NL.IMRO.1884.BPHERENWEG57-VAS1 toelichting
Tekst van het document
Vanaf Leiderdorp tot aan Nieuwkoop loopt een lang 'recreatielint' waarbij de verbinding tussen water en land voorop staat. Dit lint loopt langs de zuidoever van de Does, de Kromme Does, de Wijde Aa, het Braassemermeer en de Leidsche Vaart. Het is een doorgaande recreatieroute voor fietsers en wandelaars, met bijbehorende voorzieningen. Het plangebied maakt deel uit van dit recreatielint. Dorpsperspectief Rijnsaterwoude Rijnsaterwoude is gelegen dicht langs de oevers van het Braassemermeer. Daarom juicht de gemeente de potentiele revitalisatie en/of herontwikkeling van de verschillende jachthavens toe. De Herenweg is gereconstrueerd en gemeente zet zich in om sluipverkeer zoveel mogelijk tegen te gaan. Er wordt veel waarde gehecht aan het behoud van de karakteristiek van de entrees van Rijnsaterwoude aan zowel de noord- (boezemlint met doorzichten naar open landschap) als zuidzijde (bomen) van het dorp. Wonen in Kaag en Braassem Bouwen volgens behoefte In de Regionale Woonagenda van Holland Rijnland en de bijbehorende, meest recente woningbehoefteraming (trendraming) zijn afspraken gemaakt over het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Elke te bouwen woning wordt afgestemd met Holland Rijnland en met name regio Oost
Toelichting (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude (Alphen aan den Rijn, Nieuwkoop en Kaag en Braassem). Het aantal woningen dat volgens deze raming nog mag worden gebouwd in de regio Oost is beperkt. De gemeente houdt dan ook zelf de controle over de algehele woningbouwplanning en stuurt daarom meer en meer op de kwaliteit van plannen. Bijvoorbeeld door: het toevoegen van een woningtype dat ontbreekt of waar behoefte aan is in de gemeente; bijvoorbeeld zorg-/seniorenwoningen (levensloopbestendig) en goedkope koop- of (sociale) huurwoningen (Regionale Woonagenda, 2018), maar ook middeldure huur- en betaalbare koopwoningen (t.b.v. jongeren/starters/middeninkomens); het zoeken naar een oplossing voor een onwenselijke activiteit; bijvoorbeeld een bedrijf met een hoge milieucategorie en/of binnen een dorpskern; het realiseren van ruimtelijke kwaliteitswinst; bijvoorbeeld in het kader van ‘ruimte voor ruimte’ en/of het slopen van vervallen bebouwing. Met de regio Holland Rijnland zijn afspraken gemaakt omtrent sociale woningbouw. 25% van het totale woningbouwprogramma per gemeente dient zodoende te bestaan uit sociale huurwoningen. Kaag en Braassem heeft zelf de doelstelling gesteld om 30% van de totale bouwproductie per jaar uit te voeren als sociale woningbouw: 25% sociale huur en 5% sociale koop. Die 5% sociale koop is eventueel in te wisselen voor 20% betaalbare koop (tot €250.000).
Wat is passend? Bouwen in een tijd van schaarse mogelijkheden vraagt om duidelijke keuzes ten aanzien van doelgroep, locatie en woningtype. Voor wie? Er wordt gebouwd voor alle doelgroepen, maar de gemeente heeft op basis van woononderzoeken een extra focus op jongeren, starters en senioren. Daarnaast is het doel scheefwoners door te laten stromen op de woningmarkt. Ook de mensen die tussen wal en schip dreigen te vallen zijn nadrukkelijk in beeld. Waar? De gemeente sluit geen enkel dorp uit van woningbouwinitiatieven. Grootschalige woningbouw – meer dan elf woningen – concentreert zich voornamelijk in de kernen waar voorzieningen zijn (Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge) en die zijn aangemerkt als ‘centrum dorps’. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd: 'Inbreiden waar het kan, uitbreiden waar het moet'. Wat (is passend in de omgeving)? Deze vraag wordt per initiatief bekeken en het antwoord kan dus ook per geval verschillen. Ontwikkelingen zijn vaak maatwerk en hoofdmoot is dat de ontwikkeling fysiek gezien ‘passend is in de omgeving’. Dat gaat bijvoorbeeld om bouw- en goothoogtes, woningtypes en de situering in de bestaande omgeving. Een stedenbouwkundige moet elk nieuwbouwvoorstel beoordelen en positief onderbouwen. In specifieke gevallen kan er een beeldkwaliteitsparagraaf geëist worden.
Duurzame energie en klimaatadaptatie Binnen de kernen is er aandacht voor het opwekken van energie op een duurzame manier. Hierbij valt te denken aan zonnepanelen op daken van gebouwen. Klimaatadaptatie is binnen dit gebiedstype ook een belangrijk thema. Door de hoge mate van verharding en bebouwing kan er in de toekomst steeds vaker overlast komen door extreem weer. Daarom dient te worden nagedacht over te nemen maatregelen binnen dit gebied. Relatie tot bestemmingsplan Verblijfsrecreatie De verblijfsrecreatie in het plan betreft een nieuwe functie ten opzichte van het huidig toegestane gebruik op de locatie. Omdat de recreatieve sector één van de economische motoren van de gemeente is, hanteert de gemeente een positieve grondhouding ten aanzien van initiatieven die daarin voorzien. Grootschalige verblijfsrecreatie - daarvan is sprake bij meer dan 20 recreatiewoningen - is binnen de kernen in principe niet mogelijk. Tegelijkertijd geeft de omgevingsvisie ook aan dat dergelijke initiatieven niet volledig worden uitgesloten. Van belang is dat een initiatief dient te beantwoorden aan een vraag, en dat recreanten die in de gemeente willen verblijven, dit ook moeten kunnen. Van essentieel belang is dat de voorziening past binnen de omgeving en een kwaliteitsimpuls bewerkstelligen.
