CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.JULIANALAAN68EN70-VAS2 toelichting

Gemeenteraad 2 juni 2025, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Julianalaan 68-70, Kaag’ (bestuurlijke lus).20.000 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het plangebied is echter niet aangegeven als onderdeel van het lint, maar als recreatief gebied. Wel is het nog net gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

Uitsnede visiekaart Nota Inbreidingslocaties

29

Wat betreft kleinschalige inbreidingsverzoeken wordt het volgende gesteld: 'Vanwege het enerzijds beschermde dorpsgezicht en anderzijds het consoliderende beleid voor het overige woongebied worden in deze Nota Inbreidingslocaties geen specifieke criteria gegeven voor kleine inbreidingsverzoeken op Kaag. De onderstaande korte beschrijving van het lint en het planmatige woongebied vormt een handvat voor het beoordelen van eventuele nieuwe ontwikkelingen'. Voorliggend plan zoekt de aansluiting met het historische lint en met de kenmerkende opbouw aan de Julianalaan. De herstructurering levert een bijdrage aan de beleving van deze historische structuur, in relatie tot het water en beëindigt het lint op een bijzondere wijze.

3.4.3 Duurzaamheidsagenda 2016-2020 In april 2016 is de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 vastgesteld. Aandacht voor duurzaamheid is nodig voor een aantrekkelijke en leefbare gemeente. De agenda geeft een overzicht van acties en bevat voorstellen voor projecten die bijdragen aan duurzaamheid. De gemeente Kaag en Braassem stelt hierin twee ambities centraal. Eerste ambitie: samenwerken aan en communiceren over duurzaamheid De gemeente heeft de ambitie om in de nieuwe beleidsperiode vooral als partner samen te werken met andere partijen aan lokale projecten op het gebied van duurzaamheid. De gemeente gaat duurzame initiatieven uit de samenleving actief ondersteunen. Om deze ambitie te bereiken wordt de samenwerking gezocht met het Duurzaamheidsplatform Kaag en Braassem. Dit platform bestaat uit geïnteresseerde inwoners, bedrijven en organisaties die kennis en ervaring hebben met duurzaamheidsonderwerpen. Het Duurzaamheidsplatform heeft een adviserende rol en zal daarnaast projecten en acties in gang zetten in de gemeente Kaag en Braassem. Tweede ambitie: Energie, mobiliteit, circulaire economie, water en groen en de gemeentelijke organisatie De tweede ambitie van de gemeente gaat in op maatregelen voor een duurzamere gemeente. Inhoudelijk zijn de prioriteiten energie, mobiliteit, circulaire economie (afval), water en groen en het verduurzamen van de gemeentelijke organisatie.

Aan iedere prioriteit zijn concrete maatregelen gekoppeld om de ambitie richting te geven. Planspecifiek In de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 wordt gestuurd op 'energiebewust gedrag' bij zowel grote als kleinschalige ontwikkelingen. Bij de verdere uitwerkingen wordt rekening gehouden met de ambities uit deze agenda. Hierbij geldt dat de nieuwbouw zal voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) zoals deze vanaf 1 januari 2021 van kracht zijn. Verder worden de woningen gasloos gerealiseerd.

30

4 Haalbaarheid In het kader van een ‘goede’ ruimtelijke ordening moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling, die afwijkt van het vigerend bestemmingsplan, uitvoerbaar is. Hiervoor moeten de milieutechnische gevolgen in beeld gebracht worden. In dit hoofdstuk worden per milieuaspect de gevolgen beschreven en de eventueel noodzakelijke onderliggende haalbaarheidsonderzoeken toegelicht.

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;

•

de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het voorgenomen initiatief valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen of een oppervlakte van 100 hectare

31

of meer. Omdat met de ontwikkeling slechts sprake is van de realisatie van een tiental appartementen kan afgezien worden van een m.e.r.(-beoordeling) en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. 2.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht in hoofdstuk 4. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r.(-beoordeling). Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het besluit dat geen m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd hoeft te worden, wordt gepubliceerd. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Op basis van deze plantoelichting kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.(-beoordeling) niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Met behulp van dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een bestemmingswijziging van een hoofdzakelijk als recreatief bestemd gebied naar een woonbestemming. Daarmee is sprake van een bestemmingswijziging naar een gevoeliger bodemgebruik. In 1999 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor een noordelijk deel van het plangebied. Thans is een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd (Inventerra, d.d. 31 augustus 2018, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3). Uit de resultaten van het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

•

In één van de twee onderzochte grondmonsters bij de ondergrondse tanks is een lichte verontreiniging met minerale olie vastgesteld. Het grondwater bij de tanks (peilbuis 103) is niet verontreinigd met olieproducten.

