Bestemmingsplan Noordeinde 62a en 62b Roelofarendsveen Reparatieplan-620.160.10-VAST01 Totaal.pdf
Tekst van het document
‘Eindbeeldplanning’ wordt vervangen door ‘ontwikkelingsplanologie’. Vier rode draden De Visie ruimte en mobiliteit biedt dus geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De visie geeft zekerheid over een mobiliteitsnetwerk dat op orde is en de reiziger en de vervoerder keuzevrijheid biedt, en bevat voldoende flexibiliteit om in de ruimtelijke ontwikkeling te reageren op maatschappelijke initiatieven. Dat geeft houvast voor andere ruimtelijke plannen en voor investeringen in ruimte en netwerk. Het geeft ook duidelijkheid over de randvoorwaarden die de provincie daaraan stelt. Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie: 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is, 2. vergroten van de agglomeratiekracht, 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Voor dit project zijn mede gelet op de omvang van het project en de locatie punt 1 en 3 van belang. Onderstaand wordt op deze rode draden ingegaan. Tevens wordt bij elk onderdeel aangegeven hoe binnen het project rekening wordt gehouden met de gestelde ambities. Ad 1: Beter benutten en opwaarderen Zowel de ruimte als het publieke investeringskapitaal is schaars.
Daarnaast is de maatschappelijke en economische vraag naar woon- en werkmilieus veranderd. In zo'n situatie ligt het voor de hand om niet meteen de toevlucht te nemen tot nieuwe stedelijke uitbreidingen of nieuwe natuur- en recreatiegebieden, als zich in vervolg op bestaande investeringsprogramma's nieuwe opgaven aandienen. Beter is om eerst te kijken naar wat er al is, en of dat beter benut of opgewaardeerd kan worden. Relatie tot project De beoogde ontwikkeling gaat uit van de realisatie van een twee-onder-één-kapwoning in het bestaande lint. De projectlocatie is derhalve gelegen binnen de bebouwde ruimte (zie figuur 3.1).
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 15
figuur 3.1 Aanduiding bebouwde ruimte (https://ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl/VRM, geraadpleegd d.d. 12-9-2018) Door de percelen achter Noordeinde 60 en 62 op deze manier in te vullen, worden bestaande mogelijkheden benut en vindt geen extra ruimtebeslag plaats op het landelijk gebied. Ad 3: Verbeteren van ruimtelijke kwaliteit In Zuid-Holland, dat zich onderscheidt door het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Naar zijn aard raakt ruimtelijke kwaliteit zowel alle ruimtelijke ontwikkelingen als de overige rode draden. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van de rode draad ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag.
Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plekgebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie. Nu de ruimtelijke ontwikkeling sterker wordt bepaald door maatschappelijke, veelal kleinschalige initiatieven, is een gedeeld beeld van de ruimtelijke kwaliteit op regionale schaal van belang. De provincie stelt met het handelingskader ruimtelijke kwaliteit spelregels vast die het bovenlokale, algemene belang borgen en heeft samen met partijen in de regio een kwaliteitsbeeld voor het betreffende gebied geformuleerd (de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit). Binnen deze spelregels en met dit gedeelde kwaliteitsbeeld is er ruimte voor maatwerk om te komen tot de best mogelijke oplossing voor de gestelde opgave. In haar eigen projecten geeft de provincie ruimtelijke kwaliteit een centrale plek. Ze kiest voor een integrale benaderingswijze en het combineren van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde vanaf de start van haar projecten. Relatie tot het project De provincie beschikt al enige tijd over een kwaliteitskaart die de kwaliteitsambities van de Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 1 6
provincie toont. De geactualiseerde vorm is onderdeel van de VRM. De kwaliteitskaart in relatie tot voorliggend principeverzoek wordt in subparagraaf 3.2.2 verder besproken. 3.2.2 Kwaliteitskaart Zoals eerder aangegeven beschikt de provincie al enige tijd over een kwaliteitskaart. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De uitwerking hiervan op kaart is niet uitputtend, noch uitsluitend. De kaart biedt hiermee geen oplossingen, maar is een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. De kaart biedt inzicht in de bestaande ruimtelijke kwaliteiten; het toevoegen van nieuwe kwaliteiten kan een verrijking zijn van de Zuid-Hollandse ruimte. Zuid-Holland bestaat uit een scala aan gebieden en kenmerken. Om de verschillende waarden en kenmerken te kunnen benoemen en tot hun recht te laten komen, is gekozen voor een ordening in vier lagen: 1. Laag van de ondergrond 2. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen 3.
Laag van de stedelijke occupatie 4. Laag van de beleving Voor iedere plek is een aantal lagen van toepassing. Het is dan ook van belang die lagen en de bijbehorende richtpunten in samenhang te beschouwen. Kwaliteitskaart en richtpunten vormen een belangrijk en richtinggevend onderdeel van het handelingskader ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getypeerd als inpassing, aanpassing of transformatie. 3.2.2.1 Toetsing kwaliteitskaart Inpassing, aanpassing of transformatie Het project maakt de realisatie van twee woningen binnen bestaand bebouwd gebied mogelijk. De locatie is gelegen in een gebied waar woningbouw aanwezig is en de woningen worden gesitueerd op de percelen achter Noordeinde 60 en 62. Een dergelijk ontwikkelproject kan worden getypeerd als inpassing: dat betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied, een toevoeging van een woning in een lint of de opknapbeurt van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit.
Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten. Kaartlagen Op het plangebied is een viertal kaartlagen van toepassing. Het gaat om de laag van de ondergrond, de laag van cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving. Binnen de lagen is sprake van verschillende onderdelen en bijbehorende richtpunten. Onderstaande afbeelding bevat een uitsnede van de interactieve kaart van provincie Zuid-Holland, waarop is te zien welke lagen van de kwaliteitskaart van toepassing zijn. Laag van de ondergrond Deze laag gaat over de grondslag van de provincie en natuurlijke (landschapsvormende) processen. De laag bestaat uit de bodem, de geomorfologische kenmerken en het water.
