-Omgevingsplan zijn opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-Omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-Omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begripsbepalingen, meet- en rekenbepalingen, toepassingsbereik, aanvraagvereisten en algemeen gebruiksverbod); 2. Functies en activiteiten (functieregels); 3. Regels ter bescherming van waarden en objecten; 4. Algemene regels (algemene bouwregels, gebruiksregels en afwijkingsregels); 5. Overgangsbepalingen. 7.3.1 Inleidende regels Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Aderweg 8 in Roelofarendsveen (tenzij ze daarmee strijdig zijn).

Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling aan de Aderweg 8 in Roelofarendsveen. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. De regels in dit hoofdstuk beginnen met een preambule, waarin wordt aangegeven op welke manier het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden. Artikel 1 Begripsbepalingen Het omgevingsplan van rechtswege bevat al een artikel met begrippen die alleen van toepassing zijn op Hoofdstuk 22. In dit artikel worden deze begripsbepalingen van toepassing verklaard op dit TAM-omgevingsplan.

Motivering

63

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen In dit artikel zijn aanvullende definities opgenomen voor een eenduidige interpretatie van de in de regels gebruikte begrippen, die niet zijn opgenomen in hoofdstuk 22. Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Artikel 4 Toepassingsbereik In het toepassingsbereik is aangegeven welke besluiten niet van toepassing zijn op dit deel van het omgevingsplan en op welke locatie de regels van dit deel van het omgevingsplan van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien er strijdigheid is met de regels uit het TAM-omgevingsplan. Artikel 5 Aanvraagvereisten In dit artikel is aangegeven dat de aanvraagvereisten uit artikel 22.5.2 van het omgevingsplan van rechtswege ook van toepassing zijn verklaard op aanvragen omgevingsvergunning op basis van het TAM-omgevingsplan. Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod Dit artikel geeft aan dat gebruik zoals niet omschreven in de regels van dit hoofdstuk, als strijdig wordt aangemerkt. 7.3.2 Functies en activiteiten Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie.

Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor dit TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan van Kaag en Braassem. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. De artikelen van hoofdstuk 2 bevatten de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Functieomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Beoordelingsregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (goot- en bouwhoogte, bebouwingspercentage, etc.); Vergunningplicht voor afwijken: het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de gestelde regels; Specifieke functieregels: omschrijving van activiteiten die niet zijn toegestaan; Vergunningplicht voor afwijken van de gebruiksregels: omschrijving van de onderdelen van de gebruiksregels waar vanaf mag worden geweken.

Artikel 7 Groen De functie 'Groen' is opgenomen voor de groene gebieden waarvan het groene karakter voor de ruimtelijke structuur van het plangebied van belang is. In de regels zijn beoordelingsregels opgenomen voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Artikel 8 Recreatie - Verblijfsrecreatie Het plangebied, inclusief de uitbreiding, heeft de functie ’Recreatie - Verblijfsrecreatie’ gekregen. De betreffende gronden maken deel uit van Park Wijde Aa. In het plangebied zijn de volgende vormen van verblijfsrecreatie toegestaan:

64

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

76 verblijfsrecreatieve gebouwen tot 90 m² bouwoppervlak (vrijstaande recreatiewoningen); 68 verblijfsrecreatieve gebouwen tot 90 m² vloeroppervlak (stacaravans, chalets, huisjes, vrijstaande recreatiewoningen); 22 verblijfsrecreatieve gebouwen tot 60 m² vloeroppervlak (stacaravans, chalets, huisjes, vrijstaande recreatiewoningen). Het beleid van de gemeente is gericht op het handhaven van het recreatieve karakter van verblijfsrecreatie. Permanente bewoning van de woningen is dan ook niet toegestaan. 7.3.3 Regels ter bescherming van waarden en objecten In dit hoofdstuk zijn de regels opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van waarden en objecten. Aan de zuidzuide van het plangebied ligt een waterkering waarvoor de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is opgenomen. Verder is de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' opgenomen voor de veenmolen aan de Aderweg 2. Artikel 9 Waarde - Archeologie 1 In het TAM-omgevingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen om de in het plangebied voorkomende zone met archeologische (verwachtings)waarden juridisch-planologisch te beschermen. In de dubbelbestemming is aangegeven in welke mate en onder welke voorwaarden werkzaamheden zijn toegestaan. De opgelegde beperkingen zijn opgelegd om te voorkomen dat (mogelijk) voorkomende archeologische waarden worden aangetast.