•

De zintuiglijk onverdachte bovengrond op de locatie (MM3, 0 - 0,5 m-mv) is licht verontreinigd met zware metalen en PAK.

•

In de mengmonsters van het zand met bodemvreemde materialen (MM1 en MM2) zijn lichte verontreinigingen met zware metalen en PAK aangetoond. In het samengestelde mengmonster is geen asbest waargenomen.

•

De zintuiglijk onverdachte ondergrond op de locatie (MM4, 0,5 - 2,0 m-mv) is eveneens licht verontreinigd met zware metalen en PAK.

•

In het grondwater voor de algemene bodemkwaliteit (peilbuis 114) is een licht verhoogde concentratie barium gemeten.

32

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdachte locatie’ (strikt genomen) bevestigd, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en/of in het grondwater. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Het slib uit de onderzochte watergang kan, indien het vrijkomt, verspreid worden op de aangrenzende percelen. Indien het slib afgevoerd gaat worden, is het niet toepasbaar. Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van beperkingen in de hergebruiksmogelijkheden en/of van verwerkingskosten. Ook kan door derden, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden. Bij graafwerkzaamheden in de grond dient rekening gehouden te worden met eventueel te treffen veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 400. Gezien het voorgaande is het voorgenomen plan uitvoerbaar voor het aspect bodem.

4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Het voorliggende initiatief is een kleinschalige ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit is daarmee niet vereist. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&W en RIVM) echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen respectievelijk 15 µg/m³, 8 µg/m³ en 13 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

33

4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling gaat uit van de realisatie van een tiental appartementen. Woningen betreffen in het kader van de Wet geluidhinder geluidgevoelige objecten. In de omgeving van het plangebied zijn echter wegen gelegen waar snelheidsregime van 30 km/u geldt. Er zijn geen spoorwegen in de nabijheid van het plangebied aanwezig. Daarmee hoeft niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet beoordeeld worden of de wegen in de omgeving een belemmering vormen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. De beoogde woningen zijn voorzien aan de Julianalaan, die ter hoogte van het plangebied een doodlopende weg is. Deze weg heeft een dusdanig lage verkeersintensiteit dat deze geen belemmering vormt voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het grootste deel van het aantal verkeersbewegingen houdt verband met Jachthaven Kaageiland en Jachtwerf Hoogenboom.

De 50 dB(A)-contour ten gevolge van verkeer van en naar Jachthaven Kaageiland en Jachtwerf Hoogenboom aan de Julianalaan 72 ligt op minder dan 3 m van de wegas. De geluidbelasting op de woningen aan de weg ligt onder de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) (zie toelichting paragraaf 4.2.4). In toelichting paragraaf 4.2.4 wordt nader ingegaan op de nabijgelegen jachthaven en het aspect industrielawaai.

4.2.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit.

In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met

34

daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in de kern Kaag. In de omgeving van het plangebied zijn met name woningen en recreatieve voorzieningen aanwezig. Het plangebied wordt door deze mix aan functies aangemerkt als 'gemengd gebied', waardoor de richtafstanden met één stap kunnen worden verlaagd. De navolgende tabel toont een overzicht van de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. Adres

Inrichting

SBI-code

Afstand (m)

