CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPVRIEZEKOOP75-VAS1 toelichting (aangepast na aannemen amendement)

Gemeenteraad 18 september 2023, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Vriezekoop 75, Vriezekoop 24 en Kerklaan 53, Leimuiden’.18.013 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Gezien het voorgaande is het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing en geldt er geen m.e.r.(beoordelings)plicht.

4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Vriezekoop 75 Het voorgenomen plan betreft een wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming, teneinde een vrijstaande woning mogelijk te maken. Dit betreft een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik.

Omdat personen logischerwijs voor meer dan 8 uur in het plangebied verblijven, dient een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd te worden om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt zijn voor de beoogde woonfunctie. Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (Grondslag, 30324, 29 januari 2019, zie bijlage) blijkt dat in de bovengrond over het algemeen licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen (kwik en lood) zijn aangetroffen. Daarnaast zijn licht verhoogde gehalten van PCB aangetroffen. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen (met name kwik, maar ook kobalt, lood, nikkel en zink) en PAK aangetroffen. Licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen worden vaker in de bodem van bewoonde gebieden vastgesteld en kunnen worden beschouwd als een verhoogd achtergrondgehalte. Het licht verhoogde gehalte aan PCB in de bovengrond is mogelijk het gevolg van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Uit de analyse- en toetsingsresultaten blijkt dat het grondwater licht verhoogde concentraties aan nikkel en minerale olie bevat. Daarnaast zijn matig verhoogde concentraties aan barium vastgesteld. Licht verhoogde

29

gehalten aan enkele zware metalen worden vaker in de bodem van bewoonde gebieden vastgesteld en kunnen worden beschouwd als een verhoogd achtergrondgehalte. Uit de oliechromatogram en de oliefractieverdeling is af te leiden dat de lichte verhoging van minerale olie hoogstwaarschijnlijk wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van cresoot/koolteer. Deze stof werd bijvoorbeeld van oudsher gebruikt als houtverduurzamingsmiddel. Er zijn geen verhoogde gehalten aangetoond die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Uit de onderzoeksresultaten volgt dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater milieuhygiënisch geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Kerklaan 53 en Vriezekoop 24 Het voorliggende bestemmingsplan maakt een functiewijziging van de agrarische bedrijfswoning Kerklaan 53 naar een burgerwoning en de uitbreiding van de woonbestemming nabij Vriezekoop 24 mogelijk. Gezien het feit dat de gronden jarenlang in gebruik zijn geweest voor een bedrijfswoning en als tuin, is niet aannemelijk dat de bodemkwaliteit een belemmering oplevert. Er is geen reden om aan te nemen dat de bodem niet geschikt is voor het bestaande en toekomstige gebruik. Derhalve is in het kader van het bestemmingsplan geen bodemonderzoek vereist.

Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (Grondslag, 30324, 29 januari 2019, zie bijlage) blijkt dat op of nabij de locaties geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Uit het bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse van de woning op de locatie Vriezekoop 24 in de ophooglaag in de ondergrond sterke verontreinigingen met lood, nikkel en zink aangetroffen zijn. De bovengrond en het grondwater blijken niet tot licht verontreinigd. Uit (verouderd) bodemonderzoek op de locatie Kerklaan 53 in Leimuiden blijkt dat er geen bodemverontreiniging aangetroffen is. Vriezekoop Noord Leimuiden sectie B nummer 1467, 1679 en 1680 (alle gedeeltelijk) Van deze percelen zal de functieaanduiding 'sierteelt' worden verwijderd, waardoor de bestemming niet gevoeliger wordt. Derhalve zijn er geen belemmeringen te verwachten. Kerklaan 53 Leimuiden sectie A nummer 4404 en 4405 Van deze percelen zal de functieaanduiding 'glastuinbouw' worden verwijderd, waardoor de bestemming niet gevoeliger wordt. Derhalve zijn er geen belemmeringen te verwachten. Kerklaan 53 Leimuiden sectie A nummer 4406 en Vriezekoop 24 Leimuiden sectie B nummer 1611 en 1613 (alle gedeeltelijk) Met het voorliggende bestemmingsplan zal de bestemming van de percelen gewijzigd worden van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. De agrarische bedrijfswoning aan de Kerklaan 54 wordt omgezet naar een burgerwoning.

