CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.TAMADERWEG8-VAS1 toelichting en regels

Gemeenteraad 16 maart 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Park Wijde Aa, Roelofarendsveen’.29.336 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Voldoende natuur en water dichtbij huis In Holland Rijnland is de natuur en het water onder handbereik. Juist dat maakt de regio zo een prettig leef- en vestigingsgebied en aantrekkelijk voor recreatie en toerisme. Het bevordert de gezondheid van de inwoners, versterkt de biodiversiteit en draagt bij een natuurlijke beleving van de regio. Als de coronapandemie één ding heeft uitgewezen, is dat het belang van kwalitatieve groen- en blauwe gebieden ommetjes kunnen maken in de directe woonomgeving en vanuit die woonomgeving gemakkelijk in het groene buitengebied te kunnen komen. De groengebieden (natuur en water), koestert en beschermt Holland Rijnland. Bij alle toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in de regio staat het groenblauwe raamwerk centraal. Rekening zal gehouden moeten worden met de gebruiks- en belevingswaarde van de verschillende landschappen die de regio rijk is. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet de recreatieve bereikbaarheid van het landschap minimaal gelijk blijven, dan wel verbeterd worden. Toetsing planinitiatief Op de visiekaart ligt het plangebied in een 'Recreatie-/natuurgebied' (figuur 9). Eén van de opgaven voor de Hollandse Plassen is: 'Recreatieve bestemming met potentie voor intensivering'. Voorliggend ruimtelijk plan is hieraan gerelateerd en past binnen deze opgave.

Met de ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de recreatieve aantrekkelijkheid en toegankelijkheid van het gebied. Met het uitbreiden van 22 verblijfsrecreatieve onderkomens wordt de recreatieve bruikbaarheid van het gebied verder versterkt. Conclusie De Regionale Omgevingsagenda Holland Rijnland 2040 heeft een hoog abstractieniveau; op perceelsniveau worden hierover geen uitspraken gedaan. Het uitbreiden van een park Wijde Aa met 22 recreatieverblijven levert een bijdrage aan de behoefte aan voldoende verblijfsrecreatie in het Hollandse Plassengebied. Het planinitiatief is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Regionale Omgevingsagenda 20240 Holland Rijnland.

30

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Figuur 9: Uitsnede Visie kaart van Regionale Omgevingsagenda Holland Rijnland 2040. 4.3.2 Energieakkoord Holland Rijnland De gemeenten in de regio Holland Rijnland hebben een gemeenschappelijke ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn. De verschillende gemeenten verwachten dat zij door regionale inzet op energiebesparing, duurzame energieopwekking, het faciliteren van de warmtetransitie en innovatie, een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan deze ambitie. Binnen de regio Holland Rijnland hebben meerdere gemeenten hun ambities en doelstellingen rondom energie uitgesproken, meestal als onderdeel van een bredere Duurzaamheidsagenda. De veertien aangesloten gemeenten voeren lokaal al diverse projecten uit. Voor veel van die projecten ligt de kracht in de lokale aanpak. Voor een aantal ontwikkelingen is echter een regionale aanpak noodzakelijk of efficiënter. De inpassing van energieopwekking in het landschap vraagt om een regionale visie. Alleen dan houdt de regio het landschap mooi en open. Door activiteiten regionaal te organiseren, kunnen er schaalvoordelen worden behaald, trajecten worden versneld en kan er meer impact gerealiseerd worden. Dit bereiken de veertien gemeenten alleen in samenwerking met de provincie Zuid-Holland, de omgevingsdiensten en het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Samen werken zij aan een regionaal uitvoeringsprogramma dat de energietransitie op regionaal niveau in Holland Rijnland moet versnellen. Conclusie Duurzaamheid is een belangrijke doelstelling van de regio Holland Rijnland en voor de gemeente Kaag en Braassem. Belangrijk in het streven naar duurzaamheid is gebruik maken van duurzame energievoorzieningen. Conform de doelstellingen in het energieakkoord zullen de nieuwe recreatiewoningen gasloos verwarmd worden en voorzien worden van de meest duurzame technieken. Het recreatiepark wordt hiermee verduurzaamd.

Motivering

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 5 februari 2024 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De Omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is onderverdeeld in verschillende thema’s die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en verschillende gebiedstypen. De Omgevingsvisie gaat in op zaken als recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Met de Omgevingsvisie wil de gemeente Kaag en Braassem samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Samenwerking is maatwerk en de rol van de gemeente Kaag en Braassem is afhankelijk van de rol die samenwerkingspartners (willen) pakken. Per situatie, per dorp, per buurt, per vraagstuk, per organisatie wordt bekeken welke rol de gemeente zal innemen.