Milieucategorie

Julianalaan 72

Scheepswerf Jachthaven

0

3.1 3.1

Julianalaan 55 Julianalaan 66

Zeilmakerij Eetcafé

301, 3315, 1 932, G 139 561

50 0

3.1 1

Richtafstand gemengd gebied (m) 30

30 0

Uit de tabel blijkt dat voor de scheepswerf en jachthaven aan de Julianlaan 72 niet aan de richtafstand wordt voldaan. Navolgend wordt deze milieubelastende activiteit nader toegelicht. Jachthaven Kaageiland en Jachtwerf Hoogenboom Direct ten zuiden van het plangebied zijn een jachthaven en scheepswerf gesitueerd. Voor beide inrichtingen geldt een milieucategorie 3.1 waarbij een richtafstand geldt van 30 meter, binnen gemengd gebied. De richtafstanden worden overschreden voor het aspect geluid. In dit kader is een 'Akoestisch onderzoek Representatieve bedrijfssituatie Hoogenboom Kaag' (Kraaij Akoestisch Adviesbureau, d.d. 9 februari 2022) uitgevoerd: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4. Uit de rekenresultaten is gebleken dat de geluidbelasting van zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als het maximaal geluidniveau op de gevels van de gebouwen A en B voldoet aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op gebouw C is er wel sprake van een overschrijding van de geluidnormen. De normoverschrijdingen worden veroorzaakt door parkerende auto’s en in mindere mate door het reinigen van boten. Hoewel de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer worden overschreden, treedt vanwege de ontwikkeling van gebouw C geen (extra) belemmering in de bedrijfsvoering op.

Gebouw C staat immers op grond die in het vigerend bestemmingsplan reeds een woonbestemming heeft. De activiteiten die bepalend zijn voor de normoverschrijding zijn bestaande activiteiten, hetgeen betekent dat er in de huidige planologische situatie al sprake is van een normoverschrijding.

35

Weergave geluidsscherm (blauw aangegeven)

De zuidgevels van de appartementen in gebouw B worden voorzien van een afsluitbare (glazen) wand langs de buitenruimte. De (glazen) wand staat buiten de thermische schil van het appartement en is dus te beschouwen als een geluidscherm, géén gevel. Deze (glazen) wand is in bovenstaande figuur met een blauwe lijn weergegeven. Aan de zuidwestkant van gebouw C wordt ook een scherm voorzien, haaks op de westgevel, om de buitenruimte van dit appartement af te schermen. Ook die muur is met een blauwe lijn aangeduid. De richtwaarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau worden op gebouw C zowel op de west- als oostzijde overschreden. Voor het maximaal geluidniveau is er alleen sprake van een overschrijding op de westgevel. Door de oostgevel doof uit te voeren, is er alleen op de westgevel sprake van een overschrijding van de richtwaarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Hier bevindt zich ook de buitenruimte. Onderzocht is op welke wijze deze buitenruimte geluidluw gemaakt kan worden, waarbij wordt uitgegaan dat de buitenruimte op begane grondniveau (1,5 meter hoogte) geluidluw moet zijn. De buitenruimte kan geluidluw worden gemaakt door de getekende muur van 3 meter hoog aan de zuidgevel van gebouw C te verlengen. De totale lengte dient 10 meter te zijn, overeenkomstig bovenstaande tekening.

Uit rekenresultaten blijkt dat er op begane grondniveau, dus in de buitenruimte sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, omdat voldaan wordt aan de richtwaarden. De nieuw te bouwen woningen komen in een watersportgebied te liggen. Het is evident dat het geluid van de waterrecreatie dan onderdeel uitmaakt van het woon- en leefklimaat. Dit mag als een bewuste keuze voor toekomstige bewoners worden verondersteld. Desondanks is het akoestisch rapport opgesteld op basis van een ontwerp, waarbij maximaal is ingestoken om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te bereiken. Zo is aan de zuidkant van gebouw B een afsluitbare buitenruimte opgenomen. Hiermee krijgen de toekomstige bewoners de keuze om het scherm dicht te laten of te openen, als zij dat wensen. Juist omdat sommige mensen op mooie dagen willen genieten van het stemgeluid van de watersport en het scherm open kunnen laten en mensen die dat niet willen het scherm kunnen sluiten, zorgt deze keuze voor een optimaal woon- en leefklimaat. Voor wat betreft de afsluitbare buitenruimte van gebouw B is berekend wat

