Bestemmingsplan Straathof Rijpwetering versie vastgesteld (december 2024)
Tekst van het document
Planspecifiek Duurzaamheid is een belangrijke doelstelling van de regio Holland Rijnland en voor de gemeente Kaag en Braassem. Belangrijk in het streven naar duurzaamheid is gebruik maken van duurzame energievoorzieningen. Conform de doelstellingen in het energieakkoord zullen de nieuwe woningen gasloos verwarmd worden en voorzien worden van de meest duurzame technieken. De woningmarkt van de gemeente Kaag en Braassem wordt hiermee verduurzaamd.
(vastgesteld)
31
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
4.3
Regionaal beleid
4.3.1
Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2023
De gemeenten in de woonregio Holland Rijnland hebben op 1 mei 2023 de Regionale Woonagenda (RWA) vastgesteld. De RWA is een uitwerking van de Omgevingsagenda. Het doel van de Woonagenda is het wonen in de regio Holland Rijnland te versterken. Dit gebeurt door enerzijds meer te sturen op een goed evenwicht tussen vraag en aanbod op de regionale woningmarkt. Anderzijds het maken van keuzes die de kwaliteit van wonen in de regio versterken. Daarbij worden specifieke opgaven aan de orde gesteld, zoals het bouwen van voldoende sociale huurwoningen, het huisvesten van de vergrijzende bevolking en bijzondere doelgroepen als gevolg van de extramuralisering en de huisvestingsopgave voor groepen die tussen wal en schip vallen. Een nieuwe RWA helpt de gemeenten, door het geven van kaders en richting, bij het realiseren van deze opgaven. Vergeleken met de prognose uit 2019 valt de provinciale Woningbehoefte raming uit 2021 aanzienlijk hoger uit. De woningbehoefte komt uit op 30.500 nieuwe woningen vergeleken met 22.800 in de vorige prognose. Dit houdt in dat er per jaar 3.000 woningen netto dienten te worden toegevoegd. Het aantal te bouwen woningen op basis van de provinciale prognose zijn verdeeld over de drie subregio's. Voor de subregio Oost, waar de gemeente Kaag en Braassem onder valt, is er een woningbehoefteraming opgesteld met een bandbreedte van 9.500 tot 11.000 woningen.
Planspecifiek Uit de regionale woonagenda blijkt dat voor de regio Oost de planvoorraad tot 2023 in de buurt komt van de ambitie als rekening gehouden wordt met 130% planning. Door een paar tegenvallers is het mogelijk dat de opgave voor regio Oost niet wordt gehaald. En juist in deze subregio wordt door gemeenten aangegeven dat het lastig is voldoende nieuwe plannen te ontwikkelen doordat de binnenstedelijke locaties beperkt zijn. Ook blijkt dat slechts 60% van de ruimte voor woningbouw binnen bestaand gebied daadwerkelijk realiseerbaar is. Daarom is een plancapaciteit van 130% of meer nodig om woningbouwopgave te realiseren. Omdat de binnenstedelijke locaties schaars zijn, is naar locaties buiten bestaand stads- en dorpsgezicht gekeken. Ontwikkelen buiten bestaand stadsen dorpsgezicht is essentieel om te kunnen voldoen aan de woningbouwbehoefte in de regio. Onderhavige locatie wordt omringd door bestaande functies en vult een open locatie op. Hierdoor wordt aangesloten op de ruimtelijke structuur waardoor een aantrekkelijke dorpsrand wordt gerealiseerd. Het is daarmee een voorstelbare locatie voor woningbouwontwikkeling.
32
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2021
De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 5 februari 2024 de 'Omgevingsvisie (versie 2024)' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vijf gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan de volgende thema's centraal: a. energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; b. natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; c.
wonen in Kaag en Braassem; d. gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; e. sociaal Kaag en Braassem; f. veilig Kaag en Braassem. In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, water, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden.
Planspecifiek De locatie maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Het buitengebied beslaat qua oppervlak het grootste deel van de gemeente. De gemeente streeft ernaar om het buitengebied zo open mogelijk te houden, maar wil de dorpsranden niet op slot zetten. Hier moet bijvoorbeeld ruimte zijn voor woningbouw. De gemeente Kaag en Braassem heeft de verantwoordelijkheid om voldoende woningen te ontwikkelen voor haar inwoners. Zij houdt de controle over de algehele woningbouwplanning en, gezien het tekort, zet ze in op het meer, sneller en betaalbaarder realiseren van woningen. De voorkeur heeft om binnen het bestaande stads- en dorpsgebied (inbreiden) en in de nabijheid van openbaar vervoer te bouwen. Echter, het aantal geschikte en overgebleven inbreidingslocaties is, zeker in de kleinere kernen, te beperkt. Bovendien zijn inbreidingslocaties relatief duur, wat de doelstellingen van de gemeente, maar ook van het Rijk en de provincie, om meer sociaal en betaalbaar te bouwen, onder druk zet. Om deze reden zet de gemeente in op de mogelijkheid om buiten het bestaande stads- en dorpsgebied te bouwen. Binnen de gemeentegrenzen heeft de gemeente enkele locaties aangewezen als potentieel gebied voor woningbouw. Onderhavig plangebied maakt onderdeel uit van zo'n potentieel gebied, zie ook onderstaande afbeelding.
