Bestemmingsplan Straathof Rijpwetering versie vastgesteld (december 2024)
Tekst van het document
T 085 401 05 67 E info@lodewijckgroep.nl W www.lodewijckgroep.nl
Bestemmingsplan
Straathof Rijpwetering
Gemeente Kaag en Braassem Identificatie NL.IMRO.1884.BPSTRAATHOF-VAS1
Straathof Rijpwetering
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerende plannen 1.4 Totstandkoming van het plan 1.5 Leeswijzer
6 6 7 8 10 11
Hoofdstuk 2 Gebiedsbeschrijving 2.1 Historische context 2.2 Ruimtelijke structuur 2.3 Functionele structuur
12 12 13 15
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Huidige situatie 3.2 Toekomstige situatie
16 16 17
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Regionaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid
18 18 23 32 33
Hoofdstuk 5 Omgevingstoets 5.1 Algemeen 5.2 Geluidhinder 5.3 Externe veiligheid 5.4 Bedrijven- en milieuzonering 5.5 Bodem 5.6 Luchtkwaliteit 5.7 Flora en fauna 5.8 Water 5.9 Archeologie en cultuurhistorie 5.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 5.11 Verkeer en parkeren 5.12 Kabels en leidingen
39 39 40 42 45 46 47 49 51 54 57 58 61
Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving 6.1 Planvorm 6.2 Toelichting op de regels 6.3 Overig
62 62 63 66
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.3 Handhaving
67 67 67 68
Hoofdstuk 8 Procedure 8.1 Voorbereidingsfase 8.2 Ontwerpfase 8.3 Vaststellingsfase
69 69 69 69
Bijlagen bij de toelichting
70
Bijlage 1
Woningmarktanalyse
71
Bijlage 2
Aanvullend weidevogelonderzoek
72
2
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering Bijlage 3
Akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai
73
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek
74
Bijlage 5
Akoestisch onderzoek omgevingslawaai
75
Bijlage 6
Quickscan flora & fauna
76
Bijlage 7
Rapportage stikstofberekening
77
Bijlage 8
Aerius berekening: realisatiefase
78
Bijlage 9
Aerius berekening: gebruiksfase
79
Bijlage 10
Aanmeldnotitie m.e.r.
80
Bijlage 11
Motivering verkeersontsluiting Straathof Rijpwetering
81
Bijlage 12
Nota vooroverleg & inspraak
82
Bijlage 13
Nota van Beantwoording Zienswijzen Straathof Rijpwetering
83
Bijlage 14
Vaststellingbesluit ontwerpbestemmingsplan
84
Regels
86
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
87 87 92
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Bestemmingsregels Groen Tuin Verkeer Wonen Leiding - Riool Waarde - Archeologie - 1
94 94 95 96 98 100 102
Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Specifieke gebruiksregels
104 104 105 107 108 109
Hoofdstuk 4 Artikel 14 Artikel 15
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
110 110 111
Bijlagen bij regels
113
Bijlage 1
Parkeernota
114
Bijlage 2
Vogelweidecompensatie
115
Bijlage 3
Landschappelijke inpassing
116
(vastgesteld)
3
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
4
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
Toelichting
(vastgesteld)
5
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het bestemmingsplan 'Straathof' betreft de ontwikkeling van 30 grondgebonden woningen op de locatie ten noorden van de kern Rijpwetering in de gemeente Kaag en Braassem. De ontwikkeling grenst aan de bestaande woningbouw in de kern Rijpwetering. Het planvoornemen past niet binnen het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied West', zoals vastgesteld op 17 juni 2013 door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. In het plangebied vigeert de enkelbestemming 'agrarisch met waarden - natuur en landschapswaarden' waar woningen niet zijn toegestaan. Afbeelding 1 geeft de beoogde situatie van het plangebied weer, een deel van de noodzakelijke watercompensatie wordt op het naastgelegen perceel gerealiseerd. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om de voorgestelde woningbouwontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken.
Afbeelding 1: Beoogde situatie plangebied
6
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied betreft het gebied ten noorden van de kern Rijpwetering. Het plangebied wordt aan de noord- en oostzijde begrenst door weilanden, aan de westzijde door de voetbalvelden van sv ROAC en aan de zuidzijde door bestaande woningbouw. De ligging van het plangebied ten opzichte van de nabije omgeving is weergeven op afbeelding 2.
Afbeelding 2: Ligging plangebied
(vastgesteld)
7
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
1.3
Vigerende plannen
In het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Buitengebied West', zoals vastgesteld op 17 juni 2013 door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. In het plangebied geldt de bestemming 'agrarisch met waarden - natuur en landschapswaarden'. Een uitsnede van de vigerende verbeelding is weergeven in afbeelding 3.
Afbeelding 3: Uitsnede planverbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied West' De voor 'agrarisch met waarden – natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf, gericht op het voorbrengen van producenten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Binnen het plangebied is toegestaan: a. grondgebonden veehouderij: het, geheel of nagenoeg geheel op open grond, houden van melken ander vee, exclusief scharrelpluimvee en -varkens, alsmede het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij waarbij het africhten van en de handel in paarden in ondergeschikte mate is toegestaan; b. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond met uitzondering van bosbouw, sier- en bollenteelt, echter met insluiting van een- en tweejarige sierteeltgewassen op open grond (zoals zonnebloem, asters en papavers). De voor 'agrarisch met waarden – natuur en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en herstel van de aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden, bestaande uit de openheid, het verkavelingspatroon, de aanwezigheid van weidevogels en kenmerkende oever- en slootvegetaties. Nieuwe ontwikkelingen moeten getoetst worden en mogen geen negatief effect hebben op de natuurlijke en landschappelijke waarden ter plaatse.
