CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPVRIEZEKOOP4EN4A-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 31 mei 2021, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Vriezekoop 4, 4a en 4c, Leimuiden’22.180 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 3 0

zonder schaalvergroting. Doordat binnen het plangebied wordt voorzien in een kleinschalige horeca- en detailhandelsfunctie krijgt het plangebied aan de Drecht tevens een (beperkte) functie als trekpleister voor recreanten. Door de ligging van de locatie op 500 meter van de bebouwde kom van Leimuiden en op 1 km vanaf de N207, is de herenboerderij goed bereikbaar. Daarnaast is binnen het plangebied aandacht voor het behouden van flora en fauna. Op de herenboerderij zullen jaarrond diverse soorten groenten, fruit, eieren en vlees worden geproduceerd. Ook een fruitboomgaard maakt derhalve onderdeel uit van de agrarische activiteiten. De huidige bedrijfs- en plattelandswoning binnen het plangebied worden omgezet naar twee burgerwoningen. Binnen het lint is geen sprake van het toevoegen van een extra woning. Op de verbeelding en in de regels bij dit bestemmingsplan is geborgd dat bij de agrarische activiteiten onderaan de dijk een bedrijfswoning is uitgesloten. Conclusie De Omgevingsvisie Kaag en Braassem staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.3.3 Nota Inbreidingslocaties Op 7 februari 2011 is de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. De ‘Nota Inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de voormalige rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief, maar geeft wel een indicatie. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelings- en ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen.

Relatie tot het bestemmingsplan Het plangebied is niet gelegen binnen een deel van de voormalige rode contour maar in het buitengebied, derhalve is de Nota Inbreidingslocaties niet van toepassing. Het een en ander is weergegeven in figuur 3.6.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 3 1

Figuur 3.6 Rode contour in Leimuiden (Bron: Nota Inbreidingslocaties) Conclusie De Nota Inbreidingslocaties staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.3.4 Nota Vereveningsfondsen Als uitwerking op de MRSV is op 17 juni 2013 de Nota Vereveningsfondsen door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin worden bestemmingsreserves sociale woningbouw en parkeren aangewezen. Doel van deze reserves is tenminste 30% sociale woningbouw te realiseren bij nieuwbouwprojecten en te voorzien in voldoende parkeervoorzieningen bij nieuwbouwontwikkelingen (niet alleen voor sociale woningbouw). Indien in uitzonderlijke gevallen niet aan de gestelde normen kan worden voldaan zal op basis van een overeenkomst met de initiatiefnemer van een bouwplan een bijdrage aan de betreffende bestemmingsreserve(s) worden afgesproken. Conform de ambitie uit de MRSV is deze norm voor sociale woningbouw op 30% gesteld. Deze bijdrage kan vervolgens worden ingezet bij projecten die meer sociale woningbouw realiseren dan de gestelde norm, dit alles met als doel gemiddeld 30% sociale woningbouw bij nieuwbouw projecten te realiseren. De bijdrage aan de parkeerbestemmingsreserve wordt gebruikt om in geval van nieuwbouw in de openbare ruimte ontbrekende parkeergelegenheid aan te leggen. Relatie tot het bestemmingsplan In de Nota Vereveningsfondsen wordt uitgegaan van 30% sociale woningbouw, maar in de actualisatie van de MRSV is dit percentage verlaagd naar 25% sociale woningbouw.

De nota is van toepassing op alle nieuwbouw projecten waarbij het gaat om de bouw van één of enkele nieuwe woningen. Onder een nieuwbouw woning wordt verstaan een nieuw te realiseren woning als toevoeging aan de woningvoorraad. Het omzetten van de bedrijfs- en Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 3 2

plattelandswoning naar twee burgerwoningen valt derhalve niet binnen de nota. Er is geen sprake van nieuw toe te voegen woningen aan de woningvoorraad. Het sociale woningbouwquotum geldt daardoor niet voor de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Zoals uit paragraaf 4.12 volgt wordt binnen het plangebied voorzien in de benodigde parkeerbehoefte waardoor het niet noodzakelijk is een bijdrage te leveren aan de parkeerbestemmingreserve. Conclusie De Nota Vereveningsfondsen staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.3.5 Verordening geurhinder en veehouderij Kaag en Braassem 2012 De Verordening geurhinder en veehouderij Kaag en Braassem 2012 is vastgesteld op 16 februari 2012. Deze verordening is opgesteld op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij. Hierbij is rekening gehouden met de voorwaarden uit artikel 8 van de Wet geurhinder en veehouderij. Door de invoering van dit lokale geurbeleid worden ontwikkelingen in de kernen mogelijk en worden de bestaande rechten van de veehouderijen (niet intensief) gerespecteerd. De bedrijven hebben zo de mogelijkheid om de bedrijfsactiviteiten rendabel uit te blijven oefenen. Voor buiten de bebouwde kom gelegen geurgevoelige objecten wordt de minimumafstand uit artikel 3, tweede lid onder b en artikel 4, eerste lid onder b van de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd. Dit betreft buiten de bebouwde kom ten minste een afstand van 50 meter tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden en een geurgevoelig object, zoals een woning. De geurbelasting mag in dit geval niet meer betreffen dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht. Een uitzondering hierop is mogelijk als: a. de uitbreiding van een bestaande veehouderij wordt belemmerd door een bestaand geurgevoelig object; b. indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object niet kleiner wordt; c.

