CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPVRIEZEKOOP4EN4A-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 31 mei 2021, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Vriezekoop 4, 4a en 4c, Leimuiden’22.180 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Pagina | 5 3

opgenomen in bijlage 2 van de gemeentelijke parkeernormen. Er geldt een minimale parkeernorm van 3,1 en een maximale parkeernorm van 5,1 parkeerplaatsen in de rest bebouwde kom per 100 m² b.v.o.. Voor een dergelijke functie in het buitengebied is geen norm opgenomen, derhalve wordt aangesloten bij de norm voor de rest bebouwde kom, waarbij wordt opgemerkt dat de bezoekers veelal met de fiets het plangebied zullen betreden. De parkeerbehoefte voor auto's bedraagt minimaal 4 en maximaal 6 parkeerplaatsen. Op het terrein is voldoende ruimte beschikbaar om in de parkeerbehoefte te voorzien. Niet alleen vanwege de ligging aan de dijk, maar ook vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid en om eventuele belemmering van de doorstroming op de Vriezekoop te voorkomen, is de parkeergelegenheid op grotere afstand van de weg gesitueerd. Ook de entree van de horecagelegenheid/ boerderijwinkel is om deze reden niet aan de zijde van de weg gesitueerd. In onderhavig plan wordt binnen het plangebied voorzien in de benodigde parkeerplaatsen. Hiermee wordt voor de woningen, de kleinschalige horecagelegenheid en de verkoop van streekeigen producten voldaan aan de geldende parkeernormen en wordt voor het kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf aangesloten bij de ervaringen op andere herenboerderijen.

Verkeersaantrekkende werking Het plangebied is gelegen in de gemeente Kaag en Braassem, buurtschap Vriezekoop in het buitengebied. Op basis van de omgevingsadressendichtheid per km2 in Vriezekoop en het gebied is aan te merken als niet-stedelijk. Voor vrijstaande koopwoningen leidt dit tot een verkeersaantrekkende werking van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 per woning. In onderhavig situatie is sprake van een maximale verkeersaantrekkende werking van 17,2 bij de twee burgerwoningen. Dit is vergelijkbaar met de verkeersaantrekkende werking van een bedrijfs- en plattelandswoning. De leden van de herenboerderij worden éénmaal per week in de gelegenheid gesteld om een voedselpakket op te halen. De kleinschalige horecagelegenheid en de verkoop van streekeigen producten is ondersteunend aan de agrarische functie en op specifieke momenten geopend. De verkeersaantrekkende werking bestaat derhalve voornamelijk uit leden die naar de boerderij komen en bezoekers van de kleinschalige horecagelegenheid en de verkoop van streekeigen producten (boerderijwinkel). Een uitlevermoment op de boerderij beslaat minimaal 2 à 3 uur. Deze tijden worden buiten de spits gekozen en zijn verdeeld over twee momenten op de dag.

De extra vervoersbewegingen (ongeveer 50 per uur, twee momenten per week) van de bezoekers van de boerderij hebben een relatief gering aantal extra verkeersbewegingen van autoverkeer tot gevolg. Dit in vergelijking met de reguliere melkveehouderij zoals binnen het plangebied werd geëxploiteerd. Doordat het zware verkeer tot het minimum wordt beperkt, er wordt immers geen melk meer opgehaald, geen mest meer uitgereden en er worden geen bestrijdingsmiddelen meer gebruikt, leidt de toekomstige situatie tot een verbetering ten opzichte van de situatie toen de melkveehouderij nog in bedrijf was. De bestaande wegenstructuur kan de verkeersaantrekkende werking van het plan goed aan.

4.12.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 5 4

4.13

Water

4.13.1 Regelgeving en beleid Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.

Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en is en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, vooral op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden.

De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Waterbeheer 21e eeuw Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 55

In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht overhet toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan 2016 - 2021 Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig. Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan Rijnland 2016-2021 De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Hoogheemraadschap van Rijnland (HHR). Elke zes jaar leggen waterschappen het beleid en de aanpak die noodzakelijk zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren, vast in een zogeheten waterbeheerplan.