Verder zijn de voor 'agrarisch met waarden- natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden bestemd voor ondergeschikte functies zoals een intensieve kwekerij als ondergeschikte productietak, wandel- en fietspaden, kleinschalige natuurontwikkeling, en voorzieningen zoals kuilvoerplaten, sleufsilo's, mestvoorzieningen, teeltondersteunende voorzieningen, paardenbakken, groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en voet- en fietspaden, bruggen, dammen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding waaronder ook voorzieningen ten behoeve van het bergen van water. Tevens zijn nevenfuncties toegestaan op de voor 'agrarisch met waarden- natuur- en
8
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering landschapswaarden' aangewezen gronden, zoals een veearts, hoefsmederij, ambachtelijke bewerking en verwerking van agrarische producten, verkoop streekeigen producten, boerenwinkel, kanoverhuur, roeibootverhuur, fietsenverhuur, recreatief nachtverblijf (bed & breakfast) en kleinschalige horecagelegenheden zoals een dag café, lunchroom, koffieshop, ijssalon en een koffie-theehuis waarbij het accent ligt op de verkoop van niet-alcoholische dranken. In de regels van het bestemmingsplan zijn maximale vloeroppervlaktes (in de bebouwing) van de toegestane nevenfuncties opgenomen. Naast voorgenoemde enkelbestemming bevat het plangebied geheel de dubbelbestemming 'waarde – archeologie – 1', gedeeltelijk de dubbelbestemming 'leiding – riool' en de gebiedsaanduiding 'milieuzone – ruwvoeder'. De voor 'waarde – archeologie - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. De voor 'leiding – riool' aangewezen gronden zijn bestemd voor een afvalwatertransportleiding. De gebiedsaanduiding 'milieuzone – ruwvoeder' ter plaatse van deze aanduiding is de teelt van maïs/ruwvoeder niet toegestaan. Het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied West' laat de ontwikkeling van 31 woningen binnen het plangebied niet toe. Derhalve is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
Voorliggend bestemmingsplan vervangt het bestemmingsplan 'Buitengebied West' ter plaatse van het plangebied.
(vastgesteld)
9
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
1.4
Totstandkoming van het plan
Voor het plangebied geldt het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied West'. Om de gewenste en noodzakelijke woningbouwontwikkeling mogelijk te maken is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Tevens zijn de vigerende rechten vastgelegd in het bestemmingsplan. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. In overleg tussen de initiatiefnemer en de gemeente is voor de opbouw van voorliggend bestemmingsplan aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan 'Oud Ade en Rijpwetering'. Het plan voldoet aan de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Omgevingswet Op 1 januari 2024 zal de Omgevingswet in werking treden. Met de Omgevingswet wordt het aantal regels in het omgevingsrecht teruggebracht. Met het in werking treden van de Omgevingswet worden alle vigerende bestemmingsplannen van rechtswege vervangen door een omgevingsplan. Derhalve is het nu al van belang zoveel mogelijk vooruit te kijken naar de invoering van de Omgevingswet. Dit vraagt om bestemmingsplannen waarmee kan worden geanticipeerd op maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkelingen over een lange periode.
Het bestemmingsplan dient daarom flexibel en veerkrachtig te zijn, om zoveel mogelijk te kunnen voorzien in de ruimtelijke ontwikkelingen die de komende tijd plaatsvinden. In dit verband is het belangrijk om voor de toekomst vast te leggen welke onderdelen binnen de fysieke leefomgeving beschermd en behouden dienen te blijven. Het toekomstige omgevingsplan biedt hiervoor de basis. Een ander belangrijk doel van de Omgevingswet is dat het omgevingsplan een integrale regeling voor de gehele leefomgeving omvat en breder is dan alleen de aspecten die een rol spelen in een ruimtelijk plan Dit is een duidelijk verschil met de huidige wetgeving waarin dergelijke aspecten alleen sectoraal worden getoetst. Concreet betekent dit dat niet alleen de milieutechnische, ecologische en cultuurhistorische belangen worden afgewogen, maar ook de economische en maatschappelijke gevolgen (People, Planet, Profit). In het voorliggende bestemmingsplan is zoveel mogelijk voorgesorteerd op de invoering van de Omgevingswet. De vigerende regeling is – waar mogelijk – vereenvoudigd, met behoud van de bestaande rechten. Daarnaast ontstaat met de voorliggend bestemmingsplan een integraal en actueel juridisch-planologisch kader, dat als basis kan dienen voor het toekomstige omgevingsplan.
10
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
1.5
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een gebiedsbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 3 is een planbeschrijving opgenomen. Het relevante Rijks-, provinciaal en gemeentelijke beleid wordt behandeld in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 komen alle voor het bestemmingsplan relevante milieu- en overige aspecten aan de orde, waarna het geheel wordt vertaald in een planopzet die in hoofdstuk 6 wordt toegelicht. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de economische en maatschappelijk uitvoerbaarheid van het plan en hoofdstuk 8 de procedure.
(vastgesteld)
11
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsbeschrijving
Historische context
De kern Rijpwetering en dan met name het bebouwingslint is in de vroege middeleeuwen ontstaan op de stroomrug van een vroegere veenstroom. Het omliggende agrarische gebied is in de daaropvolgende eeuwen in cultuur gebracht. Met de groei van de Hollandse steden aan het eind van de Middeleeuwen ontstond een grote behoefte aan brandstof. Het houtaanbod werd snel kleiner en de behoefte aan turf daardoor steeds groter. Grote delen van het veenweidegebied in West-Nederland zijn toen afgegraven, vooral de gebieden op enige afstand van de rivieren, zoals de omgeving van Rijpwetering, aangezien hier het als brandstof zeer geschikte veenmosveen voorkwam. Door deze grootschalige verveningen was een landschap vol plassen ontstaan, die veelal nog vergroot werden door afslag van de oevers op plaatsen waar de wind vrij spel had. Bewoning bleef grotendeels beperkt tot de oude hooggelegen stroomrug.