de bestemming van een bestaande bedrijfswoning wordt gewijzigd in burgerwoning als dit het enige doelmatige gebruik van de woning betreft. In deze gevallen bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf ten minste 25 meter tot een geurgevoelig object dat is gelegen buiten de bebouwde kom. Relatie tot het bestemmingsplan Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In paragraaf 4.9 wordt hier nader op ingegaan. Conclusie De Verordening geurhinder en veehouderij Kaag en Braassem 2012 staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 3 3

3.3.6 Beleidsregel Parkeernormen 2018 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2018’, die in werking is getreden per 22 februari 2018. Het doel van deze beleidsnota is om voor de gehele gemeente - per gebied en per functie - de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Tevens is aangegeven op welke wijze de parkeernormen gehanteerd dienen te worden. Het hanteren van deze normen heeft als doel te waarborgen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen in Kaag en Braassem. De beleidsnota heeft niet tot doel om eventuele bestaande parkeerproblemen op te lossen. Dit betekent concreet dat bestaande functies niet aan de normen uit deze nota hoeven te voldoen. Met de gemeentelijke parkeernota worden de volgende effecten beoogd: Het waarborgen van de bereikbaarheid; Het waarborgen van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit; Het voorkomen van verkeersonveiligheid door ongewenste parkeersituaties die (mogelijk)gevaarlijke situaties kunnen opleveren; Het op gelijke en voor iedereen duidelijke wijze beoordelen van de benodigde parkeervoorzieningen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen. Relatie tot het bestemmingsplan Voor het voorliggende plangebied zijn de parkeernormen uit de Nota Parkeernormen 2018 Kaag en Braassem van toepassing.

In paragraaf 4.12 wordt hier invulling aan gegeven. Conclusie De Nota Parkeernormen 2018 staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.3.7 Welstandsnota De Welstandsnota van de gemeente Kaag en Braassem, zoals vastgesteld in sept. 2010, is van toepassing op de circa 150 monumenten en hun omgeving, en de 4 beschermde dorpsgezichten binnen de gemeente. Verder is de gemeente 'welstandsluw'. Dit heeft tot gevolg dat in een welstandluw gebied niet vooraf wordt getoetst op welstandsaspecten. Rijks- en gemeentelijke monumenten, karakteristieke dorpslinten en dorpsgezichten beschermt de gemeente middels de nota en de adviezen van de commissie ruimtelijke kwaliteit. Relatie tot het bestemmingsplan Binnen het plangebied bevinden zich geen monumenten en beschermde dorpsgezichten. Conform de Welstandsnota is de locatie aan te merken als 'welstandsluw'. Conclusie De Welstandsnota staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 3 4

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Archeologie

4.1.1 Regelgeving en beleid Erfgoedwet Regels inzake archeologie waren voorheen geregeld in de Monumentenwet. Met het vervallen van deze wet in juli 2016, is een groot deel daarvan opgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet betreft één integrale wet en bevat daarmee de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Daar waar relevant dienen mogelijk aanwezige waarden middels een dubbelbestemming in het bestemmingsplan te worden beschermd. Daarnaast geldt de wettelijke meldingsplicht: indien per toeval een vondst wordt gedaan waarvan men vermoed dat deze archeologische relevantie kent, dient dit te worden gemeld aan het bevoegd gezag. Een deel uit de Monumentenwet dat ziet op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming), zal opgenomen worden in de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt.

Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn de relevante artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 13 mei 2013 het (geactualiseerde) gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. In dit beleid is de verwachting en archeologische bescherming in kaart gebracht en onderbouwd. In figuur 4.1 is een uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart weergegeven. Deze kaart is richtinggevend bij de ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 3 5

Figuur 4.1 Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart. Planlocatie: oranje ster. (bron: Archeologiebeleid gemeente Kaag en Braassem)

4.1.2 Onderzoek De archeologische beleidsadvieskaart geeft een gedetailleerd overzicht van de aanwezige archeologische waarden en de archeologische verwachtingen in de gemeente Kaag en Braassem (zie figuur 4.1). Het grondgebied van de gemeente Kaag en Braassem is met betrekking tot archeologie opgedeeld in diverse categorieën (o.a. een hoge, middelhoge en lage verwachting). Voor deze categorieën worden door burgemeester en wethouders op grond van de omvang en diepte van bodemingrepen voorwaarden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is, afhankelijk van de omvang van de ingreep, een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd. In het plangebied van dit bestemmingsplan zijn de volgende categorieën aanwezig: ontginningsassen; middelhoge verwachting; lage verwachting. Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 3 6