In het vijfde waterbeheerplan (WBP5) geeft het Hoogheemraadschap van Rijnland richting aan het waterbeheer voor de periode 2016 -2021. Door niet tegen het water te strijden maar met het water mee te bewegen kan het beheergebied met innovatieve en duurzame oplossingen zo worden ingericht dat ook toekomstige generaties prettig kunnen wonen, werken en recreëren, tegen zo laag mogelijke kosten. Dit alles vraagt om zorgvuldige afwegingen tussen de belangen voor de mens, de natuur en de economie, waarbij het vinden van de juiste balans tussen deze drie de grote uitdaging is. In het waterbeheerplan zijn de doelstellingen voor de aankomende periode per watertaak uitgewerkt. Kort samengevat gaat het om: Waterveiligheid: Bescherming tegen overstromingen vanuit zee en de rivieren. Voldoende Water: Er is voldoende water. Niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik. Schoon en gezond water: Rijnlands water is schoon, zodat de mens, de natuur en economie er optimaal gebruik van kunnen maken. Waterketen: Het afvalwater wordt optimaal gezuiverd en de grondstoffen hergebruikt. Om deze doelen te bereiken hanteert het Hoogheemraadschap een manier van denken en werken die uitgaat van kansen, samenwerken en het zoeken naar nieuwe wegen. Het Hoogheemraadschap werkt daarbij samen met inwoners en bedrijven in het gebied, hun wensen en belangen staan centraal.

Daarnaast streeft het HHR naar een duurzame en innovatieve werkwijze, tegen zo laag mogelijke kosten. Keur en beleidsregels Per 13 mei 2020 is Keur Rijnland 2020 gewijzigd vastgesteld. Het uitgangspunt van deze keur is "ja, tenzij": in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze keur anders is bepaald. Indien dat het geval is, zijn er nadere regels voor die handelingen vastgesteld. Nadere regels zijn voorschriften van een algemene regel of voorwaarde waaronder een vergunningplichtig(e) werk of handeling Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 5 6

wordt toegestaan. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen). Aan deze Keur zijn bepalingen toegevoegd voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem. De Keur geeft regels voor het gebruik van of het uitvoeren van activiteiten op: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur stelt verbodsbepalingen op voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Rijnland kan met de afgifte van een vergunning ontheffing verlenen van de Keur voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten. De Keur is een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De ontheffing van de Keur is een activiteit in de zin van de Waterwet. Bij een aanvraag omgevingsvergunning, waarbij sprake is van een keurontheffing, zal dit bij de Keur onderdeel uitmaken van het toetsingskader. Beleid Riolering en afvalwaterzuivering Rijnland streeft naar samenwerking in de afvalwaterketen en wil hierover graag adviseren. Rijnland geeft de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater.

Naast een voorkeursvolgorde voor afvalwater geldt voor de behandeling van hemelwater de zorgplicht. Rijnland geeft daarbij de voorkeur aan brongerichte maatregelen boven 'end-of-pipe' maatregelen. Hemelwater kan de capaciteit van riolering en zuivering aanzienlijk belasten. Dat is niet wenselijk en vaak ook niet nodig. Zeker bij nieuwbouwontwikkelingen is het gescheiden aanbieden van hemelwater en afvalwater vaak een doelmatige maatregel. Rijnland volgt hierbij de voorkeursvolgorde (rijksbeleid), waarbij voorop staat het voorkomen van het ontstaan van afvalwater, als er afvalwater is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging en waar mogelijk afvalwaterstromen scheiden. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). De uiteindelijke afweging wordt lokaal gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Het te lozen hemelwater mag geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaken. Maatregelen om dit te bereiken zijn duurzaam bouwen, infiltratie, het toepassen van berm- of bodempassage en straatkolken met extra voorzieningen.

