NL.IMRO.1884.BPHOFDIJKLAAN13-VAS1 toelichting
Tekst van het document
Adromi B.V.
R201931
Pagina 25 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
Beoordeling De beoogde ontwikkeling omvat de doorvoer van de Lei sloot. Hiertoe zal nieuw oppervlaktewater met natuurlijke oevers gegraven worden. Ook wordt voor de doorvoering een duiker onder de ontsluitingsweg van woningen en achterland geplaatst. Er is hierbij geen sprake van dempen of aantasting van waardevolle oevers door het aanbrengen van beschoeiingen en damwanden. Vanwege de sanering van stallen en verharding zal geen sprake zijn van een toename van verhard oppervlak. De uitvoeringsregels betreffende duikers (4) en graven van oppervlaktewater (5) zijn van toepassing. Duikers Een duiker is een constructie welke uit verschillende materialen en vormen kan bestaan. De functie van een duiker is om watergangen door een grondlichaam heen met elkaar te verbinden: doorstroming. Aan het aanleggen en gebruiken van duikers zijn regels verbonden. Hierbij is een vergunningsplicht of een algemene regel (met maatwerkvoorschrift of meldplicht) geldend. Tevens is er een absoluut verbod mogelijk. De regels betreffen de locatie van de duiker (waterkeringen, vaarwegen met vaarwegbeheerder Rijnland, hoofdwatergang of overige watergang), de breedte van de watergang, lengte van en bochten in de duiker, diameter van de duiker in combinatie met de breedte van de watergang en de ligging van de duiker.
Beoordeling Er kan worden voldaan aan het beleid van het Hoogheemraadschap bij het maken van de nieuwe duiker. Dit aspect staat niet in de weg aan de realisering van het bestemmingsplan. Graven van oppervlaktewater Rijnland definieert alle activiteiten waardoor de hoeveelheid water toeneemt als graven van oppervlaktewater. Hieronder vallen onder andere het verbreden en/of verdiepen van een bestaande watergang, het verflauwen van een talud en het maken van een nieuwe watergang. Aan het graven van oppervlaktewater zijn regels verbonden. Hierbij is een vergunningsplicht, een zorgplicht of een algemene regel (met maatwerkvoorschrift of meldplicht) geldend. De regels betreffen de diepte van het graven (dieper dan 2,5 meter vereist vergunning), de locatie van het graven (in een waterkering of kwetsbaar kwelgebied), de exacte graafactiviteiten (uitsluitend talud verflauwen of uitsluitend verdiepen), of er gegraven wordt in een bestaande watergang en of er bij een nieuwe watergang aan de minimale afmetingen voldaan wordt (0,6 meter diep, bodem 0,4 meter breed en de watergang minimaal 2,5 meter breed). Beoordeling Het nieuw te graven water zal qua dimensionering aansluiten bij de bestaande watergangen. Er zal worden voldaan aan de eisen en randvoorwaarden van het Hoogheemraadschap. Verder wordt voor
Adromi B.V.
R201931
Pagina 26 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
wat betreft het toekomstige waterpeil in het nieuwe oppervlaktewater aansluiting gezocht bij de hogere maaiveldhoogte ter plaatse van de nieuwe woningen. Verwezen wordt naar paragraaf 2.2. Hemelwater, riolering en afkoppelen Rijnland gaat uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang van afvalwater en hemelwater, overeenkomstig met het rijksbeleid. Allereerst moet worden getracht om het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen. Daarna moet gestreefd worden om vuil- en schoon water te scheiden van elkaar. Tenslotte moet het afvalwater gezuiverd worden. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Beoordeling In het plangebied zal sprake zijn van de volgende aanpak. Hemelwater afkomstig van daken zal afwateren op oppervlaktewater. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken zal infiltreren in de bodem. Huishoudelijk afvalwater zal worden afgevoerd naar de gemeentelijke riolering. Legger regionale keringen Het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden hebben op 1 juni 2016 de ontwerpwijziging van de Legger regionale waterkeringen van Rijnland vastgesteld.
In de Legger regionale keringen van het Hoogheemraadschap van Rijnland wordt voor de waterkerende dijken de volgende zonering aangehouden: − −
−
Kernzone: Centrale gedeelte van de waterkering, breedte is locatie afhankelijk. Beschermingszone: Aan de waterkering grenzende zone, de breedte aan de buitenzijde van de kering (waterzijde) is 15 meter vanaf de grens van de kernzone en de breedte aan de binnenzijde (landzijde) is locatie afhankelijk. Buitenbeschermingszone: Aan de beschermingszone grenzende zone, breedte is 50 meter gemeten vanaf de grens beschermingszone.
Per zone is aangegeven aan welke minimumeisen de waterkering moet voldoen. Binnen de kernzone geldt daarbij het strengste beschermingsniveau. In onderstaande figuur 4.1 is een uitsnede van de Legger regionale keringen weergegeven rondom het plangebied, waarbij de verschillende zones zijn weergegeven.
Adromi B.V.
R201931
Pagina 27 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
Figuur 4.1: Uitsnede Legger regionale keringen. Planlocatie indicatief in het rood omlijnd (bron: rijnland.maps.arcgis.com).
Beoordeling Gelet op de afstand vormt dit aspect in principe geen aandachtspunt voor de locatie. Legger oppervlaktewateren De huidige legger oppervlaktewateren van Rijnland is op 21 november 2018 vastgesteld door het bestuur van Rijnland, waarin is vastgelegd wat de vereiste minimale afmetingen zijn, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en wat het onderhoud inhoudt voor alle soorten oppervlaktewateren. De minimale afmetingen waar oppervlaktewateren aan moeten voldoen zijn hierboven beschreven onder ‘Graven van oppervlaktewater’. Hierop staat aanvullend in de legger: − Breedte beschermingszone is 2 meter breed en gebaseerd op de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van onderhoud en/of inspectie; − De waterdiepte dient minimaal 0,5 meter te zijn in landelijk gebied (ingreepmaat; onderhoudsmaat ligt hier maximaal 0,2 meter onder). Taluds 1:3. De onderhoudsplichtigen voor overig oppervlaktewater in de polder voor zowel het natprofiel als de taluds zijn de eigenaren van de aan het water grenzende percelen, de zogenaamde aangelanden.
Onder het onderhoud valt: − Het verwijderen van overmatige plantengroei, voorwerpen, materialen en stoffen die de afvoer en/of aanvoer en/of berging van water hinderen; − Het vóór door het bestuur aangekondigde schouwdata, schonen van oppervlaktewateren door het maaien en verwijderen van begroeiingen anders dan die dienen tot verdediging van de taluds; − Vegetatie mag blijven staan conform bepaald afhankelijk van de breedte wateroppervlak op de waterlijn: aan elke over 1/10 van de breedte van het wateroppervlak. Beoordeling Net als in de huidige situatie kan aan deze randvoorwaarden worden voldaan.
Adromi B.V.
R201931
Pagina 28 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
5.