In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' heeft het plangebied gedeeltelijk de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. In de voornoemde dubbelbestemming is bepaald dat voor verstorende werkzaamheden in de bodem die een bedreiging kunnen vormen voor de mogelijk aanwezige archeologische waarden een vergunning verplicht is. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning dient een rapportage te worden bijgevoegd waaruit blijkt dat de archeologische resten in de bodem niet worden geschaad. Voor de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' bedraagt de vrijstellingsgrens van archeologisch onderzoek 150 m2 en 30 cm diep. Ook voor vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bebouwing waarbij de oppervlakte niet uitgebreid wordt en de bestaande fundering wordt gebruikt, geldt de onderzoeksverplichting niet. De overige gronden binnen het plangebied hebben geen archeologische dubbelbestemming, een archeologisch onderzoek is op die gronden ongeacht de diepte en oppervlakte van de bouwwerkzaamheden - niet benodigd. In dit bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' overgenomen, hiermee worden eventuele aanwezige archeologische waarden voldoende gewaarborgd. De bouwregels bij de dubbelbestemming en het uitvoeringsverbod blijven onveranderd van toepassing bij vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.1.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.2

Cultuurhistorie

4.2.1 Regelgeving en beleid Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken. Cultuurhistorische kaart Zuid-Holland Op de cultuurhistorische kaart van de provincie Zuid-Holland is een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden opgenomen. De cultuurhistorische kaart kent de thema's archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. De kaart is sinds januari 2017 van kracht. Erfgoedverordening Kaag en Braassem De gemeentelijke Erfgoedverordening trad op 31 december 2016 inwerking. Met de verordening worden de karakteristieke panden, objecten & karakteristieke gebieden beschermd. In het Erfgoedregister, dat een onderdeel is van de verordening, zijn alle te beschermen objecten opgenomen.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 3 7

4.2.2 Onderzoek Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorische waarden of monumenten aanwezig. Op de Cultuurhistorische kaart van de provincie is de planlocatie niet aangeduid. Ook in het gemeentelijk erfgoedregister is het plangebied niet opgenomen. Dit bestemmingsplan heeft derhalve geen effect op cultuurhistorische waarden binnen het plangebied of in de omgeving.

4.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.3

Bedrijven en milieuzonering

4.3.1 Regelgeving en beleid Begrip milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau.

Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn echter niet bedoeld om de aanvaardbaarheid te toetsen van situaties waarbij bestaande bedrijven in de nabijheid van bestaande woningen liggen. Het is dus niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 3 8

en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.

4.3.2 Onderzoek Kwalificatie plangebied De planlocatie ligt in het buitengebied op zo'n 500 meter afstand van de kern Leimuiden. In de directe omgeving zijn meerdere agrarische bedrijven, één niet-agrarisch bedrijf en enkele burgerwoningen gelegen. Door de ligging in het dijklint Vriezekoop en de omliggende bedrijvigheid, kan de locatie worden aangemerkt als een omgevingstype 'gemengd gebied' in de zin van de VNG-brochure. Doordat sprake is van een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één stap worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Binnen het plangebied Binnen het plangebied zijn in dit bestemmingsplan twee burgerwoningen en een agrarisch bedrijf gelegen. De burgerwoningen worden als gevoelige bestemmingen aangeduid. De agrarische activiteiten betreffen een kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf. De activiteiten zijn het best vergelijkbaar met die van 'akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren (niet intensief) (SBI-code 2008 0150). Bij een dergelijke bedrijfsactiviteit met milieucategorie 3.2 is een milieucontour van 100 meter van toepassing in een rustige woonwijk. De richtafstand komt voort uit het aspect geur, de overige aspecten (stof, geluid en gevaar) hebben een contour van maximaal 30 meter in een rustige woonwijk.

Onder 'kwalificatie plangebied' is geconcludeerd dat in onderhavig plangebied sprake is van een gemengd gebied. De milieucontour wordt derhalve met één stap verlaagd van 100 naar 50 meter voor het aspect geur zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. De milieucontour van de aspecten stof en geluid bedraagt maximaal 10 meter. De milieucontour van het aspect gevaar blijft 0 meter. De afstand tussen de gevoelige functie (het woonbestemmingsvlak) en het bouwvlak van het agrarisch bedrijf bedraagt minimaal 30 meter. Aan de richtafstand van 50 meter voor het aspect geur wordt niet voldaan. Derhalve is middels een geuronderzoek inzichtelijk gemaakt of kan worden afgeweken van de aan te houden richtafstanden volgens de VNG-brochure. In paragraaf 4.8 wordt nader op dit aspect ingegaan. Geconcludeerd wordt dat de burgerwoningen binnen het plangebied zich bevinden buiten de geurcontour van het kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf (herenboerderij) binnen het plangebied. De afstand tussen de gevoelige functie (het woonbestemmingsvlak) en het aanduidingsvlak van de kleinschalige horecagelegenheid en de verkoop van streekeigen producten bedraagt minimaal 5 meter.