Uit de beschikbare bodeminformatie blijkt dat op of nabij de locaties geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Uit (verouderd) bodemonderzoek op de locatie Kerklaan 53 in Leimuiden blijkt dat er geen bodemverontreiniging aangetroffen is. Gelet op de beschikbare bodeminformatie en dit bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen te verwachten. Uit (verouderd) bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse van de woning op de locatie Vriezekoop 24 in de ophooglaag in de ondergrond sterke verontreinigingen met lood, nikkel en zink aangetroffen zijn. De bovengrond en het grondwater waren niet tot licht verontreinigd. De gronden rondom de woning aan de Vriezekoop 24 hebben reeds gedeeltelijk de bestemming 'Wonen'. Aan de Vriezekoop 24 zijn geen bodemingrepen voorzien. Daar de verontreinigingen in de ondergrond zijn aangetroffen is er geen risico op contact met de verontreinigingen. Bij toekomstige ingrepen zal er voldaan moeten worden aan het Besluit bodemkwaliteit. Daarmee zijn er geen belemmeringen te verwachten. Conclusie Gezien het voorgaande is het voorgenomen plan uitvoerbaar voor het aspect bodem.

30

4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Planspecifiek Het voorliggende initiatief is een kleinschalige ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit is daarmee niet vereist. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&W en RIVM) echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen respectievelijk 17 µg/m³, 10 µg/m³ en 18 µg/m³.

Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmeringen. 4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

verpleeghuizen,

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

31

Planspecifiek Vriezekoop 75 Voor het mogelijk maken van de beoogde woning, die een geluidgevoelig object in het kader van de Wgh is, is een akoestisch onderzoek vereist wanneer zij geprojecteerd is binnen de onderzoekszone van een (spoor)weg of een geluidgezoneerd industrieterrein. Spoorwegen en geluidgezoneerde industrieterreinen ontbreken in de omgeving van het plangebied. De wegen in de omgeving (Vriezekoop Zuid, Vriezekoop Noord en Generaal van Merleweg) zijn wegen met een snelheidsregime van 60 km/h. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai uitgevoerd. Uit het akoestisch onderzoek wegverkeer (Adviesburo Van der Boom, 19-012r1, 7 februari 2019, zie bijlage) blijkt dat de 48 dB-contour van de geluidbelasting na aftrek van 5 dB ex art 110-gWgh door wegverkeer op de Vriezekoop Zuid op 8 m van de wegas ligt. Indien gebouwd wordt op ten minste 8 m uit de wegas, wat in het voorliggende plan vanwege de afstand van 8 m van de wegas tot het bouwvlak het geval is, wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Een hogere waarde voor de geluidbelasting door wegverkeer is voor de woning dan ook niet noodzakelijk. De geluidbelasting door de overige gezoneerde wegen is op het hele perceel lager dan 48 dB. De voorkeursgrenswaarde wordt voor deze wegen niet overschreden, een hogere grenswaarde is niet nodig.

Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woning wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De gevels ondervinden bij een afstand van 8 m vanaf de Vriezekoop Zuid een geluidbelasting voor alle wegen samen van ten hoogste 53 dB zonder aftrek. De benodigde karakteristieke geluidwering bedraagt dan G A;k 20 dB. Dat is de minimumwaarde uit het Bouwbesluit. Er zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig die de minimumeisen te boven gaan. Kerklaan 53 en Vriezekoop 24 Aan de Kerklaan 53 en Vriezekoop 24 worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van een nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is niet benodigd. Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit het aspect geluid. 4.2.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen).

Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

32

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Vriezekoop 75 In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk en rustig buitengebied'. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. In de omgeving van het plangebied, het dijklint Vriezekoop, komt relatief veel (agrarische) bedrijvigheid voor, waardoor deze wordt aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. In het voorgenomen plan maakt het sierteeltbedrijf, dat in het geldende bestemmingsplan is toegestaan, plaats voor een gevoelige bestemming (woning). Derhalve is aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn. Deze zijn weergegeven in de navolgende tabel. Naam

Adres

SBI-code

Milieucategorie

Richtafstand in gemengd gebied (m)

fokken en houden van rundvee (1) sierteeltbedrijf (2)