Voor onderhavig plangebied geldt in de eerste plaats dat deze gesitueerd is binnen het landelijk-dorpse Rijnsaterwoude (kern). Hoewel is aangegeven dat voor (grootschalige) verblijfsrecreatie binnen de kernen
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude weinig ruimte wordt gezien, dient in dit geval meegewogen te worden dat de locatie grenst aan het buitengebied (Braassemermeer) en de recreatie-arken en -appartementen aldus niet binnen het centrumgebied van Rijnsaterwoude worden gerealiseerd. Sterker nog, gezien de nauwe verwevenheid met watersportgebonden activiteiten, is de ontwikkeling binnenstedelijk geen optie en vanuit het kader van een goede ruimtelijke ordening zelfs onwenselijk. Vanwege de ligging bij een bestaande jachthaven, aan de rand van de kern, wordt de locatie in dit geval juist als geschikte locatie aangemerkt voor grootschalige verblijfsrecreatie. Ook de ligging in het recreatielint, waar de verbinding tussen land en water voorop staat en welke zeer aantrekkelijk is voor wandelaars en fietsers, maakt dat revitalisering van de gronden een positief effect op de toeristische structuur heeft en zodoende als passend wordt beschouwd. Door bureau BRO is een behoefteonderzoek uitgevoerd, met als doel vast te kunnen stellen in hoeverre vraag is naar verblijfsrecreatie op deze plek en of met de ontwikkeling risico's op leegstand elders in de gemeente/regio ontstaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 Behoefteonderzoek. Het onderzoek wordt in onderhavige paragraaf op hoofdlijnen besproken.
Voor een volledige uiteenzetting van de resultaten wordt verwezen naar de bijlage. Gebleken is dat er voldoende vraag is naar verblijfsrecreatie. De onderhavige ontwikkeling versterkt de regionale ruimtelijk-economische structuur in algemene zin en de toeristisch-recreatieve structuur in het bijzonder. Er bestaat vooral een groeiende behoefte aan kleinschalige accommodaties met bijzondere, onderscheidende kenmerken en kwaliteiten (inrichting, faciliteiten, vormgeving, buitenruimte, uitzicht) en een hoge belevingswaarde op unieke locaties. Daar biedt voorliggend plan bij uitstek gelegenheid toe. De locatie aan het Braassemermeer kan gerust uniek genoemd worden, terwijl de accomodaties in de voorgestelde vorm zowel kleinschalig, als onderscheidend zijn. Een locatie aan het water, zoals het plangebied, wordt als extra kansrijk gezien. De ruimtelijke kwaliteit en uitstraling van de betrokken gronden en opstallen is momenteel slecht. Direct aan de weg staat een zeer vervallen, nu onbewoonde woning. Achter een vrij grote open ruimte (grasveld) staan een bedrijfsgebouw en een grootschalige loods, deels eveneens in vervallen staat. Hiermee detoneert de locatie sterk met de overwegend goed verzorgde bebouwing en buitenruimte langs de Herenweg en met name in het rustieke dorp Rijnsaterwoude.
De beoogde ontwikkeling van het recreatiepark behelst daarmee een duidelijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plekke. Bovendien wordt de relatie met het water vanaf de weg (ruimtelijk, functioneel, zichtlijn) door de ontwikkeling versterkt. Dit sluit aan op diverse beleidsuitgangspunten. Wonen Middels dit bestemmingsplan wordt naast verblijfsrecreatie, ook een nieuwe woning toegevoegd. Het doel is een vrijstaande woning te realiseren die qua aard en omvang aansluit bij de (architectonische uitstraling van) directe omgeving van het plangebied. Het plan behelst de realisatie van één vrijstaande woning, zodat er geen ruimte is voor het voorzien in het verplichte/gewenste aandeel sociale huur (25% resp. 30%). Voor dergelijke situaties heeft de gemeente een fonds opgericht waar een bijdrage in dient te worden gestort. Dit betekent dat als bij een bouwplan geen 30% sociale woningbouw wordt gerealiseerd, een bijdrage verschuldigd is per niet-gebouwde sociale woning. De eis geldt voor alle nieuwbouwprojecten. Echter, aangezien een tweede woning planologisch gezien al wel mogelijk is, is een bijdrage aan het sociale vereveningsfonds van de gemeente niet noodzakelijk. Klimaatadaptatie en duurzaamheid De in energie zelfvoorzienende recreatie-arken dragen bij aan duurzaamheid en het beperken van de klimaatverandering.
Door de zonnepanelen in combinatie met een accu zijn alle arken te allen tijde voorzien van voldoende energie voor dagenlang gebruik. Op deze manier wordt de ecologische voetafdruk verkleind. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie Kaag en Braassem. De gewenste wijziging past binnen het karakter van het bestaande lint en voorziet in een verdere versterking van de ruimtelijke uitstraling van deze locatie.
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude
3.4.2
Nota Recreatie en Toerisme
Deze nota stamt uit 2009 en inmiddels gedateerd. Volledigheidshalve wordt ingegaan op de belangrijkste algemene uitgangspunten van deze gemeentelijke visie op recreatie en toerisme, voor zover relevant: een beter zichtbaar en beleefbaar plassengebied voor recreanten; meer vertier aan het water; meer toeristische (vrij beschikbare) accommodaties en kampeerplaatsen; meer onderlinge samenhang binnen het toeristisch-recreatieve aanbod; een aantrekkelijker horeca-aanbod; een langere verblijfstijd en hogere bestedingen van recreanten (economische spin-off); meer profijt uit de watersport, goed gefaciliteerde aanlegplaatsen nabij de kernen; kwaliteitsverbetering en uitbreiding van jachthavens, bredere toegankelijkheid; seizoensverbreding in dag- en verblijfsrecreatie; inkadering in regionale toeristisch-recreatieve structuren. NB. Tekst ontleend uit bijlage 2. Relatie tot bestemmingsplan De belangrijkste randvoorwaarden die voortvloeien uit de Nota Recreatie en Toerisme zijn inmiddels opgegaan in de gemeentelijke Omgevingsvisie. Toetsing hieraan heeft reeds plaatsgevonden in paragraaf 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de gemeentelijke Nota Recreatie en Toerisme. 3.4.3
Nota Parkeernormen 2018
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2018’. Het doel van deze beleidsnota is om voor de gehele gemeente - per gebied en per functie - de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Tevens is aangegeven op welke wijze de parkeernormen gehanteerd dienen te worden. Het hanteren van deze normen heeft als doel te waarborgen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen (woningen, bedrijven, sport, recreatie, enzovoort) in Kaag en Braassem. De parkeernormennota heeft niet tot doel om eventuele bestaande parkeerproblemen op te lossen. Dit betekent concreet dat bestaande functies niet aan de normen uit deze nota hoeven te voldoen. Met de voorliggende parkeernota worden de volgende effecten beoogd: Het waarborgen van de bereikbaarheid; Het waarborgen van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit; Het voorkomen van verkeersonveiligheid door ongewenste parkeersituaties die (mogelijk) gevaarlijke situaties kunnen opleveren; Het op gelijke en voor iedereen duidelijke wijze beoordelen van de benodigde parkeervoorzieningen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen. Iedere ruimtelijke ontwikkeling heeft een eigen parkeerbehoefte.