36

de geluidwering van het scherm moet zijn. De hoogst berekende geluidbelasting met scherm bedraagt 46 dB(A). Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting zonder afsluitbare buitenruimte 60 dB(A) op de gevel bedraagt. Dit betekent dat de afsluitbare (glazen) wand een geluidwering van 60-46 = 14 dB(A) moet bedragen. Een dergelijke geluidwering kan met een relatief eenvoudige voorziening worden bereikt. Zo heeft 4 of 6 mm enkel glas een geluidwering van ca 27 dB. Een schuifwand van enkel glas en een matige kierdichting voldoet dus al aan de eisen. De te treffen maatregelen uit het akoestische rapport worden in het voorliggende bestemmingsplan veiliggesteld middels drie voorwaardelijke verplichtingen: voor een 3 m hoog geluidscherm, voor dove gevels (oostgevel van het zuidelijke appartementengebouw en zuid- en oostgevel van de zuidelijke nieuwe woning) en voor een afscherming van de zuidelijk gevel van het zuidelijke appartementengebouw. Eetcafé De Twee Wilgen Voor het eetcafé aan de Julianlaan 66 wordt voldaan de richtafstand. Desondanks moet rekening gehouden worden met geurhinder door de bereiding van voedingsmiddelen. Op grond van artikel 3.132 van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet er, om te voorkomen dat er geurhinder ontstaat, worden voldaan aan artikel 3.103 van de Activiteitenregeling milieubeheer. Deze regeling is limitatief.

Dat betekent dat er of 1) een afvoerpijp moet zijn die ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afvoert of 2) de lucht moet worden geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie. Omdat de beoogde appartementengebouwen hoger worden dan de bestaande woning en in ieder geval het oostelijke appartementengebouw binnen een afstand van 25 m tot het emissiepunt is voorzien, moet aandacht worden besteed aan de hoogte van de afvoerpijp van het eetcafé of het plaatsen van een doelmatige ontgeuringsinstallatie, teneinde geurklachten te voorkomen. De eventuele geurhinder van het eetcafé aan de Julianlaan 66 kan met gebruikelijke voorzieningen worden beperkt, zodat het bedrijf kan voldoen aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Met deze voorzieningen wordt het eetcafé niet in zijn bedrijfsvoering beperkt en is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de beoogde woningen. Conclusie Gezien het voorgaande zal ter plaatse van de beoogde woningen sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Dit wordt veiliggesteld middels een drietal voorwaardelijke verplichtingen. Daarnaast worden milieubelastende activiteiten in de omgeving door de aanwezigheid van bestaande woningen niet extra beperkt in hun mogelijkheden als gevolg van het plan. Het plan is daarmee uitvoerbaar voor het aspect milieuzonering.

4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. Planspecifiek Om te bepalen welke risico's er op het gebied van externe veiligheid optreden is de risicokaart geraadpleegd:

37

Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied: zwarte kader)

Zoals zichtbaar op voorgaande afbeelding zijn er geen Bevi-inrichtingen of transportwegen voor gevaarlijke stoffen aanwezig in de nabijheid van het plangebied. Voorgenomen ontwikkeling heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals rampenbestrijding, bereikbaarheid of mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Hiermee vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Fysieke veiligheid Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) heeft op 16 december 2020 advies uitgebracht over de fysieke veiligheid omtrent het bestemmingsplan aan de Julianalaan 68-70 te Kaag. Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten te beperken en/of de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten te verbeteren, adviseert VRHM het volgende:

•

De wegenstructuur op Kaag is zeer smal, waardoor het mogelijk is dat er blokkades optreden door geparkeerde auto’s op de openbare weg wanneer er veel mensen op het eiland aanwezig zijn. Een onbelemmerde toegang van de brandweer naar de incidentlocatie is dan ook niet te garanderen. Het kan er ook voor zorgen dat de brandkranen op het eiland niet te bereiken, en dus niet te gebruiken, zijn door de brandweer. De gemeente wordt dan ook geadviseerd om te handhaven op de geparkeerde auto’s op het eiland, om zo de kans op blokkades op de openbare weg te verkleinen. Als een brandkraan niet te gebruiken is, kan gebruik gemaakt worden van het open water.

•

In de omgeving van de planlocatie is één brandkraan aanwezig aan de Julianalaan die op circa 55 meter afstand ligt en dienst kan doen als offensieve (primaire) bluswatervoorziening. Open water is als secundaire bluswatervoorziening te gebruiken, indien het voldoet aan de gestelde voorwaarden.