De milieucategorie van 'restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.' (SBI code 561) en van 'detailhandel vlees, wild, gevogelte, met roken, koken, bakken' (SBI code 4722) bedraagt milieucategorie 1. Een activiteit met een dergelijke milieucategorie heeft een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk en 0 meter in gemengd gebied. De gevoelige functie ligt derhalve buiten de richtafstand van de kleinschalige horecagelegenheid en de verkoop van streekeigen producten. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de activiteiten zoals opgenomen in de VNG-brochure niet vergelijkbaar zullen zijn met de beoogde kleinschalige horecagelegenheid en de verkoop van streekeigen producten. De genoemde activiteiten zullen kleinschalig zijn. Geconcludeerd wordt dat de burgerwoningen binnen het plangebied zich bevinden buiten de richtafstand van de locatie voor de kleinschalige Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 3 9

horecagelegenheid en voor de verkoop van streekeigen producten. Buiten het plangebied Buiten het plangebied van dit bestemmingsplan zijn enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen gesitueerd. Gesteld kan worden dat, zoals onder 'binnen het plangebied' is geconcludeerd, ter plaatse van nabijgelegen gevoelige functies geen belemmering optreedt. De woningen binnen het plangebied zijn immers de meest dichtstbijzijnde woningen ten opzichte van het kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf en daar is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het bouwvlak van het meest dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt op een afstand van circa 150 meter vanaf de gevoelige bestemmingen in het plangebied. Dit is het bedrijf ten zuidoosten van de planlocatie. De bestaande woonbestemming ten zuiden van het plangebied, ligt op circa 90 meter vanaf dit agrarisch bedrijf. Onderhavig bestemmingsplan levert daarom geen (extra) belemmeringen op voor de bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van dit bedrijf. De agrarische activiteiten aan de Vriezekoop 2 (ten westen van het plangebied) zijn middels vaststelling van het wijzigingsplan in 2018 reeds planologisch uitgesloten. Er is een woonbestemming opgenomen en vanuit het oogpunt van milieuzonering vormt dit geen belemmering voor de herontwikkeling in het plangebied en vice versa.

4.3.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.4

Bodemkwaliteit

4.4.1 Regelgeving en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

4.4.2 Onderzoek Met voorliggend bestemmingsplan worden in het plangebied twee burgerwoning en een agrarisch bedrijf (zonder bedrijfswoning) bestemd, daar waar in de huidige situatie reeds een agrarisch bedrijf met een bedrijfs- en plattelandswoning is toegestaan. De gronden ten behoeve van het kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf behouden de agrarische bestemming, derhalve is vanwege het behoudende karakter geen bodemonderzoek benodigd. Ter plaatse van de gronden waarop de burgerwoningen zijn bestemd, is in de huidige situatie reeds een bedrijfs- en plattelandswoning toegestaan. Derhalve wordt gesteld dat het feitelijke gebruik ongewijzigd blijft en een verkennend bodemonderzoek voor vaststelling van dit bestemmingsplan daarom niet vereist is.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 4 0

Dit laat onverlet dat indien werkzaamheden in de bodem plaatsvinden, zoals grondverzet binnen het plangebied of er om andere redenen grond wordt geroerd, een verkennend bodemonderzoek dient te worden overlegd bij de omgevingsvergunningaanvraag. De bodemkwaliteit in het plangebied wordt hiermee voldoende gewaarborgd.

4.4.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.5

Duurzaamheid

4.5.1 Regelgeving en beleid Landelijk beleid Vanaf 1 januari 2021 moeten alle nieuwbouw gebouwen voldoen aan de BENG-eisen (Bijna-Energie-Neutraal-Gebouw). BENG is een uitdrukking van een energieprestatie. De energieprestatiecoëfficiënt (EPC) methodiek wordt derhalve vervangen door de BENG-methodiek. Om de Europese afspraken omtrent het beperken van klimaatverandering te behalen dient een vermindering van uitstoot van CO2 en beperking van energieverbruik te worden gerealiseerd. Het landelijke beleid is om in 2050 een CO2-arme gebouwde omgeving te realiseren en geen aardgas meer te gebruiken. Regionaal beleid Gemeenten, het Hoogheemraadschap van Rijnland, de Omgevingsdienst West-Holland en de Provincie Zuid-Holland werken regionaal samen aan het Energieakkoord Holland Rijnland 2017-2025. In paragraaf 3.2.5 wordt reeds ingegaan op het Energieakkoord. De gemeenschappelijke ambitie uit het Energieakkoord is om in 2050 energieneutraal te zijn. Gemeentelijk beleid De gemeente Kaag en Braassem heeft geen opzichzelfstaand energiebeleid. In de Omgevingsvisie, vastgesteld op 26 oktober 2020, wordt wel ingegaan op duurzaamheid.