Als er geen voorwaarden aan de beoogde ruimtelijke ontwikkeling worden gesteld, zal de parkeerbehoefte op de openbaar ruimte worden afgewenteld, terwijl deze niet altijd voorziet in voldoende parkeeraanbod. Dit kan leiden tot overlast bij de bestaande en toekomstige gebruikers van de openbare ruimte. Door parkeernormen, te hanteren wil de gemeente enerzijds voorkomen dat er parkeeroverlast ontstaat als gevolg van nieuwe ontwikkelingen en anderzijds tracht de gemeente de bereikbaarheid van nieuwe functies te waarborgen. Relatie tot bestemmingsplan In paragraaf 4.2 wordt het aspect verkeer en parkeren nader beschouwd. Verwezen wordt naar de betreffende paragraaf. Het initiatief is in lijn met de Nota Parkeernormen 2018.
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude
Hoofdstuk 4 4.1
Nader onderzoek
Algemeen
Het Besluit ruimtelijke ordening stelt in artikel 3.1.1, onder f dat inzicht dient te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Bovendien dient bevoegd gezag bij de voorbereiding van het besluit tot vaststelling van een uitwerkingsplan de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht). Daarvan wordt in dit hoofdstuk verslag gedaan.
4.2
Verkeer en parkeren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor wordt de realisatie van voldoende parkeerplaatsen gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten via de Herenweg. De Herenweg leidt in zuidelijke richting door Rijnsaterwoude en vindt aansluiting op de provinciale weg N207. In noordelijke richting bereikt men via de Herenweg o.a. de Vriezenweg, welke eveneens aansluiting vindt op de N207 en vervolgens de snelweg A4. Naast de beheerderswoning is reeds een bestaande inrit gesitueerd. Via deze inrit kan men in de toekomstige situatie ook de botenhelling bereiken. Middels een tweede, noordelijker gelegen inrit bereiken toekomstige gebruikers van het plangebied het nieuwe hoofdgebouw. Parkeren en verkeersgeneratie Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen 2018'. Om de verkeersaantrekkende werking en parkeereis van de beoogde ontwikkeling in kaart te brengen, is een verkeersonderzoek uitgevoerd door Goudappel. Het volledige onderzoek is opgenomen als Bijlage 3 Verkeersonderzoek. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven.
Uit dit rapport worden de volgende conclusies getrokken: De maximale parkeerbehoefte bedraagt op het maatgevende moment (zaterdagavond) 151 parkeerplaatsen. Voor fietsparkeerplaatsen kan uitgegaan worden van 138 fietsparkeerplaatsen voor het vakantiepark, waarvan 122 voor het vakantiepark en 16 voor het restaurant. De toekomstige verkeersgeneratie bedraagt circa 390 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Dit verkeer kan goed en veilig worden afgewikkeld via de Herenweg. Het realiseren van parkeergelegenheid op eigen terrein heeft sterk de voorkeur. Op eigen terrein zullen dan ook parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Mocht dit niet geheel toereikend zijn, dan kunnen gronden van een derde worden ingericht en gebruikt als parkeerplaats, mits initiatiefnemer hiervoor een langdurige (huur)overeenkomst met de betreffende eigenaar ter goedkeuring aan gemeente voorlegt. In eerste instantie was een deel van de parkeergelegenheid voorzien op het terrein aan de overzijde van de Herenweg (ter plaatse van Verschuur Watersport, tevens exploitant van de jachthaven). In dit scenario worden 28 parkeerplaatsen aan de overzijde van de Herenweg toegekend aan de jachthaven. Naar aanleiding van zienswijzen is echter nader gekeken naar de mogelijkheden om al het parkeren alsnog geheel op eigen terrein op te lossen. Dit heeft geleid tot een planaanpassing.
Door de eerder langs de Herenweg beoogde bedrijfswoning te verplaatsen naar het bestaande havenkantoor, ontstaat meer ruimte om de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein in te passen. Ter illustratie toont onderstaande figuur de mogelijke invulling van de parkeersituatie. Op eigen terrein van initiatiefnemer kan worden voorzien in 151 parkeerplaatsen: 91 parkeerplaatsen op het parkeerdek en 60 parkeerplaatsen op maaiveld.
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude
Figuur 4.1: Mogelijke invulling parkeersituatie (bron: Impressie voorontwerp d.d. 25-04-2024, Mulderblauw) De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee voldoende aangetoond. In artikel 16 van de regels behorende bij dit bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruik van de gronden en/of het bouwen uitsluitend is toegestaan indien in voldoende parkeergelegenheid is voorzien. Daarmee is het onderdeel parkeren voldoende geborgd. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
Kader In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude zijn de ondergrenzen herijkt en is de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze beleidsherziening vastgesteld. Beoordeling archeologie Het plangebied kent op grond van de geldende bestemmingsplannen gedeeltelijk de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 3' (zoals reeds toegelicht in paragraaf 1.3). Omdat de vrijstellingsgrenzen, die gelden op basis van deze dubbelbestemmingen, naar alle waarschijnlijkheid worden overschreden, is archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door IDDS. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 4 Archeologisch onderzoek. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Uit het onderzoek blijkt dat in het oostelijke en noordoostelijke deel van het plangebied nog een niveau aanwezig is waar resten van historische bebouwing mogen worden verwacht. Voor de overige delen adviseert IDDS Archeologie om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert IDDS Archeologie om vervolgonderzoek uit te laten voeren wanneer graafwerkzaamheden gepland zijn in het onverstoorde gebied met mogelijke historische bewoning.