In de Omgevingsvisie gemeente Kaag en Braassem staan de volgende thema’s centraal: Energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; Natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; Wonen in Kaag en Braassem; Gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; Sociaal Kaag en Braassem; Mobiliteit in Kaag en Braassem; Veilig Kaag en Braassem. Gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem Door de strategische ligging van Kaag en Braassem aan de rijksweg A4 en in de buurt van Schiphol is de gemeente een aantrekkelijke vestigingslocatie voor bedrijven. Behalve door verschillende bedrijventerreinen kenmerkt onze gemeente zich met name door de meerdere duurzame glastuinbouwgebieden en het grote aanbod aan recreatieve voorzieningen. Met de ontwikkeling van bedrijventerreinen, glastuinbouwgebieden en de recreatieve sector wil de gemeente in de aankomende jaren kansen benutten en de economie gezond houden. Kaag en Braassem blijven profileren als recreatiegemeente De recreatieve sector is één van de belangrijke economische motoren van de gemeente. Kaag en Braassem heeft dit potentieel te danken aan de unieke ligging in het Hollands Plassengebied en het Groene Hart. Het gebied is aantrekkelijk voor zowel recreanten als inwoners die beleving, ontspanning, ruimte en/of rust zoeken.

De gemeente heeft enkele jaren geleden de ambitie uitgesproken zich meer te profileren en manifesteren als recreatiegemeente. Zij heeft de afgelopen jaren dan ook een recreatieve impuls gezien. Het doel is nu om Kaag en Braassem op het gebied van recreatie en toerisme aantrekkelijk te houden voor de recreant, ondernemer en inwoner. Hoe? Door recreatieve initiatieven te blijven stimuleren, rekening houdend met de groenblauwe structuur en de schoonheid van zowel het buitengebied als de kernen. Bestaande watersport- en recreatiebedrijven krijgen ruimte om te groeien en nieuwe bedrijven in de dag- en verblijfsrecreatieve sector krijgen de kans om zich te vestigen. Fiets- en wandelroutes worden behouden, en waar mogelijk wordt gekeken waar wandelpaden en verbindingen kunnen worden uitgebreid. Er moet een goede balans zijn tussen de vraag van de recreant en het aanbod van recreatie. Als mensen hier willen verblijven dan moet dat wel mogelijk zijn. Algehele doelstelling is het behoud van en waar mogelijk investeren in recreatieve voorzieningen, met oog voor de te ontwikkelen en waar mogelijk te versterken biodiversiteit. Daarbij is het essentieel dat deze voorzieningen passen binnen de omgeving en een kwaliteitsimpuls geven aan het gebied.

De gemeente kijkt dus per gebiedstype wat mogelijk is en gaat binnen natuurgebieden en bedrijventerreinen terughoudend om met nieuwe recreatieve ontwikkelingen, al dan niet in combinatie met wonen of

32

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

langdurig verblijven. De gemeente wil dit bereiken door het behoud van en waar mogelijk investeren in recreatieve voorzieningen. Gebiedstypen De gemeente Kaag en Braassem is in vier verschillende soorten gebiedstypen opgedeeld: Buitengebied Glastuinbouwgebieden Bedrijventerreinen De kernen Voor de verschillende gebieden zijn kenmerken en waarden bepaald zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. Op de visiekaart maakt het plangebied onderdeel uit van het buitengebied met de aanduiding ‘Wijde Aa zone’ (figuur 10). Buitengebied - Wijde Aa zone Vanaf Leiderdorp tot aan Nieuwkoop loopt een lang recreatielint waarbij de verbinding tussen water en land voorop staat. Dit lint loopt langs de zuidoever van de Does, de Kromme Does, de Wijde Aa, het Braassemermeer en de Leidsche Vaart. Het is een doorgaande recreatieroute voor fietsers en wandelaars, met bijbehorende voorzieningen. Zo zijn er horecagelegenheden in de dorpen. De Wijde Aa zone maakt onderdeel uit van het NatuurNetwerk Nederland en heeft daardoor een belangrijke functie als ecologische verbindingszone. Binnen de Wijde Aa zone is dan ook (extra) ruimte voor natuur (ontwikkeling). De gemeente wil in eerste instantie bereiken het behouden en herstellen van de biodiversiteit die het gebied kenmerkt. Op de lange termijn een vergroting van deze biodiversiteit.

Verder het behouden van het bestaande recreatielint waarbij de verbinding tussen water en land voorop staat. Toetsing planinitiatief Het plangebied ligt in de Wijde Aa zone van de Omgevingsvisie. De gemeente heeft de ambitie om zich meer te profileren en manifesteren als recreatiegemeente. De uitbreiding van het vakantiepark met 22 recreatieverblijven levert een bijdrage aan de algehele doelstelling tot het behouden van en waar mogelijk investeren in recreatieve voorzieningen. De uitbreiding is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.