Afbeelding 4: Oud Ade en Rijpwetering omstreeks 1915 (Bron: www.topotijdreis.nl). De Koppoel ten noorden van het plangebied is overigens een natuurlijke veenplas, gelegen aan een vroegere veenstroom, de Ade, die uitmondde in de Haarlemmermeer. Na de ontwikkeling van verbeterde windmolens konden de eerste veenplassen in de 17e eeuw worden drooggemalen. In de 18e en 19e eeuw vonden dezen inpolderingen op grotere schaal plaats. De grote rijkdommen die Holland zich in deze periode verworven had, werden op deze wijze belegd. De Veender- en Lijkerpolder ten oosten van Rijpwetering werd in 1784 drooggemalen, de Akkerslootpolder in 1816. Zo ontstond een landschap met relatief grote hoogteverschillen. In de droogmakerijen werd een beperkt aantal boerderijen gebouwd. De landschappelijke hoofdstructuur van veenpolders, veenstromen en droogmakerijen is nog grotendeels intact. Het tracé van de oude raillijn is later gebruikt voor een wegverbinding, de provinciale weg N445 en is door de jaren heen min of meer een onderdeel van het landschap gaan vormen. De tracés van de rijksweg A4 en de HSL zijn later over de oude structuur heen gelegd en vertonen daarmee geen enkele visuele relatie. De laatste jaren is de kern Rijpwetering uitgebreid ten zuiden van de Oud Adeselaan.
In de jaren '80 van de vorige eeuw heeft hier de laatste uitbreiding van de kern plaatsgevonden, welke de huidige zuidelijke afronding van Rijpwetering vormt.
12
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
2.2
Ruimtelijke structuur
Het plangebied betreft een stuk weiland dat aan de kern van Rijpwetering grenst nabij de bestaande woningbouw. Met de ontwikkeling van 30 woningen wordt het plangebied onderdeel van de kern Rijpwetering. Derhalve wordt in deze paragraaf zowel de ruimtelijke structuur van het plangebied als de ruimtelijk structuur van de kern Rijpwetering toegelicht.
2.2.1
Structuur plangebied
Het plangebied is gelegen in een waterrijk gebied dat deel uitmaakt van het Hollands Plassengebied en dat is gesitueerd in het Groene Hart van de Randstad. De bodem van veen heeft in dit gebied de verschijningsvorm van de plassen, droogmakerijen, de weilanden en de dorpen in grote mate bepaald. Langs de veenstromen zijn de dorpen Rijpwetering en Oud Ade ontstaan. Daartussen zijn veenpolders met een onregelmatige slagenverkaveling tot stand gekomen. De veenpolders zijn open tot tamelijk open van karakter met daarin verspreid liggende boerderijen, voorzien van een zware erfbeplanting. Molens en de kerktorens van Oude Ade en Rijpwetering zijn in dit open veenweidegebied opvallende oriëntatiepunten. Overige relatief recent ontstane structuurbepalende elementen zijn de A4/HSL en de N445, die de oorspronkelijke landschappelijke patronen doorsnijden, het lintdorp Rijpwetering, gesitueerd langs de rand van het plangebied en het bos in het zuiden van het plangebied.
2.2.2
Structuur kern Rijpwetering
Het oude dorpslint van Rijpwetering ligt op een smalle strook bovenland te midden van diepe droogmakerijen en een deel onvergraven veengebied aan de noordwest- en zuidwestzijde. Pas recentelijk heeft aan de noordwestkant uitgroei van het dorp in een laaggelegen polder plaatsgevonden. De hooggelegen rug bestaat aan de noordkant (vanaf de Koppoel tot aan het gemaal) uit een doorgaand tweezijdig bebouwingslint, waarvan het westelijk deel mede ontsloten wordt door een hooggelegen achterweg. Aan de oostkant loopt het bebouwingslint van oudsher ver zuidwaarts door. Door de aanleg van de A4 is in dit oostelijke lint een breuk ontstaan. Het deel ten noorden van de rijksweg manifesteert zich als dorpsgebied, terwijl het deel ten zuiden van de rijksweg (buiten het plangebied) als gevolg van de opgetreden breuk zich voordoet als buitengebied. Rijpwetering heeft een open relatie met de omgeving. Diverse straten bieden een visuele verbinding met onder meer Oud Ade, Roelofarendsveen en Hoogmade. Rijpwetering wordt aan alle zijden omgeven door een open weidegebied. Alleen aan de noordkant bestaat een verbinding met het waterstelsel rond de diverse polders (de Koppoel). Het omringende polderlandschap heeft, met name aan de westkant, een hoge kwaliteit.
Aan de oostzijde is sprake van enige visuele verstoring als gevolg van de rijksweg A4, de HSL en het glastuinbouwgebied ten zuiden van Roelofarendsveen. De ruimtelijke structuur van de dorpskern wordt bepaald door de oude lintstructuur met zijn karakteristieke profiel, van west naar oost bestaande uit een achterpad, bouwsteden, wetering, rijweg, lintbebouwing en ringwater. Vanaf de Ripselaan wordt de entree van Rijpwetering ervaren als een echte dorpsentree. Dit komt door de plaatsing van de bebouwing en daarmee de locatie van de rooilijnen en het verloop van de weg. De entree vanaf Oud Ade is daarentegen hard. Het landschap houdt hier aan de zuidzijde rigide op. Aan de noordzijde is daarentegen juist sprake van een vertroebeling van het landschap door het aanwezige sportpark.