Uit het dorpsperspectief Rijpwetering/Oud Ade blijkt dat de beoogde locatie is aangewezen als 'potentiële woningbouwontwikkeling'. In de omgevingsvisie wordt benadrukt dat het belangrijk is om aan de bestaande dorpsrand te bouwen, met als doel logische grenzen te vinden die het dorp 'afronden', zodat de impact op het open landschap minimaal blijft. Het belang van een goede landschappelijke inpassing is groot. Onderhavige locatie wordt omringd door bestaande functies en
(vastgesteld)
33
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering vult een open locatie op. Hierdoor wordt aangesloten op de ruimtelijke structuur, waardoor een aantrekkelijke dorpsrand wordt gerealiseerd. Het is daarmee een voorstelbare locatie voor woningbouwontwikkeling. Bij een eventuele ontwikkeling aan een dorpsrand moet dan ook extra aandacht besteed worden aan de geleidelijke overgang tussen woonwijk en open landschap. Voor onderhavige locatie is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld om het beoogde plan landschappelijk in te passen. Met de ontwikkeling ontstaat een geleidelijke en zachte overgang tussen enerzijds het verstedelijkte gebied en anderzijds het open landelijke gebied. De verkaveling is gebaseerd op zichtlijnen die het weidse karakter van de locatie benadrukken en accentueren. In Bijlage 3 is het landschappelijk inpassingsplan opgenomen. Ook is in artikel 6.3.4 een voorwaardelijke verplichting opgenomen betreft het uitvoeren van het landschappelijk inpassingsplan. Concluderend is de beoogde ontwikkeling in lijn met de omgevingsvisie van de gemeente.
Afbeelding 6: Uitsnede van de Omgevingsvisie Kaag & Braasem, gebiedstype 'Kernen'. Het plangebied is rood gearceerd.
34
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
Afbeelding 7: uitsnede dorpsperspectief Rijpwetering/Oud Ade
(vastgesteld)
35
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
4.4.2
Nota inbreidingslocaties
Op 7 februari 2011 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld. Deze nota is opgesteld om voldoende houvast te bieden bij het beoordelen van initiatieven. Voor elk dorp is een beschrijving gemaakt waarin de bestaande karakteristiek is verwoord. De nota geeft geen antwoord op de wenselijkheid van een initiatief, maar biedt enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit. Anderzijds zorgt de nota ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op ontwikkelingen. De nota heeft betrekking op zelfstandige ontwikkelingen, Bij deze zelfstandige ontwikkelingen is sprake van sloop en nieuwbouw (transformatie) of het bebouwen van onbebouwde ruimte, niet passend binnen het geldende bestemmingsplan maar wel binnen de rode contouren van de kernen. Planspecifiek Het plangebied ligt buiten de indicatie rode contour, daarmee is er geen sprake van inbreiding en is de nota Inbreidingslocaties niet van toepassing.
Afbeelding 8: Uitsnede nota Inbreidingslocaties (plangebied aangeduid met paars)
36
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering Voor de woonwijk van Rijpwetering waar het plangebied aan grenst geeft de nota inbreidingslocaties aan dat de woonwijk een kleinschalig maar seriematig karakter heeft. Bij herontwikkeling dient de bestaande structuur als uitgangspunt. Woningen bestaan uit één of twee lagen met kap. Met de beoogde planontwikkeling wordt voldaan aan deze uitgangspunten. Er wordt aansluiting gezocht bij de bestaande structuur voor wat betreft de situering van de woningen. Dit zelfde geldt voor de uitvoering van de woningen in twee lagen met kap.
(vastgesteld)
37
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
4.4.3
Welstandsnota
De raad van Kaag en Braassem heeft ervoor gekozen om voor de cultuurhistorisch waardevolle gebieden welstandsbeleid op te stellen. Het gaat dan om de beschermde dorpsgezichten, de monumenten en de omliggende percelen van monumenten. In de welstandsnota zijn deze gebieden en objecten beschreven. De welstandnota is vastgesteld door de gemeente op 6 september 2010. Op de welstandskaart staan de percelen aangeduid waarvoor een welstandstoets geldt. De rest van de gemeente is welstandsluw. Welstandsluw betekent dat een eventuele excessenregeling wel van toepassing is. De excessenregeling maakt het mogelijk een bouwwerk dat “in ernstige strijd is met redelijke eisen van welstand” alsnog aan een welstandstoets onderhevig kan zijn. Burgemeesters en wethouders kunnen de eigenaar van een bouwwerk aanschrijven om deze strijdigheid op te heffen. Afbeelding 9 geeft de welstandskaart van de gemeente Kaag en Braassem weer.
Afbeelding 9: Uitsnede gemeentelijke Welstandskaart (plangebied aangeduid met paars)
Planspecifiek Ter plaatse van het plangebied gelden geen aanvullende eisen van welstand. Het bestemmingsplan en het hiermee mogelijk gemaakte woningbouwprogramma hoeft niet te voldoen aan speciale welstandeisen. De initiatiefnemer zal in samenwerking met de gemeente een passend en kwalitatief hoogwaardig stedenbouwkundig plan realiseren.
38
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingstoets
Algemeen
In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende moet borgen. Onderstaande milieuparagrafen zijn getoetst, beoordeeld en akkoord bevonden door de Omgevingsdienst West-Holland.
(vastgesteld)
39
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
5.2
Geluidhinder
5.2.1
Kader
Wegverkeer In de Wet geluidhinder is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare belasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van geluidsgevoelige objecten, zoals nieuwe of te wijzigen woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB, indien dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde "Hogere waarde". De hogere waarde mag enkel worden verleend, indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buiten stedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens.
Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen - vastgelegd in eerder genomen besluiten - blijven gelden. Spoorwegverkeer Het geluidsniveau ten gevolge van het railverkeer dient op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 55 dB. Indien dit geluidsniveau wordt overschreden, kan ook hiervoor onder voorwaarden een hoger waarde worden vastgesteld van 68 dB.
5.2.2
Onderzoek
5.2.2.1 Wegverkeerlawaai Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Oud Adeselaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Blijversweg en Buitenweg opgenomen in het akoestisch onderzoek. Het uitgevoerde akoestische onderzoek wegverkeerlawaai is toegevoegd als Bijlage 3 aan voorliggend bestemmingsplan. De geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde weg 'Oud Adeslaan' is maximaal 32 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt ruim onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Er is sprake van een 30 km/zone voor zowel de Blijversweg als de Buitenweg, derhalve hoeft niet te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting is ten hoogste 36 dB (excl. art. 110g Wgh). Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 5.2.2.2 Industrielawaai Het plangebied ligt nabij de sportvereniging van Rijpwetering. Omdat de minimale afstanden conform de VNG-richtafstandentabel niet gehaald worden is aanvullend onderzoek uitgevoerd.
Het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 5.
40
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering Op basis van het onderzoek blijkt de langtijdgemiddelde gevelbelasting ten gevolge van de activiteiten op het sportterrein ten hoogste 40 dB(A). Daarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit het Activiteitenbesluit. Ook wordt voldaan aan stap 2 van de VNG brochure voor een rustig gebied. Goede ruimtelijke ordening De langtijdgemiddelde optredende gevelbelastingen ten gevolge van de activiteiten op het terrein van de sportinrichting bedragen ten hoogste 42 dB(A). Daarmee wordt voldaan aan stap 2 van de VNG brochure voor een rustig gebied. De maximale geluidniveaus bedragen ten hoogste 62 dB(A) in de dagperiode en ten hoogste 56 dB(A) in de avondperiode. Daarmee wordt voldaan aan stap 2 van de VNG brochure voor een rustig gebied. 5.2.2.3 Spoorwegverkeer Het plangebied ligt niet nabij een spoorweg waardoor een onderzoek naar spoorweglawaai achterwege kan blijven.
5.2.3
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde akoestische onderzoeken kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ten aanzien van wegverkeerslawaai geldt dat zowel de gezoneerde weg 'Oud Adeslaan' als de 30 km/zone wegen 'Blijversweg en Buitenweg' geen belemmering vormen voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. De geluidsbelasting van alle wegen blijven ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, aanvullend onderzoek en/of maatregelen zijn niet noodzakelijk. Ten aanzien van het industrielawaai geldt dat voor het langtijdgemiddelde voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan ook voldaan worden aan stap 2 van de VNG brochure. Het bestemmingsplan is dan ook uitvoerbaar ten aanzien van het aspect geluid.
(vastgesteld)
41
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
5.3
Externe veiligheid
5.3.1
Kader
Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden: Inrichtingen: risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties; Transport van gevaarlijke stoffen over de weg; Transport van gevaarlijke stoffen per spoor; Transport van gevaarlijke stoffen over het water; Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding. Plaatsgebonden risico Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan. Verantwoordingsplicht groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen op de betreffende locatie.
Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico ligt voor het transport van gevaarlijke stoffen en buisleidingen echter een factor 10 lager dan voor inrichtingen. Het groepsrisico moet worden verantwoord. In de verantwoording worden onderwerpen behandeld over het risico en de ruimtelijke situatie. Het risico moet worden afgewogen. Het groepsrisico wordt kwantitatief beoordeeld. Daarnaast komen ook planologische aspecten aan de orde en de mogelijkheden tot rampenbestrijding. Bij een bestemmingsplan moet beoordeeld worden of de wettelijke grenswaarde tot het plaatsgebonden risico niet wordt overschreven. Ook moet beoordeeld worden of de oriënterende waarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Met de toepassing van de wet- en regelgeving kan het beoordeeld worden. Er moet naar verschillende aspecten over externe veiligheid worden gekeken bij ruimtelijke plannen. Dit is van toepassing bij het opstellen of wijzigen van ruimtelijke plannen.
De aspecten zijn: Bedrijven waar opslag en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water; vervoer van gevaarlijke stoffen via leidingen. 5.3.2
Onderzoek
Om te kunnen bepalen of de ontwikkeling binnen het plangebied kan voldoen aan de eisen voor externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Op basis van de risicokaart kan worden gekeken welke risicobronnen in de buurt van het plangebied liggen. Een uitsnede van de risicokaart is weergeven in afbeelding 10.
42
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
Afbeelding 10: Uitsnede Risicokaart (plangebied in paars weergegeven)
Nabij het plangebied bevinden zich de volgende risicobronnen, weergeven op afbeelding 8: A. Groothandel in granen, zaden en veevoeders op ongeveer 270 meter afstand; B. Akkerbouw op ongeveer 490 meter afstand; C. Gasunie leiding op ongeveer 1,1 kilometer afstand. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen ondergrondse aardgas-transportleidingen. De dichtstbijzijnde leiding bevindt zich ten oosten van het plangebied op circa 1,1 kilometer afstand (Afbeelding 7C). Aangezien de onderzoek locatie zich buiten het invloedsgebied van de gasleiding bevindt is externe veiligheid voor het plangebied niet relevant.