•

De opkomsttijd van de brandweer naar het plangebied wordt overschreden. De wettelijke norm bedraagt acht minuten voor gebouwen met een woonfunctie. Er is een gemiddelde overschrijding van de opkomsttijd van circa éen minuut. Geadviseerd wordt om deze geringe overschrijding te accepteren, mede gezien de realisatie van bouwkundige en installatietechnische voorzieningen welke (behoren te) voldoen aan het nieuwbouwniveau van het Bouwbesluit.

•

Het handelingsperspectief van de aanwezigen personen is bij een gebouwbrand vanuit ruimtelijke ordeningsoogpunt voldoende. De ontvluchting vanuit het plangebied naar de openbare weg is voldoende mogelijk. Voor het bestemmingsplan heeft VRHM geen bezwaren.

38

4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het WB21 worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlakte- en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren.

Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) zijn hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheerplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan handelingen in of nabij:

• •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);

39

• •

andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.

Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.

Planspecifiek Watercompensatie Een toename aan verharding van meer dan 500 m² dient volgens de regels van het hoogheemraadschap van Rijnland in de vorm van nieuw open water te worden gecompenseerd. Een toename aan verharding zorgt er namelijk voor dat het regenwater sneller op het oppervlaktewater zal afstromen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. Onderstaande tabel toont de verhardingsbalans van de beoogde ontwikkeling. Voor wat betreft de parkeergarage; deze is in de berekening als 100% verhard meegenomen, hoewel er door de leeflaag op deze parkeergarage wel enige infiltratie plaats heeft. Dit met uitzondering van de buitenruimte bij de vrijstaande woning; deze is wel als 50% onverhard meegenomen. Dat geldt ook voor de twee doorgangen naar het water (buiten de geprojecteerde parkeergarage). Voor wat betreft de toekomstige bebouwing is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan.

40

Verantwoording oppervlaktes: links bestaande situatie, rechts nieuwe situatie (bron; Buro SRO, 2 september 2022)

oppervlakte (in m²) bestaande situatie bebouwing verharding groen water Totaal waarvan totaal verhard

564 928 450 1.670 3.612 1.492

toekomstige situatie bebouwing verharding buitenruimten (50% verhard) buitenruimten (50% onverhard) water Totaal waarvan totaal verhard

1.025 565 131 131 1.760 3.612 1.721

benodigde watercompensatie verhardingstoename watercompensatie (> 500 m² verhardingstoename)

229 n.v.t.

Zoals bovenstaande verhardingsbalans laat zien is er sprake van een relatief geringe toename van 229 m² aan verharding binnen het plangebied. Derhalve is watercompensatie voor het plangebied niet benodigd. Daarbij wordt met de beoogde ontwikkeling meer oppervlaktewater aangelegd. Het oppervlak van het water in het plangebied neemt toe met 90 m², uitgaande van wat nu als 'Water' bestemd is. Watergangen De volgende afbeelding toont een fragment van de Legger Regionale Keringen van het hoogheemraadschap van Rijnland.

41

Fragment legger hoogheemraadschap van Rijnland (globale ligging plangebied binnen zwarte kader)

Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied binnen de kernzone en beschermingszone ligt van een regionale waterkering. In een dergelijke zone is het verboden om zonder vergunning bepaalde werkzaamheden uit te voeren. Hiertoe is in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Voor het uitvoeren van handelingen binnen de kern- en beschermingszone van de regionale waterkering dient de initiatiefnemer instemming te verkrijgen van het hoogheemraadschap van Rijnland. Waterafvoer Voor afvalwater kan worden aangesloten op de bestaande riolering. Het afvalwatersysteem wordt zodanig vormgegeven dat het hemelwater kan worden afgekoppeld richting het oppervlaktewater.

4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN en vormen een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN dragen bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als

42

bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling gaat uit van de sloop van twee woningen, een schuurtje en een botenloods. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna, beschermde gebieden en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. In dit kader is een oriënterend onderzoek uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 23 mei 2019, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5). Tevens is reeds het aanvullend ontheffingstraject in gang gezet. Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft, behoudens vleermuizen en de huismus, aannemelijk geen relevante functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor vleermuizen dient nader onderzocht te worden of de stootvoegen en kieren in de bebouwing op de planlocatie geschikt al dan niet in gebruik zijn. Tevens maken vleermuizen mogelijk gebruik van de locatie tijdens het foerageren en migreren.