Hieronder zijn de doelstellingen die de gemeente wil bereiken opgenomen: Vóór 2025 een besparing van 44 terajoule realiseren in de woningen wat gelijkstaat aan een gemiddelde besparing van ongeveer 15% van het totale energieverbruik (gas en elektriciteit) in een gemiddelde woning. Vóór 2025 een besparing van 59 terajoule realiseren bij de agrariërs en 19 terajoule minder energie verbruiken in kantoren, sportkantines, scholen en op het gemeentehuis. Vóór 2025 liggen er minimaal gemiddeld 6 zonnepanelen op iedere woning in Kaag en Braassem. Vóór 2025 wekken de agrariërs minimaal 61 terajoule duurzame energie op (= 76.250 zonnepanelen) en is de commerciële en publieke dienstverlening verantwoordelijk voor een opwek van 19,6 terajoule (= 24.500 zonnepanelen).

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 4 1

4.5.2 Onderzoek De mogelijkheden voor het verduurzamen van de bestaande bebouwing binnen het plangebied worden bekeken. De uitwerking hiervan vindt plaats buiten het kader van dit bestemmingsplan. Ter plaatse van de agrarische activiteiten in het kader van de herenboerderij wordt in vergelijking met de reguliere melkveehouderij een verduurzaming gegarandeerd. Op het kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf wordt het vee (koeien, varkens en kippen) buiten gehouden. Wel is er de beschikking over een mobiele huisvesting, zoals bijvoorbeeld de kipcaravan. Daarnaast wordt geen kunstmest en pesticiden meer gebruikt.

4.5.3 Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Regelgeving en beleid Onderdeel van de ruimtelijke opgave is dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan onder meer de externe veiligheidsaspecten. Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Hierbinnen worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats. Bij plaatsgebonden risico gaat het om de gemiddelde kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, ervan uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op deze plaats aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten: risicocontour).

Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicogevoelige bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten. Voor plaatsgebonden risico is door de Rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10- 6/jaar. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergegeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 4 2

slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico is in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico een oriënterende waarde. Besluit externe veiligheid transportzones In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast beoogt dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) / Regeling basisnet Het basisnet beoogt een duurzaam evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, de bebouwde omgeving langs die wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren en de veiligheid van omwonenden. Op basis van de Wvgs worden in de Regeling basisnet, de tot het basisnet behorende infrastructuur vastgelegd inclusief de daarbij behorende risicoplafonds.

Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht gemeenten risicovolle situaties van inrichtingen ten opzichte van kwetsbare bestemmingen binnen 3 jaar te saneren als het plaatsgebonden risico hoger is dan 10- 6 voor 2010. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Krachtens het Bevi moeten alle besluiten in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke Ordening integrale aspecten van externe veiligheid afwegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zijn risicoafstanden opgenomen voor ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. 4.6.2 Onderzoek In het kader van externe veiligheid is de Risicokaart Nederland geraadpleegd, zie figuur 4.2. Het plangebied is hierop aangegeven met een oranje ster.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 4 3

Figuur 4.2 Uitsnede Risicokaart, plangebied aangegeven met een oranje ster. (bron: Risicokaart Nederland) N207 De locatie ligt in het effectgebied van de N207, op een afstand van circa 500 meter. Vanwege de transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3/LT2/GF3 heeft de N207 een effectgebied van meer dan 4.000 meter. Een risicoberekening is niet nodig, omdat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde/met minder dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Derhalve kan worden volstaan met het ingaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg. Daarnaast wordt ingegaan op de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet. Dit is conform artikel 7 en 8 van het Bevt. Beknopte verantwoording groepsrisico Bij een incident met toxische stoffen kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende.

Bestrijdbaarheid Voor het plangebied is alleen de bestrijding van een toxisch scenario op de N207 relevant. Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Het plangebied is bereikbaar voor hulpdiensten.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 4 4

Zelfredzaamheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning en plattelandswoning tot een kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf (herenboerderij) en twee burgerwoningen. De aanwezige personen in de woningen zijn zelfredzaam. Daarnaast zullen incidenteel bezoekers aanwezig zijn bij het agrarisch bedrijf, deze zullen tevens zelfredzaam zijn. Personen die niet zelfredzaam zijn zullen in zeer beperkte mate aanwezig zijn. Indien er mindervalide mensen aanwezig zijn, zullen voldoende mensen aanwezig zijn om hen te begeleiden. Aanwezige kinderen en ouderen worden beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Verder is voldoende ruimte in de opstallen om aanwezigen onder te brengen, waarbij de deuren en ramen gesloten kunnen worden en eventuele ventilatie uitgeschakeld wordt bij een indicent met toxische stoffen.

4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.7

Flora en Fauna

4.7.1 Beleid en regelgeving Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 in werking getreden en voegt drie "oude" natuurwetten samen: de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (gebiedsbescherming), hoofdstuk 3 (soortbescherming) en hoofdstuk 4 (houtopstanden). Hoofdstuk 2 van de Wet richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de soortenbescherming. Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11) Van deze laatstgenoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.