Vriezekoop 77 Vriezekoop tussen 71 en 73 Bilderdam tussen 1 en 4a Vriezekoop 67 Bilderdam 12 Vriezekoop 38 Bilderdam 16

0141, 0142 011, 012, 013

3.2

50

Afstand tot het plangebied (m) 0

2

10

22

011, 012, 013

2

10

22

0141, 0142 251, 331.1

3.2

50

75

3.2

50

57

0141, 0142 - 451, 452, 454 - 45204 C - 45204 A - 451, 452, 454 - 45204 C - 45204 A

3.2

50

97

-2 - 3.1 - 3.2

50

98

-2 - 3.1 - 3.2

50

100

glastuinbouwbedrijf (2)

fokken en houden van rundvee constructiewerkplaats (3)

fokken en houden van rundvee autoreparatiebedrijf/ spuiterij en autoplaatwerkerij autoreparatiebedrijf/ spuiterij en autoplaatwerkerij

Vriezekoop 39-40

Ad 1) Hoewel het geldende bestemmingsplan op het perceel aan de Vriezekoop 77 agrarische bedrijvigheid toestaat en er daarmee formeel gezien niet aan de richtafstand wordt voldaan, worden er ter plaatse geen bedrijfsactiviteiten meer uitgeoefend en is het perceel volledig ingericht voor wonen. Daarnaast is er op dit

33

adres geen bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Vanwege de ligging en de omvang van het agrarisch bouwvlak is het niet aannemelijk dat zich hier in de toekomst nog een agrarisch bedrijf zal vestigen. Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit is het niet mogelijk om buiten de bebouwde kom binnen een afstand van 50 meter vanaf een geurgevoelig object (woning) een dierverblijf bij een grondgebonden veehouderij op te richten. De woning aan Bilderdam 41 ligt op ca. 10 meter van de kadastrale percelen C1965 en C2235 (agrarisch bouwvlak), waarmee op het oostelijke deel van de percelen geen dierverblijf opgericht mag worden. Dit geldt ook voor het noordelijke deel, vanwege de aanwezigheid van de woningen aan Bilderdam 4a-8 (even) op ca. 25 meter afstand van het agrarisch bouwvlak. Wanneer uit wordt gegaan van de maximale planologische mogelijkheden binnen de bestemming 'Wonen' ter hoogte van Bilderdam 4a-8 (even) en 41, mogen woningen op een kleinere afstand van de percelen C1965 en C2235 worden gebouwd. In dit geval kunnen de kadastrale percelen C1965 en C2235 (overzijde van de weg) in de toekomst niet of nauwelijks gebruikt worden voor het oprichten van een nieuw dierverblijf.

De gronden die resteren aan de zuidwestzijde van de percelen C1965 en C2235 hebben een te kleine oppervlakte voor een volwaardig agrarisch bedrijf zoals het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' dat toestaat. Daarmee vormen de planologische mogelijkheden geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning. Ad 2) Op het perceel aan Bilderdam tussen 2 en 4a en het perceel aan Vriezekoop tussen 71 en 73 vinden geen bedrijfsactiviteiten meer plaats, waarbij de bestemming voor het perceel aan Vriezekoop tussen 71 en 73 reeds gewijzigd is naar ‘Wonen’. Daarnaast wordt er voldaan aan de richtafstand van de activiteiten die op basis van het geldende bestemmingsplan zijn toegestaan. Ad 3) Het geldende bestemmingsplan staat aan de Bilderdam 12 bedrijven van ten hoogste milieucategorie 2 toe. De feitelijk aanwezige bedrijvigheid betreft echter een bedrijf van milieucategorie 3.2. Desondanks wordt er wel aan de richtafstand voldaan. Kerklaan 53 en Vriezekoop 24 Voor alle (agrarische) bedrijfspercelen in de omgeving geldt dat deze bedrijven niet beperkt worden in hun mogelijkheden, omdat er voor die bedrijven geen nieuwe situatie ontstaat ten opzichte van de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning aan de Kerklaan 53. Deze woning geniet reeds bescherming ten opzichte van bedrijfsactiviteiten van derden.