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 17
Binnen Zuid-Holland is daarbij grofweg een driedeling te maken tussen het complex van de kust (strand, duinen, strandwallen en strandvlakten), de natte veengronden en plassen ten oosten hiervan en de kleicomplexen en wateren van de delta. Onderstaande afbeelding bevat een uitsnede van kaartlaag I Laag van de ondergrond. De projectlocatie is globaal omkaderd in het rood.
figuur 3.2 Kaart I Laag van de ondergrond (bron: https://ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl/VRM, geraadpleegd d.d. 12-9-2018) Binnen het plangebied zijn de volgende onderdelen van belang: 1. Veencomplex 2. Water als structuurdrager Veencomplex Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. Richtpunt: Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Water als structuurdrager Het watersysteem beslaat zowel het oppervlakte- als het grondwater en is daarmee zeer bepalend voor het functioneren van de provincie in al haar facetten. Daarmee is het watersysteem ook medebepalend voor de ruimtelijke kwaliteit en vormt het een structuurdrager van de Zuid-Hollandse identiteit. Het water in Zuid-Holland kent vele verschijningsvormen: grote rivieren, deltawateren, (boezem)vaarten, kanalen, veenstroompjes, sloten en plassen. Dit water vertelt veel over de geschiedenis van Zuid-Holland en de kunde op het gebied van waterbeheersing. Wonen of recreëren op of langs dit water is een waarde voor veel inwoners en bezoekers. Over de belangrijkste vaarwegen worden mensen en goederen vervoerd.
Ook natuurwaarden hangen nauw samen met de kwaliteit en kwantiteit van water. Richtpunten: Ontwikkelingen houden rekening met hun invloed op het watersysteem als geheel en dragen bij aan een duurzame en zo eenvoudig mogelijke werking van dit systeem. Ontwikkelingen versterken de samenhang en continuïteit in het watersysteem als dragende ecologische en recreatieve structuur van Zuid-Holland. Ruimte voor natuurlijke dynamiek is hierbij een uitgangspunt. Ontwikkelingen dragen bij aan het verbeteren van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater.
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 18
Toetsing Het projectgebied is niet gelegen in een veenpakket. Dit betekent dat het richtpunt ten aanzien van het veencomplex op dit project niet van toepassing is. Voor 'water als structuurdrager' geldt dat dit onderdeel behandeld wordt in paragraaf 4.4 van voorliggend principeverzoek. Deze paragraaf behandelt de watertoets, waarbij wordt aangegeven wat de invloed van het project is op het watersysteem. Laag van cultuur- en natuurlandschappen De laag van cultuur- en natuurlandschappen weergeeft welke landschappelijke waarden van toepassing zijn binnen het plangebied. Onderstaande afbeelding bevat een uitsnede van kaartlaag II Laag van cultuur- en natuurlandschappen. De projectlocatie is globaal omkaderd in het rood.
figuur 3.3 Kaart II Laag van cultuur- en natuurlandschappen (bron: https://ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl/VRM, geraadpleegd d.d. 12-9-2018) Binnen het projectgebied zijn de volgende onderdelen van belang: Onverveende bovenlanden Linten Onverveende bovenlanden Een bovenland is een smalle strook onvergraven veengrond aan weerszijden van een veenstroom of wetering, met een scherpe overgang naar de aangrenzende droogmakerijen. Als het ware een herinnering aan het oude veenlandschap te midden van het nieuwere landschap. De bovenlanden kennen een kleinschalig en relatief besloten en groen karakter. Bebouwing en erfbeplanting bepalen het beeld net als menging van veel verschillende functies. De diversiteit en het multifunctionele karakter zijn kenmerken van de linten. Ruimtelijke verdichting is mogelijk als dit bijdraagt aan het groene karakter van de bovenlanden en geen tot nauwelijks verkeersaantrekkende werking heeft. Richtpunt: Ontwikkelingen dragen bij aan de contrasten tussen het (oude) bovenland (hooggelegen, besloten, kleinschalig karakter) en de aangrenzende droogmakerijen (laaggelegen, grootschalig, weids). Linten Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 1 9
Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Om die reden worden linten beschouwd als onderdeel van de tweede laag. Op kaart zijn zowel de linten buiten als binnen het stedelijk gebied aangegeven. De linten binnen het stedelijk gebied zijn met name opgenomen om de relatie met het lint in het buitengebied aan te geven. Er kunnen verschillende typen linten onderscheiden worden. In dit geval is sprake van een polderlint. Daarbij ligt de bebouwing op één niveau met de omgeving. Dit biedt ruimte voor plaatselijke verbreding van het profiel door differentiatie in kaveldiepte. Er liggen hier kansen voor ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Aansluiten bij de huidige korrel betekent, dat bij een lint met grootschalige bebouwing, grote loodsen of schuren inpasbaar zijn, maar bij een lint met kleinschalige bebouwing niet.
Bestaand dwarsprofiel richtinggevend betekent het in stand houden van het bestaande wegprofiel (breedte, beplanting en berm), aansluiten bij de bestaande afstand van bebouwing tot de weg, (a)symmetrie van het lint, diepte van de (bouw)kavels en dergelijke. Om het lint transparant te houden, dienen doorzichten vanaf de weg naar het achterliggende landschap intact te blijven. Respect voor historische gaafheid van het lint tenslotte, houdt in dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden wordt met cultuurhistorische kwaliteiten van zowel het lint als geheel, als van de individuele bebouwing. Bestaande linten kunnen worden verlengd met inachtneming van bovenstaande uitgangspunten voor een lint, als dit bijdraagt aan de leesbaarheid van het landschap en dit de (verdere) verdichting en verdikking van hetzelfde lint voorkomt. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit maken een verdere onderverdeling in linten en bieden een handreiking voor het omgaan met nieuwe bebouwing ter plaatse. Richtpunten: Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.
Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Toetsing Het projectgebied is niet gelegen in een bovenland. Regels of uitgangspunten ten aanzien van bovenlanden zijn dan ook niet van toepassing. De locatie is wel gelegen in een lint. Met voorliggend project wordt aan alle relevante richtpunten ten aanzien van het lint voldaan. Het betreft een kleinschalig project, bestaande uit de realisatie van een twee-onder-één-kapwoning. De woningen komen bovendien achter de bestaande woning aan het Noordeinde 62A te liggen. Het profiel, liniaire karakter en de uitstraling van het lint blijft met het project in tact. Laag van de stedelijke occupatie Zuid-Holland is een dynamisch gebied met veel steden en dorpen. Ook de bebouwde ruimte en de wijze waarop deze is ontstaan en gegroeid zijn zichtbaar geënt op de drie deltalandschappen. Dit heeft geleid tot specifieke kwaliteiten (bijvoorbeeld Den Haag als Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 20
herkenbare kuststad en Rotterdam als karakteristieke rivierstad). Het voortbouwen op de eigen identiteit van steden en dorpen, in relatie tot het landschap, zorgt voor herkenbare en onderscheidende woon- en werkmilieus. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stadsen dorpsgebied. Zo kunnen ontwikkelingen bijdragen aan versterking van levendige centra en interactiemilieus. Kaartlaag drie weergeeft het milieu van stedelijkheid. Onderstaande afbeelding bevat een uitsnede van kaartlaag III Laag van de stedelijke occupatie. De projectlocatie is globaal omkaderd in het rood.
figuur 3.4 Kaart III Laag van de stedelijke occupatie (bron: https://ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl/VRM, geraadpleegd d.d. 12-9-2018). De volgende onderdelen zijn binnen deze kaartlaag van belang: steden en dorpen stads- of dorpsrand Steden en dorpen Dorpen Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Richtpunten: Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden).
Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 21
deze tijd. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. Stads- en dorpsranden De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Op kaart vinden we de hoogwaardige en bijzondere fronten terug. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. Richtpunt: Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit.
Toetsing Met het project wordt aangesloten op de huidige structuur en uitstraling van het gebied, het betreft een gebiedseigen ontwikkeling. Er is geen sprake van een nieuwe uitbreidingswijk, echter een dergelijke wijk wordt wel aan de westzijde van het projectgebied gerealisserd (deelplan De Akkers). Er wordt een goede aansuiting tussen die nieuwbouw en het bestaande oude bebouwingslint van het Noordeinde beoogd. Het ontwerp van het project is hierop aangepast, door onder meer rekening te houden met het verschil in hoogteligging. Daarmee wordt tevens voldaan aan het gestelde richtpunt onder stads- en dorpsranden, aangezien met het project een passende overgang wordt gecreëerd tussen het oude lint en de nieuwe wijk. Van hoogbouw en bedrijventerreinen is met dit project geen sprake. Bovendien is geen sprake van een cultuurhistorisch waardevol gebouw op de betreffende percelen. Conclusie Het project is beoordeeld aan de hand van de relevante richtpunten ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Aan de richtpunten die een rol spelen op deze locatie wordt voldaan. Het project is derhalve in lijn met de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland. 3.2.3 Provinciale Verordening Ruimte (2014) De Verordening Ruimte Zuid-Holland (2014) (hierna Verordening) is vastgesteld in samenhang met de VRM en het Programma Ruimte.
De visie bevat de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid en het mobiliteitsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het ruimtelijk beleid is uitgewerkt in het Programma ruimte. De verordening is vastgesteld met het oogmerk van juridische doorwerking van een deel van het ruimtelijk beleid en bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen. De meest recente versie van de Verordening ruimte Zuid-Holland is per 29 juni 2018 geconsolideerd in werking getreden. De artikelen uit de Verordening die van belang zijn voor voorgenomen ontwikkeling, worden achtereenvolgens behandeld. Artikel 2.1.1 van de Verordening bevat de verplichting tot het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Opgemerkt dient te worden dat daar waar in de artikelen geproken wordt over een bestemmingsplan, op grond van artikel 1.2, eerste lid van de Verordening, tevens een ruimtelijke onderbouwing wordt bedoeld. De bepalingen zijn Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 22
daarom ook van toepassing indien een planologische procedure doorlopen wordt aan de hand van een omgevingsvergunning 'afwijken bestemmingsplan'. Omdat met dit principeverzoek de haalbaarheid van het project wordt gemotiveerd, is het provinciaal beleid en de verordening hier al aangehaald. Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd; b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die, i. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld, ii. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1 van toepassing is, en iii. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.
Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i.