Gebiedsbescherming Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. Gebiedsbescherming wordt o.a. geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wnb moet uitgesloten worden dat significant negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 4 5

2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar volgt, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.

4.7.2 Onderzoek Dit bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning en plattelandswoning tot een kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf (herenboerderij) en twee burgerwoningen. Derhalve is sprake van het wijzigen van het gebruik. In een vervolgstadium van de ontwikkeling zullen eventueel benodigde bouwwerkzaamheden plaatsvinden. De uitwerking hiervan vindt plaats buiten het kader van dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging waardoor verondersteld kan worden dat groen en gebouwen waarbinnen eventueel beschermde dier- en/of plantensoorten kunnen voorkomen intact blijven. De vaststelling van dit bestemmingsplan heeft derhalve geen gevolgen voor de soortenbescherming. In het kader van de toets op uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is de aard en omvang van de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Het onderzoek naar stikstofdepositie in de gebruiksfase is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting. In het onderzoek is de stikstofdepositie berekend in de omliggende natuurgebieden. Uit de verschilberekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus voor de gebruiksfase in de toekomstige situatie geen vergunning benodigd ingevolge de Wet natuurbescherming.

Het aspect gebiedsbescherming en het aspect stikstof vormen derhalve geen belemmering bij de herontwikkeling die door dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.

4.7.3 Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 4 6

4.8

Geluid

4.8.1 Regelgeving en beleid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh biedt onder andere geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wgh is daarom sterk gelinkt aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Wegverkeerslawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een aandachtsgebied (een geluidszone) langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. Een andere beperking is dat de Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. Industrielawaai De Wgh verplicht om industrieterreinen waarop lawaaiveroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaaimakende bedrijven gevestigd mogen zijn. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied.

De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Spoorweglawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van spoorweglawaai bij de aanleg/wijziging van spoorwegen of bij de bouw van woningen in de buurt van spoorwegen. Normstelling De normstelling onderscheidt voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. De voorkeursgrenswaarde wordt voor alle (nieuwe) situaties nagestreefd. Realisatie hiervan is echter niet altijd mogelijk. De wet biedt de mogelijkheid om ontheffing te verkrijgen van de voorkeursgrenswaarde tot de maximale ontheffingswaarde. Gemeentelijk geluidbeleid Voor het geluidbeleid op het gebied van hogere waarden verwijst de gemeente Kaag en Braassem naar de 'Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder', zoals opgesteld door de Omgevingsdienst West-Holland op 4 maart 2013. Om in aanmerking te kunnen komen voor een hogere waarde moet aan de gestelde criteria en voorwaarden worden voldaan.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 4 7

4.8.2 Onderzoeken Door TecMap is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. In het onderzoek is de geluidbelasting vanwege het verkeer over de Vriezekoop Noord berekend. De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar de maximum toelaatbare grenswaarde niet. Doordat sprake is van een bestaande bedrijfswoning en een plattelandswoning worden er geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Doordat de functie van de woningen binnen het plangebied wordt gewijzigd is toetsing aan de Wet geluidhinder niet aan de orde. Het vaststellen van een hogere waarde is niet aan de orde. 4.8.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.9

Geur

4.9.1 Regelgeving en beleid Het toetsingskader voor het aspect geur zoals afkomstig uit dierverblijven van veehouderijen is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit. Wanneer veehouderijen uitbreiden dient rekening te worden gehouden met de geurbelasting vanuit het veehouderijbedrijf op de omliggende geurgevoelige objecten, zoals bijvoorbeeld woningen. Omgekeerd dient de realisatie van een geurgevoelig object geen belemmering te veroorzaken voor veehouderijbedrijven. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend met V-Stacks vergunning, indien sprake is van het houden van dieren waarvoor geuremissie factoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissie factor gelden minimaal aan te houden afstanden. De afstand van de buitenzijde van een dierverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object dient in alle gevallen tenminste 50 meter te bedragen indien het geurgevoelige object gelegen is binnen de bebouwde kom en 25 meter te bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Gemeentelijke geurverordening Door middel van een gemeentelijke verordening kan een gemeente, gelet op lokale omstandigheden, afwijken van de wettelijke normen.

De gemeente Kaag en Braassem heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft een gemeentelijke geurverordening vastgesteld. Deze is op 16 februari 2012 in werking getreden. De vastgestelde geurverordening ziet echter niet toe op het wijzigen van de wettelijk vastgestelde geurnormen uit de Wgv.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 4 8

4.9.2 Onderzoeken Door Busscher Milieu Advies is een geuronderzoek uitgevoerd. De resultaten van het geuronderzoek zijn opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting. In het onderzoek is geconstateerd dat ter plaatse van de woningen Vriezekoop 4 en 4a te Leimuiden wordt voldaan aan zowel de maximale geurnorm van 8,0 ouE/m3 , als aan de minimaal aan te houden vaste afstand van 50 meter, als aan de minimaal aan te houden gevel-gevel-afstand van 25 meter. Hierdoor kan gesteld worden dat ter plaatse van de woningen Vriezekoop 4 en 4a sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Anderzijds is geen sprake van een belemmering van de uitoefening van het agrarisch bedrijf door het bestemmen van de bedrijfs- en plattelandswoning als twee burgerwoningen.