Daarnaast dient er een aanvullende inspectie te worden uitgevoerd om de aanwezigheid van de huismus en mogelijke nesten te kunnen vaststellen. De planlocatie en de directe omgeving hebben (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels. Naar aanleiding van de resultaten van het oriënterend onderzoek is een huismus- en vleermuisonderzoek uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 18 oktober 2019, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6). In de periode april 2019 - mei 2019 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in de gebouwen in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2017a). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woning en de loods in het plangebied geen nestgelegenheden bieden voor de huismus. Er zijn tevens geen nesten in de directe omgeving gedefinieerd. Het plangebied maakt geen deel uit van het functioneel leefgebied van de soort. Er hoeft voor deze soort geen ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd alvorens vorengenoemde bebouwing gesaneerd kan worden. In de periode mei 2019 - september 2019 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in de bebouwing in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Vleermuisprotocol (NGB, 2017).

Tijdens het onderzoek zijn twee verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woning (Julianalaan 68) functie heeft voor de

43

gewone en ruige dwergvleermuis als vaste rust- en verblijfplaats (paarverblijfplaats). Het plangebied maakt geen deel uit van het essentieel foerageergebied van beide soorten. Als gevolg van de beoogde werkzaamheden gaan de verblijfplaatsen op de locatie verloren. De beoogde renovatie leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming (artikel 3.5, lid 4 (wegnemen vaste rust- en/of verblijfplaatsen)). Als gevolg van de verstoring van de verblijfplaatsen, het functionele leefgebied en overige verstoring door de werkzaamheden leiden de werkzaamheden tot overtreding van Wet natuurbescherming (artikel 3.5, lid 2). Er dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd alvorens vorengenoemde woning gesaneerd kan worden. De ontheffingsaanvraag loopt momenteel bij de omgevingsdienst. In dat verband is een Activiteiten- en mitigatieplan opgesteld en zijn (tijdelijke) gevelkasten opgehangen. Het huismus- en vleermuisonderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van huismus en vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten. Er is één kauwnest aangetroffen. Deze bevindt zich buiten het plangebied. Mogelijk kan in het broedseizoen de bebouwing een plek bieden voor nesten van algemene broedvogels.

Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels beschermd tijdens het broedseizoen (indicatief betreft dit de periode 15 maart t/m 15 juli). Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden óf dient de bebouwing vooraf ongeschikt gemaakt te worden. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en Belangrijk Weidevogelgebied, maar is wel nabij Natuurnetwerk Nederland gelegen. Voor het Natuurnetwerk Nederland en weidevogelgebieden is externe werking geen toetsingskader. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt. De beoogde ontwikkeling betreft het slopen van twee woningen om hiervoor in de plaats drie woongebouwen met in totaal tien appartementen te realiseren. Het transport en de bouwwerkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). In verband met de nieuwe 'stikstofwet' van 1 juli 2021 geldt er voor de bouwfase een vrijstelling. Alleen voor de gebruiksfase van een ontwikkeling dient de stikstofdepositie te worden berekend. Voor wat betreft de gebruiksfase is er in de huidige (planologische) situatie al sprake van stikstofemissie.

De bestaande woning is niet optimaal geïsoleerd en maakt gebruik van een gasstookinstallatie. In het voorgenomen plan worden de appartementen gasloos uitgevoerd. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling en de grote afstand tot het nabijgelegen Natura-2000 gebied wordt een stikstofberekening niet nodig geacht. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden te groot is en dat de mate van deze verstoringsfactoren niet zullen leiden tot een toename. Tevens zorgen de tussengelegen percelen, woningen en infrastructuur voor voldoende bufferwerking om deze (eventuele) effecten te ondervangen. Conclusie De werkzaamheden en toekomstige situatie leiden niet tot aantasting van beschermde gebieden of, behoudens vleermuizen, beschermde natuurwaarden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen en algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit).