(vastgesteld)
13
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering De kern Rijpwetering heeft een zeer waardevolle historische ruggengraat. Deze bestaat uit de wetering en de begeleidende bebouwing langs de Koppoellaan, Pastoor van der Plaatstraat en de Zuidweg. Dit lint heeft een karakteristiek en asymmetrisch profiel. In het dorpse deel van het lint grofweg langs de Koppoellaan en de Pastoor van der Plaatstraat tot aan het gemaal - is ook aan de overkant van de wetering bebouwing aanwezig. In zuidelijke richting neemt de bebouwingsdichtheid verder af en ontstaat een meer open karakter. Tussen de bebouwing door zijn er fraaie doorzichten op het aangrenzende poldergebied. Het ruimtelijk beeld van het lint wordt aan de oostzijde bepaald door een aaneengesloten bebouwingslint met overwegend vrijstaande bouwmassa's. Vele panden hebben cultuurhistorische en/of beeldbepalende waarden. Het historische lint grenst aan de oostkant aan een watergang en een dijk langs het aangrenzende poldergebied. In deze zone heeft zich een gemêleerde bebouwing ontwikkeld. Deze bestaat uit recent gebouwde woningen, glastuinbouw, bedrijven etc. Deze zone heeft geen historische kwaliteiten en maakt een enigszins verrommelde indruk. De rijweg, de aangrenzende wetering en de vele in vorm variërende bruggetjes, bieden de weggebruiker een levendig beeld.
14
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
2.3
Functionele structuur
Het plangebied heeft in de bestaande situatie de enkelbestemming 'agrarisch met waarden – natuuren landschapswaarden'. De functionele structuur van het plangebied is in de huidige situatie vooral gericht op het behoud van de natuur – en landschappelijke waarden, van een agrarische functie is op een aantal schapen na niet of nauwelijks sprake. De in het plangebied aanwezige watergangen hebben een belangrijke functie voor de belevingswaarde van de achterliggende landschappen. De aanwezigheid van de voetbalvelden sv ROAC beperkt de ruimtelijke kwaliteit in de huidige situatie omdat het uitzicht beperkt wordt.
(vastgesteld)
15
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
Hoofdstuk 3 3.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Het plangebied betreft een stuk weiland en heeft een agrarische bestemming met natuur- en landschapswaarden. Het gebied grenst direct aan de bestaande kern van Rijpwetering nabij bestaande woningbouw. Verder wordt het plangebied aan de noord- en oostzijde begrenst door weilanden en aan de westzijde door de voetbalvelden van sv ROAC.
16
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
3.2
Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie worden er 30 grondgebonden woningen in een landelijk woonmilieu gerealiseerd op het plangebied. De woningen komen in een groene setting die met een bestemming Groen ook als zodanig beschermd wordt. Met deze ontwikkeling ontstaat er een nieuwe aantrekkelijke dorpsrand zonder onaantrekkelijke achterkanten aan het open landschap (hetgeen nu het geval is). Met de ontwikkeling ontstaat een geleidelijke en zachte overgang tussen enerzijds het verstedelijkte gebied en anderzijds het open landelijke gebied. Het plan gaat uit van een gedifferentieerd woningaanbod, waarmee ingespeeld wordt op de marktbehoefte in Rijpwetering. Er zullen in totaal 30 woningen gerealiseerd worden met de volgende verdeling: 2 vrijstaande woningen; 8 twee-onder-één kap woningen; 11 aaneen geschakelde woningen; 9 sociale huurwoningen. De woningen zullen hoofdzakelijk in het koopsegement vallen, met uitzondering van de 9 sociale huurwoningen die in samenwerking met MeerWonen ontwikkeld worden. Met de toevoeging van 9 sociale huurwoningen wordt voldaan aan het gemeentelijke woningbeleid inzake sociale huurwoningen in nieuwe woningbouwplannen. De woningen worden uitgevoerd met kappen. Voor alle woningen geldt een maximale goothoogte van 6,5 meter en een maximale bouwhoogte van 11 meter. Deze maximale maten worden vastgelged op de verbeelding.
Bij de vrijstaande en twee-onder-een kapwoningen wordt het parkeren op eigen terrein opgelost. De andere benodigde parkeerplaatsen worden in het openbaar gebied gerealiseerd, zowel in een parkeerkoffer (direct bij de entree de nieuwe woonwijk) als langs de ontsluitingsweg. De toekomstige situatie is op afbeelding 1 weergegeven.
(vastgesteld)
17
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
Hoofdstuk 4
Beleidskader
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. De NOVI moet Nederland voorbereiden op de grote uitdagingen die de komende jaren opgepakt moeten worden. Internationale tot lokale ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering zijn voorbeelden van deze opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, inhoudelijke keuzes kunnen in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. De NOVI moet Nederland houvast bieden om keuzes voor de leefomgeving sneller en beter te kunnen maken. De NOVI is opgesteld in het kader van de nieuwe Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking treedt.
Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. In de NOVI zijn vier landelijke prioriteiten vastgesteld, aan de hand van deze prioriteiten is een toekomstperspectief voor 2050 vastgesteld en brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. De vier prioriteiten zijn: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om dit te bereiken zijn in de NOVI 21 nationale belangen benoemd waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Planspecifiek De NOVI kent, net als de voorheen geldende SVIR (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte), een hoog abstractie niveau waardoor er op lokaal weinig directe opgaven zijn.
De vier prioriteiten zijn abstract, de 21 nationale belangen geven wel richtlijnen voor lokale projecten om een bijdrage te leveren aan de nationale doelstellingen. Deze richtlijnen zijn in principe niet allemaal bindend voor de lagere overheden. Wel zijn de belangrijkste nationale belangen juridisch geborgd in het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, paragraaf 4.1.2) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, paragraaf 4.1.3). Voorliggend plan draagt met de realisatie van 30 woningen bij aan de acute woningbehoefte, zowel lokaal als regionaal. Duurzaamheid en klimaatadaptatie krijgen daarnaast ook een steeds belangrijkere rol in ruimtelijke ontwikkelingen, zeker bij gebiedsontwikkelingen zijn hiervoor kansen. De beoogde woningbouwontwikkeling voorziet in moderne, duurzame woningen welke een bijdrage leveren aan het verduurzamen van de Nederlandse woningvoorraad. Met de beoogde groene inpassing wordt er tevens voor gezorgd dat de nieuwe woonwijk klimaatadaptief is richting de toekomst.