4.9.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.10

Kabels en leidingen

4.10.1 Regelgeving en beleid Planologisch relevante leidingen dienen in een bestemmingsplan te worden opgenomen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. Onder planologisch relevante leidingen vallen hoofdnutsvoorzieningen. Dit betreffen leidingen voor het transport van brandbare en/of ontplofbare stoffen en aardgasleidingen. Leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen. Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. Binnen het toepassingsbereik van het Bevb vallen: buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor vergiftige stoffen.

buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 4 9

hoogspanningsnet bevinden. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Bij de planning van nieuwe woningen, scholen en kinderopvangplaatsen is het advies zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla. De aanleiding hiervoor is dat epidemiologisch onderzoek laat zien dat kinderen in de leeftijd tot 15 jaar, die bij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen, mogelijk een verhoogde kans hebben op leukemie. Deze mogelijk verhoogde kans zou zich voordoen bij langdurige blootstelling aan een veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla. Of de velden leukemie veroorzaken en hoe dan, is onbekend. Voor leukemie bij kinderen tot 15 jaar geldt dat er wel een statistisch verband wordt gevonden met de afstand tot een hoogspanningslijn en, daarvan afgeleid, met de hoogte van het magneetveld. Er is echter geen verklaring voor die samenhang. De oorzaak kan het magneetveld zijn, iets anders dat met afstand tot een hoogspanningslijn samenhangt of toeval. De GGD heeft het Rijksadvies verbreed naar alle situaties waar het veld de jaargemiddelde waarde van 0,4 microtesla overschrijdt.

Verder oordeelde de bestuursrechter in 2017 dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleidsadvies over bovengrondse hoogspanningslijnen, in beginsel ook voor ondergrondse hoogspanningskabels van toepassing zijn. Zowel de Commissie mer als de Gezondheidsraad hebben dit advies overgenomen, waardoor het voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen ook van toepassen is op ondergrondse kabels, transformatorhuisjes, wijkverdeelstations en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk.

4.10.2 Onderzoek In het kader van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) worden veiligheidsafstanden aangegeven die moeten worden aangehouden ten opzichte van buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen. Onderhavige paragraaf gaat in op buisleidingen die geen normstelling in het Bevb kennen en waarvoor geen risicobenadering uit het Bevi dient te worden aangehouden. Dergelijke buisleidingen komen aan bod in paragraaf 4.6. Ter plaatse van het plangebied is geen (beschermingszone van een) tracé van kabels en leidingen gelegen. De meest dichtstbijzijnde hoogspanningsverbinding betreft een 50 kV verbinding nabij de Vriezenweg 10 in Leimuiden en ligt op een afstand van ruim 1,1 kilometer vanaf het plangebied. Een dubbelbestemming met betrekking tot de beschermingszone van kabels en leidingen of het risico op langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk is in dit plangebied niet aan de orde.

4.10.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.11

Luchtkwaliteit

4.11.1 Regelgeving en beleid Luchtkwaliteitseisen De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 50

Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wijziging van de Wet milieubeheer is op 15 november 2007 in werking getreden. De wijziging houdt in dat de in Nederland toegepaste koppeling tussen ruimtelijke ordening en luchtkwaliteit voor een deel wordt ontkoppeld. Dit maakt het mogelijk om niet voor elk ruimtelijk plan te hoeven toetsen aan de normen. Hierbij is met name het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) van belang. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds de verlening van derogatie door de Europese Unie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM een bijdrage van niet meer dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 van zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Ook als op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk gemaakt kan worden dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel alle ruimtelijke ontwikkelingen die 'in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als een bundeling van alle maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Op basis van bovenstaande volgt dat bestuursorganen een ruimtelijk plan kunnen vaststellen als: wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden, of een plan (per saldo) niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt, of een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van een ontwikkeling wordt gecompenseerd met een verbetering door een als gevolg van dat plan optredend effect of een met het besluit samenhangende maatregel (saldering zoals bedoeld in art. 5.16 lid 1 onder b Wet milieubeheer), of de ontwikkeling is opgenomen in het NSL.

4.11.2 Onderzoek Toetsing beoogde ontwikkeling aan het NIBM Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden. Voor woningbouw geldt dat de realisatie van 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de herontwikkeling van een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning en plattelandswoning tot een kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf (herenboerderij) en twee burgerwoningen mogelijk. Hiermee draagt het plan niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en directe omgeving. Goed woon- en leefklimaat Met behulp van www.nsl-monitoring.nl is op 10 november 2020 vastgesteld wat de achtergrondconcentraties fijnstof en stikstofdioxide zijn ter plaatse van het project gebied. Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 51

Dit om te bepalen of het realiseren van de beoogde ontwikkeling op deze specifieke plek in het kader van een goed leefklimaat te motiveren is, gelet op de verkeersaantrekkende werking die uitgaat van het project. Het dichtstbijzijnde rekenpunt is punt 16000799. Uit de resultaten van de monitoringstool blijkt dat de achtergrondconcentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 onder de grenswaarden van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5 liggen. Zie hiertoe figuur 4.3.