Milieu
5.1. Bedrijfs- en milieuzonering Voor de inpassing van hindergevoelige functies zoals woningen nabij potentieel hinderlijke functies kan gebruik worden gemaakt van de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (16 april 2009). In deze VNG brochure worden gangbare vormen van bedrijvigheid ingedeeld in (milieu)categorieën van bedrijfsactiviteiten, waarbij per activiteit wordt aangegeven met welke indicatieve afstanden rekening dient te worden gehouden voor wat betreft de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Daarnaast wordt een indicatie gegeven van de overige invloed die de activiteit kan hebben op de omgeving als het gaat om de aspecten verkeersaantrekkende werking, continu bedrijfsproces, visueel en gevolgen voor de luchtkwaliteit. Het realiseren van een milieugevoelige functie buiten de betrokken afstanden is in principe acceptabel. Indien een milieugevoelige functie binnen een afstand moet worden gerealiseerd is maatwerk nodig waarbij gericht kwantitatief onderzoek noodzakelijk kan zijn om beter te kunnen beoordelen of sprake zal zijn van een ruimtelijk aanvaardbare situatie. De normafstanden uit de VNG brochure zijn gebaseerd op de afstand van bedrijvigheid (terreingrens) tot een rustige woonwijk (gevel van een woning).
In geval sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kan op grond van de VNG richtlijnen een kortere afstand worden aangehouden voor de aspecten geur en geluid. Onder ‘gemengd gebied’ wordt gebied verstaan, waar naast woningen ook winkels, horeca- en bedrijven aanwezig zijn (of zullen worden toegelaten). Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen, worden ook tot dit omgevingstype gerekend vanwege de verhoogde geluidbelasting1. Aangezien in het plangebied vrijwel direct langs de hoofdinfrastructuur ligt, kunnen de kortere normafstanden worden aangehouden voor deze locatie. Zie de onderstaande tabel 5.1 voor de normafstanden per milieucategorie voor rustige woonwijken en gemengde gebieden. Tabel 5.1: Afstanden milieucategorie
Milieucategorie
Normafstand rustige woonwijk
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 30 50 100 200 300 500 700 1.000 1.500
Normafstand gemengd gebied (alleen voor de aspecten geur en geluid) 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1.000
In de directe nabijheid van het plangebied zijn onderstaande bedrijven aanwezig. 1
Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Bedrijven en milieuzonering, 16 april 2009, pagina 30 bovenaan.
Adromi B.V.
R201931
Pagina 29 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
Tabel 5.2: Nabijgelegen bedrijven
Bedrijf
Tuincentrum Zuivelboerderij (rundvee) Autostallings- en reparatiebedrijf Caravanstalling (autoparkeerterrein) Veldsportcomplex (met verlichting) Aannemersbedrijf Agrarisch bedrijf
Afstand tot plangebied (m) 230 310 580
Adres
Milieucategorie
Maatgevende afstand (m) Geluid, geur
Tussengelegen woonbebouwing
Voldoet
Hofdijklaan 3 Hofdijklaan 25 Hofdijklaan 33
2 3.2 2
10 50 10
Nee Nee Nee
Ja Ja Ja
780
Hofdijklaan 61
2
10
Ja
Ja
280
Bloemerd 8, Leiderdorp Leidseweg 17A Zuidzijderweg
3.1
30
Nee
Ja
3.1 2
30 10
Ja Nee
Ja Ja
490 720
De betrokken niet-agrarische bedrijvigheid valt ten hoogste onder milieucategorie 3.1 als opgenomen in de VNG-brochure, met een maatgevende afstand van maximaal 50 meter voor een rustige woonwijk. Zoals uit de tabel blijkt, is deze bedrijvigheid gelegen op voldoende afstand tot de beoogde woonbestemmingen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening vormt dit aspect dan ook geen beperking voor de beoogde ontwikkeling. 5.2. Geluid De nieuw te bouwen woningen zijn geluidgevoelige objecten. Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met de geluidbelasting als gevolg van eventueel wegverkeerslawaai, industrielawaai, railverkeerslawaai op de geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. In dat kader dient tevens de cumulatie van geluid uit verschillende bronnen te worden beoordeeld alsook geluid uit andere bron, zoals scheepvaartverkeerslawaai of luchtvaartverkeerslawaai. Voor de planlocatie is enkel het aspect wegverkeerslawaai aan de orde. 5.2.1. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (artikel 74) zijn onder andere voor wegen in buitenstedelijk gebied formele zones met betrekking tot geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai opgenomen. Wanneer sprake is van ligging binnen 250 meter van een weg met een of twee rijstroken en binnen 400 meter van een weg met drie of meer rijstroken.
De Wet geluidhinder is niet van toepassing voor wegen waar een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur of minder. De locatie Hofdijklaan 13 is gelegen buiten de bebouwde kom. Ter plaatse geldt een snelheidslimiet van 60 km/uur. De Hofdijklaan loopt parallel aan de N446 en vormt via deze provinciale weg de ontsluiting voor de aangelegen functies. Op de N446 geldt een snelheidslimiet van 80 km/uur. Gezien de relatief hoge verkeersintensiteit van de N446 en de korte afstand tot aan het plangebied (minder dan 100 meter) is geluidonderzoek uitgevoerd2. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de nieuwe woningen hoger zal zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar 2
Adromi B.V., Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bouwplan Hofdijklaan 13 Oud Ade, juni 2020, bijlage 4
Adromi B.V.
R201931
Pagina 30 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
lager dan de ontheffingswaarde, waarbij ook kan worden voldaan aan de overige voorwaarden voor het vaststellen van een hogere waarde. Gelet hierop kan via vaststelling van een hogere waarde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden bereikt in de nieuwe woningen. Betrokken hogere waarde besluit wordt gelijktijdig met onderhavig bestemmingsplan voorbereid en vastgesteld. 5.2.2. Industrielawaai Eén van de hinderaspecten die kan worden veroorzaakt door bedrijvigheid is industrielawaai. Situaties waarbij geluidgevoelige functies en bedrijvigheid in de directe omgeving samenkomen moeten worden beoordeeld. De nieuw te bouwen woningen betreffen geluidgevoelige objecten, ten aanzien waarvan de geluidbelasting vanwege bedrijvigheid in de omgeving dient te worden beoordeeld. Uitgaande van de aanwezige bedrijven in de omgeving als beschreven in paragraaf 4.2, zal gezien de grote afstand tot de bedrijven geen relevante geluidhinder vanwege de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. De als onderdeel van onderhavige ontwikkeling te realiseren windturbine dient te voldoen aan de norm van 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op woningen van derden. Gelet op de kleinschaligheid van de windturbine met een hoogte van slechts 15 meter en de grote afstand tot woningen van derden (>250 meter) kan hieraan worden voldaan.