De mogelijkheden voor glastuinbouw ten oosten van de woning worden wegbestemd met het voorliggende bestemmingsplan. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de vraag is sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Kerklaan 53. In de navolgende tabel zijn de bedrijven in de omgeving opgenomen. Naam

Adres (kadastraal perceel)

SBIcode

Milieucategorie

2

Richtafstand in gemengd gebied (m) 10

Afstand tot het plangebied (m) 0

Kwekerij

Westeinde 3 (A145)

Hoveniersbedrijf

Westeinde 5A en 5B (A3285, A3286 en A3545)

011, 012, 013 016

2

10

0

Het Westeinde 3 (perceel A145) is de locatie van een voormalige kwekerij, die niet meer in gebruik is. Desondanks dient wel rekening gehouden te worden met de planologische mogelijkheden. Voor een glastuinbouwbedrijf geldt een richtafstand van 10 m in gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De afstand van de perceelsgrens tot de dichtstbijzijnde gevel van de woning aan de Kerklaan 53 is circa 15 m. Ook aan de Kerklaan 53a (perceel A3545) vindt geen agrarische bedrijfsvoering meer plaats. Volgens de Omgevingsdienst West-Holland hoort perceel A3545 bij het hoveniersbedrijf aan de Westeinde 5A en 5B, hoewel het geldende bestemmingsplan op dit perceel geen hoveniersbedrijf als hoofdfunctie toestaat. Desondanks wordt er wel voldaan aan de richtafstand van 10 m in gemengd gebied, gemeten vanaf het

34

gebouw aan de Kerklaan 53a met de bijbehorende buitenruimte en de westgevel van de woning aan de Kerklaan 53. Westeinde 19 (perceel A3996) bevat de bestemming 'Wonen' en bevat daarnaast gedeeltelijk een agrarische bestemming, maar hier vindt ook geen bedrijfsvoering meer plaats. Verder is er ten zuiden van de planlocatie sprake van sierteeltbestemmingen (o.a. de percelen A3996 (gedeeltelijk) en A3457). De sierteeltgronden aan de zuidzijde hebben in het verleden niet bij Kerklaan 53 gehoord. Omdat er geen sprake is van een relatie tussen de woning aan de Kerklaan 53 en de sierteelt, ontstaat er met de omzetting naar een burgerwoning geen nieuwe situatie. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, ondanks de mogelijke drift van bestrijdingsmiddelen. Een bedrijfswoning van een derde heeft in principe eenzelfde beschermingsniveau als een burgerwoning, zoveel blijkt ook uit de uitspraak van de Raad van State van 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1007). De planologische omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning voorziet daarmee feitelijk niet in een andere milieukundige situatie. De afstand van 20 meter tussen de Kerklaan 53 en de percelen ten zuiden daarvan is, conform de vuistregel, in principe onvoldoende. Echter betreft het hier een zogenaamde historisch gegroeide situatie.

De Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:4036) heeft hierover geoordeeld dat de afstandseis van 50 meter niet geldt in bestaande situaties. Hierbij kan het belang van het behoud van de bestaande situatie prevaleren, aangezien niet vaststaat dat de nadelige gevolgen vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zo groot zijn dat deze in redelijkheid niet langer aanvaardbaar kunnen worden geacht. De aanwezigheid van de bestaande bedrijfsactiviteiten staat niet in de weg aan de beoogde omzetting van de woning aan de Kerklaan 53. Bovendien is er een bestemmingswijziging in voorbereiding voor het wegbestemmen van de mogelijkheden voor sierteelt op perceel A3457. Aan de zijde van de uitbreiding van de bestemming 'Wonen' bij de woning aan de Vriezekoop 24 (geen extra woning) vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats die een beperking vormen voor een goed woon- en leefklimaat of die beperkt worden in de mogelijkheden door de wijziging. Conclusie Gezien het voorgaande zijn er geen belemmeringen voor een goed woon- en leefklimaat en worden milieubelastende activiteiten in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt als gevolg van de ontwikkeling. Er kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect milieuzonering en het plan uitvoerbaar is.

4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

35

Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.

Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest.

Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

36

Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Vriezekoop 75 Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en buisleidingen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart met globale begrenzing plangebied (zwarte ster)

Uit de risicokaart blijkt dat er op minimaal 1,1 km afstand van het plangebied een tweetal risicovolle inrichtingen aanwezig is. Dit betreft twee bovengrondse propaantanks met een inhoud van respectievelijk 4.900 liter en 3.000 liter. Op een afstand van 500 meter ten noorden van de planlocatie is een propaantank van 1.200 liter aanwezig. Propaantanks met een inhoud kleiner dan 13 m³ vallen niet onder de werking van het Bevi. Bovengrondse propaanreservoirs met een inhoud tot en met 13 m³ waaraan propaan uitsluitend in de gasfase wordt onttrokken vallen sinds 2007 onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor dergelijke reservoirs zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer wettelijke veiligheidsafstanden opgenomen. Deze veiligheidsafstanden zijn gebaseerd op de afstanden tot de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6). De plaatsgebonden risicocontour van beide propaantanks bedraagt 10 m. Omdat hieraan wordt voldaan, is verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde. De inventarisatie van de risicovolle inrichtingen is niet volledig: uit gegevens van de Atlas Leefomgeving blijkt dat op een afstand van circa 500 meter ten noorden van de locatie een propaantank van 1.200 liter aanwezig is. Evenals de wel genoemde andere twee propaantanks is de planlocatie gelegen buiten de veiligheidsafstanden van de 1.200 liter propaantank.

37

In de nabijheid van het plangebied zijn geen transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en spoor aanwezig. De N207 bevindt zich op circa 2,7 km afstand. Over de provinciale weg N207 vindt wegtransport van gevaarlijke stoffen plaats. De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied van deze weg. Buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn niet aanwezig in de nabijheid van het plangebied. De Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) heeft een advies uitgebracht in het kader van het voorliggende bestemmingsplan. In het advies concludeert de VRHM dat alleen het scenario 'gebouwbrand' relevant is en dat er in het kader van de fysieke veiligheid geen verdere advisering benodigd is. Kerklaan 53 en Vriezekoop 24 Aan de Kerklaan 53 en Vriezekoop 24 worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van een nieuwe situatie in het kader van externe veiligheid. Conclusie Gezien het voorgaande kan er worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het WB21 worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlakte- en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de

38

waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) zijn hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheerplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.

Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

39

Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Vriezekoop 75 De gronden in het plangebied zijn in de huidige situatie deels bebouwd en/of verhard. Deze verharding bestaat uit de foliekas, de verharding aan de noordzijde en het pad midden op het perceel. De verharding in de toekomstige situatie bestaat uit de beoogde vrijstaande woning met bijbehorende erfverharding. In de navolgende tabel is de bijbehorende verhardingsbalans weergegeven.

Dakoppervlak (m²) Erfverharding (m²) Subtotaal (m²) Onverhard (m²) Water (m²) Totaal (m²)

Huidige situatie

Toekomstige situatie

90 604 694 1.950 206 2.850

120 40% van 2.524 = 1.010 1.130 60% van 2.524 = 1.514 206 2.850

Voor het dakoppervlak van de beoogde vrijstaande woning wordt bij benadering uitgegaan van 120 m². Het oppervlak erfverharding in de toekomstige situatie is bepaald op 40% van het perceel verminderd met het dakoppervlak van de beoogde vrijstaande woning en het wateroppervlak. Gezien de ruime omvang van het perceel wordt dit percentage als representatief beschouwd voor het deel van het plangebied dat in de toekomstige situatie verhard is. Uit de verhardingsbalans blijkt dat er sprake is van een toename aan verhardingsoppervlak van circa 1.130 - 694 = 436 m². Daarmee is watercompensatie niet vereist. Wanneer blijkt dat er in de feitelijke situatie toch sprake zal zijn van een toename van meer dan 500 m² aan verhardingsoppervlak, dan is watercompensatie vereist. Bij een toename van verhard oppervlak van meer dan 500 m² moet het totaal aan verhard oppervlakte worden gecompenseerd in hetzelfde peilvak door het graven van 15% (huidige Keur 2022) in de vorm van open water, wat in verbinding moet staan met de rest van het watersysteem. Ook als de toename van verharding minder is dan 500 m² mag er geen wateroverlast ontstaan (bij andere percelen) bij regenval. Het is dan belangrijk dat er maatregelen worden genomen. Het voorkomen van wateroverlast bij een toename van verharding (<500 m²) valt onder de zorgplicht. Het plangebied is gelegen in de beschermingszone van een waterkering.