18
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering De woningbouwontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt past binnen de prioriteiten en de nationale belangen zoals vastgelegd in de NOVI. De NOVI vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
(vastgesteld)
19
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (inmiddels overgegaan in de NOVI) is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit besluit omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmings- en inpassingsplannen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen, inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het besluit kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. De 14 nationale belangen in het Barro zijn: 1. rijksvaarwegen; 2. mainportontwikkeling Rotterdam; 3. kustfundament; 4. grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. defensie; 7. hoofdwegen en hoofdspoorwegen; 8. elektriciteitsvoorziening; 9. buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. ecologische hoofdstructuur; 11. primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan (vervalt binnenkort formeel); Het Barro omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmings- en inpassingsplannen.
Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen, inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Het merendeel van de regels in het Barro legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Planspecifiek Het Barro bevat geen verplichtingen voor het plangebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft. Het Barro vormt derhalve geen belemmering voor het bestemmingsplan.
20
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
4.1.3
Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
Het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de Ladder voor duurzame verstedelijking verankerd (zie artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt gestreefd naar een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele projecten. Het tweede lid van artikel 3.1.6. van het Bro omvat de Ladder voor duurzame verstedelijking en luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
Dit hangt echter wel af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving." Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is nader gespecificeerd in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie ABRvS van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421). De Afdeling noemt in de uitspraak de uitgangspunten die zij hanteert voor de beoordeling of een voorziene ontwikkeling voldoende substantieel is om als stedelijke ontwikkeling te kunnen gelden. Op 28 juni 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een overzichtsuitspraak gedaan over de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie ABRvS van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Ook hier is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader gespecificeerd. Indien het om een woningbouwlocatie gaat, geldt het volgende uitgangspunt: "Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt." Planspecifiek De ontwikkeling van 30 woningen dient te worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking moet voor onderhavige ontwikkeling doorlopen worden.
Hierbij moet de behoefte van de ontwikkeling onderbouwd worden en er moet gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Behoefte woningbouwontwikkeling Onderzoeksbureau Rebel heeft de marktbehoefte voor grondgebonden woningen in Rijpwetering onderzocht ten behoeve van de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk Straathof. In dit onderzoek is tevens de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. In dit bestemmingsplan wordt deze onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking overgenomen. De resultaten van het onderzoek van Rebel zijn uitgewerkt in een rapportage. Dit volledige rapportage is te vinden in bijlage 1 van de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. Uit het bovengenoemde onderzoek van Rebel is gebleken dat er een grote marktbehoefte is aan woningen in het woonmilieu landelijk wonen en aan grondgebonden woningen in Rijpwetering. Daarnaast is in het onderzoek gesteld dat onderhavige ontwikkeling invulling geeft aan het beleid van de gemeente Kaag en Braasem. Dit beleid richt zich op de doelgroepen in Rijpwetering die niet of moeilijk een woning kunnen vinden, namelijk starters, senioren, middeninkomens en sociale huurders. De realisatie van sociale huur-/koopwoningen en verschillende type grondgebonden woningen zijn daarmee passend.
Tevens is de gemeente voornemens om het groene karakter van het dorp in stand te houden. De ontwikkeling van Straathof speelt in op deze beleidsaspecten. Straathof betreft een kleinschalige vraag gestuurde ontwikkeling waarbij het groene karakter van het dorp behouden blijft.
(vastgesteld)
21
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering Niet in bestaand stedelijk gebied In het onderzoek is tevens gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Het aantal locaties met woonmilieu landelijk wonen in de gemeente Kaag en Braassem is zeer beperkt. Locaties binnen stedelijk gebied die aan die kwalitatieve eis voldoen, kennen een beperking door het huidig gebruik. Woningontwikkeling op deze locaties is daarmee niet haalbaar. De locatie van Straathof Rijpwetering sluit aan op de ruimtelijke structuur van het dorp, waarmee aansluitend aan het dorp de vraag naar grondgebonden woningen in het woonmilieu landelijk wonen kan worden ingevuld De ladder voor duurzame verstedelijking is succesvol doorlopen. Onderhavig planinitiatief past binnen de wetgeving van het Bro.
22
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
Het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie is op 1 april 2023 geactualiseerd vastgesteld door de provincie Zuid-Holland in het kader van de Omgevingswet die in 2024 in werking treedt. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. De provincie stelt in het document 'inleiding' dat onderdeel is van de Omgevingsvisie, de visie, ambities en opgaven voor de provincie. Het omvat 6 richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: 1. Naar een klimaatbestendige delta; 2. Naar een nieuwe economie: the next level; 3. Naar een levendige meerkernige metropool; 4. Energievernieuwing; 5. Best bereikbare provincie; 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Naast de 6 ambities benoemt de provincie 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' in de Omgevingsvisie die vanuit provinciaal belang zijn ontwikkeld. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners.
De 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' zijn als volgt: Landschap en cultuurhistorie; Gezondheid en veiligheid; Natuur en recreatie; Ruimte en verstedelijking; Wonen; Bodem en ondergrond; Cultuurparticipatie en bibliotheken; Klimaatadaptie; Zoetwater en drinkwater; Bereikbaarheid; Regionale economie; Energievoorziening. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Voorliggend bestemmingsplan heeft met name een relatie tot de opgaven 'Ruimte en verstedelijking' en 'Wonen'. De woonopgave binnen Zuid-Holland In de omgevingsvisie is opgenomen dat de provincie op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, voorziet in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied, tenzij er specifieke argumenten zijn waarom hiervan afgeweken wordt.