Voor de bestaande en de te realiseren woningen geldt, dat deze zich in de sfeer van de inrichting 3 bevinden. De bewoners van de betreffende woningen houden visueel toezicht op de goede werking van de windturbine en zorgen ervoor dat onbevoegden niet in de directe omgeving van de turbine en de andere energievoorzieningen komen. De betrokken windturbine is verder bedoeld om bij te dragen aan de energievoorziening van de bedoelde woningen. Bovendien zijn de eigenaren van de woning(en) in principe ook eigenaar van gronden waarop een windturbine wordt gerealiseerd cq. deelnemer in de aanwezige energievoorzieningen. De bewoners hebben kortom een zodanige betrokkenheid en belang bij de inrichting dat deze woningen om die reden tot de sfeer van de inrichting moeten worden gerekend en niet getoetst hoeven te worden in het kader van het Activiteitenbesluit. Er kan dus voor wat betreft het aspect industrielawaai een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gerealiseerd voor bestaande en de nieuw te bouwen woningen. 5.2.3. Geluidcumulatie Gezien er geen sprake is van geluidcumulatie (alleen sprake van verkeerlawaai), blijkt dat middels het treffen van de voorgestelde maatregelen voor het aspect geluid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd voor de nieuw te bouwen woningen. 5.3.
Geur Bij een functiewijziging dient rekening te worden gehouden met de geurhinder van eventueel aanwezige veehouderijen. Sinds 1 januari 2013 geldt het Activiteitenbesluit voor agrarische bedrijven. 3
ECLI:NL:RVS:2012:BY3038
Adromi B.V.
R201931
Pagina 31 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
Voor wat betreft geurhinder wordt in het Activiteitenbesluit een normafstand van 50 meter aangehouden vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt tot de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten. Op grond van artikel 3.118 Activiteitenbesluit blijft de mogelijkheid in stand van gemeentelijk geurbeleid. De Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Kaag en Braassem stelt dat ‘Voor buiten de bebouwde kom gelegen geurgevoelige objecten wordt de minimumafstand uit artikel 3, tweede lid onder b en artikel 4, eerste lid onder b van de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd.’ Bij het toelaten van nieuwe geurgevoelige objecten in het kader van de ruimtelijke ordening dient evenwel te worden uitgegaan van de standaard normering van het Activiteitenbesluit. In situaties als de onderhavige geldt daarbij de normafstand van 50 meter. In de directe omgeving rond het plangebied bevindt zich een agrarisch bedrijf aan de Hofdijklaan 25. Dit bedrijf bevindt zich op circa 300 meter afstand en valt daarmee uiten de normafstand van 50 meter. In die zin behoeft niet te worden gevreesd voor een aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aanwezige agrarische bedrijvigheid en/of een vanuit oogpunt van geurhinder onacceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen. 5.4.
Luchtkwaliteit Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Met deze reden moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Van belang hierbij is de invloed van het bouwplan op de plaatselijke luchtkwaliteit alsook de invloed van kwaliteit van de omgevingslucht op het bouwplan. 5.4.1. Wettelijk kader In de Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wet milieubeheer, hierna ook: Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen met als doel om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. In de Wm zijn in bijlage 2 grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die luchtverontreiniging veroorzaken. Nieuwe ontwikkelingen moeten aan de normen voor de luchtkwaliteit worden getoetst. De Wet luchtkwaliteit onderscheidt grote en kleine ruimtelijke projecten. Een klein project is een project dat niet in betekenende mate (NIBM) resulteert in een verslechtering van de luchtkwaliteit. Juridisch gezien kunnen NIBM-projecten zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden uitgevoerd worden.
Daarnaast kan een toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven, indien het bevoegd gezag op een andere wijze aannemelijk kan maken dat het beoogde project niet in betekenende mate bijdraagt. De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde (1,2 µg/m3 PM10 of NO2 en 0,75 µg/m3 PM2.5 jaargemiddeld. Sinds 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 in werking. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Er zijn twee manieren om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: − Motiveren dat een project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. Adromi B.V.
R201931
Pagina 32 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
−
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 1%- of 3%-grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet past binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken, dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
De NIBM-toetsing gaat het om de toename van de luchtverontreiniging als gevolg van de beoogde ontwikkeling, afgezet tegen de toekomstige ontwikkelingen en activiteiten die men redelijkerwijs kan verwachten zonder de beoogde ontwikkeling (autonome ontwikkeling). Grotere projecten die wel in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), in werking sinds 1 augustus 2009, relevant. Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Grotere projecten kunnen worden opgenomen in het NSL mits aangetoond wordt dat de negatieve effecten van de ontwikkeling weggenomen worden. De Wm stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: 1. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; 2. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of gelijk blijft; 3. een project NIBM bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; 4. een project is opgenomen of past binnen het NSL. 5.4.2. Gevolgen van bouwplan voor luchtkwaliteit Het voorliggende plan is zodanig kleinschalig dat hierop het Besluit NIBM (luchtkwaliteit) van toepassing is. De grens op grond van dit besluit is immers meer dan 1.500 woningen4.
In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen is vastgelegd in welke situaties sprake is van een ontwikkeling van zodanig geringe omvang dat kan worden aangenomen dat geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. In de context van een goede ruimtelijke ordening dient los daarvan worden nagegaan of een ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit. Uit de NIBM-tool5 blijkt dat pas vanaf 1.280 motorvoertuigen per dag extra, in betekenende mate wordt bijgedragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het toevoegen van de beoogde vier woningen in het plangebied draagt in niet betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. 5.4.3. Invloed van omgevingslucht op bouwplan Buiten de aanwezige wegenstructuur zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen activiteiten welke de kwaliteit van de buitenlucht als beschreven in de titel 5.2 en bijlage 2 van de Wet milieubeheer significant beïnvloeden.
4
Bijlage 3a, voorschrift 3A2 van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) – uitgaande van een bepalende ontsluitingsweg. In de overige gevallen, die niet in het Besluit NIBM genoemd worden, zal op een andere manier, bijvoorbeeld door middel van berekeningen, aannemelijk gemaakt moeten worden dat de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. 5 https://www.nsl-monitoring.nl/
Adromi B.V.