5.3.2.1 Transport gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Het plangebied bevindt zich niet binnen de 200 meter zone waarin het Groepsrisico verantwoord moet worden bij een bestemmingsplan en het ligt ook niet binnen de 355 meter zone inzake een incident met LPG-transport. Op basis van bovenstaande is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico als bedoeld in artikel 8 van het Bevt niet nodig.
Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de A4 is artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing. Op grond hiervan moet in de toelichting van een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt in elk geval ingegaan worden op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en
(vastgesteld)
43
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering b. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk, waarbij moet worden ingegaan op de zelfredzaamheid en beheersbaarheid. De mate van zelfredzaamheid van een persoon hangt af van zijn eigen fysieke en psychische mogelijkheden en daarnaast van de omgeving. Een goede ontsluiting, beperking van hoogbouw, de ligging van kwetsbare objecten ten opzichte van de bron en aanvullende maatregelen aan gebouwen kan eraan bijdragen dat de effecten van de ramp beperkt blijven. De woningen in het plangebied zijn relatief makkelijk te ontvluchten. Daarnaast zijn de woningen binnen het invloedsgebied niet specifiek bedoeld voor niet of beperkt zelfredzame personen. Ook zijn er voldoende vluchtwegen in afgekeerde richting van de risico. De omvang van mogelijke incidenten kan beter beheersbaar worden gemaakt voor hulpverleningsdiensten door maatregelen te treffen met betrekking tot beheersbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten in hoeverre zij verdere escalatie van een incident kunnen voorkomen.
Om de bestrijdbaarheid te vergroten moet het plangebied over voldoende bluswatervoorzieningen beschikken. Ook wordt in overleg met de Veiligheidsregio Hollands Midden rekening gehouden met voldoende bereikbaarheid voor hulpdiensten.
5.3.3
Conclusie
Het plangebied ligt niet binnen de risicocontouren van één van bovengenoemde risicobronnen en/of binnen de contour het basisnet transport gevaarlijke stoffen. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
44
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
5.4
Bedrijven- en milieuzonering
5.4.1
Kader
In het kader van de Wet milieubeheer en op basis van het principe 'een goede ruimtelijke ordening' moet in nieuwe situaties rekening gehouden worden met (wenselijke) afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. In de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009) is een lijst met richtafstanden opgenomen. Deze lijst bevat een overzicht van milieubelastende activiteiten en de daarbij behorende richtafstanden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De genoemde richtafstanden moeten bij voorkeur worden aangehouden tot milieugevoelige functies, zoals woningen. De grootste richtafstand is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. De categorieën zijn als volgt: Milieucategorie
Gemengd gebied
Rustige woonwijk
1
0 meter
10 meter
2
10 meter
30 meter
3.1
30 meter
50 meter
3.2
50 meter
100 meter
4.1
100 meter
200 meter
4.2
200 meter
300 meter
Tabel 1: Richtafstanden per milieucategorie Het waar nodig scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige gebieden en functies bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. 5.4.2
Onderzoek
Onderhavig planinitiatief zal gerealiseerd worden op agrarische grond. Nabij het plangebied zijn sportvelden gelegen waaraan de milieucategorie 3.1 is toegekend. Het plangebied grenst aan de bestaande kern en betreft de realisatie van woningen. Met de aanwezigheid van zowel woningbouw als sportvelden kan het gebied worden getypeerd als gemengd gebied. Gevolg is dat de minimale afstand tot de sportvelden 30 meter moet bedragen om te voldoen aan de noodzakelijk scheiding tussen de gevoelige functies (wonen) en milieubelastende activiteit (de sportvelden). Verder zijn in de nabije omgeving geen milieubelastende bedrijven gevestigd. Alhoewel de VNG – brochure breed toegepast wordt in de praktijk en de bestaande jurisprudentie blijven het richtlijnen. Het bevoegd gezag zou indien noodzakelijk gemotiveerd kunnen afwijken van de gestelde richtafstanden. 5.4.3
Conclusie
De nieuwe woningen worden op een afstand van circa 30 meter van de sportvelden gerealiseerd. De enige belasting die de sportvelden kunnen hebben is in de vorm van geluid. In paragraaf 5.2 is reeds toegelicht dat van een belemmering geen sprake is. In tegenstelling tot bijvoorbeeld een fabriek zal een sportveld geen belasting in de vorm van bijvoorbeeld geur en/of luchtvervuiling creëren, derhalve is alleen het aspect geluid nader beoordeeld. Vanuit het oogpunt van bedrijven & milieuzonering kan geconcludeerd worden dat onderhavig bestemmingsplan uitvoerbaar is.
(vastgesteld)
45
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
5.5
Bodem
5.5.1
Kader
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten regels moeten stellen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De regels zijn nodig om voor een goede ruimtelijke ordening te zorgen. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming moeten zijn. Een historisch onderzoek kan worden uitgevoerd om te bepalen of de bodem een planontwikkeling in de weg staat. Dit onderzoek kan aangevuld worden met een nader bodemonderzoek. Het is niet toegestaan om te bouwen op vervuilde grond. Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Bij het toepassen van grond en bagger hanteert dit besluit een toets. De bodem moet met de gebruiksfunctie in balans zijn. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer. De bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu moet in balans zijn met gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen. Te denken valt aan woningbouw of het aanleggen van wegen. Er moet bij plannen rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Dit is bepaald in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht.