Onderdeel van deze afwijking dient in ieder geval het succesvol doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking te zijn, zoals reeds toegelicht in paragraaf 4.1.3. Binnen bestaand stedelijk gebied kan niet worden voorzien in de behoefte van de gemeente Kaag en Braassem aan grondgebonden woningen in het woonmilieu landelijk wonen. In de kern Rijpwetering is er een grote marktbehoefte naar deze woningen. Het aantal locaties binnen bestaand stedelijk gebied binnen het landelijk woonmilieu is zeer beperkt en woningbouw ter plekke is niet haalbaar vanwege het huidige gebruik. Op onderhavig plangebied kan aansluitend aan de ruimtelijke structuur van Rijpwetering worden voorzien in de grote marktbehoefte. Met het onderzoek van onderzoeksbureau Rebel (Bijlage 1) zijn bovengenoemde specifieke argumenten verder onderbouwd.
(vastgesteld)
23
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. De ruimtelijke impact bepaald ook in hoeverre een uitgebreide onderbouwing middels de kwaliteitskaart wenselijk is. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: 1. De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meerdere of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. 2.
Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonderder of kwetsbaar is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten.
Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Planspecifiek De ontwikkeling binnen het plangebied wordt getypeerd als een transformatie. Het betreft immers het herbestemmen en omzetten van een bestaand weiland tot woningbouwgebied. De onderwerpen 'landschap en cultuurhistorie', 'ruimte en verstedelijking' en 'wonen' zijn relevant voor onderhavig planinitiatief. De provincie Zuid-Holland wil beschermde landschappen in stand houden. Het plangebied heeft de beschermingscategorie 2 aangewezen gekregen, aangezien het gebied als belangrijk weidevogelgebied en als groene buffer wordt gezien.
Er is hier sprake van transformatie van weidevogelgebied en groene buffer. Alleen in uitzonderingssituaties zijn binnen deze gebieden ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Om aan te tonen dat er in onderhavige situatie sprake is van een uitzonderingssituatie is er een aanvullend weidevogelonderzoek opgesteld dat in Bijlage 2 bij de toelichting is gevoegd. Het verlies van areaal belangrijk weidevogelgebied zal gecompenseerd worden. Hiervoor wordt een compensatieplan opgesteld, dat moet worden goedgekeurd door de provincie. Het compensatieplan, alsmede de juridische zekerheid dat het weidevogelgebied gecompenseerd wordt, zal onderdeel zijn van de bestemmingsplanprocedure. Het provinciale belang 'Weidevogelgebied' is daarmee in voldoende mate geborgd. De Omgevingsverordening heeft nadere eisen gesteld aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en het in stand houden van de ruimtelijke kwaliteit. Deze nadere eisen worden in paragraaf 4.2.2 nader
24
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering besproken. Over ruimte en verstedelijking stelt de Omgevingsvisie dat de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De Ladder is doorlopen in paragraaf 4.1.3. Over wonen stelt de provincie de opgave om een fors aantal woningen te realiseren. Dit planinitiatief speelt in op deze opgave met de realisatie van 31 grondgebonden woningen.
4.2.1.1 Kwaliteitskaart De provincie Zuid - Holland stelt het doorlopen van de kwaliteitskaart als één van de eisen voor ruimtelijke ontwikkelingen, zeker daar waar het gaat om transformatie. De specifieke locatie van onderhavig plangebied maakt het noodzakelijk de gewenste ontwikkeling te toetsen aan de verschillende lagen van de kwaliteitskaart. 1. Laag van de ondergrond Het plangebied valt binnen de laag van de ondergrond binnen de categorie 'Bijzonder reliëf en aardkundige waarden'. Binnen deze categorie is het van belang dat ontwikkelingen rekening houden met de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De herkenbare waterstructuren in het plangebied blijven behouden het plangebied krijgt een groene uitstraling. In de huidige situatie wordt de kwaliteit van het plangebied, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het naastgelegen open perceel, reeds beperkt door de aanwezigheid van de voetbalvereniging. Met de ontwikkeling worden geen cruciale zichtlijnen dichtgezet. Op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart kan geconcludeerd worden dat het plangebied geen hoge archeologische waarde heeft, deze kunnen derhalve dus ook niet nader geaccentueerd worden.
Afbeelding 5: Behoud belangrijke zichtlijnen (l) en behoud kenmerkende structuren (r) (bron: planboek initiatiefnemer) 2. Laag van de cultuur - en natuurlandschappen Het plangebied valt binnen de laag van de cultuur - en natuurlandschappen binnen de categorie 'Droogmakerijen (veen)' . Belangrijk binnen deze categorie is het behoud van het verkavelingspatroon waarbij lengtesloten beeldbepalend zijn. Aanvullend geldt dat de weidsheid van de poldereenheden behouden dienen te blijven en dat nieuwe bebouwing geplaatst wordt binnen de bestaande structuren/ linten. Zoals is weer gegeven op bovenstaande afbeelding blijven de essentiële structuren behouden die zo kenmerkend zijn voor de polders. Belangrijk is dat het weidse karakter behouden blijft, onderhavig plangebied is daarmee de enige locatie waar het noodzakelijke en gewenste woningbouwprogramma gerealiseerd kan worden. De aanwezigheid van de voetbalvereniging heeft de weidsheid van het plangebied al aangetast, door op deze locatie zorgvuldig verder te bouwen zorgt dat ervoor dat (bijvoorbeeld) de noordelijke percelen hun onaangetaste kwaliteit kunnen behouden.