Een mogelijkheid om de resten in situ te bewaren is mogelijk door planaanpassing, waarbij in de zone waar vervolgonderzoek wordt geadviseerd, geen graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. Indien het niet mogelijk is deze zone te ontzien, zal nader onderzoek nodig zijn. De meest geschikte methode voor vervolgonderzoek is een proefsleuvenonderzoek. De archeologische dubbelbestemmingen zijn in voorliggend bestemmingsplan conserverend overgenomen. De bescherming van archeologische waarden is daarmee voldoende geborgd. Voorafgaand aan het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden die gevolgen kunnen hebben voor de beschermde archeologische waarden, zal het geadviseerde archeologisch vervolgonderzoek zonodig uitgevoerd worden. Beoordeling cultuurhistorie Het plangebied is niet gelegen binnen een karakteristiek gebied. Ook is geen sprake van bebouwing van monumentale of andere cultuurhistorische waarde. De lintbebouwing langs de Herenweg wordt als authentiek lint gezien, maar heeft geen beschermde status. De herontwikkeling doet geen afbreuk aan de authentieke lintbebouwing langs de Herenweg. Dit blijkt al uit het bestemmingsplan "Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude" (2013), waarin het authentieke lint wordt benoemd en waarbij uitbreidingsplannen van de jachthaven reeds mogelijk worden geacht.
Binnen of rondom de planlocatie zijn verder geen cultuurhistorisch waardevolle objecten waaraan afbreuk zou worden gedaan door de geplande wijziging. Cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Conclusie Voor archeologie geldt dat de huidige dubbelbestemmingen worden overgenomen in voorliggend bestemmingsplan, om daarmee te borgen dat bij grondroerende werkzaamheden oog blijft voor de mogelijke archeologische waarden in het gebied. Cultuurhistorische waarden zijn in het geheel niet in het geding. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen derhalve geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.4
Water
Kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Hieronder wordt ingegaan op de beleidskaders. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water worden de gezamenlijke uitgangspunten geformuleerd voor een integraal waterbeleid in de 21e eeuw. De verantwoordelijkheid voor de te treffen waterhuishoudkundige
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude maatregelen gericht op vasthouden, bergen en afvoeren van water ligt bij het waterschap (hoogheemraadschap). Waterbeheerprogramma 6 (2022-2028) Het algemeen bestuur van Hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 8 februari 2022 het nieuwe Waterbeheerplan (WBP6) vastgesteld.Goed waterbeheer is van levensbelang om in Rijnland te kunnen wonen, werken en genieten. Hoe het Hoogheeraadschap van Rijnland dit aanpakt is opgenomen in het WBP6, waarin de aanpak voor de komende zes jaar is opgenomen. Daarin koppelt zij haar kerntaken aan 5 maatschappelijke opgaves; bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; tegengaan van bodemdaling; versterking van de biodiversiteit; energieneutraal werken; Nederland circulair in 2050. Keur en Uitvoeringsregels De Keur is een juridisch document (verordening). Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden bij water en dijken. De Uitvoeringsregels kunnen een zorgplicht, een Algemene regel en een Beleidsregel bevatten. De zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico. In de Algemene regels staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico. In de Beleidsregels tot slot, staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico, waarvoor een watervergunning nodig is.
Relatie tot bestemmingsplan Hieronder wordt het plan aan de hand van de relevante wateraspecten beschouwd. Watercompensatie In de huidige situatie is het plangebied voor een groot deel bebouwd en verhard. In de toekomstige situatie wordt de bestaande bebouwing vervangen, wordt een nieuwe (burger)woning toegevoegd en wordt gedeeltelijk water gedempt en gegraven. In het kader van de beoogde ontwikkeling zijn de verharde en onverharde oppervlakten in de huidige en toekomstige situatie inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat het landoppervlak met 760 m2 toeneemt. Omdat dit boven de vrijstellingsgrens (van 500 m2) uitkomt, moet water gecompenseerd worden. Hiervoor geldt dat 15% van de toename aan verharding gecompenseerd moet worden. Dat komt neer op 760 m2 x 15 % = 114 m2 watercompensatie. Het wateroppervlak neemt met 1.255 m2 toe, er wordt dus in ruim voldoende watercompensatie voorzien. Voor het dempen of graven van water moet een melding bij het Hoogheemraadschap worden ingediend en bij dempingen boven de 100 m2 wordt dit vergunningsplichtig. Indien aan de orde zal een melding worden ingediend dan wel vergunning worden aangevraagd. Waterveiligheid Beschermde gebieden, of beschermingszones, zijn opgenomen op de leggerkaarten van het Hoogheemraadschap van Rijnland en borgen, in samenhang met de Keur, dat de betreffende waterstaatswerken aan de taken kunnen blijven voldoen.
Dit betekent dat werken in beschermingszones aan regels is geboden. De volgende leggerkaarten zijn beschikbaar: Legger oppervlaktewateren Legger primaire waterkeringen Legger regionale keringen Legger ondersteunende kunstwerken Oppervlaktewater en kunstwerken Binnen het plangebied is oppervlaktewater gelegen. Op de legger voor oppervlaktewateren is het Braassemermeer aangeduid als 'primair oppervlaktewater' en de havenkom als 'overig oppervlaktewater' en op de legger voor kunstwerken is te zien dat rondom het plangebied diverse duikers gesitueerd zijn waardoor het water in verbinding staat met naastgelegen oppervlaktewateren (zie ook onderstaande figuren). De oppervlaktewateren kennen een kernzone en beschermingszone. Ook is aangegeven dat langs de oever in de havenkom 20% begroeiing is toegestaan. Deze beschermingszone dient (met
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude name) met het oog op onderhoudswerkzaamheden vrij te worden gehouden van obstakels. Het overnemen van de beschermingszone in het bestemmingsplan is niet nodig. De waterbelangen die met deze beschermingszones worden gediend, worden afdoende gewaarborgd door de regels uit de Keur.