Motivering

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Figuur 10: Uitsnede visiekaart Omgevingsvisie Kaag & Braassem. Conclusie De Omgevingsvisie heeft een hoog abstractieniveau, waar ontwikkelingen op perceelsniveau niet zijn beschreven. De beoogde ontwikkeling is in de Omgevingsvisie niet specifiek beschreven. Gesteld kan worden dat het toevoegen van 22 recreatieverblijven in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie, omdat hiermee een bijdrage wordt geleverd aan de gemeentelijke ambitie om zich meer te profileren en manifesteren als recreatiegemeente. 4.4.2 Duurzaamheidsagenda 2016-2020 In april 2016 is de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 vastgesteld. Aandacht voor duurzaamheid is nodig voor een aantrekkelijke en leefbare gemeente. De agenda geeft een overzicht van acties en bevat voorstellen voor projecten die bijdragen aan duurzaamheid. De gemeente Kaag en Braassem stelt hierin twee ambities centraal. Eerste ambitie: samenwerken aan en communiceren over duurzaamheid De gemeente heeft de ambitie om in de nieuwe beleidsperiode vooral als partner samen te werken met andere partijen aan lokale projecten op het gebied van duurzaamheid. De gemeente gaat duurzame initiatieven uit de samenleving actief ondersteunen. Om deze ambitie te bereiken wordt de samenwerking gezocht met het Duurzaamheidsplatform Kaag en Braassem.

Dit platform bestaat uit geïnteresseerde inwoners, bedrijven en organisaties die kennis en ervaring hebben met duurzaamheidsonderwerpen. Het Duurzaamheidsplatform heeft een adviserende rol en zal daarnaast projecten en acties in gang zetten in de gemeente Kaag en Braassem.

34

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Tweede ambitie: Energie, mobiliteit, circulaire economie, water en groen en de gemeentelijke organisatie De tweede ambitie van de gemeente gaat in op maatregelen voor een duurzamere gemeente. Inhoudelijk zijn de prioriteiten energie, mobiliteit, circulaire economie (afval), water en groen en het verduurzamen van de gemeentelijke organisatie. Aan iedere prioriteit zijn concrete maatregelen gekoppeld om de ambitie richting te geven. Toetsing planinitiatief In de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 wordt gestuurd op 'energiebewust gedrag' bij zowel grote als kleinschalige ontwikkelingen. Bij de verdere uitwerkingen wordt rekening gehouden met de ambities uit deze agenda. Hierbij geldt dat de recreatieve onderkomens zullen voldoen aan de wettelijke eisen. Verder worden zij gasloos gerealiseerd. Daarbij zal onderzocht worden in hoeverre er bij de bouw gebruik kan worden gemaakt van duurzame, circulaire materialen. Conclusie Duurzaamheid is een belangrijke doelstelling voor de gemeente Kaag en Braassem. Conform de doelstellingen in de duurzaamheidsagenda worden de nieuwe recreatieverblijven gasloos verwarmd en voorzien worden van de meest duurzame technieken. 4.4.3

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

4.4.3.1 Duurzaam bouwen De gemeente Kaag en Braassem vindt het duurzaam ontwikkelen van het stedelijke gebied belangrijk. Daarom streeft de gemeente Kaag en Braassem ernaar bij elke ruimtelijke ontwikkeling de schade aan het milieu en de menselijke gezondheid op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de stedelijke ontwikkeling op een zo hoog mogelijk niveau brengen. In de Omgevingsvisie zijn ook ambities op het gebied van duurzaamheid en wonen opgenomen in het onderdeel 'Energie & Grondstoffen in Kaag en Braassem'. De grootste opgaven voor een duurzaam Kaag en Braassem ziet de gemeente in: de toekomstige energievraag (warmte, elektra en brandstof) en bijbehorende infrastructuur betaalbaar te verduurzamen; het werken richting een kringloopeconomie waarin er geen sprake meer is van afval en steeds meer duurzaam geproduceerde, hernieuwbare grondstoffen en materialen worden gebruikt. Waar nodig zal de gemeente aansluiten en ondersteuning bieden bij initiatieven van inwoners, ondernemers, agrariërs en anderen om de eigen gemeenschap, de eigen (sport)vereniging of de eigen bedrijfsvoering energieneutraal en circulair te maken (participerende overheid). Toetsing planinitiatief De nieuwe recreatieverblijven worden overeenkomstig de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) gerealiseerd.

De nieuwe recreatieverblijven worden niet aangesloten op het aardgasnetwerk. Overige nader te onderzoeken maatregelen zijn onder andere: warmtepomp via de lucht, warmteterugwinning vanuit ventilatie en vanuit douchewater en opvang en recyclen van regenwater. 4.4.3.2 Klimaatadaptatie/risico's van klimaatverandering Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan "weten, willen en werken" om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven. De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft in de Omgevingsvisie (2022) de opgaven benoemd voor klimaatadaptatie, biodiversiteit, bodemdaling, veiligheid van het grondwater en de kwaliteit van de bodem. De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de