Van de mogelijkheden die de onderliggende functie biedt voor de uitvoering van (bouw) werkzaamheden kan pas gebruik worden gemaakt indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat als gevolg van de geplande werkzaamheden geen schade wordt toegebracht aan archeologische waarden. Aan een te verlenen omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden die er op gericht zijn om archeologische resten te behouden. Deze voorwaarden kunnen ook gericht zijn op de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. Verlangd kan worden dat de werkzaamheden plaatsvinden onder archeologische begeleiding. Artikel 10 Waterstaat - Waterkering In het belang van de waterkering aan de zuidzijde van het plangebied is er een beschermingszone opgenomen. Deze strook is mede bepalend voor het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkering. De betreffende gronden zijn aangewezen voor waterkeringsdoeleinden. Deze gronden zijn als zodanig bestemd in combinatie met andere aan deze gronden gegeven functies. Artikel 11 Vrijwaringszone - molenbiotoop Het plangebied valt binnen de vrijwaringszone van de poldermolen 'Veendermolen' de Windvang. Daarom is een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone-molenbiotoop' op de verbeelding opgenomen.

Hiermee wordt in de regels vastgelegd dat, conform de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, geen bebouwing mag worden opgericht of beplanting aanwezig mag zijn die door hun hoogte een inbreuk plegen op het vrije zicht en de windvang van de molen. 7.3.4 Algemene regels Voor hoofdstuk 3 zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor Het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 12 Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle functies kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, kelders en ondergronds bouwen. Artikel 13 Algemene gebruiksregels Binnen deze regels is onder meer opgenomen welk gebruik in elk geval strijdig is met de aan de grond

Motivering

65

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

gegeven functieomschrijving. Artikel 14 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Artikel 15 Overige regels In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen. Er is sprake van een zogenaamde 'dynamische' verwijzing naar het parkeerbeleid. Het dynamische houdt in dat als het parkeerbeleid wordt gewijzigd gedurende de planperiode van het TAM-omgevingsplan, er ook rekening wordt gehouden met deze wijziging. 7.3.5 Overgangsrecht Artikel 16 Overgangsbepalingen In TAM-omgevingsplannen hoeven geen bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht. Echter, in onderhavig TAM-omgevingsplan worden bestaande functies wegbestemd (trekkershutten en een paardenstal). Daarom zijn er in dit artikel overgangsrechtelijke bepalingen opgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.

66

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Hoofdstuk 8 8.1

Participatie

Participatie omgeving

De gemeente moedigt derden aan de verplichte participatie vorm te geven volgens de Leidraad participatie. Initiatiefnemer heeft de bewoners/eigenaren rond Aderweg 8 in Roelofarendsveen geïnformeerd over de uitbreiding van Park Wijde Aa met 22 recreatieverblijven. Ook zijn de gebruikers/ Vereniging van Eigenaars Resort De Wijde Aa geïnformeerd. De plannen zijn positief ontvangen. Een samenvatting van de omgevingsdialoog is opgenomen in Bijlage 7.