een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevane richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Relatie met het plan Voor dit project hoeft de Ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen te worden. Er is weliswaar sprake van de realisatie van een tweetal woningen, echter deze kan niet getypeerd worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het betreft een project met een zodanig kleinschalig karakter, dat van een stedelijke ontwikkeling geen sprake is. Van een stedelijke ontwikkeling waarvoor de Ladder voor duurzame verstedelijking dient te worden doorlopen, is voor zover het gaat om woningbouw in de regel pas sprake op het moment dat meer dan 11 woningen worden gerealiseerd (zie hiertoe de uitspraak van de Raad van Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 2 3
State van 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Ook andere aspecten kunnen een rol spelen bij de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Zo kan een planologische functiewijziging al dan niet tot die conclusie leiden (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075). In voorliggend geval geldt dat het huidige bestemmingsplan de bestemming 'Woongebied uit te werken 5' toekent en het thans in ontwikkeling zijnde bestemmingsplan (Braassemerland 2018, voorontwerp) de locatie bestemd als 'Wonen'. Er is dus geen sprake van een zodanige functiewijziging dat geconcludeerd zou moeten worden dat de ontwikkeling een stedelijke ontwikkeling betreft en als gevolg daarvan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen dient te worden. Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt dat in dit geval sprake is van inpassen. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in de vorige subparagraaf aangehaald en het project is daar aan getoetst. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling voldoet aan de richtpunten, waardoor het project in lijn is met de regels uit de verordening ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Conclusie De provinciale ruimtelijke verordening vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Regionale woonagenda Holland-Rijnland Op 14 maart 2018 heeft het algemeen bestuur van de regio Holland Rijnland de nieuwe Regionale woonagenda (Woonagenda) vastgesteld. Het aantal inwoners en huishoudens in Holland Rijnland neemt nog steeds toe. Daarnaast verandert de leeftijd en samenstelling van de bevolking door vergrijzing en steeds kleinere gezinnen. Met de woonagenda willen de gemeenten het woningaanbod de komende jaren beter laten aansluiten op de behoefte in de regio Holland Rijnland en in de subregio’s Duin- en Bollenstreek, Leidse regio en Rijn- en Veenstreek. Op de eerste plaats gaat het om de ontwikkeling van kansrijke bouwlocaties (woonmilieus). Andere belangrijke opgaven zijn het voorzien in voldoende sociale huurwoningen en passende woonruimten voor bijzondere doelgroepen, waarvoor aanvullende zorg noodzakelijk is. Met de vernieuwde Regionale Woonagenda zijn gemeenten in staat hun woningbouwplannen onderling beter af te stemmen, qua bouwjaar en woonmilieu. Kwantitatieve behoefte en kwalitatieve behoefte Bij de beoordeling van de vraag of behoefte bestaat aan een bepaalde woningbouwontwikkeling wordt zowel gekeken naar kwantiteit als naar kwaliteit. De kwantitatieve behoefte gaat in op het aantal te realiseren woningen, terwijl de kwalitatieve behoefte ziet op het type woning/woonmilieu.
Kwantitatieve behoefte De kwantitatieve behoefte wordt berekend op basis van een actuele Woningbehoefteraming (WBR) en Bevolkingsprognose (BP). Uit de Woonagenda blijkt dat de harde plancapaciteit (zoals plannen op basis van (onherroepelijke) bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen of anderszins, concrete afspraken tussen verschillende overheden) de kwanitatieve behoefte tot 2019 overstijgt. Dit betekent dat er meer plannen op de stapel liggen dan strikt noodzakelijk is. Dit is echter een normale ontwikkeling bij het programmeren van woningbouw, omdat altijd sprake zal zijn van enige planuitval of vertraging.
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 2 4
figuur 3.5 Woningbehoefte en harde plancapaciteit (bron: Regionale Woonagenda Holland Rijnland). Op dit moment voorziet de harde plancapaciteit nog in onvoldoende in de behoefte op de lange termijn. De meeste plannen zijn vastgesteld voor de komende vijf jaar. Tot 2022 zijn ruim 18.700 woningen opgenomen in categorie 1, 2a en 4; circa 3.750 per jaar). Dit is voldoende om te voorzien in de behoefte op de korte termijn. Bij vertraging ontstaat echter een tekort. Voor de behoefte op de lange termijn (na 2022) zijn er nog ruim onvoldoende plannen vastgesteld. Kwalitatieve behoefte Binnen het spectrum van functies zijn er verschillende woonmilieus in de regio. Op grond van de kwaliteiten van gebieden heeft de provincie Zuid-Holland een indeling gemaakt naar woonmilieus. Onderstaand figuur maakt de verdeling in woonmilieus binnen de regio inzichtelijk. De projectlocatie ligt binnen Roelofarendsveen (rood omcirkeld) en betreft daarmee een dorps woonmilieu.
figuur 3.6 Verdeling woonmilieus regio Holland Rijnland (bron: Regionale Woonagenda Holland Rijnland) Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 25
figuur 3.7 Indicatie behoefte per woonmilieu De regio kent een palet aan woonmilieus. De behoefte van de consument spreidt zich over de verschillende woonmilieus. Inspelen op de behoefte vraagt dan ook toevoegingen in de verschillende milieus: stedelijk, suburbaan en dorps; met een bijpassend product. Daarnaast geldt op basis van de Woonagenda dat met name behoefte bestaat aan sociale woningbouw, vrije-sector huur en goedkope koop. Bij de beoordeling van de kwaliteit is tevens aandacht voor duurzaamheid, opgave wonen/zorg, bevorderen van de doorstroming en bijdrage aan mobiliteit. Relatie tot de ontwikkeling Hoewel op basis van de analyses beperkt ruimte bestaat voor nieuwe ontwikkelingen, is op de lange termijn nog altijd behoefte aan woningbouw. De projectlocatie is gelegen in subregio West en er is sprake van een dorps woonmilieu. Volgens de Woonagenda ligt het aanbod in harde plancapaciteit voor het dorps woonmilieu ver onder de vraag/behoefte. Er is vraag naar minimaal 1.040 woningen in het dorps woonmilieu, terwijl het planaanbod slechts 350 bedraagt. De toevoeging van twee woningen in dit gebied levert daarmee een bescheiden bijdrage aan het voorzien in de behoefte aan een dorps woonmilieu in subregio West. Het toevoegen van woningen in een bepaald milieu betekent ook dat dient te worden voorzien in een bijpassend product.