Wanneer er zicht is op een ontheffing van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen, is de sloop van de bebouwing, de nieuwbouw van drie woongebouwen en het onderkelderen van de bebouwing uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Met een projectplan, waarin wordt onderbouwd dat voldaan kan worden aan de criteria van het Kennisdocument gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis en dat bij de ontheffingsaanvraag wordt gevoegd, wordt aangetoond dat er zicht is op ontheffing van de Wet natuurbescherming.

44

Te treffen maatregelen

•

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (zorgplicht).

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

•

De werkzaamheden dienen uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera.

•

Ten aanzien van algemene broedvogels dienen de werkzaamheden opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor aanvang door een ter zake deskundige gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

4.5 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast.

Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze herziening van het beleid vastgesteld.

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart

45

Uit de archeologische beleidskaart volgt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van een historische kern en historische ontginningsas. De aanwijzing brengt een nadere onderzoeksverplichting met zich mee voor bodemingrepen groter dan 150 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld. Er is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Transect, d.d. 2 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat het noordelijk deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft op de aanwezigheid van nederzettingsresten uit de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd. Deze verwachting is met name gebaseerd op de aanwezigheid van een gefaseerd, onverstoord, ouder ophogingspakket in combinatie met het voorkomen van historische bebouwing op kaartmateriaal sinds de 17e eeuw. Resten zullen in ieder geval minimaal vanaf een diepte van 45 cm -Mv te verwachten zijn tot een maximale diepte van 350 cm -Mv, de maximale dikte van de ophoging. Voor de overige archeologische perioden geldt een lage archeologische verwachting. Op basis van het archeologisch vooronderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft op de aanwezigheid van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd.

Het verdient zodoende de aanbeveling de hoge archeologische verwachting als archeologische waarde in het bestemmingsplan op te nemen. De geldende planregels uit het vigerende bestemmingsplan kunnen in het nieuwe bestemmingsplan worden overgenomen (met een aangepaste waarde voor wat betreft de diepte; 45 cm -Mv). Uitzondering hierop vormt de omtrek van het boothuis. Hier is de ondergrond vergraven. Deze omtrek behoeft geen waarde. Op de plaatsen waar bodemingrepen worden gepland, verdient het de aanbeveling om vervolgmaatregelen te nemen. Gezien er in het plangebied graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden die deze diepte (45 cm -Mv) overschrijden en daarmee archeologisch relevante lagen zullen worden verstoord, wordt geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren (IVO) karterende/waarderende fase. Doel van dit onderzoek is om vast te stellen of en in hoeverre in de te verstoren gebiedsdelen archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, wat de behoudenswaardigheid van deze resten is. Voor gravend archeologisch onderzoek, zoals een proefsleuvenonderzoek dient de werkwijze te worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE), dat door de gemeente Kaag en Braassem dient te worden beoordeeld en goedgekeurd. Conclusie Uit het archeologische onderzoek blijkt dat sommige delen van het plangebied een hoge archeologische verwachting hebben.

In het bestemmingsplan wordt de hoge archeologische verwachtingswaarde opgenomen door middel van een dubbelbestemming. Omdat op sommige locaties diep zal worden gegraven en de archeologische relevante lagen zullen worden verstoord is een proefsleuvenonderzoek benodigd. Deze zal in de toekomst worden uitgevoerd. Daaruit volgt dat geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied is gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht. De bescherming van het dorpsgezicht is gewaarborgd binnen de regels van het vigerend bestemmingsplan middels de dubbelbestemming 'Waarde Beschermd dorpsgezicht'. Hierin is vastgelegd dat het slopen van bebouwing enkel is toegestaan mits er een omgevingsvergunning wordt verleend. In het kader van de beoogde ontwikkeling zal een dergelijke omgevingsvergunning worden aangevraagd. Voorts wordt met de beoogde ontwikkeling een bijdrage geleverd aan het beleven van de historische lintstructuur. Met de herstructurering krijgt het bestaande lint een natuurlijke beëindiging. De architectuur sluit in situering, oriëntatie en vormgeving beter aan op de

46

omgeving dan de bestaande bebouwing in het plangebied. Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele monumentale waarden aantast. Tevens is het plan voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (Dorp, Stad en Land). Het plan was eerder voorgelegd aan de commissie. Het aangepast plan komt tegemoet aan de opmerkingen die destijds zijn gedaan en wordt akkoord bevonden. Gesteld wordt dat er sprake is van een moderne, passende aanvulling van het lint die recht doet aan de cultuurhistorie in het gebied.