8.2

Bestuurlijk vooroverleg

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg heeft vooroverleg plaats met de Provincie Zuid-Holland, het hoogheemraadschap van Rijnland en de Veiligheidsregio Hollands Midden. Daarnaast is de Omgevingsdienst West-Holland om advies gevraagd. Het advies van de Omgevingsdienst is verwerkt in dit TAM-omgevingsplan. Er zijn drie vooroverlegreacties ontvangen. Deze zijn hieronder samengevat en voorzien van een antwoord. Provincie Zuid-Holland a. Molenbiotoop Ten aanzien van de molenbiotoop wordt opgemerkt dat in de toelichting is getoetst aan de 1:30-lijn, terwijl hier de 1:100-regel van toepassing is. De berekening is verder juist, maar onduidelijk blijft of de maximale bouwhoogte van 6 meter geldt voor het eerste of het laatste gebouw. Daarbij is het peilverschil in het plan onderschat: dit bedraagt circa 5 meter en niet 3 meter. Gelet op dit verschil zijn er vanuit de molenbiotoop geen beperkingen te verwachten, mits de juiste norm wordt gehanteerd en de bouwhoogten eenduidig worden vastgelegd. Reactie De motivering is aangepast naar aanleiding van de reactie van de provincie. b. Ruimtelijke kwaliteit Wat betreft ruimtelijke kwaliteit ziet de provincie weinig belemmeringen. De uitbreiding betreft een beperkte grensverlegging van een bestaande functie en valt daarmee onder een inpassing.

Wel wordt geadviseerd om de nieuwe groenstructuur uit te voeren met inheemse, streekeigen soorten en de overgang naar de waterberging te benutten door daar een natuurvriendelijke, flauwe oever aan te leggen. Hiermee wordt aangesloten bij het provinciale richtpunt voor natuur en cultuurlandschappen, waarin behoud van landschapsstructuren en kenmerkende elementen centraal staat. Reactie Bij de uitbreiding van de groenstructuur worden inheemse, streekeigen soorten geplant die aansluiten bij het bestaande groen. Bij uitwerking van het uitbreidingsplan zal worden onderzocht of aanleg van een natuurvriendelijke oever uitvoerbaar is. c. Verblijfsrecreatie Wat betreft verblijfsrecreatie geldt dat uitbreiding met meer dan 25 eenheden beleidsmatig mogelijk is, mits dit bijdraagt aan vitalisering en uitsluitend bedrijfsmatige recreatieve verhuur. Uit de stukken blijkt echter onvoldoende wat het recreatieve concept is, voor welke doelgroep de uitbreiding bedoeld is en hoe dit past bij de actuele toeristische vraag. Ook ontbreken een businessplan en uitwerking van de inrichting, terwijl onduidelijk blijft hoe permanente bewoning en tweede-woninggebruik actief worden voorkomen. Daarnaast is de onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking summier en wordt de 30%-richtlijn onjuist toegepast.

Gevraagd wordt om een nadere toelichting en onderbouwing, zodat kan worden beoordeeld in hoeverre deze ontwikkeling daadwerkelijk bijdraagt aan een toekomstbestendig en kwalitatief sterk recreatiepark.

Motivering

67

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Reactie In Park Wijde Aa zijn 144 verblijfsrecreatieve onderkomens toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan. De uitbreiding van het park is beperkt tot 22 recreatiewoningen, zijnde afgerond 18%. Het betreft een voortzetting die gericht is op langjarige toeristische verhuur met bedrijfsmatig beheer en toezicht waarmee permanente bewoning wordt tegengegaan. De motivering is op dit onderdeel in paragraaf 4.2.1 aangepast. d. Weidevogels Wat betreft weidevogels ziet de provincie geen belemmeringen. Op basis van de aangeleverde informatie kan worden geconcludeerd dat de uitbreiding geen negatieve effecten heeft op het belangrijke weidevogelgebied. Reactie Deze reactie is ter kennisgeving aangenomen. De reactie geeft geen aanleiding tot aanpassing van de motivering van het TAM-omgevingsplan. Hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft per e-mail van 12 augustus 2025 medegedeeld dat de waterhuishoudkundige belangen niet in het geding zijn als de in het advies opgenomen punten over toename verhard oppervlak worden meegenomen. Zij geeft daarom een positief wateradvies. De toename van de verharding valt onder voorwaarden zonder vergunning. Reactie De vooroverlegreactie geeft geen aanleiding tot aanpassing van het TAM-omgevingsplan.