5.5.2
Onderzoek
Onderzoeksbureau Aeres Milieu heeft ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 4 aan voorliggend bestemmingsplan. Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Alvorens de boorwerkzaamheden hebben plaatsgevonden is een historische vooronderzoek uitgevoerd. Op basis van de verzamelde informatie uit het vooronderzoek (NEN 5725) en de gestelde onderzoekshypothese(n) voor de onderzoekslocatie, is een onderzoeksstrategie opgesteld conform de richtlijnen van de onderzoeksnorm NEN 5740. In onderstaande afbeelding zijn de uitgevoerde boringen weergegeven. Aanvullend op het bodemonderzoek zijn ter plaatse van boorpunten 1, 2 en 3 peilbuizen geplaats om ook de grondwaterstand en de grondwaterkwaliteit te kunnen beoordelen.
Afbeelding 11: uitgevoerde boringen ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek
46
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
5.5.3
Conclusie
Bij de veldwerkzaamheden zijn visueel geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met kwik, lood en molybdeen. In de ondergrond zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Het freatisch grondwater blijkt niet verhoogd ten opzichte van de geldende streefwaarden. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan.
5.6
Luchtkwaliteit
5.6.1
Kader
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen. Deze wet wordt ook wel de Wet luchtkwaliteit (Wlk) genoemd. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor de volgende stoffen: zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordening vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in 2 weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Vanaf 2015
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
vanaf 11 juni 2011
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan vanaf 11 juni 50 µg/m³ 2011
Tabel 2: Grenswaarden NO2 en PM10 Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen
(vastgesteld)
47
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering Besluit Niet in Betekende Mate (NIBM) In dit besluit is precies bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10; Een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. 5.6.2
Onderzoek
Het planinitiatief is getoetst aan de NSL monitor op de stoffen stikstofdioxide en fijnstofdeeltjes. Op basis van de NSL monitor kan gesteld worden dat de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie van voldoende kwaliteit is. De voorgestelde ontwikkeling blijft met 30 woningen en één ontsluitingsweg ver onder de drempelwaarden zoals deze gesteld zijn in het besluit 'niet in betekende mate'.
Afbeelding 12: Resultaat NSL monitor (NO2-/PM10 concentratie toelaatbaar)
5.6.3
Conclusie
Op basis van de drempelwaarden gesteld in het NIBM – besluit kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Aangezien de lucht in de huidige situatie al van voldoende kwaliteit is kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit ook in de toekomstige situatie voldoende is. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
48
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
5.7
Flora en fauna
5.7.1
Kader
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten: de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd. Verantwoording soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora en fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een voorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan soms onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er negatieve effecten worden verwacht, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te verminderen of te voorkomen. Er is meestal een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden. Verantwoording gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor.
De dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Coepelduynen op circa 11 km afstand, Meijendel & Berkeheide op 11,1 km afstand en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck op 14,3 km afstand. Tevens ligt Natura 2000-gebied De Wilck op circa 8,6 km van het plangebied, maar dit Natura 2000-gebied is niet aangewezen als stikstofgevoelig. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming in acht te worden genomen. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg dient te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
5.7.2
Onderzoek
Ter plaatse van het plangebied kunnen verschillende soorten flora en fauna voorkomen. Om dit te onderzoeken is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door het ecologisch bureau Taharo. Het rapport 'Quickscan Flora en Fauna, Straathof te Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem' is als Bijlage 6 van de toelichting van voorliggend bestemmingsplan opgenomen. Soortenbescherming Uit de quickscan is gebleken dat de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied geen negatieve invloed heeft op de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd. Hierbij moet voorafgaand en tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wel de bepalingen uit de Wet natuurbescherming in acht genomen worden. Voor broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten moet het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen plaatsvinden. Dit is om overtreding bij voorbaat te voorkomen. Een andere mogelijkheid is het controleren van aanwezige broedgevallen. De controle moet de aanwezigheid van een broedgeval uitsluiten. Tevens dient de zorgplicht in acht genomen te worden ten behoeve van (incidenteel) aanwezige soorten.
Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 600 meter ten noordwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN is dan ook niet noodzakelijk
(vastgesteld)
49
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering Het plangebied valt binnen het door de Provincie Zuid Holland aangewezen belangrijk weidevogelgebied en binnen de groene buffer (gebieden met bijzondere kwaliteit, beschermingszone 2). Ruimtelijke ingrepen zijn hier mogelijk maar hiervoor is compensatie nodig. In paragraaf 4.2 is onderbouwd hoe hiermee is omgegaan. Stikstofdepositie De stikstofdepositie door de gewenste activiteiten op de Natura 2000-gebieden is voor het jaar 2024 en het jaar 2025 berekend met de Aerius-calculator. De uitkomst is dat er in de realisatie- en gebruiksfase geen depositie op Natura 2000-gebieden optreedt. Een nadere beschouwing is dan ook niet noodzakelijk. Op grond van de beoordelingssystematiek voor nieuwe activiteiten is het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming dan ook niet nodig. Op grond van de stikstofdeposities is er geen reden het initiatief te belemmeren. Voor een volledige onderbouwing wordt verwezen naar Bijlagen 7, 8 en 9.
Beschermde Houtopstanden Aangezien er geen bomen binnen het plangebied aanwezig zijn die mogelijk zouden gaan verdwijnen, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
5.7.3
Conclusie
Vervolgonderzoek ten behoeve van Natura 2000, het NNN en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde. Vanwege de ligging in belangrijk weidevogelgebied wordt er een compensatieplan opgesteld, dat moet worden goedgekeurd door de provincie. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het aspect flora & fauna geen belemmering vormt voor het vaststellen van voorliggend bestemmingsplan.