R201931
Pagina 33 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
Via de landelijke voorziening NSL-monitoringstool wordt de (geprognosticeerde) luchtkwaliteit in Nederland in beeld gebracht. In de navolgende tabel is hiervan een overzicht gegeven voor de Hofdijklaan. Via de monitoringstool NSL 2019 kunnen de jaren 2018, 2020 en 2030 in beeld worden gebracht. Andere jaren kunnen niet in beeld worden gebracht met de monitoringstool. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen tot 10 jaar na vaststelling van het planologisch besluit. Hierbij geldt in principe dat voor de toekomst rekening wordt gehouden met een verkeerstoename ten opzichte van het huidige verkeersbeeld. Tegelijkertijd wordt naar de toekomst toe ook rekening gehouden met een afname van de emissies per voertuig. In de navolgende tabel wordt een overzicht gegeven van de (geprognosticeerde) luchtkwaliteit op de locatie. Tabel 5.3: Geprognosticeerde luchtkwaliteit op locatie
Monitoring NSL 2019 Rekenjaar 2018
Stof NO2
Berekening <35 µg/m³
Norm 40 µg/m³ jaargemiddelde
PM10c
<35 µg/m³
40 µg/m³ jaargemiddelde
PM10d
<35 dagen
<35 dagen/jaar >50 µg/m³
PM2,5
<20 µg/m³
25 µg/m³ jaargemiddelde
EC
0,75 - 1 µg/m³
NO2
<35 µg/m³
40 µg/m³ jaargemiddelde
PM10c
<35 µg/m³
40 µg/m³ jaargemiddelde
PM10d
<35 dagen
<35 dagen/jaar >50 µg/m³
PM2,5
<20 µg/m³
25 µg/m³ jaargemiddelde
EC
<0,75 µg/m³
NO2
<35 µg/m³
40 µg/m³ jaargemiddelde
PM10c
<35 µg/m³
40 µg/m³ jaargemiddelde
PM10d
<35 dagen
<35 dagen/jaar >50 µg/m³
PM2,5
<20 µg/m³
25 µg/m³ jaargemiddelde
EC
<0,75 µg/m³
Rekenjaar 2020
Rekenjaar 2030
Op basis van de waarden uit de tabel kan geconcludeerd worden dat op de planlocatie en in de nabijheid hiervan geen verhoogde concentraties van verontreinigde stoffen aanwezig zijn en ook in de toekomst niet te verwachten zijn. Het plan voldoet hiermee aan de Wm, onderdeel luchtkwaliteitseisen. Er zijn geen belemmeringen voor dit plan met betrekking tot de luchtkwaliteit.
Adromi B.V.
R201931
Pagina 34 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
5.5. Externe veiligheid 5.5.1. Algemeen juridisch kader Doel van het externe veiligheidsbeleid is om de kans op overlijden van mensen in de omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen, binnen aanvaardbare grenzen te houden. Deze risicobenadering kent een tweetal begrippen om het risiconiveau weer te geven, het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats. Bij het plaatsgebonden risico gaat het om de kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute of industriële risicobron overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, er van uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op die plaats aanwezig is. Anders gezegd, het PR is een rekenkundig begrip. Het PR kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicovolle bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten. Voor het plaatsgebonden risico is door de Rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10-6 per jaar.
(De norm van 10-6 per jaar betekent dat de kans op een dodelijke situatie door een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen de 10-6-begrenzing/plek = 1:1.000.000, 10-5 = kans van 1:100.000). Het groepsrisico (GR) drukt de kans uit per jaar dat een groep mensen van minimale omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Het GR is te beschouwen als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een incident. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Het GR is in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico een oriënterende waarde. Voor wat betreft het GR spelen ook andere aspecten een rol, zoals de afstand van de ontwikkeling tot aan de risicobron, de snelheid waarmee een calamiteit zich kan ontwikkelen alsook de duur van een calamiteit, de toename van het groepsrisico t.o.v.
de bestaande situatie, het nut en de noodzaak van de beoogde ontwikkeling, de aanwezigheid van bouwwerken welke kunnen worden gebruikt om te schuilen, de voorhanden of te realiseren infrastructuur welke dienst kan doen als vluchtroute en de mate waarin de aanwezige personen zelfredzaam zijn (in staat om zichzelf en anderen te helpen en te (helpen) vluchten). 5.5.2. Inrichtingen en transportroutes Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) beschrijven het beleid voor inrichtingen.
Adromi B.V.
R201931
Pagina 35 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Bevi heeft als doel om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen te beschermen. Hiertoe legt het Bevi veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen, bijvoorbeeld chemische fabrieken of lpg-tankstations, welke risicovolle activiteiten kunnen verrichten nabij kwetsbare objecten. Dit kan risico’s vormen voor in de buurt zijnde mensen, welke tot een aanvaardbaar minimum moeten worden beperkt door het Bevi. Dit betekent dat het bevoegd gezag moet rekening houden met veiligheidsafstanden ter bescherming van individuen (PR) en groepen (GR) bij omgevingsvergunningen milieu of ruimtelijke besluiten rond bedrijven. Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) In het Revi, bijbehorend aan het Bevi, zijn de bepaling en de toepassing van de veiligheidsnormen verder uitgewerkt. Voor categoriale inrichtingen geeft het Revi tabellen met vaste veiligheidsafstanden. Transportroutes Voor de externe veiligheid nabij transportroutes geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In de Regeling basisnet zijn veiligheidsafstanden vastgelegd voor wegen die onderdeel zijn van het Basisnet. Deze veiligheidsafstanden betreffen een afstand voor het risicoplafond en het plasbrandaandachtsgebied (PAG).
De Wet basisnet geeft een gebruiksruimte aan de daarin opgenomen basisnetroutes. De afstand voor het risicoplafond is zodanig bepaald dat het plaatsgebonden risico op de grens van de zone niet meer bedraagt dan 10-6 per jaar. Binnen de afstand voor het risicoplafond mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd. Binnen het PAG van 30 meter mag slechts bij hoge uitzondering en met een goede motivatie gebouwd worden. 5.5.3. Risicobronnen De nieuwe woningen dienen te worden aangemerkt als nieuwe kwetsbare objecten in het kader van de externe veiligheid. Het toekomstige bouwplan zelf heeft geen betrekking op een risicovolle inrichting of andere risicovolle functie, met uitzondering van de windturbine, die zal moeten voldoen aan artikel 3.15a Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor het plan is een inventarisatie uitgevoerd van mogelijke risicobronnen in de omgeving en de effecten. De Risicokaart is geraadpleegd om te bepalen of er sprake is van inrichtingen of tracés nabij het plangebied die de externe veiligheid zouden kunnen bedreigen. De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen en de locaties van kabels en leidingen. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, Hoogheemraadschappen, Provincie en de Rijksoverheid.
De Risicokaart laat zien dat er op het plangebied in de huidige situatie een bovengrondse propaantank aanwezig is (zie figuur 5.1). Deze propaantank blijft behouden als voorziening voor de woningen in de huidige boerderij.
Adromi B.V.
R201931
Pagina 36 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
Het plangebied is verder gelegen in de nabijheid van een transportroute voor gevaarlijke stoffen (N446). Uit de risicokaart blijkt verder dat het invloedsgebied van een hogedrukaardgasleiding (W-515-05: 12” en 40 bar) voor een gedeelte over de meest westelijk gelegen woonbestemming ligt.
Figuur 5.1: Ligging planlocatie (indicatief in het zwart) ten opzichte van de propaantanks (rode stip) en gasleiding (rode onderbroken lijn) in de omgeving (bron: risicokaart.nl).