Motivering

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte en e. bodemdaling. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas. Wateroverlast door overvloedige neerslag In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Onderdeel Oordeel en conclusie Waterdiepte bij hevige bui – 70 mm / 2 uur Lokaal maximaal tot 5 cm. Oplosbaar, dus geen (1:100 jaar) belemmering. Waterdiepte bij hevige bui – 140 mm / 2 uur Lokaal maximaal tot 5 cm. Oplosbaar, dus geen (1:100 jaar) belemmering. Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie en scenario 2050 Hoog geen risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘wateroverlast’. Overstroming In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Onderdeel Oordeel en conclusie Plaatsgebonden overstromingskans norm 2050 – Deels kleine kans (1/300-1/3.000 per jaar) 20 cm Plaatsgebonden overstromingskans huidige Kleine kans (1/300-1/3.000 per jaar) situatie – 20 cm Maximale overstromingsdiepte kaart middelgrote 2,0 - 5.0 meter kans Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie een beperkt risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘overstroming’.

Bij een doorbraak van een waterkering kan in dit gebied een waterschijf komen te staan met een hoogte van 2 tot 5 meter. De recreatiewoningen in categorie 4 hebben twee verdiepingen, zodat bewoners bij een dijkdoorbraak kunnen vluchten naar de verdieping. Hitte Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Door aanplant van bomen kan schaduw worden geboden. In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Onderdeel Oordeel en conclusie Hittestress door warme nachten 2050 Speelt nu niet; toekomstige toestand afhankelijk van keuzes bij inrichting en beheer. Ligging in stedelijk hitte-eiland Ligging binnen de invloedssfeer van bebouwing. Nu en in 2050 0,0-0,2 oC warmer. Dit kan oplopen afhankelijk van de herinrichting van de omgeving. Het plangebied ligt in het buitengebied. Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie nagenoeg geen sprake is van hittestress bij aanhoudende hitte. Voor de ontwikkeling is er geen risico ten aanzien van het aspect ‘hitte’. Belangrijk is om de recreatiewoningen warmtewerend te bouwen.

Door aanleg van groene parkeerplaatsen en planten van bomen wordt hittestress enigszins beperkt. Er is nu geen of weinig effect op bestaande omgeving te verwachten, want het project is dermate klein dat er geen significant verschil zal zijn op het bestaande stedelijk hitte-eiland. Droogte In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Onderdeel Oordeel en conclusie Risico droogtestress Laag (jaarlijkse opbrengstderving < 10% bij gras). Risico Verschilzetting 2050 Zeer laag.

36

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

De bestaande functie is weinig droogtegevoelig. In de nieuwe beoogde ontwikkeling kan ophogen er toe leiden dat in extreme omstandigheden het grondwater niet meer beschikbaar is voor beplanting. Door droogtemaatregelen te nemen zoals infiltratie van hemelwater in de bodem kunnen risico’s beperkt worden. Bij uitwerking van het plan is infiltratie van hemelwater in de bodem mogelijk, omdat het plangebied niet volledig wordt verhard. Bodemdaling In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Onderdeel Oordeel en conclusie Bodemdaling 2020-2050 Vrij sterk (20-40 cm) Bodemdaling door ophoging

Versterking van de bodemdaling is 25-50 cm te verwachten. Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie een risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘bodemdaling’. Er is alleen sprake van nieuwbouw zonder dat er ophoging met grond nodig is. Er zijn geen maatregelen nodig. 4.4.3.3 Biodiversiteit en natuur-inclusief bouwen Natuur-inclusief bouwen betekent dat er bewust ruimte voor biodiversiteit wordt gecreëerd op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven. Hiermee wordt gezorgd voor een betere leefomgeving van mens en dier, bijvoorbeeld door groene daken en gevels, bomen op balkons en wadi’s, maar ook door wat meer alledaagse aanpassingen zoals het planten van bomen en struiken, het bieden van nest- en schuilgelegenheden aan dieren of het aanleggen van natuurlijke vijvers. Natuur-inclusief bouwen De initiatiefnemer heeft de intentie om Park Wijde Aa met circa 1,3 ha uit te breiden om 22 nieuwe recreatieverblijven te realiseren in het vakantiepark. Voor wat betreft biodiversiteit en natuurvriendelijk bouwen wordt onder andere aan de volgende punten gedacht: Het behouden en/of verplaatsen van groen aan de randen van het plangebied. Dit heeft een positieve invloed op gezondheid en welzijn van mensen. Verder kunnen hierdoor er meer diverse planten- en diersoorten leven.

Parkeervakken in het plangebied grotendeels aanleggen als gras-parkeren. Natuurvriendelijke oevers waar mogelijk aanleggen om de biodiversiteit te vergroten (voor waterberging en voor vlinders, bijen en zweefvliegen). Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen. Conclusie De nieuwe recreatiewoningen worden gebouwd volgens de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De recreatiewoningen worden niet met gas verwarmd. In plaats daarvan krijgen de woningen andere voorzieningen zoals warmtepompen en PV-panelen. Bij uitwerking van het bouwplan wordt rekening worden gehouden met de gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen, klimaatadaptatie, biodiversiteit en natuurinclusief bouwen overeenkomstig de hiervoor genoemde maatregelen.