Figuur 4.2: Uitsnede legger oppervlaktewateren (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland)
Figuur 4.3: Uitsnede legger kunstwerken (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland) Waterkeringen Op de legger voor primaire keringen is het plangebied niet nader aangeduid. Primaire waterkeringen zijn niet in het plangebied gelegen. Wel zijn regionale waterkeringen rondom het plangebied gelegen, waarvan de kernzone en/of beschermingszone gedeeltelijk reiken over tot de bebouwing in het plangebied. Als onderdeel van de beoogde plannen wordt gedeeltelijk gegraven binnen de zones van de waterkering. Binnen de beschermingszone en kernzone mag niet zonder meer worden gebouwd en voor zover wel mag worden gebouwd, is dit veelal aan een watervergunning onderhevig. Dit kan immers onwenselijke verzwakking van de waterkering veroorzaken. Er mag geen grond worden verwijderd binnen het leggerprofiel/profiel van vrije ruimte van de waterkering. In de regels bij dit bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen, waarmee is geborgd dat het waterkeringsbelang door de (bouw)activiteiten niet onevenredig wordt geschaad en dat het Hoogheemraadschap van Rijnland hiertoe een schriftelijk advies wordt gevraagd. Vooroverleg met het waterschap heeft reeds plaatsgevonden, waarin beoogde plannen zijn beschouwd in relatie tot de ligging ten opzichte van waterkeringen.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude
Figuur 4.4: Uitsnede legger regionale keringen (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland) Waterkwaliteit en grondwaterstand Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Riolering In de toekomstige situatie is sprake van een gescheiden rioleringsstelsel. Door het schoon hemelwater af te koppelen wordt de druk op het vuilwaterriool beperkt. Digitale watertoets Ten behoeve van het bestemmingsplan is op 30 augustus 2023 de digitale watertoets doorlopen. Daaruit volgt (logischerwijs) dat met het plan waterbelangen worden geraakt. In het kader van het vooroverleg wordt het plan nogmaals voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Rijnland. De adviezen worden meegenomen in de verdere planuitwerking en een watervergunning zal worden aangevraagd. Conclusie Voor zowel het graven als bouwen in een waterkering is een watervergunning benodigd. Ook voor het dempen of graven van water kan een melding of vergunning nodig zijn. Dit vormt zodoende een randvoorwaarde voor de herontwikkeling. Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.5
Ecologie
Kader Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming (Wnb). De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. 34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets' Relatie tot bestemmingsplan In het kader van de beoogde herontwikkeling is een ecologisch onderzoek naar beschermde soorten (flora en fauna) uitgevoerd door Hopman en Peters. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 5 Ecologische quickscan. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in Natura 2000-gebied, NNN of ander beschermd natuurgebied. Bij de toets gebiedsbescherming moeten ook de gebieden uit de strategische reservering natuur, het belangrijk weidevogelgebied en de karakteristieke landschapselementen worden meegenomen. Het plangebied is niet gelegen in een dergelijk gebied. Er zijn dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de provinciaal beschermde gebieden. Het dichtsbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 1,5 km afstand ten zuiden van de planlocatie (zie onderstaande figuren). In dit geval is het beschermde gebied water, namelijk de Leidsche Vaart en een deel van het Braassemermeer.
De dichtsbijzijnde Natura 2000-gebieden t.o.v. het plangebied zijn: op circa 10 km ten zuidoosten de 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' en op ca. 12 km ten zuidwesten 'De Wilck' (zie ook onderstaande figuren).
Figuur 4.5: Ligging plangebied in relatie tot NNN
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude
Figuur 4.6: Ligging plangebied in relatie tot Natura 2000-gebieden en NNN Gezien deze afstand, kunnen direct negatieve effecten als gevolg van de herontwikkeling worden uitgesloten (denk aan licht, geluid of optische verstoring). Om indirect negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie uit te sluiten, is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 7 Stikstofdepositieberekening. Uit het onderzoek blijkt dat zowel tijdens de aanleg- als tijdens de gebruiksfase geen sprake is van depositiewaarden van meer dan 0,00 mol/ha/jr op de daartoe gevoelige habitattypen. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet aan de orde. Soortenbescherming Om de herontwikkeling mogelijk te maken, vinden sloopwerkzaamheden en herinrichting plaats. Hierbij kunnen negatieve effecten op beschermde soort(en) (indien aanwezig) ontstaan. Uit de quickscan Wet natuurbescherming blijkt dat er mogelijk vleermuizen aanwezig zijn in een deel van het te slopen gebouw. Ook zijn mogelijk broedvogels aanwezig op het water in het broedseizoen. Tijdens het veldbezoek is een broedende grauwe gans waargenomen op de landtong in het water. Overige beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Broedende vogels zijn altijd beschermd, ook buiten het broedseizoen om.
De werkzaamheden op het water dienen daarom na het broedseizoen plaats te vinden, of er dient vastgesteld te worden dat er geen broedvogels aanwezig zijn die last kunnen hebben van de werkzaamheden. Bij de beoogde ontwikkeling zal rekening gehouden worden met het broedseizoen en waar nodig de begeleiding van een ecologisch deskundige worden ingeschakeld. Vanwege de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied, is nader onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 6 Nader ecologisch onderzoek. Uit het nader onderzoek naar vleermuizen blijkt dat de voorgenomen ingrepen niet zullen leiden tot een afname in foerageermogelijkheden. Verstoring van essentieel foerageergebied is dan ook niet aan de orde. Een ontheffing voor de werkzaamheden ten aanzien van vleermuizen is niet noodzakelijk, omdat geen verblijfplaatsen of andere beschermde functies zijn aangetoond in relatie tot het plangebied. Wel wordt aanbevolen om zorgvuldig te handelen tijdens de sloop.
Ten aanzien van in de omgeving foeragerende vleermuizen wordt geadviseerd om gedurende de werkzaamheden en in de nieuwe situatie verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen en zo min mogelijk strooilicht veroorzaken, of om andere vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen.Tot slot dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht ten aanzien van in het wild levende dieren en planten. Bij realisatie van de plannen zullen de aanbevelingen in acht genomen worden. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude
4.6
Geluid
Kader Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidgevoelige bestemming (zoals een woning) altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien er gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels'. De grenswaarden zijn voor wegverkeer 48-63 dB, voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A). Relatie tot bestemmingsplan Het initiatief behelst de herontwikkeling tot een jachthaven, verblijfsrecreatie, horeca, (bedrijfs/burger)woningen en bijbehorende voorzieningen. Woningen zijn in de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige objecten. Ook voor andere functies kan, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, een zekere mate van bescherming tegen geluid nodig zijn. Voorbeelden hiervan zijn recreatiewoningen.