Voor zover nodig zal tijdig een aanvraag omgevingsvergunning voor de wateractiviteit bij het hoogheemraadschap van Rijnland worden ingediend. Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) a. De VRHM adviseert om de bereikbaarheid op het park nader aan haar voor te leggen. Er heeft op dit moment namelijk geen goede beoordeling van de bestrijdbaarheid van een gebouwbrand kunnen plaatsvinden. Dit komt vanwege de onduidelijkheid over de maatvoering en bochtstralen binnen het plangebied. b. Het plangebied bevindt zich op de rand van het brandaandachtsgebied van een hogedruk aardgasleiding. Het scenario waar dan ook rekening mee gehouden dient te worden is een fakkelbrand. Vanwege de afstand tussen de planlocatie en de leiding (circa 600 meter) mag verwacht worden dat er herstelbare schade ontstaat: brandhaarden, ruitbreuk en vervorming van hout en kunststof. Er worden geen aanvullende (bouwkundige) maatregelen geadviseerd, wel wordt risicocommunicatie over het scenario geadviseerd. Reactie Ad a. De voorgenomen uitbreiding van het plangebied moet nog worden uitgewerkt in de vorm van een inrichtingstekening, inclusief aanleg wegen en bochtstralen. Deze inrichtingstekeningen zullen vroegtijdig om advies worden voorgelegd aan de VRHM, voordat een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. Ad b. Deze reactie is ter kennisgeving aangenomen.

Er zal een communicatieplan worden opgesteld dat ter beoordeling aan de VRHM zal worden overlegd.

68

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

8.3

Vaststellingsprocedure

Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit heeft op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht van 11 december 2025 tot en met 21 januari 2026 gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het ontwerp TAM-omgevingsplan elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Gedurende de termijn van tervisielegging is één zienswijze ingediend. Deze is beantwoord in de Nota van beantwoording zienswijzen zoals opgenomen in Bijlage 8.

8.4

Beroep

Tegen het besluit tot het vaststellen van het TAM-omgevingsplan kunnen belanghebbenden gedurende zes weken een beroepschrift indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Belanghebbenden kunnen ook een voorlopige voorziening vragen tegen het TAM-omgevingsplan.

Motivering

69

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

70

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Hoofdstuk 9 9.1

Financiële haalbaarheid

Kostenverhaal

In het plangebied wordt een vakantiepark uitgebreid met 22 recreatiewoningen. Er is sprake van een planontwikkeling als bedoeld in artikel 13.11 van de Omgevingswet. Tussen initiatiefnemer en gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten overeenkomstig het bepaalde in artikel 13.13 (kostenverhaal bij overeenkomst), waarin de ambtelijke kosten voor de gemeente worden doorberekend. Hiermee is de ontwikkeling economisch uitvoerbaar.

9.2

Nadeelcompensatie

Tussen initiatiefnemer en gemeente is in de anterieure overeenkomst een bepaling opgenomen over nadeelcompensatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 15.1, lid 2 (nadeelcompensatie) van de Omgevingswet om verhaal van planschade de planschaderisico’s voor de gemeente af te dekken. Hiermee is de ontwikkeling economisch uitvoerbaar.

Motivering

71

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

72

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Hoofdstuk 10 (ETFAL)

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), zie verder subparagraaf 4.1.3. In voorgaande hoofdstukken is gemotiveerd dat er met de nieuwe regeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL): In Hoofdstuk 4 Beleidskader is aangetoond dat de beoogde ontwikkeling past binnen de beleidskaders van de verschillende overheden. In Hoofdstuk 6 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu is aangetoond dat er geen milieu- en omgevingsaspecten aan de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling in de weg staan.

Motivering

73

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

74

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Aderweg 8 in Roelofarendsveen is als nieuw hoofdstuk 22f opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22f' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22f' gelezen worden.