50
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
5.8
Water
5.8.1
Kader
Europese Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water richt zich op de bescherming van water in alle wateren. Hiermee wordt beoogd vervuiling te voorkomen en te beperken, duurzaam gebruik van water te bevorderen, het aquatische milieu te beschermen en te verbeteren en de effecten van overstromingen en droogte in te perken. De algemene doelstelling is om een goede milieutoestand te bereiken voor alle wateren. Nationaal Waterplan 2022 - 2027 Het Nationaal Waterplan (NWP) 2022 - 2027 is de opvolger van het NWP 2016 - 2021. Het (1ste) Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (en straks de Omgevingswet) heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het NWP 2022-2027 bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het NWP 2022 - 2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het kabinet werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
De volgende hoofdopgaven worden in het NWP geformuleerd: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet (Ww) in werking getreden. De Ww regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Ook is via de Invoeringswet Ww de saneringsregeling voor waterbodems van de Wet bodembescherming overgebracht naar de Waterwet. Naast de Ww blijft de Waterschapswet als organieke wet voor de waterschappen bestaan. Met de Ww zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem.
Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder Waterbeheerprogramma 6 'water wijst de weg' In het Waterbeheerprogramma 6 opgesteld door het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: Rijnland) is water het leidende principe. Er komen grote (maatschappelijke) uitdagingen zoals klimaatverandering, hoge stikstofuitstoot, afnemende biodiversiteit en de omslag naar een circulaire economie op ons af. Goed waterbeheer speelt bij al deze uitdagingen een belangrijke rol. Water krijgt een meer sturende rol in de ruimtelijke inrichting. Hiermee streeft Rijnland naar een klimaatbestendige leefomgeving, waarin we ook over twintig, vijftig of honderd jaar nog veilig en gezond kunnen wonen, werken en genieten. Hiervoor heeft Rijnland vijf belangrijke kerntaken geformuleerd: 1. Waterveiligheid 2. Voldoende water 3. Schoon water 4. Efficiënte en duurzame waterketen 5. Duurzaam en circulair werken De opgaven worden opgepakt in samenwerking met onder andere overheden, inwoners, bedrijven en natuurorganisaties.
(vastgesteld)
51
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afval- en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Keur Rijnland De Keur is een juridisch document (verordening). Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden bij water en dijken.
De Uitvoeringsregels kunnen een zorgplicht, een Algemene regel en een Beleidsregel bevatten. De zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico. In de Algemene regels staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico. In de Beleidsregels tot slot, staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico, waarvoor een watervergunning nodig is.
5.8.2
Onderzoek
Binnen het plangebied zijn zowel primaire als overige watergangen aanwezig. Rondom de watergangen ligt een beschermingszone. Met de geplande ontwikkeling worden de beschermingszones gerespecteerd en wordt het oppervlaktewater wat uitgebreid ten behoeve van de watercompensatie. De nieuwe woningen zullen een gescheiden rioolstelsel krijgen om hemelwater niet onnodig te vervuilen. Het opgevangen hemelwater wordt vervolgens binnen het plangebied weggeleid. De ontwikkelingen binnen het plangebied hebben geen directe relatie tot het nationale waterbeleid maar vormen ook geen belemmering voor de uitvoering ervan. Het hoogheemraadschap is tijdens het wettelijke verplichte vooroverleg (artikel 3.1.1. Bro) in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de geplande herontwikkeling van het plangebied. Op basis van de vooroverlegreactie wordt opgemerkt dat bepaalde onderhoudsverplichtingen gelden voor grondeigenaren van overige watergangen. Hiermee is rekening gehouden in de verkaveling, tevens worden hierover afspraken gemaakt tussen de gemeente en de initiatiefnemer. In de bestaande situatie is het plangebied volledig onverhard, maar is er naast de smalle sloten geen oppervlakte water aanwezig.
Op basis van de regels van het Hoogheemraadschap van Rijnland dient 15% van de nieuwe verharding gecompenseerd te worden met nieuw oppervlakte water dat in directe verbinding staat met bestaand water. Daar kan in voorliggend plan aan voldaan worden zoals ook aangegeven op afbeelding 12. Tevens is in de regels vastgelegd dat het achtererf voor maximaal 50% bebouwd mag worden. In onderstaande tabel is de geplande en noodzakelijk watercompensatie verantwoord. Bij de aanleg van de toekomstige woningen en de openbare ruimte zal rekening gehouden worden met de actuele eisen voor klimaatadaptief en robuust bouwen. Er kan onder andere gedacht worden aan bebouwing op terpen, wegen verlaagd aanleggen en waterminnende groen/bomen in het laagste deel van de wijk aanplanten. Daarbij dient het principe vasthouden - bergen/hergebruiken - afvoeren aangehouden te worden. Ten slotte dient de initiatiefnemer bij de realisatie van de woningen rekening te houden andere eisen vanuit de Keur, o.a. vanwege de ligging van het plangebied in een kwelgebied, mogelijke grondwateronttrekking.