Voor deze functies is daarom een akoestisch onderzoek aanbevolen, om uit te wijzen of sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woonen leefklimaat. Voor de beoogde jachthaven en horeca geldt dat dit bedrijfsfuncties betreffen die juist een geluidsbelasting op de omgeving kunnen veroorzaken. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient daarom aangetoond te worden of de realisatie van deze functies inpasbaar is. In het kader van de beoogde ontwikkeling is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd door DGMR. Het akoestisch onderzoek is opgenomen als Bijlage 8 Akoestisch onderzoek. De resultaten worden hieronder samenvattend toegelicht en tonen de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aan. Uitgangspunten onderzoek Om te voorkomen dat onaanvaardbare hinder voor de (recreatie-)woningen binnen of buiten het plan ontstaat, worden een aantal aanvullende regels vastgesteld. De volgende activiteiten worden daarom binnen het plan uitgesloten: Het is niet toegestaan om luidruchtige werkzaamheden, zoals slijpen of schuren op het terrein uit te voeren. Er wordt geen hogedrukreiniger binnen het plangebied geplaatst, waarmee boten kunnen worden schoongemaakt Het is niet toegestaan om muziekgeluid op boten te draaien als deze in de haven liggen. In de nachtperiode mogen bezoekers niet per boot vertrekken of aankomen in de jachthaven.
De touwen van de zeilboten mogen niet klapperen als deze in de haven liggen, zodat hierdoor geen geluidhinder kan ontstaan. Het is niet toegestaan om te schreeuwen op het terrein. In het restaurant en op het terras wordt het volume van de speakers zodanig beperkt dat geen muziekgeluid hoorbaar is bij geluidsgevoelige bestemmingen in de omgeving. Deze aanvullende regels worden bij de uitwerking van het plan in acht genomen. Voor de beoogde exploitant voor de jachthaven vormen de aanvullende regels geen belemmering voor de bedrijfsvoering. Bedrijven en milieuzonering Hoewel normaal gesproken verwacht mag worden dat dit onderdeel aan bod komt in paragraaf 4.11 Bedrijven en milieuzonering, gaat het in dit geval uitsluitend om het aspect geluid. Omwille van de overzichtelijkheid en voor een zo compleet mogelijk beeld van de geluidssituatie ter plaatse, is ervoor gekozen om dit onderdeel eveneens in deze paragraaf te behandelen. De invloed van omliggende bedrijven is in eerste instantie onderzocht op basis van de richtafstanden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Uit deze analyse blijkt dat voor de wisselwerking tussen de milieubelastende en milieugevoelige functies sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Alleen vanwege de activiteiten die binnen het plan mogelijk worden gemaakt, kan een relevant
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude geluidsniveau voor de omgeving ontstaan. Voor deze activiteiten is daarom een aanvullende berekening van het geluid gemaakt. Uit de resultaten van de berekening volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en maximale geluidsniveau voor alle woningen in de omgeving voldoet aan de grenswaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Ook voor de woning aan Herenweg 43 wordt geen overschrijding t.o.v. de norm berekend. Voor een aantal recreatiewoningen binnen het plan zijn de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de dag- en avondperiode hoger dan de geluidnorm. Voor een aantal recreatiewoningen binnen het plan, zijn maximale geluidsniveaus berekend die hoger zijn dan de geluidnormen uit de VNG-publicatie. Vanwege de overschrijding van de geluidnorm van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en maximale geluidsniveau, is een analyse van maatregelen gemaakt. Uit de analyse blijkt dat maatregelen op diverse bezwaren stuiten. Voor de (recreatie-)woningen waarvoor geen bron- of overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn, adviseert DGMR om gevelmaatregelen te nemen om een goed woon- en leefklimaat te creëren. Deze maatregelen zijn niet wettelijk verplicht. Alhoewel recreatiewoningen geen geluidgevoelige objecten zijn, is enige bescherming tegen geluid zeer wenselijk.
Voor de bedrijfswoning is het berekende geluidsniveau als aanvaardbaar te beschouwen, omdat het geluid veroorzaakt wordt door activiteiten op het eigen terrein. Daarnaast komen de bronnen ook in de huidige situatie op het terrein voor en treden de maatgevende maximale geluidsniveaus alleen in de dagen avondperiode op. Overigens geldt dat de locatie van de beoogde bedrijfswoning naar aanleiding van zienswijzen is gewijzigd ten opzichte van de locatie in het akoestisch onderzoek. De bedrijfswoning is nu voorzien in het bestaande havenkantoor, waar de bedrijfswoning planologisch al is toegestaan. Aangezien in dit kader sprake is van conserverend bestemmen, is er geen noodzaak om het akoestisch onderzoek hierop aan te passen. De onderzoeksresultaten voor de voormalige positie van de bedrijfswoning zijn in deze paragraaf verder achterwege gelaten.
De geluidsniveaus zijn voor de recreatiewoningen om de volgende redenen als aanvaardbaar te beschouwen: een recreatiewoning is geen geluidsgevoelige bestemming; mensen verblijven voor beperkte tijd in een recreatiewoning; de hoeveelheid personen die aanwezig is op het terras, is in de praktijk lager dan de continu maximale bezetting waarvan is uitgegaan in het onderzoek; het stemgeluid van het terras is passend bij de dynamische recreatieve omgeving die binnen de jachthaven wordt gecreëerd; in de nachtperiode wordt slechts een beperkt aantal personenwagens op het parkeerterrein geparkeerd. Geluidsbelasting wegverkeer Voor het plan is de invloed van het geluid van het wegverkeer onderzocht. De Herenweg is de enige gezoneerde en relevante weg voor het akoestisch onderzoek. Uit de resultaten volgt dat de geluidsbelasting alleen op de twee woningen die binnen het plan worden ontwikkeld, hoger is dan de voorkeurswaarde. De geluidsbelasting voldoet voor de burgerwoning aan de maximaal toelaatbare waarde van 53 dB voor een nieuwbouwwoning buiten de bebouwde kom. Samenvattend geldt voor dit onderdeel dat: De geluidsbelasting van de Herenweg voor de twee woningen hoger is dan de voorkeurswaarde van 48 dB. Voor de burgerwoning de geluidsbelasting voldoet aan de maximaal toelaatbare waarde van 53 dB voor het realiseren van een nieuwe woning buiten de bebouwde kom.
Uit het onderzoek naar maatregelen blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen stuiten op bezwaren van financiële, verkeerskundige en stedenbouwkundige aard. Daarom zijn gevelmaatregelen nodig, om aan de eisen voor een goed woon- en leefklimaat te voldoen. Dit vormt onderdeel van de nader uit te werken aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen'. Vanwege de verkeersgeneratie van het plan zelf ontstaat geen significante toename van de geluidsbelasting voor de woningen in de omgeving.