De Vriezekoop ten zuiden van het plangebied is een waterkering. Deze beschermingszone reikt tot circa 20 m in het plangebied. De beoogde woning is niet in de beschermingszone voorzien. Wanneer de beoogde woning toch binnen de beschermingszone van de waterkering gebouw wordt, dient hierover advies ingewonnen te worden bij het hoogheemraadschap van Rijnland en een watervergunning aangevraagd te worden. Ook voor het plaatsen van bomen en het aanbrengen van verharding in de kern- en beschermingszone van een waterkering gelden regels. Het waterkeringsbelang wordt, gelijk aan het geldende bestemmingsplan, met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' in het voorliggende bestemmingsplan geborgd. De afvoer van hemelwater wordt afgekoppeld van de afvoer van afvalwater. Daarbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Het hemelwater infiltreert in de bodem of vloeit af via het oppervlaktewater. Kerklaan 53 en Vriezekoop 24 Aan de Kerklaan 53 en Vriezekoop 24 vinden geen fysieke wijzigingen plaats. Er wordt voldaan aan het ‘stand still beginsel’; de waterhuishoudkundige situatie wijzigt niet.

40

4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Vriezekoop 75 Er is een quickscan Wet natuurbescherming (Blom Ecologie, 2023-0260, 9 maart 2023, zie bijlage) uitgevoerd. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Mochten er werkzaamheden aan het oppervlaktewater uitgevoerd worden, dient het in één werkrichting uitgevoerd te worden om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een berekening met AERIUS Calculator, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Het plangebied niet is gelegen in een weidevogelgebied of de strategische reservering natuur. Ook liggen geen karakteristieke landschapselementen in het plangebied. De genoemde beschermde gebieden veroorzaken geen planologische belemmeringen voor het initiatief. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dienen de volgende maatregelen getroffen te worden:

•

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

41

•

De beoogde werkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. Als er werkzaamheden aan het oppervlaktewater uitgevoerd worden, dan dienen deze in één werkrichting uitgevoerd te worden om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden.

•

De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van een deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

Kerklaan 53 en Vriezekoop 24 Aan de Kerklaan 53 en Vriezekoop 24 vinden geen fysieke wijzigingen plaats. Het is uitgesloten dat er negatieve effecten zijn voor beschermde soorten of gebieden. Conclusie Gezien het voorgaande is het voorgenomen plan uitvoerbaar voor het aspect ecologie.

4.5 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Vriezekoop 75 Op de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Kaag en Braassem zijn de gronden in het plangebied aangewezen als ontginningsas en gebied met een middelhoge verwachting (zie navolgende afbeelding). Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 150 m² en dieper dan 30 cm -Mv.

Omdat deze normen bij het voorgenomen plan mogelijk worden overschreden, is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (Transect, rapport 2047, 7 februari 2019, zie bijlage) uitgevoerd.

42

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Kaag en Braassem (plangebied is zwart omcirkeld) (bron: gemeente Kaag en Braassem)

Uit het onderzoek blijkt dat er op basis van het bureauonderzoek een lage verwachting is opgesteld voor het Neolithicum. Indien archeologische resten uit deze periode aanwezig zijn, zullen deze zich op de top van hoger gelegen wad- of kreekoevers bevinden. Dergelijke oevers zijn vermoedelijk niet aanwezig in het plangebied. Daarnaast is er sprake van een lage verwachting voor de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen gezien de ligging van het plangebied in een nat veengebied. Indien archeologische resten uit deze periode in het plangebied aanwezig zijn, zullen deze zich bevinden in veraarde veentrajecten, die erop wijzen dat het veen tijdelijk ontwaterd is geweest. Voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd is een hoge verwachting opgesteld op basis van mogelijke aanwezige historische bebouwing in het plangebied en de ligging aan een ontginningslint. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek blijkt dat er geen wad- of kreekoeverafzettingen aanwezig zijn in het plangebied. Hiermee kan de lage verwachting voor het Neolithicum worden gehandhaafd. Het plangebied ligt in een veengebied, waarbinnen geen veraarde trajecten zijn aangetroffen. Dit wijst erop dat het plangebied wordt gekenmerkt door natte omstandigheden. Hiermee kan de lage verwachting op aantreffen van archeologische resten uit de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen worden gehandhaafd.