52
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
Nieuw verharding
Oppervlakte in m2 (indien nodig afgerond)
Wegen + parkeerplaatsen (openbaar+privé)
1735 m²
Woningen
2257 m²
Bergingen
40 m²
Stoep + achterpaden
1049 m²
Totale nieuwe verharding
5.081 m²
Nieuw water in de vorm van sloten
840 m²
Watertoets
16,53%
Tabel 3: Toets noodzakelijke watercompensatie
Afbeelding 12: Legger hoogheemraadschap van Rijnland (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland)
5.8.3
Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan en de daarin mogelijk gemaakt woningbouw kan conform de regels van zowel de gemeente Kaag en Braasem als het Hoogheemraadschap van Rijnland uitgevoerd worden.
(vastgesteld)
53
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
5.9
Archeologie en cultuurhistorie
5.9.1
Kader
Erfgoedwet In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.
Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 13 mei 2013 het (geactualiseerde) gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. In dit beleid is de verwachting en archeologische bescherming in kaart gebracht en onderbouwd. In afbeelding 13 is een uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart weergegeven. Deze kaart is richtinggevend bij de ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen.
Afbeelding 13 uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Kaag en Braassem (plangebied aangeduid met rood)
54
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
5.9.2
Onderzoek
5.9.2.1 Archeologie Het plangebied is door de gemeente Kaag en Braassem aangewezen als locatie met een lage archeologische verwachting. Voor locaties met een lage archeologische verwachting geldt dat een onderzoek verplicht is als de ontwikkeling groter is dan 5 hectare én er graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan -30 onder maaiveld. De ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt blijft onder de grens van 5 hectare waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Ondanks dat een nader onderzoek niet noodzakelijk is geldt voor alle ontwikkelingen de wettelijke meldingsplicht. Eventuele archeologische resten in de gebieden zonder dubbelbestemming archeologie worden beschermd door de wettelijke meldingsplicht voor archeologische (toevals)vondsten van art. 5.10 van de Erfgoedwet: degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet of moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, is verplicht deze vondst te melden bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, provincie Zuid-Holland of de gemeente Kaag en Braassem) en gedurende zes maanden ter beschikking te houden voor onderzoek. 5.9.2.2 Cultuurhistorie Op de cultureel erfgoedkaart van de provincie Zuid-Holland (zie afbeelding 14) valt te zien dat het plangebied geen culturele waarden bevat.
Nader onderzoek naar cultuurhistorische waarden is derhalve niet nodig.
Afbeelding 14: uitsnede Cultureel erfgoedkaart provincie Zuid-Holland (plangebied globaal weergeven in rood) 5.9.3
Conclusie
(vastgesteld)
55
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering Zowel in als nabij het plangebied zijn op basis van de provinciale erfgoedkaart van Zuid - Holland geen cultuurhistorische waardes aanwezig. Op basis van de gemeentelijke erfgoedlijst van geconcludeerd worden dat er ook geen gemeentelijke monumenten binnen het plangebied aanwezig zijn. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de bestaande cultuurhistorische waardes en is uitvoerbaar.
56
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
5.10
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
5.10.1 Kader In het Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een project mer-beoordelingsplichtig is. De beoogde ontwikkeling past binnen bijlage D (categorie 11.2) van het Besluit m.e.r. Gezien de omvang van het plan, worden de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D (categorie 11.2) niet gehaald en kan worden volstaan met een zogenoemde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Door de wijziging in de wetgeving per juli 2017, dient ook in deze gevallen door het bevoegd gezag een besluit te worden genomen dat geen volledige mer-procedure benodigd is. Hiervoor dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis van de toelichting van het bestemmingsplan en de uitgevoerde milieuonderzoeken. 5.10.2 Afweging en conclusie De voorgenomen ontwikkeling valt ruim beneden de drempelwaardes zoals deze zijn gesteld in het Besluit m.e.r. waardoor het project niet mer - beoordelingsplichtig is. Voor onderhavige ontwikkeling volstaat het opstellen van een aanmeldnotitie waarop het bevoegd gezag een besluit dient te nemen voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan. Zodra de gemeente Kaag en Braassem het besluit genomen heeft zal deze worden toegevoegd als bijlage aan onderhavig bestemmingsplan. De aanmeldnotitie is opgenomen in Bijlage 10.
(vastgesteld)
57
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
5.11
Verkeer en parkeren
5.11.1 Kader Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2018’. Het doel van deze beleidsnota is om voor de gehele gemeente - per gebied en per functie - de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Tevens is aangegeven op welke wijze de parkeernormen gehanteerd dienen te worden. Het hanteren van deze normen heeft als doel te waarborgen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen (woningen, bedrijven, sport, recreatie, enzovoort) in Kaag en Braassem. De parkeernormennota heeft niet tot doel om eventuele bestaande parkeerproblemen op te lossen. Dit betekent concreet dat bestaande functies niet aan de normen uit deze nota hoeven te voldoen. Met de voorliggende parkeernota worden de volgende effecten beoogd: Het waarborgen van de bereikbaarheid; Het waarborgen van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit; Het voorkomen van verkeersonveiligheid door ongewenste parkeersituaties die (mogelijk) gevaarlijke situaties kunnen opleveren; Het op gelijke en voor iedereen duidelijke wijze beoordelen van de benodigde parkeervoorzieningen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen. Iedere ruimtelijke ontwikkeling heeft een eigen parkeerbehoefte.
Als er geen voorwaarden aan de beoogde ruimtelijke ontwikkeling worden gesteld, zal de parkeerbehoefte op de openbaar ruimte worden afgewenteld, terwijl deze niet altijd voorziet in voldoende parkeeraanbod. Dit kan leiden tot overlast bij de bestaande en toekomstige gebruikers van de openbare ruimte. Door parkeernormen, te hanteren wil de gemeente enerzijds voorkomen dat er parkeeroverlast ontstaat als gevolg van nieuwe ontwikkelingen en anderzijds tracht de gemeente de bereikbaarheid van nieuwe functies te waarborgen.