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude
Cumulatieve geluidsbelasting Voor dit plan ontstaat geen relevante cumulatie. De voorkeurswaarde van het wegverkeer wordt overschreden op de voor- en een deel van de zijgevels van de twee woningen. Vanwege de bedrijfsmatige activiteiten voldoet het berekende langtijdgemiddelde geluidsniveau voor beide woningen aan de grenswaarde van 50 dB(A). Hogere waarden Omdat de berekende geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde en geluidmaatregelen op bezwaren stuiten, zijn hogere waarden nodig. De gemeente Kaag en Braassem gebruikt hiervoor het geluidbeleid van de omgevingsdienst West-Holland. In het beleid is opgenomen dat nieuwe woningen moeten zijn voorzien van een geluidluwe zijde, als de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer hoger is dan 53 dB. Uit de beoordeling van de geluidsbelasting blijkt dat beide woningen zonder maatregelen zijn voorzien van een geluidluwe gevel. Vanwege het geluid van de Herenweg zijn hogere waarden nodig, met dien verstande dat het gaat om: 53 dB t.b.v. de burgerwoning. In het kader van een omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit 'bouwen' zal aangetoond moeten worden dat het plan voldoet aan de geluidseisen op grond van het Bouwbesluit 2012. Bij het uitwerken van het ontwerp moet bovendien rekening worden gehouden met de geluidsuitstraling die vanwege de installaties is toegestaan op basis van het Bouwbesluit en Activiteitenbesluit.
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat het mogelijk is om de beoogde activiteiten en (recreatie-)woningen op de planlocatie te ontwikkelen. Het is daarbij mogelijk om een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor zowel de (recreatie-)woningen binnen het plangebied te creëren, als voor de omliggende geluidsgevoelige bestemmingen. Het beoogde initiatief is daarom inpasbaar met betrekking tot het aspect geluid. Uitvoerbaarheid bestemmingsplan Het akoestisch onderzoek toont aan dat de jachthaven geëxploiteerd kan worden zonder dat het onevenredige hinder naar woningen veroorzaakt, indien de voorgestelde aanvullende regels (zoals hiervoor beschreven onder het kopje 'uitgangspunten onderzoek') in acht genomen worden. De uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. Voor wijziging/oprichting van de jachthaven moet, op grond van de Wet milieubeheer, een melding Activiteitenbesluit worden gedaan. De melding is een indieningsvereiste bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen'. Invulling geven aan de voorgestelde aanvullende regels is daarmee voldoende geborgd. Aangezien de voorgestelde aanvullende regels onder andere betrekking hebben op het stemgeluid, is gekozen om volledigheidshalve een voorwaardelijke verplichting op te nemen om te borgen dat het stemgeluid op terrassen te allen tijde meegewogen moet worden.
Op grond van het Activiteitenbesluit mag, bij het bepalen van het geluidsniveau, het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein namelijk buiten beschouwing worden gelaten (artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit). Het Activiteitenbesluit ziet dus in feite enkel toe op stemgeluid van personen op verwarmde en overdekte terrassen. Aangezien de beoogde ontwikkeling voorziet in de mogelijkheid tot zowel een verwarmd/overdekt als onverwarmd/onoverdekt terras bij horeca, is gekozen om een voorwaardelijke verplichting op te nemen (artikel 3.3.2 van de planregels). Het artikel verwijst enerzijds naar terrassen die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit (sub a) en anderzijds naar terrassen die daar niet onder vallen (onverwarmd en onoverdekt) en daarvoor is - op basis van de VNG - een etmaalwaarde van 55 dB en 35 dbA binnenwaarde opgenomen (sub b). De voorwaardelijke verplichting borgt zodoende dat het stemgeluid op terrassen te allen tijde meegewogen moet worden. Langs de zuidzijde van de burgerwoning in het noordelijk deel van het plangebied, wordt een scherm van 2,5 meter hoogte gerealiseerd, om het zicht en geluid op de gevel te beperken.
Aangezien dit (geluids)scherm als uitgangspunt van het rekenmodel heeft gediend, is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting voor de realisatie van het scherm opgenomen (artikel 13.4 van de planregels).
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude
Conclusie Het aspect geluid vormt na het nemen van een hogere waardenbesluit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling en staat daarmee de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan niet in de weg.
4.7
Luchtkwaliteit
Kader Op 15 november 2007 is de paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer gewijzigd (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Staatsblad 2007, 414) en zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer vernieuwde luchtkwaliteitseisen opgenomen. Gelijktijdig zijn de ministeriële regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Staatscourant 2007, 220), het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen) (Regeling NIBM) in werking getreden. Een belangrijk element uit deze wetswijziging is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM). Luchtkwaliteitseisen vormen nu geen belemmering voor ontwikkelingen, als: geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; of een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging; of een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend.
AMvB 'niet in betekenende mate' In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen) (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Op verzoek van de Nederlandse overheid heeft de EU verlenging van de termijn (derogatie) gegeven waarbinnen de luchtkwaliteitseisen gerealiseerd moeten zijn. Per 1 augustus 2009 is het NSL vastgesteld (een belangrijke voorwaarde voor het verkrijgen van de derogatie). Hierdoor kan volledig gebruik worden gemaakt van deze derogatie. Bovendien is de definitie van 'niet in betekenende mate' verlegd van 1% naar 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m³ (µg/m³) voor zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect lucht-kwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Op 7 juni 2012 is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen aangepast, zodat het mogelijk wordt gemaakt om bij ministeriële regeling (Regeling NIBM) bepaalde gebieden en bepaalde broncategorieën aan te wijzen waarbinnen geen gebruik meer kan worden gemaakt van de NIBM-grond. Het zal gaan om gebieden waar de grenswaarde voor PM10 wordt overschreden of waar overschrijding van de grenswaarde dreigt. Dit betreft naar verwachting een enkele gemeente in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland met veel intensieve veehouderijen, pluimveehouderijen in het bijzonder. De aanwijzing van gebieden en broncategorieën zal plaatsvinden in nauwe samenspraak met betrokken overheden en sectoren en zal gepubliceerd worden in de Regeling NIBM. Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude kantoorlocaties: 100.000 m² brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m² brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Relatie tot bestemmingsplan Gelet op de omvang van de beoogde ontwikkeling en op basis van bovenstaande voorbeelden, mag worden geconcludeerd dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en het project daarmee niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Volledigheidshalve is de NIBM-tool geraadpleegd (zie onderstaande figuur), waarbij worst-case de totale verkeersgeneratie als extra voertuigbewegingen is ingevoegd (aandeel vrachtverkeer default 10%). Uit de tool blijkt dat de NIBM-grens niet wordt overschreden. Ook om die reden is geen nader luchtkwaliteitsonderzoek nodig.