(vastgesteld)
25
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering 3. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied valt binnen de laag van de stedelijke occupatie binnen de categorie 'Stads - en dorpsranden'. De stads - en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, waarmee expliciet wordt gesteld dat woningbouw onder voorwaarden mogelijk is. Belangrijk bij de ontwikkeling van de dorpsrand is dat er een natuurlijke overgang tussen bebouwd en landelijk gebied ontstaat. Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. In onderhavige situatie blijft het bestaande verkavelingspatroon gehandhaafd en wordt de herkenbare waterstructuur tussen verschillende kavels nader geaccentueerd. 4. Laag van de beleving Het plangebied valt binnen de laag van beleving binnen de categorie 'Groene buffers'. De groene buffer is een niet verstedelijkt landschap van relatief beperkte omvang tussen of grenzend aan de steden. De bufferende werking hiervan is van grote waarde. De kwaliteit “niet-verstedelijkt gebied" of luwte blijft behouden of wordt waar mogelijk versterkt met het beoogde landelijke woonmilieu. In de groene buffers vinden geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen plaats.
Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. Onderhavige ontwikkeling sluit niet volledig aan op de doelstellingen binnen de groene buffer. De realisatie van 30 grondgebonden woningen is op basis van de landelijke woningbouwtekorten kleinschalig te noemen. De gemeente Kaag en Braasem is van mening dat de belangen voor woningbouw en de toekomst van Rijpwetering voor gaan ten opzichte van de doelstellingen in de groene buffer. Bovendien is het plangebied de enige locatie in Rijpwetering waar het noodzakelijke woningbouwprogramma ingepast kan worden. Met het onderzoek opgenomen in Bijlage 1 is dit ook onderbouwd. Alhoewel de ontwikkeling niet direct aansluit van de doelstelling in de groene buffer zijn zowel de gemeente als de ontwikkelaar bereid de ontwikkeling op de meest wenselijke manier in de passen, hetgeen ook mogelijk is ter plaatse van het de 'Stads- en dorpsrand' zoals toegelicht onder sub 3 in deze paragraaf.
26
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
4.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
De Omgevingsverordening Zuid-Holland is geactualiseerd en vastgesteld door de Provinciale Staten van Zuid-Holland en op 1 april 2023 in werking getreden. De omgevingsverordening vormt het juridische fundament van de Omgevingsvisie. De inhoud van de Omgevingsvisie is daarbij voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. Voor onderhavige ontwikkeling zijn met name de bepalingen rondom 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' in de omgevingsverordening relevant. Deze bepalingen zijn vastgelegd in artikelen 6.9 (Ruimtelijke Kwaliteit) en 6.10 (stedelijke ontwikkelingen). Onderdeel van artikel 6.9 is ook de zogenaamde 'beschermingscategorie 2 Groene Buffers en belangrijk weidevogelgebied'. Ten slotte is ook artikel 6.35 waarin ingegaan wordt op de risico's van klimaatverandering relevant. Onderstaand worden de relevante onderdelen van deze artikelen nader toegelicht. Ruimtelijke kwaliteit Artikel 6.9 (Ruimtelijke Kwaliteit) Artikel 6.9 is met name relevant vanwege de eerder genoemde ligging van het plangebied deels binnen de aanduiding 'stads- en dorpsrand' en de groene buffer In artikel 6.9 van de provinciale Omgevingsverordening staat: 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door c. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en d. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; 2. niet relevant; 3. Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn: a.
de aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; wegnemen van verharding; toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen. De Omgevingsverordening stelt in artikel 6.9 bepalingen over de ruimtelijke kwaliteit. Aangezien het plangebied onder beschermingscategorie 2 valt, is transformatie zoals gesteld in artikel 6.9, lid 1 onder c niet zonder expliciete toestemming van de provincie toegestaan. Wel kan het bevoegd gezag gemotiveerd afwijken van bovengestelde bepaling. In paragraaf 4.2.1.1 is reeds toegelicht dat de noodzaak voor een woningbouwprogramma zwaar weegt voor de gemeente Kaag en Braassem. Naast de behoefte dient ook aangetoond te worden dat voldaan wordt aan zowel de ruimtelijke kwaliteitseisen als de gevolgen voor het weidevogelgebied. In voorgaande paragrafen is reeds beschreven op welke wijze hieraan voldaan kan worden. Artikel 6.9c Beschermingscategorie 2 - Belangrijk weidevogelgebied Een bestemmingsplan voor een locatie binnen belangrijk weidevogelgebied waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan slechts voorzien in een ruimtelijke
(vastgesteld)
27
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen als bedoeld artikel 6.9, zevende lid, geen significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor b. de factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding met relatief hoge grondwaterstanden, de landschapsstructuur en de rust van het gebied. Omdat de ontwikkeling plaatsvindt binnen het aangewezen weidevogelgebied is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 2. Op basis van dit onderzoek is gebleken dat een negatief effect op de weidevogels niet uitgesloten is. Op basis van deze conclusie dient een compensatieplan opgesteld te worden. Voorgesteld wordt om in samenspraak met de provincie het op ca. 550 meter liggende Natuurnetwerk Nederland gebied uit te breiden, dan wel een financiële compensatie te storen in het Nationaal Groenfonds. De precieze invulling van de verplichte compensatie zal lopende het proces van vaststellen van dit bestemmingsplan verder worden uitgewerkt in samenwerking met alle partijen (gemeente, provincie en initiatiefnemer).
Wanneer rekening gehouden wordt met deze compensatieverplichting kan het bestemmingsplan in overeenstemming met de provinciale Omgevingsverordening worden vastgesteld.
Artikel 6.9d Beschermingscategorie 2 - Groene buffers Een bestemmingsplan voor een locatie binnen groene buffers waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; b. de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; c. de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; d. de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. In overleg met de provincie, de gemeente en de initiatiefnemer kan een zo optimaal mogelijk landschapsinrichtingsplan ontwikkeld worden. Wanneer dit in samenspraak ontwikkeld wordt kan het bestemmingsplan in lijn met de provinciale Omgevingsverordening vastgesteld worden. Stedelijke ontwikkeling Artikel 6.10 (stedelijke ontwikkeling) Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. c. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie d. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel
28
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied is passend binnen artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. De Ladder voor duurzame verstedelijking kan positief doorlopen worden, zoals onderbouwd in 4.1.3 en Bijlage 1. Bovendien is de locatie niet groter dan 3 hectare waardoor lid b niet van toepassing is op het ontwikkeling binnen voorliggend bestemmingsplan.