Motivering

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

38

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een weging van het waterbelang geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van deze weging is de relatie tussen planvorming op het gebied van de fysieke leefomgeving en de waterhuishouding te versterken.

5.2

Beleidskader Rijk en provincie

5.2.1 Rijk Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. 5.2.2 Provincie Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen: Kaderrichtlijn Water; Grondwaterrichtlijn; Drinkwaterrichtlijn; Richtlijn Overstromingsrisico’s; Zwemwaterrichtlijn.

Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Motivering

39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

5.3

Beleid hoogheemraadschap van Rijnland

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk omgevingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de weging van het waterbelang uit. Deze weging heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf. Beleidsregels Hoogheemraadschap van Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomst vast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.

Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheersplan werkt Rijnland aan zijn ambities. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Waterbeheerprogramma 2022 -2026 Elke zes jaar leggen waterschappen het beleid en de aanpak die noodzakelijk zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren, vast in een zogeheten waterbeheerplan. In het zesde waterbeheerplan (WBP6) geeft het hoogheemraadschap richting aan het waterbeheer voor de periode 2022 - 2026. In het waterbeheerplan zijn de doelstellingen voor de aankomende periode per watertaak uitgewerkt. Binnen het plangebied zijn geen factoren aanwezig die hinder kunnen geven aan het programma uit het waterbeheerplan. Waterschapsverordening Op 27 september 2023 heeft de verenigde vergadering van Rijnland de 'Waterschapsverordening de Rijnlandse keur' vastgesteld.

Deze waterschapsverordening is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze verordening vervangt de Keur. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied en vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In hoofdstuk 41 van de waterschapsverordening wordt ingegaan op de waterbergingseisen die gelden voor ontwikkelingen waarbij verhard oppervlak wordt toegevoegd. De waterbergingseis geldt voor alle ontwikkelingen waarbij het hard oppervlak 500 m² of groter is. Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet de initiatiefnemer ervoor zorgen dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen dat plangebied. Hierbij ontstaat geen wateroverlast bij bouwwerken, infrastructuur, hoogwaardige teelt of akkerbouw. Hoe de neerslag kan worden opgevangen, hangt af van de inrichting van het plangebied. Plaats van waterberging (artikel 41.5 van de waterschapsverordening) Als de neerslag in oppervlaktewater van een polder komt, wordt de waterberging gemaakt binnen het peilvak waarin de neerslag in het oppervlaktewater komt. Als de neerslag in oppervlaktewater van de boezem komt, wordt de waterberging gemaakt binnen 5 kilometer van de plaats waar de neerslag in het oppervlaktewater komt.

40

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Als de neerslag in oppervlaktewater met een verhoogd waterpeil komt, wordt de waterberging gemaakt binnen het peilvak van dit oppervlaktewater. De waterberging heeft een waterpeil zoals in het peilbesluit is vastgesteld. Het nieuwe water moet in open verbinding staan met de rest van het oppervlaktewater, waarbij de oppervlakte van het nieuwe oppervlaktewater minimaal even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak. Riolering en afkoppelen Het hoogheemraadschap streeft naar samenwerking in de afvalwaterketen en wil hierover graag adviseren. Rijnland geeft de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater. Naast een voorkeursvolgorde voor afvalwater geldt voor de behandeling van hemelwater de zorgplicht. Rijnland geeft daarbij de voorkeur aan brongerichte maatregelen boven 'end-of-pipe' maatregelen. Hemelwater kan de capaciteit van riolering en zuivering aanzienlijk belasten. Dat is niet wenselijk en vaak ook niet nodig. Zeker bij nieuwbouwontwikkelingen is het gescheiden aanbieden van hemelwater en afvalwater vaak een doelmatige maatregel. Rijnland volgt hierbij de voorkeursvolgorde (rijksbeleid), waarbij voorop staat het voorkomen van het ontstaan van afvalwater, als er afvalwater is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging en waar mogelijk afvalwaterstromen scheiden.

De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). De uiteindelijke afweging wordt lokaal gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Het te lozen hemelwater mag geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaken. Maatregelen om dit te bereiken zijn duurzaam bouwen, infiltratie, het toepassen van berm- of bodempassage en straatkolken met extra voorzieningen. Als ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en hoogheemraadschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe' aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

5.4

Waterhuishouding

Het plangebied is gelegen in een droogmakerij van de Veenderpolder. Veiligheid en waterkeringen Op de Legger regionale keringen ligt het plangebied voor een zeer klein gedeelte in de kern- en beschermingszone van een regionale kering. De nieuwbouw van recreatieverblijven vindt buiten de buitenbeschermingszone plaats (figuur 11). Met inachtneming hiervan zijn er geen beperkingen voor het plangebied.