Als ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en hoogheemraadschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keuze - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe' aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 57

4.13.2 Onderzoek In het kader van het voorliggende bestemmingsplan worden vooralsnog geen ontwikkelingen gerealiseerd met effecten voor het aspect water. Dit bestemmingsplan maakt de herontwikkeling van een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning en plattelandswoning tot een kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf (herenboerderij) en twee burgerwoningen mogelijk. In geval van een aanvraag om omgevingsvergunning met mogelijke gevolgen voor het aspect water zal een watertoets worden uitgevoerd. In het kader van dit bestemmingsplan bestaat hiervoor geen noodzaak. Dit bestemmingsplan heeft niet tot gevolg dat de bestaande verharding binnen het plangebied wordt uitgebreid. Volgens de Keur van het Hoogheemraadschap is voor het aanleggen van meer dan 500 m² verharding op onverharde grond dan wel het aanleggen van meer dan 5.000 m² verharding op verharde grond vergunningplichtig. Doordat geen sprake is van het toevoegen van verharding binnen het plangebied geldt geen vergunningplicht en is er geen reden voor watercompensatie. Aan de zuidzijde van het plangebied is de Drecht gelegen. De Drecht is aan te merken als regionale waterkering. Het plangebied ligt binnen de kernzone, profiel van vrije ruimte, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de Drecht.

Figuur 4.4 Uitsnede legger (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland) Bij de voorgenomen functiewijziging is geen vergunning benodigd in verband met de ligging van de bebouwing binnen de regionale waterkering. Indien sprake is van werkzaamheden binnen de kernzone, profiel van vrije ruimte of beschermingzone zal de benodigde vergunning in het kader van het aspect water worden aangevraagd.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 58

4.13.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.14

M.e.r - beoordeling

4.14.1 Regelgeving en beleid Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst deze afweging gemaakt dient te worden. Deze lijst geeft namelijk aan of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een MER gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van de potentiële effecten. Procedure vormvrije m.e.r. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Voor projecten die beneden de drempelwaarden uit de D-lijst vallen, geldt de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals hierboven omschreven dient te worden doorlopen. Door het college van de gemeente Kaag en Braassem dient een afzonderlijk besluit genomen te worden of een vormvrije m.e.r.-beoordeling ook daadwerkelijk volstaat. Dit besluit nemen zij aan de hand van een door initiatiefnemer in te dienen Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.

4.14.2 Onderzoek In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor alle activiteiten die op de D-lijst staan geldt bovendien sinds 16 mei 2017 dat het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 5 9

van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. Voor voorliggend project geldt echter dat het Besluit m.e.r. niet van toepassing is, gezien de aard en omvang van het voorliggend project. Er is geen sprake van uitbreiding, enkel van een planologische wijziging van het gebruik van de bedrijfs- en plattelandswoning, namelijk als zijnde twee burgerwoningen. Voor wat betreft de agrarische activiteiten wordt een reguliere melkveehouderij getransformeerd tot een kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf. De milieugevolgen van de toekomstige activiteit leveren een verbetering op ten opzichte van de reguliere melkveehouderij. Belangrijke nadelige milieugevolgen van dit bestemmingsplan kunnen derhalve worden uitgesloten. Dit mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.

4.14.3 Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 6 0

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Planvorm

Het plan omvat de herontwikkeling van een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning en plattelandswoning tot een kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf (herenboerderij) en twee burgerwoningen. Bij de opzet van het plan is gekozen voor een gedetailleerde wijze van bestemmen. Het bestemmingsplan is primair bedoeld om de beoogde herontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken. De ruimtelijke en functionele kaders zijn voldoende duidelijk, waardoor sprake is van directe bouwtitels. Het plan is opgesteld conform het gestelde in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) die door het Rijk is opgesteld in het kader van het project Digitale Uitwisseling van Ruimtelijke Plannen (DURP), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) die bindende afspraken en aanbevelingen bevat, en het coderingssysteem InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012). Geometrische plaatsbepaling Door middel van een combinatie van begrenzingen, coderingen, arceringen en/of kleuren, is in de geometrische plaatsbepaling (verbeelding) de verdeling aangegeven van de diverse binnen het plangebied te onderscheiden bestemmingen. Hiernaast bevat de geometrische plaatsbepaling aanduidingen die gelezen moeten worden in samenhang met de bebouwingsbepalingen, die voor de onderscheiden bestemmingen zijn gegeven.