Klimaatadaptatie Artikel 6.35 (risico's van klimaatverandering) In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte Voorliggend bestemmingsplan en het daarmee mogelijk gemaakte bouwplan zijn ingericht op een duurzame en klimaatadaptieve toekomst. De nieuwe woonwijk voorziet in voldoende watercompensatie en groenvoorzieningen, hiermee wordt hittestress en droogte voorkomen. De nieuwe woonwijk moet klimaatadaptief worden. Op deze manier kan het woongebied ook in het geval van een piek het water goed verwerken. Duurzaamheids- en klimaatadaptieve maatregelen zullen in het verdere ontwerpproces verwerkt worden zodat voldaan kan worden aan de toekomstige eisen van klimaatadaptatie. Wanneer rekening wordt gehouden met deze klimaatadaptieve eisen kan het bestemmingsplan in lijn met de provinciale Omgevingsverordening vastgesteld worden.
(vastgesteld)
29
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
4.2.3
Gebiedsprofiel 'Hollandse Plassen'
Het plangebied is gelegen in het gebiedsprofiel 'Hollandse Plassen'. In Zuid-Holland zijn 16 gebiedsprofielen te onderscheiden. Een gebiedsprofiel beschrijft en visualiseert kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn. In overleg met de regio en de gemeenten zijn de kernkwaliteiten uit de kwaliteitskaart uitgewerkt in het gebiedsprofiel. Het profiel is een gezamenlijk vertrekpunt ten aanzien van de karakteristiek, de ruimtelijke kwaliteit en de ambitie voor dit specifieke gebied. Het profiel verbeeldt en beschrijft wat wordt verstaan onder ‘ruimtelijke kwaliteit’, welke elementen aan die kwaliteit ten grondslag liggen in relatie tot de kwaliteitskaart en hoe sturing gegeven kan worden aan behoud en ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit. Het Hollands Plassengebied is gelegen in het noordwesten van het Groene Hart tussen binnenduinrand, Oude Rijn, Meije, Kromme Mijdrecht en de Haarlemmermeerpolder. Het profiel kenmerkt zich door de combinatie van de hoge ligging van het boezemwater ten opzichte van de lagere omringende polders, het grote aantal molens en het vele water. Het profiel staat voor de ultieme ‘Nederland Waterland’-ervaring: het besef dat je onder de zeespiegel staat. Van grote betekenis voor dit typisch Hollandse open landschap is de ontginning van de veenbodem en het daaraan gekoppelde watersysteem.
De plassen, weilanden, droogmakerijen en zelfs de dorpen hebben hun verschijningsvorm te danken aan het (al dan niet afgegraven) veen. Het Hollands Plassengebied heeft een ‘luw’ karakter ten opzichte van de haar omringende stedelijke omgeving. Het gebiedsprofiel 'Hollandse Plassen' is voornamelijk opgesteld om bij ontwikkelingen sturing te geven op kwaliteit. Planspecifiek Het plangebied ligt binnen de grenzen van het gebiedsprofiel 'Hollandse Plassen'. De provincie streeft met de gebiedsprofielen naar het behoud en versterken van de bestaande kwaliteiten van Zuid Holland. De gebiedsprofielen zoomen in op verschillende doelstellingen zoals identiteitsdragers, water en kwaliteit in stads - en dorpsgebieden. De kern Rijpwetering heeft een rijke historie als voormalig veengebied en de oude verkavelingspatronen zijn hieraan nog te herkennen. Bij ontwikkelingen in droogmakerijen wordt rekening gehouden met de bestaande polderentiteit, openheid, kavelrichting en de kenmerken waterstructuren. Zoals reeds toegelicht in 4.2.1.1 is onderhavig planlocatie de plek voor een landelijke woningbouwprogramma in Rijpwetering. De ontwikkeling wordt op een zo respectvol mogelijke manier ingepast waarmee de kenmerkende structuren behouden blijven.
Aanvullende woningbouw is ook voor de provincie Zuid - Holland van essentieel belang, nieuwe woningen zullen er hoe dan ook moeten komen om de kern Rijpwetering leefbaar te houden. Onderhavige locatie ligt reeds tegen een bebouwde kern aan, derhalve hoeft er geen onnodige aantasting plaats te vinden van locaties met hogere landschappelijke kwaliteit in en rondom Rijpwetering.
30
(vastgesteld)
bestemmingsplan Straathof Rijpwetering
4.2.4
Energieakkoord Holland Rijnland
De gemeenten in de regio Holland Rijnland hebben een gemeenschappelijke ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn. De verschillende gemeenten verwachten dat zij door regionale inzet op energiebesparing, duurzame energieopwekking, het faciliteren van de warmtetransitie en innovatie, een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan deze ambitie. Binnen de regio Holland Rijnland hebben meerdere gemeenten hun ambities en doelstellingen rondom energie uitgesproken, meestal als onderdeel van een bredere Duurzaamheidsagenda. De veertien aangesloten gemeenten voeren lokaal al diverse projecten uit. Voor veel van die projecten ligt de kracht in de lokale aanpak. Voor een aantal ontwikkelingen is echter een regionale aanpak noodzakelijk of efficiënter. De inpassing van energieopwekking in het landschap vraagt om een regionale visie. Alleen dan houden we het landschap mooi en open. Door activiteiten regionaal te organiseren, kunnen er schaalvoordelen worden behaald, trajecten worden versneld en kan er meer impact gerealiseerd worden. Dit bereiken de veertien gemeenten alleen in samenwerking met de provincie Zuid-Holland, de omgevingsdiensten en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Samen werken zij aan een regionaal uitvoeringsprogramma dat de energietransitie op regionaal niveau in Holland Rijnland moet versnellen.