Motivering

41

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Figuur 11: Uitsnede legger regionale waterkering. Plangebied blauw omkaderd. Oppervlaktewater Op de Legger oppervlaktewateren liggen in het plangebied meerdere overige watergangen met een beschermingszone van 2 meter, waaronder de noordelijk gelegen waterijpartij die op verzoek van het Hoogheemraadschap van Rijnland is aangelegd (figuur 12). Deze watergangen worden bij de uitbreiding van het plangebied gehandhaafd. De nieuwe recreatieverblijven worden minimaal 2 meter uit de slootkant (zijnde de beschermingszone) gerealiseerd. Met inachtneming hiervan zijn er geen beperkingen voor het plangebied.

42

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Figuur 12: Uitsnede legger oppervlaktewateren. Plangebied blauw omkaderd. Toekomstige situatie Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap dient 15% water te worden gecompenseerd wanneer het verhard oppervlak met meer dan 500 m² toeneemt. Daarboven dient te dempen water met een oppervlakte voor 100% te worden gecompenseerd. Het verhard oppervlak neemt met 1.320 m² aan bebouwing toe. Dit betekent dat er op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap 15% watercompensatie nodig is van de toename aan verharding (15% van 1.320 m² =) 198 m². Het vervangend water wordt gerealiseerd middels het verbreden van enkele sloten in het plangebied. Hiervoor zal voor zover nodig tijdig een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit worden aangevraagd bij het Hoogheemraadschap. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij de nieuw te bouwen recreatiewoningen wordt alleen gebruik gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Hemelwater van de recreatieverblijven wordt op het oppervlaktewater geloosd. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap.

Motivering

43

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen dit TAM-omgevingsplan.

44

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Hoofdstuk 6

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

De beleidsvelden milieu en de fysieke leefomgeving groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en de fysieke leefomgeving. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de fysieke omgevingsaspecten en het milieu die een rol spelen bij de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn Milieueffectrapport, Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit, Omgevingsveiligheid en Gezondheid. 6.1.1 Milieueffectrapport Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er wordt niet meer getoetst aan de limitatieve lijst van mer-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval moeten nagaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije mer-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure. Onderzoek/beoordeling Dit TAM-omgevingsplan maakt een kleine uitbreiding van Park Wijde Aa met 22 verblijfsrecreatieve onderkomens mogelijk.

De Omgevingswet kent de mogelijkheid voor het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling voor kleine plannen (minder dan 1% van de oppervlakte van een gemeente) en kleine wijzigingen (artikel 16.36 lid 3, 4 en 5 Omgevingswet). In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn in 1 lijst zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. In het Besluit milieueffectrapportage waren dat nog 2 lijsten (onderdelen C en D in de bijlage bij dat besluit). Voor vakantiedorpen of hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen is het volgende opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Tabel 6.1: Bijlage V bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

Projecten Gevallen waarin de Gevallen waarin de Besluiten als mer-plicht geldt mer-beoordelingsplicht bedoeld in artikel (artikel 16.43, eerste geldt (artikel 16.43, 11.6, derde lid, lid, aanhef en onder eerste lid, aanhef en onder c, van het a, van de onder b, van de Omgevingsbesluit Omgevingswet) Omgevingswet) M3 Vakantiedorpen of Niet van toepassing Aanleg, wijziging of Het omgevingsplan hotelcomplexen buiten uitbreiding stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen De Omgevingswet kent de mogelijkheid voor het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling voor kleine plannen (minder dan 1% van de oppervlakte van een gemeente) en kleine wijzigingen (artikel 16.36 lid 3,

Motivering

45

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

4 en 5 Omgevingswet). Er is geen milieueffectrapport nodig, omdat een kleine uitbreiding van Park Wijde Aa met 22 verblijfsrecreatieve onderkomens volgens de Omgevingswet niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling, zoals dat is aangetoond in de Plan-mer-beoordeling. Conclusie Op basis van de in Bijlage 1 opgenomen Plan-mer-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet noodzakelijk. Gelet op het “nee, tenzij” principe kan daarom worden afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied.

In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan milieubelastende activiteiten. Van een 'rustig buitengebied' is sprake wanneer er in de nabijheid vrijwel geen andere functies voorkomen. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.2 vermeld. Tabel 6.2: Richtafstanden en omgevingstype. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Onderzoek/beoordeling Aan de Aderweg komen in de omgeving naast agrarische bedrijven ook woningen en niet-agrarische functies voor. Sprake is van een gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandstap kunnen worden verminderd (tabel 6.2).

Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid. Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke milieugevoelige functies relevant kunnen zijn voor de geplande uitbreiding van het vakantiepark met 22 recreatieverblijven. Voor het bepalen van de milieuzones is uitgegaan van de afstandsnormen op basis van de VNG-richtlijn in gemengd gebied. Het vakantiepark valt onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Aan de Aderweg 4, 4a, 6 en 6a staan vier woningen op ongeveer 10 meter van het bestaande park. In dit deel vinden geen wijzigingen plaats. De uitbreiding van het vakantiepark ligt op minimaal 150 meter afstand. De ontsluiting ligt niet in de nabijheid van de bestaande woningen. De woning aan de Aderweg 25 staat op minimaal 85 meter afstand van het uit te breiden vakantiepark. Verder liggen er binnen een zone van 100 meter van het plangebied geen agrarische bedrijven met een agrarisch bouwvlak en/of overige niet agrarische bedrijven. Er zijn vanuit milieuzonering geen beperkingen voor het plangebied.

46

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Drift van gewasbeschermingsmiddelen Voor wat betreft gewasbeschermingsmiddelen rondom open teelt is niet uit te sluiten dat bespuiting op nabijgelegen percelen gezondheidsrisico's veroorzaakt bij omwonenden. In Nederland bestaat echter geen landelijke wet- of regelgeving die een minimale afstand voorschrijft tussen open teelt waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en woningen of andere gevoelige bestemmingen. In de praktijk wordt bij fruitteelt vaak een afstand van 50 meter gehanteerd, maar deze norm is niet gebaseerd op gezondheidskundige inzichten, doch op jurisprudentie. Uit recente uitspraken van de Raad van State blijkt dat het lastig is om locatie-specifiek aan te tonen dat een kleinere afstand volstaat voor een goed woon- en leefklimaat; gangbare modellen zijn hiervoor door de hoogste bestuursrechter als onvoldoende deugdelijk beoordeeld. In zaken rond lelieteelt is het voorzorgbeginsel leidend geweest: ondanks naleving van geldende regelgeving werd het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door de rechter niet toegestaan, vanwege het ontbreken van wetenschappelijke consensus over de gezondheidsrisico's. De beschikbare onderzoeken geven geen direct bewijs voor gezondheidsschade door blootstelling aan bestrijdingsmiddelen, maar sluiten risico's ook niet uit.

Onzekerheden bestaan onder meer over de relevante blootstellingsroutes, de afstand waarbinnen blootstelling optreedt, en de effecten van cumulatieve blootstelling. Het GGD adviseert daarom, uit voorzorg, om de afstand tot open teelt zo groot mogelijk te houden. In de onderhavige plansituatie worden de omliggende gronden gebruikt voor veeteelt, waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. De dichtstbijzijnde kwekerij ligt op 180 meter van de recreatiewoningen. Deze ruime afstand overstijgt de in jurisprudentie gehanteerde norm en sluit aan bij het voorzorgbeginsel en het GGD-advies. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies en wordt voldaan aan de eisen voor een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen milieugevoelige functies in de nabijheid van de uitbreiding van het plangebied aanwezig zijn. De woningen behouden een goed woon- en leefklimaat. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit TAM-omgevingsplan. 6.1.3 Geluid Wettelijk kader algemeen Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld.

De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.2 bruidsschat); Geluid door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.3 bruidsschat); Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.4 bruidsschat). De instructieregels uit Afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl).

De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals

Motivering

47

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. 6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. Het Bkl verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen het Bkl regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 3.22 van het Bkl is geluidsgevoelige ruimte een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Onderzoek/beoordeling Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl.

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een weg gelden, staan in tabel 6.3. Tabel 6.3: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Geluidbronsoort Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl) Provinciale wegen en 50 Lden 60 Lden rijkswegen Gemeentewegen en 53 Lden 70 Lden waterschapswegen De relevante weg in het geluidaandachtsgebied van het plangebied is de Aderweg. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en het toevoegen van 22 recreatieverblijven. Dergelijke onderkomens zijn volgens de Bkl geen geluidsgevoelig objecten. Onderzoek vanuit het aspect verkeerslawaai is derhalve niet nodig. Echter, ook voor recreatieve onderkomens dient te worden beoordeeld of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aangezien de Aderweg een weg betreft met een lage verkeersintensiteit en gelet op de relatief grote afstand (circa 65 meter) tot de Aderweg, is het niet aannemelijk dat er een belemmering is voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel verkeerslawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling.

6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader spoorweglawaai Op het bepalen van het geluid zijn op grond van artikel 3.24, lid 5 van het Bkl de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de GPP's (Geluid Productie Plafonds). Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een spoorweg gelden, staan in tabel 6.4.

48

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Tabel 6.4: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Geluidbronsoort Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl) Lokale spoorwegen en 55 Lden 70 Lden Hoofdspoorwegen Onderzoek/beoordeling Het plangebied ligt niet in een geluidproductieplafond van een spoorlijn. Bovendien is er geen sprake van een geluidgevoelige functie. Er is geen beperking voor het plangebied. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel spoorweglawaai, geen beperkingen voor deze planontwikkeling. 6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. In artikel 3.25 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het bepalen van geluid door industrieterreinen. Op het bepalen van het geluid zijn op grond van lid 4 de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een industrieterrein gelden, staan in tabel 6.5.