Propaantank De afstand tot woningen van derden voldoet aan artikel 3.28 van het Activiteitenbesluit. Ook voor het overige zal de propaantank blijven voldoen aan de voorschriften die voortvloeien uit het Activiteitenbesluit, ten einde het externe veiligheidsrisico te minimaliseren. N446 De N446 kent geen PR10-6-contour. De 200 meter-zone van de N446 omvat een groot gedeelte van het plangebied. Het groepsrisico van de N446 wordt bepaald door het transport van stoffen van klasse GF3 (o.a. LPG) met een effectgebied van ongeveer 300 meter welke het gehele plangebied omvat. Het verkeer over de N446 is voor het grootste gedeelte bestemmingsverkeer. Het aantal transporten van gevaarlijke stoffen zal dan ook gering zijn. Gelet op het beperkte aantal transporten van gevaarlijke stoffen en de geringe toename van aanwezige personen bij de beoogde ontwikkeling, zal het groepsrisico niet of nauwelijks toenemen: er wordt uitgegaan van tien extra bewoners in vier woningen, wat vrijwel gelijk aan de hoeveelheid personen die bij de huidige agrarische bedrijfsvoering op het perceel aanwezig zijn. Daarnaast zullen deze personen overdag, wanneer de meeste gevaarlijke transporten zullen plaatsvinden, niet in de woning aanwezig zijn (elders aan het werk, naar school e.d.).
Adromi B.V.
R201931
Pagina 37 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
In geval van een incident zal er geen sprake zijn van plasbrandrisico, aangezien er tussen de N446 en het plangebied eerst de Hofdijklaan ligt en daarnaast ook een sloot. In het tussenliggende gebied tot aan de grens van het plangebied is ook geen brandbaar materiaal aanwezig. Bij een incident met een LPG-tankwagen kan een BLEVE (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie) ontstaan. De aanwezige bebouwing, waaronder eventueel ook een kelder, biedt de bewoners voldoende schuilmogelijkheden, waarbij bewoners onderling eventueel beperkt zelfredzame personen kunnen helpen. In geval van een calamiteit kan via de parallelweg N446 worden weggevlucht. Het plangebied zelf is daarbij via twee ontsluitingen bereikbaar voor de hulpdiensten. Indien de calamiteit zich direct voor deze beide entrees zou voordoen, kan het achterland worden ingevlucht. Het achterland is ondanks de aanwezige hoogspanningsverbinding goed ontsloten voor helikopters om bewoners zo nodig meer permanent te evacueren tijdens een calamiteit. Bij een incident met toxische stoffen kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Er zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden.
Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters en het uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. De ventilatievoorzieningen in de nieuwe woningen zullen met het oog hierop afschakelbaar worden uitgevoerd. Met uitstekend zicht op de weg zal een dergelijk incident ook snel waargenomen worden. Hogedruk gasleiding Vanwege het daarvoor gehanteerde veiligheids- en onderhoudsregime is de kans op calamiteiten met hogedruk gasleidingen zeer gering als het gaat om calamiteiten als gevolg van gebrek aan onderhoud en/of werkzaamheden welke aan de leiding worden uitgevoerd door de leidingbeheerder zelf. De kans is het grootste indien een leiding over het hoofd wordt gezien bij graafwerkzaamheden van derden. Om die reden is voorzien in zakenrechtelijke en planologische beperkingen voor het uitvoeren van werkzaamheden in de directe nabijheid van deze leiding (de zogenaamde ‘beperkingenstrook’). De plaatsgebonden risicocontour van de leidingen ligt volgens de risicokaart op de leiding en is daarmee niet relevant voor het plangebied. Het invloedsgebied voor het groepsrisico van deze leiding (de 1%-letaliteitsgrens) ligt op 140 meter. De 100%-letaliteitsgrens ligt op 70 meter.
De nieuwe woningen in het plangebied zijn op redelijk grote afstand van de hogedruk aardgasleiding gelegen (meer dan 150 meter afstand) en daarmee in ieder geval ruim buiten de 100%-letaliteitsgrens van de gasleiding. Windturbine en energievoorzieningen Ten aanzien van een windturbine is sprake van een extern veiligheidsrisico als gevolg van een eventuele rotorbladbreuk. Dit kan optreden in geval van stormwind, waarbij veiligheidsvoorzieningen (windvangcorrectie en de toerenbegrenzer) van de turbine falen. De rotorsnelheid van de turbine zal te hoog worden (overtoeren) hetgeen kan leiden tot rotorbladbreuk, waarbij een rotorblad in de omgeving wordt weggeslingerd.
Adromi B.V.
R201931
Pagina 38 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
Door periodiek onderhoud en controle kan dit risico worden geminimaliseerd. Er is daarbij sprake van een kleine windturbine met een hoogte van niet meer dan 15 meter, waardoor de eventuele werpafstand beperkt wordt. Van belang daarbij is verder dat de werpmassa van een dergelijk klein rotorblad hoogstens enkele kilo’s betreft. Aanwezige gebouwen in het plangebied zullen met andere woorden beschadigd kunnen worden indien zij getroffen worden door een rotorblad, maar de kans dat dit leidt tot verwonding of dood van in dat gebouw aanwezige personen is verwaarloosbaar. Ervan uitgaande dat in geval van een storm sowieso zeer beperkt mensen buiten aanwezig zullen zijn, is de trefkans van in de buitenlucht verblijvende personen ook niet relevant. De zonnepanelen vormen geen aanvullend extern veiligheidsrisico en dat geldt ook voor de aanwezige inverters, waarin hoogstens brand zou kunnen ontstaan. De opslagvoorzieningen voor energie kunnen bestaan uit een warmte/koude-buffervat waarin water als medium wordt toegepast. Dit vormt evenmin een extern veiligheidsrisico. De opslag van elektrische energie in bijvoorbeeld batterijen zal in principe alleen brand kunnen veroorzaken. Gelet op de plaatsing op afstand van de woningen en eventueel ook in een kelder zal een eventuele brand geen gevolgen hebben voor de woningen en is blussen ook goed mogelijk.
Door de veiligheidsregio is advies uitgebracht over onderhavig bestemmingsplan6. Er zijn daarbij enkele aandachtspunten geformuleerd, maar in principe wordt het plan als aanvaardbaar beoordeeld. Beoordeling Gelet op alle aspecten omtrent de externe veiligheid, met geen of nauwelijks toename van PR en GR, kan een ruimtelijk aanvaardbare situatie worden gerealiseerd. 5.6. Bodem Mede op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak die in de weg zou kunnen staan aan de realiseerbaarheid van het plan. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen te worden gerealiseerd op bodem die daarvoor op basis van in het kader van de Wet bodembescherming vastgestelde normen geschikt is (of daarvoor geschikt gemaakt kan worden).
6
Veiligheidsregio Hollands Midden, advies Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade, D2021-03-003039, 31 maart 2021, bijlage 9
Adromi B.V.