Bovenop het veen is een pakket overstromingsklei aanwezig, die is afgedekt door een modern toemaakdek. Hier zijn eveneens geen archeologisch relevante niveaus onderscheiden. Hiermee kan de verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd naar beneden worden bijgesteld. Op basis van onderhavig onderzoek zijn geen archeologisch relevante niveaus geïdentificeerd, waarmee een lage verwachting geldt voor het aantreffen van archeologische resten. Het is in dat kader niet noodzakelijk een archeologische dubbelbestemming op te nemen in dit bestemmingsplan. Dit betekent dat er geen aanvullende maatregelen of archeologisch onderzoek nodig zullen zijn in het plangebied alvorens het voorgenomen plan gerealiseerd kan worden.

43

Kerklaan 53 en Vriezekoop 24 Aan de Kerklaan 53 en Vriezekoop 24 zijn geen bodemingrepen voorzien, waarmee uitgesloten is dat archeologische waarden verloren gaan. Gelijk aan het geldende bestemmingplan is aan een deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ toegekend.

4.6 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In of nabij het plangebied aan de Vriezekoop 75 zijn geen rijksmonumenten of karakteristieke panden aanwezig. Karakteristieke elementen nabij het plangebied zijn de rivier de Drecht en het omliggende open veenweidegebied. Het voorgenomen plan resulteert in een aantrekkelijker beeld aan de zijde van de Drecht. Het initiatief heeft geen effect op de openheid en kwaliteit van het veenweidegebied ten zuiden van het plangebied. Gezien het voorgaande kan er worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.

4.7 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.7.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De ontsluiting van het plangebied aan de Vriezekoop 75 zal, net als in de huidige situatie, plaatsvinden via de Vriezekoop Zuid. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie is gebruik gemaakt van CROW-publicatie 381.

In lijn met de Nota Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 is voor de planlocatie uitgegaan van de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk'.

44

De navolgende tabel geeft de verkeersgeneratie van het beoogde plan weer. aansluiting CROW-publicatie 381

aantal

koop, vrijstaand totaal

1 1

gemiddelde verkeersgeneratie per woning 8,2

verkeersgeneratie 8,2 8,2

Uit de tabel volgt dat het beoogde plan 8,2 voertuigbewegingen per etmaal teweeg brengt. De verkeersgeneratie als gevolg van de aanwezigheid van een sierteeltbedrijf komt te vervallen, waarmee de werkelijke toename van de verkeersgeneratie kleiner dan 8,2 voertuigbewegingen per etmaal is of er zelfs een afname zal zijn. De Vriezekoop Zuid en het aangrenzende verkeerssysteem, waarmee het plangebied ontsloten wordt, beschikken over voldoende capaciteit om de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling op te vangen. 4.7.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken.

Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek De Nota Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 vormt de basis voor het bepalen van de parkeerbehoefte in de gemeente Kaag en Braassem. Eén van de uitgangspunten uit de beleidsregel is dat de benodigde parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden ondergebracht. Voor de planlocatie is uitgegaan van het gebied 'rest bebouwde kom'. De navolgende tabel geeft de parkeerbehoefte van het voorgenomen plan weer. aansluiting beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018

aantal

gemiddelde parkeernorm per woning

parkeerbehoefte

vrijstaand totaal

1 1

2,3

2,3 2,3

Uit voorgaande tabel volgt dat er conform de Nota Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 afgerond 3 parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd moeten worden om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Er is voldoende ruimte om dit aantal parkeerplaatsen aan te leggen. Hiermee kan voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

45

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in Hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);

46

•

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Agrarisch met waarden - Landschapswaarden De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf en als (mede)bestemming agrarisch bedrijf; het behoud en herstel van het karakteristieke en cultuurhistorische open weidelandschap, dat gevormd wordt door het nagenoeg ontbreken van bebouwing in de polders; en een intensieve kwekerij als ondergeschikte productietak en binnen bestaande bebouwing binnen het bouwvlak tot een maximum grondoppervlakte van 2.000 m². Ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' is tevens glastuinbouw toegestaan. De gronden waaraan in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden' is toegekend beschikken niet (meer) over de aanduidingen 'sierteelt' of 'glastuinbouw' of een bouwvlak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=54446924-cfb3-4a85-a964-67abe2492482