Tabel 6.5: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Geluidbronsoort Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl) Industrieterreinen 50 Lden 55 Lden 40 Lnight 45 Lnight Onderzoek/beoordeling Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). Voor industrieterreinen geldt dat er binnen de geluidreferentiepunt in beginsel geen woningen zijn toegestaan op grond van het bepaalde in het Bkl. In de nabijheid van het plangebied als bedoeld in artikel 3.33 (geluidreferentiepunten voor industrieterreinen) liggen geen (gezoneerde) industrieterreinen. In het plangebied worden alleen 22 recreatieverblijven toegevoegd. Voor deze categorie woningen is er ook sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel industrielawaai, geen beperkingen voor deze planontwikkeling.

Motivering

49

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

6.1.4 Bodem Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Onderzoek/beoordeling Bij een planologische functiewijziging naar een gevoeliger bodemgebruik dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Omdat er met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een strenger bodemgebruik is een vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd door Kwinfra B.V. te Alkmaar (rapport van 27 mei 2025, rapportnumer M25094-RAP-01, Bijlage 2). Uit de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden afgeleid. Op basis van het vooronderzoek kan een oordeel worden gegeven over de te verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie en of er een aanleiding/noodzaak bestaat tot de uitvoering van bodemonderzoek. De beschikbare onderzoeksresultaten geven een representatief beeld van de verwachte milieuhygiënische bodemkwaliteit van de directe omgeving en de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is gelegen in de bodemkwaliteitsklasse “landbouw en natuur”. Een verkennend bodemonderzoek voor de voorgenomen omgevingsplanwijziging is niet benodigd. De onderzoeksresultaten van de bekende bodemonderzoeken en onderhavig historisch bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de omgevingsplanwijziging van landbouw naar recreatie.

Grondverzet Vrijkomende grond moet worden hergebruikt conform de regels van de Aanvullingswet bodem. Voor het toepassen van grond van buiten het plangebied moet worden aangesloten bij de functie die het gebied heeft. Nagenoeg al het grondverzet dient te worden gemeld in het Omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Conclusie Er zijn geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de functiewijziging op het onderhavige plangebied.

50

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied.

Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In Bkl zijn onder andere omgevingswaarden opgenomen voor zwaveldioxide (artikel 2.3), stikstofdioxide en stikstofoxiden (artikel 2.4) en fijn stof (artikel 2.5). De omgevingswaarden gelden voor de buitenlucht. Deze zijn niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG 1989, L 393) waartoe het publiek gewoonlijk geen toegang heeft. In tabel 6.6 is een overzicht gegeven van de omgevingswaarden uit het Bkl. Tabel 6.6: Omgevingswaarden maatgevende stoffen Besluit kwaliteit leefomgeving. stof kalenderuurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen jaargemiddelde NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden 3 PM2,5 25 µg/m n.v.t. n.v.t.

n.v.t. PM10 40 µg/m3 n.v.t. 50 µg/m3 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden Artikel 8.17 van het Bkl stelt dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als de omgevingswaarden in acht worden genomen. Onderzoek luchtkwaliteit Voor de toetsing of het plan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit is van belang met welke functies het plangebied wordt uitgebreid. In het gebied al aanwezige functies worden niet meegerekend bij het bepalen van de verkeersaantrekkende werking van het plan. Ten opzichte van de bestaande planologische situatie is er sprake van een toename van 22 recreatieverblijven. Voor het plan is met behulp van de zogenaamde NIBM-tool berekend of de uitbreiding met 22 recreatieverblijven leidt tot een in betekenende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. Nagegaan is wat de berekende maximale bijdrage aan luchtemissies van de verkeersgeneratie van de ontwikkeling is. Het middelzware en zware verkeer is hierbij als vrachtverkeer meegenomen. Hierbij is ervan uitgegaan dat de uitbreiding maximaal 62 auto's per dag aantrekt (mvt/weekdagetmaal), waarvan 0,5% vrachtwagens. In tabel 6.7 is de uitkomst van de gevolgen voor de luchtkwaliteit weergegeven. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek is niet nodig.

Motivering

51

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Aderweg 8, Roelofarendsveen

Tabel 6.7: Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op luchtkwaliteit.

Opgemerkt wordt dat de NIBM-tool berust op een worst-case situatie: voor de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging. De berekende toename aan luchtverontreinigende stoffen is hiermee als maximaal te beschouwen. In werkelijkheid is immers bijvoorbeeld geen sprake van enkel stagnerend verkeer, zoals wel als uitgangspunt gehanteerd wordt in de NIBM-tool. Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is verder nog het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd voor 2023 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs Aderweg ter hoogte van de uitrit naar huisnummers 4 en 6 (detailgegevens x: 102343.041055493 en y: 466049.413100882). Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 12,62 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 14,85 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 7,56 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat het Bkl de uitvoering van het project niet in de weg staat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=ecb6d474-4c58-45aa-8c74-2673c4baee98