Twee-onderéén-kapwoningen lenen zich uitstekend voor dit milieu, zoals ook te zien is in de directe omgeving van het projectgebied. Dit woningtype komt veelvuldig voor aan het Noordeinde en overige gebieden in Roelofarendsveen. Het betekent echter ook dat in enige mate wordt afgeweken van het gestelde in de Woonagenda: het type woning en het gebied leent zich slecht voor sociale huur, goedkope koop of vrije-sector huur. In dit geval is sprake van het middensegment koop. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat reeds zicht bestaat op kopers, waardoor niet gevreesd wordt voor leegstand. Tot slot wordt opgemerkt dat de woningen gasloos worden uitgevoerd en in dat kader worden voorzien van een warmtepomp. Daarmee is de ontwikkeling ook in het kader van duurzaamheid in lijn met de Regionale Woonagenda. Overigens geldt het vorenstaande voor plannen die bestaan uit de realisatie van minimaal 10 woningen, terwijl de beoogde ontwikkeling uitgaat van de toevoeging van twee woningen. Conclusie In regio West is behoefte aan woningen in het dorpse woonmilieu. Twee-onder-één-kapwoningen passen uitstekend binnen dit woonmilieu en ook binnen de directe omgeving van de projectlocatie. Hoewel niet wordt voorzien in sociale huur, goedkope koop of vrije sector huur, kan gesteld worden dat het gebied zich uitstekend leent voor de geplande type woningen.
Met de ontwikkeling wordt derhalve een Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 2 6
bescheiden bijlage geleverd aan de (kwantitatieve) woningbehoefte in het dorpsmilieu en wordt een product gerealiseerd dat bij het dorpse woonmilieu past (kwalitatieve behoefte). De beoogde ontwikkeling is daarmee in lijn met de Regionale Woonagenda Holland Rijnland.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2025, actualisatie 2017 Op 12 december 2011 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV) vastgesteld. In 2017 heeft een actualisatie plaatsgevonden, waarbij de ambities tot 2025 zijn verwoord. Deze actualisatie is vastgesteld op 18 december 2017. De MRSV geeft aan welke ontwikkelingsrichting de gemeente de komende jaren nastreeft. Onderdeel van de MRSV voor de komende jaren is het wonen in de kernen. Gemeente Kaag en Braassem maakt een omslag van ontwikkelgemeente naar beheergemeente. De gemeente werkt nog aan nieuwe woningbouwontwikkelingen in bijvoorbeeld Roelofarendsveen en Leimuiden, maar het groeitempo zal de komende jaren lager zijn. De nadruk komt steeds meer te liggen op de ontwikkeling van kleinschalige herstructureringen binnen de bestaande woonomgeving. Om inzicht te krijgen in de lokale woningmarkt is een woningmarkt analyse uitgevoerd. De belangrijkste conclusies hieruit zijn: Onvoldoende sociale woningen voor de doelgroep; Onvoldoende passend aanbod voor senioren; Te weinig passende woningen voor starters en middeninkomens; Nieuwbouw moet aansluiten op vraag; Nieuwbouwplannen moeten aansluiten op de behoefte.
De gemeente kiest voor een leefbaar en toekomstbestendig Kaag en Braassem en concentreert daarom grootschalige woningbouw voornamelijk in de kernen waar voorzieningen zijn. Dit zijn Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge. Om de bouw te laten aansluiten bij de vraag is differentiatie in woningtypen en prijssegmenten van belang. Bovendien wil de gemeente initiatieven stimuleren voor het uitbreiden van het aanbod ‘wonen met zorg’, zoals woon-zorgcomplexen met nultredenwoningen (woningen zonder trappen) in de buurt van voorzieningen. In de overige kernen wordt kleinschalige nieuwbouw ontwikkeld als er behoefte is aan toevoeging van een woningsegment. Dit betekent dat de gemeente in die kernen alleen meewerkt aan initiatieven die kwaliteit aan de bestaande woonkern toevoegen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een kleine herstructurering of het toevoegen van een ontbrekend type woning (zoals een woongroep voor ouderen). Bij alle nieuwbouwplannen is een kwalitatieve en kwantitatieve onderbouwing van het bouwprogramma verplicht, ook in verband met regionaal en provinciaal beleid. Bij nieuwbouwprojecten geldt een norm van minimaal 30% sociale woningbouw, waarvan 25% huur en 5%koop. Voor de definitie van ‘sociale woningbouw’ hanteren we een norm van minder dan € 710,- per maand voor huurwoningen en minder dan € 185.900 vrij op naam.
(Wet bevordering eigen woningbezit; prijspeil 1 januari 2017 voor koopwoningen). Relatie tot ontwikkeling Op basis van de MRSV geldt dat nieuwbouwplannen dienen aan te sluiten op de behoefte. Hoewel de nadruk ligt op de behoefte aan sociale woningbouw, woningen voor starters en middeninkomens en een geschikt wooningaanbod voor senioren, blijkt uit de Regionale Woonagenda Holland Rijnland dat ook behoefte bestaat aan de toevoeging van woningen binnen het dorpse woonmilieu. Daarvan is in onderhavige situatie sprake. Binnen de subregio West, waar de projectlocatie onderdeel van uit maakt, geldt dat de beschikbare Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 27
plancapaciteit niet voldoet aan de vraag naar woningen in dit milieu. De realisatie van de beoogde ontwikkeling levert een bescheiden bijdrage aan de beantwoording van de vraag naar dorps wonen. De voorwaarde dat een bepaald percentage van nieuwbouwplannen dient te voorzien in sociale woningbouw, geldt alleen voor plannen vanaf 11 woningen. Voor plannen onder deze drempel kan hiervan worden afgeweken door dit af te kopen. Voorliggende ontwikkeling hoeft daarmee niet te voorzien in een percentage sociale woningbouw. Conclusie Uit paragraaf 3.3 is gebleken dat binnen de regio Holland Rijnland (meer specifiek subregio West) behoefte bestaat aan het geplande type woningbouw, namelijk passend bij het dorpse woonmilieu. De ontwikkeling sluit daarmee aan op de behoefte, waardoor voldaan wordt aan de voorwaarde voor nieuwbouw zoals gesteld in de MRSV. Gelet op het kleinschalige karakter van de ontwikkeling is het niet nodig te voorzien in een vastgesteld percentage sociale woningbouw. De beoogde ontwikkeling is in lijn met de geactualiseerde Maatschappelijke Ruimtelijke Structuurvisie uit 2017. 3.4.2 Nota Inbreidingslocaties Bij de gemeente Kaag en Braassem komen regelmatig verzoeken binnen voor het realiseren van één of meerdere woningen, een bedrijfs- of winkelgebouw of een combinatie van deze functies binnen de bestaande grenzen van de kernen.