R201931
Pagina 39 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
De nieuwe woningen worden gebouwd op een reeds onbebouwde locatie (weiland). Tevens worden in de beoogde ontwikkeling bestaande stallen en verharde bodem gesaneerd. Er heeft bodemonderzoek plaatsgevonden met het oog op de te realiseren woningen7. Uit dit onderzoek blijkt dat de bodem geschikt is bevonden voor de beoogde woonbestemming. Er is evenmin asbest in de bodem aangetroffen. Er dient nog wel een aanvullend grondwateronderzoek plaats te vinden. Dit aanvullend onderzoek zal worden aangeleverd bij de aanvraag van de Omgevingsvergunning van de nieuwbouw van de woningen. 5.7. Verkeer en parkeren Verkeer De nieuw te bouwen woningen in het plangebied zullen ontsloten worden op de Hofdijklaan. Deze weg is tevens de ontsluitingsweg voor andere woningen en bedrijven gelegen aan de Hofdijklaan om het gebied te ontsluiten richting de N445 ten noorden en de A4 ten zuiden van het plangebied. Het plangebied bevindt zich buiten de bebouwde kom en ter plaatse van het gebied geldt op de Hofdijklaan een snelheidslimiet van 60 km/uur. De Hofdijklaan wordt ook gebruikt door fietsers en bromfietsers. Er is geen trottoir voor voetvangers aanwezig. Parkeren Ten aanzien van parkeren heeft de gemeente Kaag en Braassem in 2018 de ‘Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem’ vastgesteld, wat tevens geldt voor het plangebied.
Het doel van deze ‘Nota parkeernomen 2018’ is om voor de gehele gemeente, per gebied en per functie, parkeernormen voor de toekomst vast te leggen. Voor het plangebied wordt de norm aangehouden voor ‘buitengebied’, gezien de ligging buiten de bebouwde kom. Op basis van deze kentallen betekent dit voor de grondgebonden en vrijstaande woningen minimaal 2 en maximaal 2,8 parkeerplaatsen zonder aandeel bezoekers. Voor sociale huurwoningen geldt minimaal 1,2 en maximaal 2 parkeerplaatsen met 0,3 aandeel bezoekers per woning. Worst case zullen voor de woningen 12 parkeerplaatsen moeten worden gemaakt. In het plangebied is voldoende ruimte om te kunnen voorzien in deze parkeerbehoefte. Er is immers sprake van onbebouwd en open terrein en de parkeerplaatsen zijn al opgenomen in de bestaande plannen en schetsen. Op deze wijze is het aspect parkeren in afdoende mate geborgd.
7
Adromi B.V., Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grondonderzoek Hofdijklaan 13 Oud Ade, kenmerk B202012, 28 september 2020, bijlage 7.
Adromi B.V.
R201931
Pagina 40 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
6.
Omgevingsaspecten
6.1. Ecologie 6.1.1. Juridisch kader Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van toepassing. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren. Deze wet vervangt drie voormalige wetten en bestaat daarbij uit drie onderdelen: soortbescherming (voormalige Natuurbeschermingswet 1998), bescherming van houtopstanden (voormalige Boswet) en gebiedsbescherming (voormalige Flora- en faunawet). In de Wet natuurbescherming is onder andere de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgenomen. Onderdeel van de wet is dat er beschermde gebieden worden aangewezen (netwerk van de zogenaamde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten) gericht op de bescherming van ongeveer 500 soorten in het wild voorkomende planten en dieren. Op provinciaal niveau hebben bepaalde natuurgebieden eveneens een beschermingsniveau toegewezen gekregen, in de vorm van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Sinds de Wet natuurbescherming in werking is getreden, komen alle verantwoordelijkheden betreffende natuur(bescherming) bij de provincies te liggen: de provincies bepalen wat wel- en niet mag in de natuur en zorgen daarbij ook voor vergunningen en ontheffingen. 6.1.2.
Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming en de Wet ruimtelijke ordening zorgen voor gebiedsbescherming, waarbij Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wet natuurbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) planologisch wordt beschermd door de Wet ruimtelijke ordening. Natura 2000-gebieden Nederland kent 23 Natura 2000-gebieden. In elk Natura 2000-gebied zijn doelen opgesteld ter instandhouding van de aanwezige soorten en vegetatietypen. Activiteiten (of afwezigheid van maatregelen) welke nadelige effecten op Natura 2000-gebieden hebben dienen beperkt of achterwege gelaten te worden. In Natura 2000-gebieden geldt een vergunningplicht voor activiteiten die belastend kunnen zijn voor de natuur. Ook zijn regulier beheer en bestaand gebruik opgenomen in de Natura 2000-beheerplannen. Er hoeft geen vergunning aangevraagd te worden als bestaand gebruik is vastgesteld in de beheerplannen. Bestaande bebouwing erven, tuinen en wegen met een gesloten verharding behoren in principe niet tot het NNN. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is opgericht met als doel de bescherming, instandhouding en verdere ontwikkeling van biodiversiteit in Nederland. Het bestaat uit bos- en natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden, bestaande en nieuwe landgoederen, ecologische verbindingen, de grote wateren en de Noordzee.
Belangrijk weidevogelgebied uit de Visie Ruimte en Mobiliteit van de Provincie Zuid-Holland In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) van de Provincie Zuid-Holland zijn belangrijke weidevogelgebieden aangewezen. Een weidevogelgebied is een gebied dat een hoge dichtheid aan weidevogels heeft en daarmee een belangrijke waarde heeft voor de totale weidevogelstand.
Adromi B.V.
R201931
Pagina 41 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
Beoordeling Het plangebied ligt niet in of nabij een Natura 2000-gebied en ook niet in of nabij een Natuurnetwerk Nederland gebied. Het plangebied bevindt zich wel in de directe nabijheid van belangrijk weidevogelgebied: deze ligt op circa 100 meter buiten de grenzen van het plangebied ten noorden en oosten van de planlocatie. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘De Wilck’ ligt 6,0 kilometer ten zuiden van het plangebied. Daarnaast ligt het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’ 9,0 kilometer ten westen van het plangebied. Ten zuiden van het plangebied op circa 1,8 kilometer ligt het meest dichtbij zijnde NNN-gebied.
Figuur 6.1: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, en de weidevogelgebieden ten opzichte van het plangebied indicatief als rode stip (bron: Natuur Netwerk Nederland via pzh.maps.arcgis.com).
De ontwikkeling zal niet plaatsvinden binnen of op de grens van een Natura 2000- of een NNN-gebied en is op voldoende afstand gelegen van deze gebieden om hier geen invloed op te hebben. De invloed van de ontwikkeling op het nabijgelegen weidevogelgebied kan als verwaarloosbaar worden beschouwd. Een toetsing van verstoringen op de natuurgebieden is daardoor niet noodzakelijk. Er is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd, waarbij de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is onderzocht8. Uit deze berekening volgt dat er geen stikstofdepositie van hoger dan 0,00 mol/ha/jaar optreedt als gevolg van de bouwfase en de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling. Dit laat zien dat er geen mogelijke significante effecten vanwege de stikstofemissies van de ontwikkeling op de natuurgebieden zijn. De stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden staat de realisatie van de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 6.1.3. Soortbescherming Naast het beschermen van gebieden staat de bescherming van dier- en plantsoorten vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Naast een algemene zorgplicht is hier ook de bescherming van aangewezen 8
Adromi B.V., Stikstofdepositieberekening Aerius d.d. 7 mei 2021, bijlage 1
Adromi B.V.