Regels

75

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Algemene regels

Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

76

Regels

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Artikel 2

Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen: 2.1 TAM-omgevingsplan Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen met identificatienummer NL.IMRO.1884.TAMADERWEG8-VAS1 van de gemeente Kaag en Braassem. 2.2 omgevingsplan Het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem; 2.3 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 2.4 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 2.5 bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 2.6 bebouwingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 2.7 bedrijfswoning Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de functie en het feitelijk gebruik van het gebouw of het terrein. 2.8 bestaande situatie a. bij gebruik: aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit en gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van dit plan mag worden gerealiseerd krachtens een daartoe verleende omgevingsvergunning; b.

bij bouwwerken: aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit, en bouwwerken die op het moment van de inwerkingtreding van dit plan mogen worden gebouwd krachtens een daartoe verleende omgevingsvergunning. 2.9 bijbehorend bouwwerk Hieronder worden begrepen: aan- of uitbouw: een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw dat functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw is verbonden en door zijn verschijningsvorm een ondergeschikte bouwmassa vormt; bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 2.10 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 2.11 bouwgrens De grens van een bouwvlak. 2.12 bouwlaag Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor functies uit de functieomschrijving geschikt of geschikt te maken is.

Regels

77

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

2.13 bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 2.14 bouwperceelgrens Een grens van een bouwperceel. 2.15 bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 2.16 bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 2.17 functiegrens De grens van een functievlak. 2.18 functievlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie. 2.19 gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 2.20 hoofdgebouw Eén of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is. 2.21 huishouden Een aantal door eerstegraads familie- of vergelijkbare band aan elkaar gerelateerde personen, dat gezamenlijk één eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van dezelfde gemeenschappelijke voorzieningen en de gezamenlijke toegang in één wooneenheid (zoals een gezin of een gezin met inwonende familieleden) die continue een eenheid vormt.

2.22 NEN Door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan. 2.23 nutsvoorziening Een voorziening ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 2.24 omgevingsplanactiviteit bouwwerken Een omgevingsplanactiviteit bestaande uit: a. een activiteit bouwen; b. het in stand houden van een bouwwerk en c. het gebruiken van het te bouwen bouwwerk. 2.25 overkapping Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van maximaal één wand en een (overwegend) gesloten dak. 2.26 peil a. ten opzichte van gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte

78

Regels

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

van die weg ter plaatse van de hoofdingang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein. 2.27 plangrens De geometrisch bepaalde lijn, die de grens vormt van het plan. 2.28 prostitutie Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 2.29 recreatiewoning Een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond. 2.30 seksinrichting Een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch en/of pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 2.31 steiger Bouwwerk in en boven het water bedoeld als aanlegplaats voor vaartuigen (aanlegsteiger) of als kleinschalige dagrecreatieve voorziening, zoals zwem- of vissteiger. 2.32 verbeelding De verbeelding van het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen'.

2.33 verblijfsrecreatief onderkomen Een onderkomen bedoeld voor tijdelijk recreatief verblijf van personen die elders hun hoofdverblijf hebben; hieronder vallen onder andere kampeermiddelen, stacaravans, chalets en recreatiewoningen.

Regels

79

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken van het bepaalde in 3.1 tot en met 3.8 van dit artikel. 3.1 de afstand De afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 3.3 de breedte, lengte en diepte van een gebouw Tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren. 3.4 de goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, mits de goot niet meer dan 75 cm loodrecht uitsteekt ten opzichte van de gevel. 3.5 de inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.6 inhoud overkappingen, carports en daarmee gelijk te stellen gebouwen en bouwwerken Vanaf peil tot aan de buitenzijde van het dak en tussen de buitenwerkse maten van de draagconstructie, waarbij overstekken tot 0,75 meter niet worden meegeteld bij de berekening van de inhoud.

3.7 de oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 3.8 de vloeroppervlakte De gebruiksoppervlakte volgens NEN 2580.

80

Regels

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Artikel 4

Toepassingsbereik

a. Het besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing. b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3, zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'Aderweg 8, Roelofarendsveen', waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand, TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=ecb6d474-4c58-45aa-8c74-2673c4baee98