Vanwege de beperkte uitbreidingsmogelijkheden in de dorpen zijn kleine locaties (inbreidingslocaties) van belang om in de lokale behoefte te voorzien. Op 7 februari 2011 is derhalve de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. Om voldoende houvast te bieden bij het beoordelen van initiatieven is in de Nota Inbreidingslocaties voor elk dorp een beschrijving gemaakt waarin de bestaande karakteristiek is verwoord. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De nota biedt enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op ontwikkelingen. De nota heeft betrekking op zelfstandige ontwikkelingen. Bij deze zelfstandige ontwikkelingen is sprake van sloop en nieuwbouw (transformatie) of het bebouwen van onbebouwde ruimte, niet passend binnen het geldende bestemmingsplan maar wel binnen de rode contouren van de kernen. De Nota Inbreidingslocaties is niet van toepassing op: inbreidingsinitiatieven binnen grotere ontwikkelingsgebieden; inbreidingsinitiatieven die onderdeel uitmaken van bedrijventerreinen; inbreidingsinitiatieven die onderdeel uitmaken van recreatieterreinen/jachthavens; inbreidingsinitiatieven die onderdeel uitmaken van belangrijke groenvoorzieningen.
Voor kleine initiatieven worden kant en klare ruimtelijke richtlijnen gegeven waaraan het verzoek moet voldoen. Hierbij gaat het om initiatieven van maximaal twee grondgebonden woningen die niet vallen binnen de invloedssfeer van een gemeentelijk of rijksmonument of vallen binnen de grenzen van een beschermd dorpsgezicht. Richtlijnen lint Noordeinde De Nota Inbreidingslocaties geeft aan dat woningen aan het Noordeinde te Roelofarendsveen mogen worden toegevoegd, mits wordt voldaan aan een aantal randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden zijn als volgt: Het bouwen achterop het perceel is mogelijk als de voorzijde van het perceel bebouwd is; Situering op de kavel aan de weg of achter het lint; De situering wordt afgeleid van de landschappelijke structuur; De nokrichting is haaks op of parallel aan de landschappelijke structuur; Het woningtype is vrijstaand of twee-onder-één-kap-woningen; Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 28
Het oppervlak van een perceel voor een vrijstaande woning is minimaal 300m², exclusief wateroppervlak; Het oppervlak voor een perceel van een twee-onder-één-kap woning is minimaal 200 m², exclusief wateroppervlak; De afstand tot de zijerfgrens is minimaal 3,00 meter de afstand tot de voorerfgrens is een afgeleide van de uitersten van de naastgelegen bestaande panden; De toe te voegen woningen liggen minimaal 5,00 meter achter het lint; De afstand tot de tot de achtererfgrens is minimaal 8,00 meter; De voorgevelrooilijn is een licht verspringende rooilijn, afgeleid van de uitersten van de voorgelrooilijnen van de naastgelegen bestaande panden; Minimaal 60% van de voorgevel dient in de voorgevelrooilijn te worden gerealiseerd. De gevels liggen aan de openbare ruimte. Bij voorkeur zijn er geen dichte gevels of bergingen en is het geheel representatief vormgegeven; Qua parkeren zijn er minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor wat betreft de massa geldt dat de oppervlakte van het hoofdgebouw maximaal 40% van het perceeloppervlak mag bedragen (exclusief water). Relatie tot het project Aan bovenstaande voorwaarden kan worden voldaan. Zo is de voorzijde van het perceel bebouwd, waardoor achterop het perceel bouwen mogelijk is, worden twee-onder-één-kapwoningen gerealiseerd, bedraagt de oppervlakte van het perceel meer dan 200 m2, bedraagt de afstand tot de zijerfgrens ca.
3,5 m2 en worden minimaal twee parkeerplaatsen per woning gerealiseerd. De ontwikkeling voldoet aan de richtlijnen voor het Noordeinde en is daarmee in lijn met de Nota Inbreidingslocaties. 3.4.3 Nota Vereveningsfondsen Op 17 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem ingestemd met de Nota Vereveningsfondsen. Hierin worden bestemmingsreserves sociale woningbouw en parkeren aangewezen. Doel van deze reserves is tenminste 30% sociale woningbouw te realiseren bij nieuwbouwprojecten en te voorzien in voldoende parkeervoorzieningen bij nieuwbouwontwikkelingen (niet alleen voor sociale woningbouw). Indien niet aan de gestelde normen wordt voldaan zal op basis van een overeenkomst met de initiatiefnemer van een bouwplan een bijdrage aan de betreffende bestemmingsreserve(s) worden afgesproken. Een bijdrage aan de reserve sociale woningbouw moet worden gedaan indien niet voldaan kan worden aan de gestelde norm. Deze bijdrage kan vervolgens worden ingezet bij projecten die meer sociale woningbouw realiseren dan de gestelde norm, dit alles met als doel gemiddeld 30% sociale woningbouw bij nieuwbouw projecten. De bijdrage aan de parkeer-bestemmingsreserve wordt gebruikt om in geval van nieuwbouw in de openbare ruimte ontbrekende parkeergelegenheid aan te leggen.