Figuur 4.3 Achtergrondconcentraties in 2020 en 2030 (bron: www.nsl-monitoring.nl) De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien is gelet op de achtergrondconcentraties en de verkeersaantrekkende werking van het project sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.11.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.12

Verkeer en parkeren

4.12.1 Regelgeving en beleid Het plan omvat de herontwikkeling van een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning en plattelandswoning tot een kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf (herenboerderij) en twee burgerwoningen. Deze functies kennen een verkeersaantrekkende werking. Om te bepalen wat de invloed hiervan is op de omgeving, is de verkeersaantrekkende werking in deze paragraaf inzichtelijk gemaakt. De gemeente Kaag en Braassem beschikt over eigen parkeerbeleid. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt dan ook getoetst aan de 'Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018'. Voor zover een bepaalde functie niet genoemd is in de beleidsregel, is het CROW van toepassing. De parkeerkencijfers van CROW hebben een zekere bandbreedte, met een minimum en maximum parkeernorm. Binnen deze bandbreedte Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 52

ontstaan mogelijkheden om maatwerk te leveren. De gemeente Kaag en Braassem heeft er voor gekozen om deze bandbreedte één-op-één over te nemen uit de CROW-publicatie. Bij nieuwbouw en/of een functiewijziging wordt in overleg met de initiatiefnemer een realistische parkeernorm bepaald, waarbij de minimale parkeernorm als ondergrens dient. Voor de berekening van de huidige verkeersgeneratie en de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de rekentool 'Verkeersgeneratie & parkeren' van het CROW (zie ook CROW-publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een plan moet in de rekentool aangegeven worden 1) wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en 2) in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het initiatief ligt.

4.12.2 Onderzoek Ontsluiting Het plangebied Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden ligt in het buitengebied van Leimuiden, maar op slechts 500 meter in westelijke richting bereikt men al de bebouwde kom. De provincialeweg N207 is op 1 km afstand van het plangebied te bereiken, waardoor ook de aansluiting op de A4 en A44 goed is. In slechts 5 autominuten bereikt men de oprit van de snelweg A4. De ontsluiting van het plangebied is hiermee goed. Ook voor langzaam verkeer en met het openbaar vervoer is het plangebied goed te bereiken. In paragraaf 2.2.1 is nader ingegaan op de bereikbaarheid. Parkeren De van toepassing zijnde parkeernormen zijn afhankelijk van de ligging van het plangebied. In de gemeente Kaag en Braassem wordt onderscheid gemaakt tussen: 1. centrum; 2. rest bebouwde kom, en 3. buitengebied. Het plangebied is gelegen in het gebiedstype 'buitengebied'. Voor vrijstaande grondgebonden woningen in het buitengebied geldt een minimale parkeernorm van 2 en een maximale parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen, met een bezoekersaandeel van 0,3 parkeerplaatsen. In de parkeerbehoefte van de woningen wordt voorzien door op het eigen terrein de benodigde parkeerplaatsen aan te leggen. De locatie biedt meer dan voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op het eigen terrein te kunnen opvangen.

In de beleidsregels zijn geen normen voor een herenboerderij opgenomen, derhalve wordt aangesloten bij de ervaring van de Herenboeren Groene Hart op andere herenboerderijen. De leden van de herenboerderij worden éénmaal per week (verdeeld over twee momenten) in de gelegenheid gesteld om een voedselpakket op te halen. Uit ervaring blijkt dat er dan maximaal vijfentwintig auto's tegelijkertijd aanwezig zullen zijn. Het bestaande terrein naast de ligboxenstal voorziet in die parkeerbehoefte. Bovendien worden leden aangemoedigd het principe van 'fietsen tenzij' toe te passen. Doordat leden huishoudens zijn met een bepaalde duurzame levensfilosofie, blijkt dat zij zo veel als mogelijk met de fiets naar de boerderij zullen komen. Ook de goede bereikbaarheid van de locatie draagt hieraan bij. Dit betekent dat de auto als vervoermiddel naar de boerderij eerder de uitzondering is, de fiets de regel. Bezoekers van de kleinschalige horecagelegenheid en de verkoop van streekeigen producten (boerderijwinkel), voornamelijk recreanten en toeristen, zullen eveneens zo veel als mogelijk met de fiets naar het plangebied komen. Er is echter voldoende parkeergelegenheid beschikbaar voor bezoekers onderaan de dijk. Voor een dergelijke activiteit kan worden aangesloten bij de parkeernorm voor een buurtsupermarkt zoals Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=b0303cf6-2512-4237-8650-c0fc13f76d47