Figuur 4.7: NIBM-tool 2022 Goed woon- en leefklimaat Op www.cimlk.nl zijn de huidige achtergrondconcentraties van een gebied voor de jaren 2021 en 2030 geraadpleegd (geraadpleegd op 1 augustus 2023). Onderstaande tabel toont de totale concentraties in relatie tot de grenswaarden ter plaatse van het dichtsbijzijnde rekenpunt (receptor wegverkeer 27369098_15843959). NO2 (µg/m³)
PM10 (µg/m³)
PM2.5 (µg/m³)
2021
13,2836
15,8233
8,5375
2030
9,2414
14,1024
6,895
Grenswaarde
40
40
25
Te zien is dat de waarden ruimschoots beneden de grenswaarden blijven. Daarom kan worden gesproken van een goed woon- en leefklimaat in het kader van luchkwaliteit. Overschrijding van de grenswaarden als gevolg van extra verkeer door de herontwikkeling is niet te verwachten. Bovendien wordt verwacht dat de achtergrondconcentraties in de loop der jaren door milieutechnische ontwikkelingen zullen afnemen. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het beoogde plan. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude
4.8
Externe veiligheid
Kader Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) van belang. Plaatsgebonden risico (PR) Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden.
Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR) Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Relatie tot bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling zelf behelst geen risicovolle activiteiten. Om in kaart te brengen of in de omgeving van het plangebied risicobronnen gelegen zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande figuur toont een uitsnede hiervan.
Figuur 4.8: Uitsnede risicokaart, plangebied ter hoogte van blauwe cirkel (bron: atlasleefomgeving.nl)
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herenweg 57 te Rijnsaterwoude
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen in het kader van externe veiligheid gesitueerd. Er is geen sprake van een plaatsgebonden risico dat reikt tot in het plangebied. Op de risicobronnen die verderop gelegen zijn, wordt hieronder achtereenvolgens ingegaan. Risicovolle inrichtingen In Papenveer en Leimuiden zijn tankstations gesitueerd waar LPG wordt opgeslagen. Het invloedsgebied hiervan strekt zich tot circa 150 meter. Beide tankstations zijn op dermate grote afstand (meer dan 2 km) gelegen dat het invloedsgebied niet reikt tot het plangebied en daardoor geen belemmering vormt. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Ten oosten van het plangebied is de weg N207 op een afstand van meer dan 600 meter gesitueerd. Het plangebied is daarmee gelegen in het invloedsgebied van de N207, die door het transport van toxische vloeistoffen van de klasse LT2 een invloedsgebied van 880 meter kent. Ten westen van het plangebied is de A4 gesitueerd op circa 3 kilometer afstand (met gele lijn weergegeven in de figuur). Deze rijksweg is eveneens aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Vanwege het transport van toxische stoffen van klasse LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 km. Daarmee is de planlocatie ook in het effectgebied (1% letaliteit) van de A4 gesitueerd.
Voor de bestemmingsplannen "Floraweg en Geestweg", "Sotaweg 134-150" en "Bedrijventerreinen A4" heeft de Omgevingsdienst West-Holland risicoberekeningen in verband met het risicovolle transport uitgevoerd. Het groepsrisico van de A4 in de omgeving van Oude Wetering ligt op basis van die onderzoeken onder de oriëntatiewaarde. De beoogde ontwikkeling zal het GR naar verwachting niet significant doen verhogen, gelet op de geruime afstand. Hierdoor wordt de oriëntatiewaarde niet overschreden. Ook voor de N207 geldt dat de hoogte van het groepsrisico niet significant wordt verhoogd doordat het plangebied op geruime afstand van de N207 gelegen is. Een groepsrisicoverantwoording is derhalve niet benodigd. Voor de volledigheid wordt hieronder evenwel ingegaan op de zelfredzaamheid in geval van een ongeval met toxisch scenario. In het kader van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario is het belangrijk om te "schuilen" om zodoende niet bloot te worden gesteld aan het toxisch gas (in ieder geval blootstelling zo lang mogelijk uit te stellen). Schuilen zal over het algemeen plaatsvinden in gebouwen. Het is dus van belang dat gebouwen afgesloten kunnen worden om de indringing van toxisch gas tegen te gaan. Het gaat hierbij niet alleen om ramen en deuren, maar ook om het uitschakelen van de eventueel aanwezige ventilatiesystemen.
Bij nieuwe bouwwerken is het dus zaak dat het ventilatiesysteem met één druk op de knop kan worden uitgeschakeld, zodat wordt voorkomen dat toxische gassen naar binnen worden gezogen. Bij grotere gebouwen kan deze voorziening op het brandmeldpaneel worden geïnstalleerd. Omdat sprake is van nieuwbouw, kan hier in voldoende mate rekening mee worden gehouden. Toekomstige gebruikers van het plangebied kunnen zich derhalve voldoende in veiligheid brengen indien zich een ongeval met toxische stoffen voordoet. Buisleidingen Op circa 3,5 kilometer afstand zijn buisleidingen gelegen (met rode stippellijn weergegeven in figuur). De plaatsgebonden risicocontouren van de buisleidingen liggen niet buiten de leidingen met bijbehorende belemmeringenzone. Gezien de lage personendichtheden in de omgeving van de buisleidingen in relatie tot de afstand tot het plangebied van voorliggend bestemmingsplan, zal het GR in alle gevallen ruimschoots onder de oriënterende waarde zijn gelegen en blijven. Advies Veiligheidsregio Hollands Midden In het kader van het wettelijk vooroverleg (art.3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) is het concept-ontwerpbestemmingsplan ter advisering gedeeld met de Veiligheidsregio Hollands Midden. Het advies is volledigheidshalve opgenomen als Bijlage 9 Advies Veiligheidsregio. Het advies wordt in acht genomen bij de verdere planuitwerking.