Relatie tot het project Aangezien in voorliggend plan geen sociale woningbouw wordt gerealiseerd, is op grond van deze nota een bijdrage verschuldigd. Dit wordt geregeld in de anterieure overeenkomst.
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 2 9
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke aspecten
Welstand
Veel gemeenten beschikken sinds begin deze eeuw over een welstandsnota. Het beoordelen van bouwaanvragen op welstand werd ooit ingesteld om te voorkomen dat bouwwerken de openbare ruimte zouden ontsieren en daarmee de ruimtelijke kwaliteit aantasten. Het individuele belang van de initiatiefnemer wordt gewogen ten opzichte van het collectieve belang. Indien gemeenten welstandsbeleid willen voeren, zijn ze sinds 2004 verplicht een welstandsnota te hebben. In de welstandsnota zijn het welstandsbeleid en de criteria waaraan getoetst beschreven. In het nieuwe welstandsbeleid van gemeente Kaag en Braassem krijgt de initiatiefnemer meer vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Doordat het grootste deel van de gemeente welstandsluw is, zal het proces van een omgevingsvergunning aanzienlijk versnellen en zullen de burgers meer vrijheid krijgen als het gaat om de verschijningsvorm van hun bouwwerken.
Om tot een bruikbaar en breed gedragen welstandsbeleid te komen is een aantal uitgangspunten geformuleerd: het aanwijzen van gebieden waar aanvragen van een omgevingsvergunning niet meer aan een welstandstoets onderhevig zijn (welstandsluwe gebieden); welstandstoets alleen voor cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden; de invoering van een excessenregeling voor de gehele gemeente; het proces en de inhoud van de welstandsbeoordeling in de nota verduidelijken zodat er meer maatschappelijk draagvlak ontstaat en initiatiefnemers te verleiden tot een hoog ambitieniveau voor wat betreft de ruimtelijke kwaliteit; het aanpassen van de opzet van de welstandsnota om zodoende een meer leesbaar en toegankelijke nota te krijgen. In de Welstandsnota van de gemeente Kaag en Braassem is een Welstandskaart opgenomen. Deze kaart geeft weer welke locaties welstandsluw zijn en voor welke locaties een welstandstoets verplicht is. Onderstaande afbeelding bevat een uitsnede van deze kaart. De projectlocatie is globaal omkaderd in het rood.
figuur 4.1 Uitsnede kaart Welstandsnota
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 3 0
Relatie tot ontwikkeling Te zien is dat de projectlocatie is gelegen binnen een welstandsluw gebied. Op enige afstand tot de projectlocatie is sprake van één of meerdere gemeentelijke monumenten. De aard van het project en de afstand tot de projectlocatie leiden tot de conclusie dat aan deze monumenten door de beoogde ontwikkeling geen afbreuk wordt gedaan.
4.2
Analyse van verkeer- en parkeeraspecten
In het kader van de herontwikkeling moet gekeken worden wat de verkeersgeneratie is, wat de parkeerbehoefte is en hoe de ontsluiting geregeld wordt om voldoende parkeerplaatsen te waarborgen en ongewenste verkeerssituaties tegen te gaan. Parkeren Berekening van de parkeercijfers en de verkeersgeneratie geschiedt conform de Nota Parkeernormen 2018 van gemeente Kaag en Braassem. Parkeernormen worden berekend op het type ontwikkeling in relatie tot het gebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In dit geval geldt dat sprake is van de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning in de rest bebouwde kom van gemeente Kaag en Braassem. De parkeerbehoefte betreft dan minimaal 1,8 en maximaal 2,6 parkeerplaatsen per woning. Binnen de ontwikkeling van de twee woningen dienen daarom minimaal 4 (3,6) en maximaal 6 (5,2) parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling voldoet hieraan, de situatietekening toont dat wordt voorzien in 4 parkeerplaatsen.
figuur 4.2 Aanduiding parkeerplaatsen (en ontsluiting) Verkeersgeneratie Om de verkeersgeneratie te berekenen, is gebruik gemaakt van de CROW-rekentool. De berekening wordt net als de parkeernormen gebaseerd op de functie in relatie tot het gebied. De volgende invoergegevens zijn gehanteerd: functie 'wonen', type 'koop, twee-onder-een-kap', rest bebouwde kom van gemeente Kaag en Braassem. Op basis van deze gegevens geldt een verkeersgeneratie van ca. 15 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag. De verkeersaantrekkende werking neemt derhalve weliswaar toe, maar het aantal verkeersbewegingen is zo laag, dat geen belemmeringen optreden in de afwikkeling van het verkeer. Ontsluiting Ontsluiting van het projectgebied gebeurt via de bestaande ontsluiting op het Noordeinde (zie figuur 4.2, aangeduid met zwarte pijl). Parkeerplaatsen worden langs de zuidelijke Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 3 1
zijerfgrens haaks gerealiseerd. Door deze opstelling blijft voldoende ruimte over om bij verdere uitwerking / detaillering van het plan zorg te kunnen dragen voor de realisatie van een veilige en overzichtelijke (enkele) in-/uitrit. Conclusie Verkeer- en parkeeraspecten zijn beschouwd. Geconcludeerd kan worden dat ten aanzien van dit aspect geen belemmeringen optreden voor de beoogde ontwikkeling.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
Het Verdrag van Valletta was geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988 en de Wet op de monumentenzorg, tot de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is een primair gemeentelijke opgave. In het proces van ruimtelijke ordening moet tijdig rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor de overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Rijk, provincies en gemeenten (laten) bepalen welke archeologische waarden bedreigd worden bij ruimtelijke plannen. Tijdens de voorbereiding van deze plannen is (vroeg)tijdig archeologisch (voor)onderzoek belangrijk. De keuze voor een andere bouwlocatie voorkomt de verstoring van belangrijke bodemvondsten. Als dit geen optie is, bestaat de mogelijkheid om binnen de bouwlocatie zelf naar een archeologievriendelijke aanpak te streven. In het uiterste geval wordt een archeologische opgraving uitgevoerd. Situatie projectlocatie archeologie De projectlocatie is op basis van het vigerende bestemmingsplan aangewezen als archeologisch onderzoeksgebied.
Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Hamaland Advies. De rapportage van 1 november 2017 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggend principeverzoek. Het onderzoek heeft tevens betrekking op een ontwikkeling op een naastgelegen kavel. Deze ontwikkeling is niet meegenomen in voorliggende rapportage. Het bureauonderzoek wees uit dat mogelijk archeologische vindplaatsen in het plangebied zouden kunnen worden aangetroffen. Derhalve is op de locatie ook een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hamaland Advies adviseert om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren vanwege het ontbreken van archeologische relevante niveaus binnen de toekomstige verstoringsdiepte (maximaal 3 m-mv) en de relatief natte omstandigheden waarin de natuurlijke bodem is gevormd. De hoge archeologische verwachting voor archeologische vindplaatsen vanaf de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd op de beleidsadvieskaart kan volgens Hamaland Advies voor de projectlocatie bijgesteld worden naar laag. Situatie projectgebied cultuurhistorie In paragraaf 4.1 is naar voren gekomen dat nabij de projectlocatie een gemeentelijk monument gelegen is. De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan dit monument. Andere cultuurhistorische waarden zijn in dit gebied niet aanwezig. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 3 2
4.4
Waterhuishoudkundige situatie
Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Het projectgebied is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Keur en beleidsregels Hoogheemraadschap van Rijnland Per 1 juli 2015 is de nieuwe Keur in werking getreden. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen). Aan deze Keur zijn bepalingen toegevoegd voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem. De Keur geeft regels voor het gebruik van of het uitvoeren van activiteiten op: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur stelt verbodsbepalingen op voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Rijnland kan met de afgifte van een vergunning ontheffing verlenen van de Keur voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten.
De Keur is een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De ontheffing van de Keur is een activiteit in de zin van de Waterwet. Bij een aanvraag omgevingsvergunning, waarbij sprake is van een keurontheffing, zal dit bij de Keur onderdeel uitmaken van het toetsingskader. Beleid Riolering en afvalwaterzuivering Het Hoogheemraadschap van Rijnland geeft de voorkeur aan aan het scheiden van hemelwater en afvalwater. Hemelwater kan de capaciteit van riolering en zuivering aanzienlijk belasten. Dat is niet wenselijk en vaak ook niet nodig. Zeker bij nieuwbouwontwikkelingen is het gescheiden aanbieden van hemelwater en afvalwater vaak een doelmatige maatregel. Het te lozen hemelwater mag bovendien geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaken. Relatie tot de ontwikkeling Waterkwantiteit Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt geen extra verharding toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie. Het projectgebied is in de huidige situatie reeds verhard.
Op basis van het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland is bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m2 bovendien geen sprake van een negatief effect op het watersysteem, waardoor geen compenserende maatregelen nodig zijn. Waterkwaliteit Bij de nieuwbouw worden geen uitloogbare materialen zoals lood, koper of zink gebruikt op plaatsen die in aanraking kunnen komen met hemelwater. De ontwikkeling heeft daarmee geen negatieve invloed op de (grond)waterkwaliteit. Beschermde gebieden Het projectgebied ligt niet in een waterkering of de beschermingszone daarvan. Riolering In lijn met het Rijksbeleid en het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland wordt Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 3 3
voor de woningen een gescheiden rioolstelsel aangelegd, zodat er naast een vuilwaterriool tevens een schoon hemelwaterafvoer is. Conclusie Deze ontwikkeling levert geen wijziging op in de waterhuishoudkundige situatie. Het aspect water vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 3 4
Hoofdstuk 5 5.1
Milieuaspecten
Bedrijven en milieuzonering
Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (de meest actuele uitgave dateert van 2009) in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties.
Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie (tabel 5.1).
tabel 5.1 Richtafstanden per milieucategorie De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Relatie tot het project Het plangebied kan worden getypeerd als rustige woonwijk, er liggen geen bedrijven in de directe omgeving en het gebied ligt niet direct aan de weg. Ten noorden van de locatie, aan de andere kant van de weg ligt een bestemming “bedrijven” tot en met milieucategorie 2. Dit gebied ligt op ongeveer 60 meter van de locatie en aangezien de bedrijven daar een maximale richtafstand van 30 meter mogen hebben vormt dit gebied geen belemmering voor de woningen, en vormen de woningen geen belemmering voor de bedrijven. Ten zuiden, op ongeveer 70 meter afstand, ligt bedrijf Autobedrijf Verhaar aan Noordeinde 91 (er is een plan voor deze locatie voor de verandering van de bedrijfsbestemming naar de bestemming wonen en kantoor). Dit bedrijf heeft een milieucategorie 2 (SBI-2008: 451, 452, Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 3 5
454) en richtafstand 30 meter. De bedrijven in de omgeving zullen niet worden gehinderd door de bouw van de woningen en bij de woningen zal een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kunnen worden. Er zijn geen verdere belemmeringen vanuit bedrijven en milieuzonering.
5.2
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden.
Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Risico inventarisatie Ten behoeve van de ontwikkeling is de situatie ten aanzien van externe veiligheid in kaart gebracht. Daartoe is gebruik gemaakt van het vigerende bestemmingsplan, omliggende bestemmingsplannen en de risicokaart van Zuid-Holland. Daaruit komen de volgende risicobronnen naar voren: Transport gevaarlijke stoffen A4 De locatie ligt op ca. 1000 m van de A4, deze rijksweg is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Daarmee is de planlocatie in het effectgebied (1% letaliteit) van de A4 gesitueerd.