5.2

Toelichting op de regels

De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Hierna worden de vier hoofdstukken kort toegelicht.

5.3

Inleidende regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels bepalen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden. De bestemming is zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 5.3.1 Begrippen In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 6 1

5.3.2 Wijze van meten In artikel 2 wordt weergegeven hoe de in de regels opgenomen maten van een bouwwerk moeten worden gemeten.

5.4

Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. Per artikel is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen. 5.4.1 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden Voor het uitoefenen van het kleinschalig gemengd agrarisch bedrijf en het behoud en herstel van open weidelandschap is de bestemming ‘Agrarisch met waarden Landschapswaarden’ opgenomen. Ondergeschikt zijn diverse voorzieningen toegestaan, zoals paden en kleinschalige natuurontwikkeling. Wonen is niet toegestaan. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen en windmolens ten behoeve van de waterhuishouding mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Een bouwaanduiding maakt een beperkte oppervlakte bijgebouwen buiten het bouwvlak mogelijk. Verder is met een aanduiding op de verbeelding bepaald waar een kleinschalige horecagelegenheid en de verkoop van streekeigen producten wordt toegestaan. 5.4.2 Verkeer De in het plangebied voorkomende weg is voorzien van de bestemming ‘Verkeer’.

Binnen de bestemming kunnen er nadere eisen worden gesteld aan verkeers- en verblijfsvoorzieningen, groenvoorzieningen en verhardingen en nutsvoorzieningen, met het oog op veiligheid, beeldkwaliteit en het behouden en versterking van waarden. Binnen deze bestemming zijn de bouwmogelijkheden beperkt. 5.4.3 Wonen De bestemming ‘Wonen’ is opgenomen voor de bestaande bedrijfs- en plattelandswoning waarvan het bestemmingsplan het gebruik als burgerwoningen mogelijk maakt. Met een aanduiding op de verbeelding is bepaald dat het maximum aantal wooneenheden binnen het bestemmingsvlak twee bedraagt. Uitgangspunt is dat het bestaande aantal woningen niet wordt vergroot. Een functieaanduiding geeft aan dat sprake is van een voormalig agrarisch bedrijf. Naast de woonfunctie is ook kleinschalige bedrijvigheid in de vorm van een aan-huis-verbonden beroep toegestaan. Binnen de bestemming passen ook voorzieningen zoals groen, parkeren en water. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Bijgebouwen zijn ook buiten het bouwvlak toegestaan, daar waar dit middels een aanduiding is aangegeven op de verbeelding. 5.4.4 Waarde - Archeologie 1 De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden.

Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 6 2

5.4.5 Waterstaat - Waterkering Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de gronden die een waterkerende functie hebben. Voor de bestemming is sprake van een zogenoemde dubbelbestemming waarbij de waterkerende functie primair is gesteld ten opzichte van de andere aangegeven bestemmingen. Op deze gronden is tevens de Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Eventuele toekomstige ontwikkelingen binnen de bestemming zijn slechts toelaatbaar, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de waterkering. Het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de secundaire bestemmingen is afhankelijk gesteld van een door burgemeester en wethouders te verlenen omgevingsvergunning voor afwijken. Alvorens bij omgevingsvergunning afwijking te verlenen wordt ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten advies ingewonnen bij het Hoogheemraadschap. Naast de bepalingen van het bestemmingsplan zal, op grond van de keurbepalingen, bij het oprichten van bebouwing dan wel het uitvoeren van een aantal werken en/of werkzaamheden tevens een watervergunning van het Hoogheemraadschap nodig zijn.