R201931
Pagina 42 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
zeldzame of bedreigde inheemse diersoorten in vastgelegd. Mits dergelijke soorten aanwezig zijn op een bepaalde locatie kan dit gevolgen hebben voor de uitvoering van activiteiten. Alle activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zijn in principe verboden. De Wet natuurbescherming verdeelt de beschermde soorten in drie groepen: soorten uit de Vogelrichtlijn, soorten uit de Habitatrichtlijn en andere soorten (o.a. uit de Rode Lijst). De Vogelrichtlijn is gericht op de bescherming van en het ontwikkelingsperspectief voor leefgebieden van zeldzame en bedreigde vogelsoorten en daarnaast biedt het ook bescherming van alle vogelsoorten. Het doel van Habitatrichtlijn is zorgen voor de instandhouding van natuurlijke habitats en wilde flora en fauna. De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn allebei Europese richtlijnen. In de huidige inrichting is het plangebied bebouwd met agrarische schuren en verhard terrein. Tevens is er op de locatie van de te bouwen huizen sprake van een weiland waar met regelmaat menselijke activiteiten plaatsvinden. Vanwege deze verharding, bebouwing en menselijke activiteiten is er sprake van weinig beschutting tegen roofdieren en mensen. Hierdoor is het onwaarschijnlijk dat het gebied in gebruik is door eventuele beschermde soorten.
Er is een ecologische quick-scan uitgevoerd9 waaruit blijkt dat door de bouw van de nieuwe woningen geen sprake zal zijn van aantasting van ecologische waarden. Aanvullend is een quick-scan uitgevoerd10 waaruit blijkt dat de zonnepanelen en de kleine windturbine geen nadelige effecten zal hebben op flora en fauna. Voor wat betreft effecten op flora en fauna van het realiseren van de energievoorzieningen zoals het plaatsen van zonnepanelen op het terrein, een windturbine en de opslagvoorziening van warmte en elektriciteit kan het volgende worden opgemerkt. Blijkens de uitgevoerde ecologische quick-scans is het bestemmingsplan uitvoerbaar mits daarbij overeenkomstig de Wet natuurbescherming algemene maatregelen getroffen worden vanuit de algemene zorgplicht, zoals: - Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden; - Broedende vogels mogen niet worden verstoord en in gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels dienen bij voorkeur buiten de broedperiode te worden gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en eind augustus.
Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet (door een deskundig ecoloog) worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. - (Grond)werkzaamheden worden zoveel mogelijk aaneengesloten uitgevoerd. Het zoveel mogelijk aaneengesloten uitvoeren van grondwerkzaamheden helpt om kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen;
9
Blom Ecologie, Quickscan Wet natuurbescherming Hofdijklaan 13 te Oud Ade, BE/2020/557/r, 19 augustus 2020, bijlage 2 10 Blom Ecologie, Quickscan Wet natuurbescherming Hofdijklaan 13 te Oud Ade, BE/2020/557/r, 7 juli 2021, bijlage 3
Adromi B.V.
R201931
Pagina 43 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
-
-
Er wordt, met name in de voortplantingsperiode (mei-juli) van de rugstreeppad voorkomen dat ondiepe vegetatieloze plassen (voortplantingsplaats, zoals ondiepe plassen, kuilen en bandensporen met water) kunnen ontstaan, door rijplaten te gebruiken; Opslag van open zand (landbiotoop in zomer en winter, en ook winterverblijfplaats) wordt afgedekt met wegendoek of plastic.
Deze maatregelen zullen als voorschrift aan de omgevingsvergunning(en) worden verbonden. Er zal te allen tijde met deze zorgplicht rekening worden gehouden. 6.1.4. Bescherming van houtopstanden Naast de gebieds- en soortenbescherming zijn er in de Wet natuurbescherming ook bepalingen ter bescherming van houtopstanden vastgesteld. Een houtopstand is gedefinieerd als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 a of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. In het plangebied is geen sprake van een houtopstand, zoals hierboven gedefinieerd. Derhalve is een toetsing van de beoogde ontwikkeling aan bescherming van houtopstanden niet noodzakelijk. In de beoogde ontwikkeling wordt houtopstand toegevoegd in de vorm van rijbeplanting en een voedselbos. Het voedselbos zal extra vestigingsmogelijkheden bieden voor diverse soorten en bijdragen aan de ecologische diversiteit van het gebied. 6.2. Archeologie en cultuurhistorie Bij een bestemmingsplan dient gekeken te worden naar archeologische en cultuurhistorische aspecten welke eventueel aanwezig zijn in het plangebied. Als er gesproken wordt over cultuurhistorie in relatie tot ruimtelijke ordening wordt vaak een onderscheid gemaakt in historische geografie en historische bouwkunst.
Historische geografie gaat over landschappelijke en stedenbouwkundige elementen en structuren zoals dijken, slotenpatronen, stratenpatronen en verkavelingen. Historische bouwkunst heeft betrekking op bebouwing en architectuur. 6.2.1. Wettelijk kader Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat het Overgangsrecht, welke betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving. Zo lang de toekomstige Omgevingswet nog niet actief is, blijven de artikelen in het Overgangsrecht van toepassing. De huidige Erfgoedwet combineert de bestaande wet- en regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. Hierin is vastgelegd hoe omgegaan moet worden met Nederlands erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht uitgeoefend moet worden.
Adromi B.V.
R201931
Pagina 44 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
Ruimtelijke ordening is, volgens de Wro, een afweging van belangen, waarvan cultureel erfgoed er één is. Het is daarmee een in de Bro opgenomen verplichting om ‘rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten’. Verdrag van Malta In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: − − −
archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren; in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.
Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van thans de Erfgoedwet per 1 juli 2016. Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Om deze belangenafweging op adequate en verantwoorde wijze te kunnen maken, heeft de gemeente Kaag en Braassem een archeologische beleidskaart opgesteld voor haar grondgebied (zie: gemeentelijk archeologiebeleid). Erfgoedverordening In de Erfgoedverordening van gemeente Kaag en Braassem staat de regelgeving voor de bescherming en instandhouding van het gemeentelijk erfgoed (monumenten en archeologie) vastgesteld. Deze Erfgoedverordening is een op 28 november 2016 geactualiseerde versie van de Erfgoedverordening 2010, waarbij de regelgeving wordt aangesloten bij de landelijke wetgeving. Nota Belvedère De Nota Belvedère, opgesteld door de ministeries van OCW, VROM, LNV en V&W in 1999, bevat nietbindend beleid voor het scheppen van goede voorwaarden om de cultuurhistorische identiteit expliciet te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen en -planvormingsprocessen.