4.7 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.

4.7.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De ontsluiting van het plangebied zal, gelijk aan de bestaande situatie, plaatsvinden via de ontsluitingsweg Julianalaan. Er is een verkeersonderzoek uitgevoerd (Goudappel, d.d. 21 maart 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8.

Hierin is, naast een verkeersgeneratieberekening en het verkeerskundige effect van het te genereren verkeer op het eiland, ook onderzocht of de pont voldoende capaciteit heeft om de extra verkeersproductie van het onderhavige initiatief te kunnen verwerken. Restcapaciteit van de pont In totaal kan de pont 4 auto’s per afvaart overbrengen. Tegelijkertijd kan nog een klein aantal voetgangers en fietsers overgevaren worden. Verder is de pont geschikt voor 1 vrachtwagen, trailer of grote bestelbus in combinatie met 3 motorvoertuigen. Er zijn metingen verricht van de verschillende afvaarten en bekeken is wat de bezetting was van de pont op de verschillende momenten van de dag. De metingen zijn conform ASVV 2021 van landelijk kennisinstituut CROW uitgevoerd gedurende de maatgevende ochtend- en avondspitsperioden om een goed beeld te krijgen van de verkeersintensiteiten en de verkeersdruk gedurende de drukste momenten in de week. De tellingen zijn uitgevoerd in de maand februari, en bijvoorbeeld niet gedurende de zomerperiode, aangezien metingen gedurende de zomermaanden (juni tot en met augustus) conform ASVV 2021 niet representatief zijn, door bewoners die op vakantie zijn en door een hoger fietsgebruik vanwege de mooiere weersomstandigheden. Hierdoor is er beperkter gemotoriseerd verkeer in het woon- en werkverkeer.

De (representatieve) gegevens zijn derhalve verzameld tijdens momenten, die een realistisch beeld geven van een gemiddelde situatie. In de maand februari zijn in vergelijking met andere maanden hogere verkeersintensiteiten te verwachten door de aanwezigheid van woon- en werkverkeer. - Aantal afvaarten Uit het onderzoek bleek dat de ochtendspits het meeste verkeer genereert in de richting van het dorp Buitenkaag. In de richting van Kaag genereert de avondspits het meeste verkeer. De huidige capaciteit van

47

de pont wordt bepaald door het aantal afvaarten van de pont. Uit de metingen blijkt dat in een druk uur 30 afvaarten mogelijk zijn. De onderstaande tabel toont de gemeten afvaarten in de ochtend- en avondspits. richting

ochtendspits 7.00 – 8.00 uur

ochtendspits 8.00 – 9.00 uur

avondspits 16.00 – 17.00 uur

avondspits 17.00 – 18.00 uur

Buitenkaag

15

11

14

14

Kaag

14

12

16

13

totaal

29

23

30

27

- Gemeten verkeersintensiteiten In navolgende tabel is het aantal waargenomen motorvoertuigen weergegeven. Uit de metingen blijkt dat de avondspits het meeste autoverkeer genereert. Tevens zijn het aantal waargenomen fietsers en voetgangers weergegeven.

Gemeten intensiteiten auto- en fietsverkeer en voetgangers (Bron Goudappel, 21 maart 2022)

- Capaciteit Uitgaande van een situatie waarin de pont optimaal wordt benut, is het mogelijk 4 auto’s over te brengen per afvaart. Met de hiervoor bepaalde afvaarten resulteert dit in de volgende beschikbare capaciteit per richting gedurende de maatgevende 2-uurs spitsperiode:

• •

ochtendspits: o richting Buitenkaag: (15 + 11) x 4 = 104 auto’s; o richting Kaag: (14 + 12) x 4 = 104 auto’s. avondspits: o richting Buitenkaag: (14 + 14) x 4 = 112 auto’s; o richting Kaag: (16 + 13) x 4 = 116 auto’s.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=57af1be6-4904-44a8-8cfc-096940f17ec6