5.5

Algemene regels

5.5.1 Antidubbeltelregel De antidubbeltelregel is een verplichte regel die voortkomt uit het Besluit ruimtelijke ordening. In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. 5.5.2 Algemene afwijkingsregels Dit artikel bevat de algemeen gebruikelijke afwijkingsmogelijkheden. Deze afwijkingsmogelijkheden gelden voor het hele plangebied.

5.6

Overige regels

In dit artikel zijn de algemene bouw- en gebruiksregels opgenomen over parkeernormen overeenkomstig de gemeentelijke parkeernota, zoals deze geldt op het moment van indienen van een aanvraag omgevingsvergunning.

5.7

Overgangs- en slotregels

5.7.1 Overgangsrecht Deze artikelen regelen de bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, die op tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in strijd zijn met de met de bouwregels, gebruiksregels of beide. 5.7.2 Slotregel In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 6 3

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.6, onder f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in deze toelichting inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Deze uitvoerbaarheid heeft in het bijzonder betrekking op de financieel economische uitvoerbaarheid. Daarnaast moet worden aangegeven of er een exploitatieplan wordt opgesteld of dat sprake is van een overeenkomst. Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de financieel economische uitvoerbaarheid. Door het sluiten van een anterieure overeenkomst zijn gemeentelijke kosten gedekt, en zijn de planning en uitvoering vastgelegd. Ten behoeve van het bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie Naar aanleiding van de positieve principebesluiten van de gemeente Kaag en Braassem is de voorgenomen ontwikkeling verder uitwerkt. Parallel hieraan zijn enkele omwonenden en belanghebbenden geïnformeerd over het beoogde plan. Enkele direct omwonenden en een stichting zijn geïnformeerd middels een toelichting vanuit de initiatiefnemer. Tevens is door Herenboerderij Groene Hart gecommuniceerd over het initiatief aan de Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden. Er is informatie beschikbaar gesteld op de website (herenboerengroenehart.nl), via social media en in het AD van 18 december 2020.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 6 4

Hoofdstuk 7 7.1

Procedure

Voorbereidingsfase

Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het voorliggende bestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen. Het Hoogheemraadschap van Rijnland en de veiligheidsregio Hollands Midden hebben gereageerd. De ontvangen reacties voorzien in maatregelen die bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het aspect bouwen naar voren komen en leiden niet tot aanpassingen van dit bestemmingsplan.

7.2

Ontwerpfase

Na afronding van de voorbereidingsfase is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 4 maart 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn kon een ieder schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan indienen. Er zijn geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Dit heeft derhalve niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wel zijn er een aantal ambtshalve aanpassingen gedaan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. De aanpassingen zijn in onderstaande tabel beschreven. Betreft Onderzoek stikstofdepositie

Specifieke gebruiksregels

Aanpassing plangebied

Aanpassing bouwvlak voor 'Wonen'

Wijziging Een aantal aspecten uit het onderzoek stikstofdepositie is nader gemotiveerd. Dit heeft niet geleid tot een andere conclusie. Er is een nieuwe versie van het onderzoek toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Aanpassing specifieke gebruiksregel voor het uitsluiten van een toename van stikstofemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf. Het plangebied is uitgebreid aan de noordzijde, zodat de in april 2021 vergunde boomgaard bij de Herenboerderij geheel binnen het plangebied ligt. Het bouwvlak is aan de oostzijde iets uitgebreid zodat zowel de bebouwing als de autoparkeerplaatsen geheel binnen het bouwvlak gelegen zijn.

Tabel 7.1 Ambtshalve wijzigingen

7.3

Vaststellingsfase

Na afronding van de ontwerpfase wordt het bestemmingsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking.

Mees Ruimte & Milieu | Vriezekoop 4, 4a en 4c te Leimuiden

Pagina | 6 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=b0303cf6-2512-4237-8650-c0fc13f76d47