De Nota dient ter verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en het behoud van cultureel erfgoed door middel van het herkenbaar houden van de cultuurhistorische identiteit en het erkennen van deze kwaliteit als uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen: ‘behoud door ontwikkeling’. Om het doel van de Nota Belvedère te bereiken, zijn zogenaamde Belvedèregebieden aangewezen. Dit zijn cultuurhistorisch gezien de meest waardevolle gebieden van Nederland. In deze gebieden wordt gestreefd naar een consistente inbreng vanuit cultuurbeleid in het ruimtelijke beeld.
Adromi B.V.
R201931
Pagina 45 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
Provinciaal archeologiebeleid Overheden moeten archeologie opnemen in ruimtelijke plannen conform de Wet op de archeologische monumentenzorg. Hierbij is de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) het uitgangspunt en zijn aanvullende richtlijnen opgenomen in de Regioprofielen Cultuurhistorie. Op basis van de archeologische waardenkaart kunnen gemeenten (gemotiveerd) afwijken van het provinciale beleid. Gemeenten kunnen niet afwijken van het provinciale beleid indien er sprake is van gebieden met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden. Deze typen gebieden zijn benoemd als archeologische aandachtgebieden op grond van de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie (POA) en beslaan minder dan 1% van het grondoppervlak van Zuid-Holland. Er wordt bij de Provincie Zuid-Holland onderscheid gemaakt tussen bekende archeologische waarden en archeologische verwachtingen: − Bekende archeologische waarden; o Terrein van zeer hoge archeologische waarde; o Terrein van hoge archeologische waarde; − Archeologische verwachting; o Terrein met zeer grote verwachting op archeologische sporen; o Terrein met redelijke tot grote verwachting op archeologische sporen; o Terrein met lage verwachting op archeologische sporen.
Voor terreinen met een zeer grote en redelijke tot grote verwachting op archeologische sporen kan onderzoek niet noodzakelijk zijn indien de verstoring kleiner dan 100 m² is (met uitzondering van historische stads- of dorpskernen) of als de werkzaamheden niet dieper worden uitgevoerd dan 30 centimeter onder het maaiveld. Indien dit niet het geval is kunnen de Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van de onderzoeksplicht als er kan worden aangetoond dat er redelijkerwijs geen nadelige effecten voor de betreffende waarden te verwachten zijn als gevolg van het achterwege laten van het onderzoek. Voor terreinen met een lage verwachting is er geen onderzoeksplicht. Gemeentelijk archeologiebeleid Het gemeentelijke archeologiebeleid van gemeente Kaag en Braassem is op 23 mei 2011 vastgesteld door de gemeenteraad. Op 13 mei 2013 is dit gemeentelijke archeologiebeleid geactualiseerd en zijn ook de geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaarten vastgesteld. Hoewel het geldende bestemmingsplan het uitgangspunt blijft om te bepalen of er archeologisch onderzoek nodig is, beschrijft het beleid de richting waar de gemeente heen wil op het gebied van archeologie. Een archeologische verwachtingskaart is “een voorspellingskaart waarop verwachtingen met betrekking tot de situering van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen zijn vertaald in termen van vlakken en zones”.
Op de kaart worden zones aangegeven met archeologische verwachtingen, zoals reeds beschreven bij “Provinciaal archeologiebeleid”. Indien van toepassing heeft de archeologische verwachtingskaart ook de zone “geen verwachting”. De kaart is gebaseerd op archeologische informatie uit het gebied zelf en op archeologische informatie uit landschappelijk vergelijkbare gebieden. Bodemingrepen groter dan 100 m² hebben een onderzoeksplicht. De gemeente kan afwijken van deze oppervlaktemaat indien zodanig gemotiveerd. Adromi B.V.
R201931
Pagina 46 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
6.2.2. Plangebied Cultuurhistorie Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Zuid-Holland kan worden opgemaakt dat voor het plangebied staat aangegeven dat er sprake is van een historisch landschappelijk vlak met een hoge waarde. De meeste landschapstypen in Zuid-Holland zijn niet bijzonder zeldzaam. Ze scoren daardoor, bij voldoende gaafheid en samenhang, doorgaans niet hoger dan ‘redelijk hoge waarde’. Het gebied rondom Oud Ade is ook opgenomen als één van de Belvedèregebieden.
Figuur 6.2: Historische landschappelijke vlakken en lijnen. Plangebied indicatief rood omlijnd (bron: Cultuurhistorische waardenkaart Zuid-Holland).
Belangrijk in de waardering van het landschap is de samenhang tussen het historisch landschap (de polder) en wat zich daarbinnen bevindt (verkaveling). Wanneer dit is aangetast door bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe wegen, industrieterreinen of woonwijken, is aan de gebieden hooguit de waarde ‘redelijk hoog’ toegekend. Voor de gehele polder waarin het plangebied gelegen is, is de hoge waarde opgenomen. Dit in verband met de ligging: een waardevol cultuurhistorisch gebied met een gave strokenverkaveling. Daarnaast is in de nabijheid sprake van de aanwezigheid van een historisch landschappelijke lijn, waaraan een ‘redelijk hoge waarde’ is toegekend. Deze aanduiding kan gezien worden in het kader van het beschermen van de historische lijn in het landschap. Voornamelijk cultuurhistorisch waardevolle lijnelementen als rivieren, watergangen of dijken worden als dusdanig aangemerkt. Deze lijn betreft de poldergrens en is een watergang (sloot). Naast de cultuurhistorische waardenkaart, geeft het geldende bestemmingsplan aan dat de oude boerderij op het perceel als functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ heeft (zie figuur 1.2). Het betreft in dit geval een beeldbepalende boerderij. De bedoelde ontwikkeling voorziet niet in het aanpassen van de cultuurhistorisch waardevolle kavelstructuur in het gebied. Ook zal de cultuurhistorische uitstraling van het perceel, bepaald door de
Adromi B.V.
R201931
Pagina 47 van 52
Bestemmingsplan Hofdijklaan 13 Oud Ade
boerderij, niet aangepast worden. Het cultuurhistorisch waardevolle landschap, samen met de historische boerderij, staan ook beschreven in de Nota Belvedère voor het gebied rondom Oud Ade. De nieuwe woningen worden in bijpassende karakteristieke stijl gebouwd op passende afstand van de historische lijn, zoals ook beschreven staat in de Nota Belvedère. Archeologie Op grond van de Erfgoedwet worden resten in de ondergrond, waaraan archeologische waarde wordt toegekend, beschermd. Via het bestemmingsplan vindt aanvullende bescherming plaats van mogelijk aanwezige, nog niet ontdekte archeologische resten, op basis van de archeologische verwachting van een gebied. Op de indicatieve kaart archeologische waarde (IKAW) geldt voor het plangebied ‘middelhoge trefkans’, waarbij voor werkzaamheden dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld en een plangebied wat groter is dan 2.500 m² een onderzoeksverplichting geldt. Het geldende bestemmingsplan voor het plangebied geeft een dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 1’ aan, welke overeenkomt met de IKAW.