5.11.2 Onderzoek Voor de woningen moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Ook de verkeersstromen zullen toenemen in en naar het plangebied. Wat betreft het aspect verkeer zal nagedacht moeten worden over de ontsluiting van het gebied op de omliggende wegenstructuur. Parkeerbehoefte Een parkeerbalans is noodzakelijk om de totale parkeerbehoefte van het plangebied in beeld te brengen. De gemeente Kaag en Braassem heeft hiervoor de beleidsregel 'Parkeernormen Kaag en Braassem 2018' vastgesteld. In bijlage 2 van deze parkeernota zijn de parkeernormen voor woningen vastgelegd. Het plangebied ligt volgens de parkeernota in het buitengebied, maar zal na realisatie tot de categorie rest bebouwde kom horen. In onderstaande tabel zijn (in overleg met de gemeente Kaag en Braassem) de minimale normen aangehouden. Woningtype
Parkeernorm buitengebied Aantal woningen Totaal (min – max)
Vrijstaand
1,9
2
3,8
Twee-onder-een-kap
1,8
8
14,4
Tussenwoning/hoekwoning 1,6
11
17,6
Sociale huurwoning
9
10,8
30
46,6
1,2
Totaal Tabel 4: parkeerbalans ontwikkeling 'Straathof'
Op basis van de minimale normen is de parkeerbehoefte 47 (46,6) parkeerplaatsen. Het plan voorziet in 20 parkeerplaatsen op eigen terrein en 32 parkeerplaatsen in openbaar gebied. Parkeerplaatsen op eigen terrein wegen voor 0,8 mee omdat ze niet vrij inwisselbaar zijn zoals openbare plaatsen dat wel zijn. In totaal voorziet de ontwikkeling daarmee in 20 * 0,8 + 32 = 48 parkeerplaatsen. Geconcludeerd kan worden dat voldaan kan worden aan de noodzakelijk parkeerbehoefte.
58
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
Verkeersgeneratie Door Goudappel is een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van het toenemende aantal verkeersbewegingen als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Het onderzoek is als Bijlage 11 opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. In het kader van de toenemende verkeersgeneratie zijn verkeersgeneratiecijfers van het CROW aangehouden. Voor de verkeersgeneratie is de stedelijkheidgraad van een gemeente van belang. Op basis van de demografische kencijfers (CBS, 2015) heeft de gemeente Kaag en Braassem een omgevingsadressendichtheid van 555. Op basis van de CROW vallen gemeente met een omgevingsadressendichtheid van 555 in de categorie 'weinig stedelijk'. Op basis van het personenautobezit in Kaag en Braassem in vergelijking met gemeenten met dezelfde stedelijkheidsgraad wordt voor de ligging binnen de bandbreedte uitgegaan van de gemiddelde verkeersgeneratiekencijfers. Met het gemiddelde kencijfer in de bandbreedte wordt de verkeersgeneratie niet onderschat maar ook niet overschat. Om de verkeersgeneratie van weekdag naar werkdag om te rekenen, wordt gebruikgemaakt van een omrekenfactor, opgenomen in CROW-publicatie 744. Voor woonfuncties bedraagt de omrekenfactor 1,11. In onderstaande tabel is de toekomstige totale verkeersgeneratie getoond.
Woningtype
Norm verkeergeneratie (gem.)
Aantal woningen
Totale verkeersgeneratie werkdag (gem.)
Vrijstaand
8,2
2
18
Twee-onder-een-kap
7,8
8
69
Tussenwoning/hoekwoning 7,4
11
90
Sociale huurwoning
9
48
30
226
4,8
Totaal Tabel 5: Verkeersgeneratie ontwikkeling 'Straathof'
Verder is per wegvak (Blijversweg, Buitenweg, Hertogsweg en Oud Adeselaan) getoetst of er sprake is van een duurzaam evenwicht tussen de functie van de weg, de vormgeving en het gebruik. Blijversweg Op de Blijversweg bedraagt de huidige verkeersintensiteit 650 motorvoertuigen per etmaal. Voor een woonerf, zoals de Blijversweg is vormgegeven, geldt binnen de huidige vormgeving een wenselijke verkeersintensiteit van circa 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Na realisatie van de ontwikkeling worden op het wegvak geen verkeerskundige knelpunten verwacht. Buitenweg Op de Buitenweg bedraagt de huidige verkeersintensiteit circa 650 mvt/etmaal. Door de ontwikkeling zal de verkeersintensiteit op dit wegvak toenemen met circa 120 motorvoertuig per etmaal (circa 50% van de totale verkeersgeneratie). Voor de Buitenweg geldt een wenselijke verkeersintensiteit van circa 2.000 motorvoertuigen per etmaal. Na realisatie van de ontwikkeling worden op het wegvak geen verkeerskundige knelpunten verwacht. Hertogsweg Op de Hertogsweg bedraagt de huidige verkeersintensiteit circa 680 mvt/etmaal. Door de ontwikkeling zal de verkeersintensiteit op dit wegvak toenemen met circa 120 mvt/etmaal (circa 50% van de totale verkeersgeneratie). Voor de Hertogsweg geldt een wenselijke verkeersintensiteit van circa 1.000 motorvoertuigen per etmaal.