Bestemmingsplan Noordeinde 62a en 62b Roelofarendsveen Reparatieplan-620.160.10-VAST01 Totaal.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b”
Januari 2021
Vaststelling
Gemeente Kaag en Braassem Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b”
Vaststelling
INHOUD: -
TOELICHTING PLANREGELS VERBEELDING
Identificatiecode: NL.IMRO. Werknummer: 620.160.10 Datum: Januari 2021
KuiperCompagnons
Procedureoverzicht datum
document
Concept Ontwerp Vaststelling
Januari 2021
Projectleider gemeente: Projectleider KuiperCompagnons:
Michel van der Weide - Cezarini Rogier Begheyn
Opmerkingen
TOELICHTING
Inhoudsopgave van de toelichting 1
Inleiding
1
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding Bij het plan behorende stukken Ligging en begrenzing plangebied Voorgaand bestemmingsplan Leeswijzer
1 2 2 2 2
2
Planbeschrijving
3
2.1 2.2 2.3
Bestaande situatie Toekomstige situatie Juridische aspecten
3 3 5
3
Beleidskader
8
3.1 3.2
Partiële herziening als deel van het vigerende bestemmingsplan Procedurele aspecten
8 8
4
Omgevingsaspecten
9
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
Algemeen Milieueffectrapportage Luchtkwaliteit Geluid Bodem Externe veiligheid Bedrijven en milieuzonering Water Natuur en ecologie Cultuurhistorie en archeologie Overige aspecten Duurzaamheid
9 9 9 10 10 11 11 11 11 13 13 13
5
Uitvoerbaarheid
14
5.1 5.2 5.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Handhavingsaspecten
14 14 14
Bijlagen: Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Principeverzoek, MEES Ruimte & Milieu, 5 oktober 2018 AERIUS-berekeningen, KuiperCompagnons, 14 december 2020 Akoestische berekeningen, KuiperCompagnons, december 2020
Afbeelding 1.1: globale ligging plangebied in de omgeving
Afbeelding 1.2: globale begrenzing plangebied
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
1
1
Inleiding
1.1
Aanleiding In 2019 is het bestemmingsplan “Braassemerland 2019” vastgesteld. Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling voor het (deels nog te ontwikkelen) woongebied ‘Braassemerland’. Het plan betrof het integreren van de verschillende gerealiseerde (en vergunde) bouwplannen, waarvoor de afgelopen jaren diverse postzegelbestemmingsplannen, uitwerkings- en wijzigingsplannen zijn opgesteld. Het voornaamste uitgangspunt van het voorliggende bestemmingsplan “Braassemerland 2019” was het continueren van de bestaande rechten. In aanvulling daarop zijn er in dit bestemmingsplan tevens enkele kleinschalige (particuliere) ruimtelijke initiatieven mogelijk gemaakt. Naar aanleiding van een principeverzoek is in het plan een ontwikkeling van een twee-ondereen-kapwoning aan Noordeinde 62a en 62b in Roelofarendsveen opgenomen. In het ontwerpbestemmingsplan was aan dit perceel de bestemming "Wonen" toegekend. Aan het perceel waren ook de aanduidingen "bouwvlak", "maximum goothoogte: 4 m” en "maximum bouwhoogte: 8 m" toegekend. In reactie op de zienswijze over het ontwerp van de initiatiefnemer zijn bij vaststelling van het plan wijzigingen doorgevoerd. In het definitieve bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming "Wonen" en de bestemming "Tuin" gekregen.
Aan het vlak met de bestemming "Wonen" zijn ook de aanduidingen "bouwvlak", "maximum goothoogte: 6 m” en "maximum bouwhoogte: 10 m" toegekend. Het bouwvlak is ten opzichte van het ontwerpplan noordoostelijker gesitueerd. De situering van het bouwvlak in het definitieve plan komt niet overeen met het bouwvlak zoals dat in het principeverzoek is opgenomen. Na het instellen van beroep op de hiervoor weergeven verschillen in de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van de beoogde en bestaande woningen, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geconcludeerd dat niet inzichtelijk is gemaakt op welke gronden is gekomen tot een wijziging van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte in het definitieve plan ten opzichte van het ontwerpplan. Daarnaast concludeerde de Afdeling dat het niet inzichtelijk is gemaakt op welke gronden is gekomen tot de wijziging van de situering van het bouwvlak. Gelet op voorgaande heeft de Afdeling geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het perceel Noordeinde 62a en 62b in Roelofarendsveen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond verklaard, zodat het bestreden besluit in zoverre is vernietigd.
De Afdeling heeft ingestemd om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in dit besluit en behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Voor voorliggend bestemmingsplan is in grote mate aangesloten bij het gestelde in het bestemmingsplan ‘Braassemerland 2019’ en het daarin opgenomen principeverzoek, wat is ingestoken als een ruimtelijke onderbouwing.
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
2
1.2
Bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” bestaat uit bestemmingen en regels. De bestemming van de gronden is geometrisch bepaald1 door middel van lijnen, coderingen en arceringen. In de bestemmingen zijn regels ten aanzien van het bouwen en het gebruik opgenomen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting. In de toelichting worden de keuzes die zijn gemaakt bij het opstellen van de geometrische plaatsbepaling en de regels verantwoord en verduidelijkt. Vervolgens wordt hierin de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.
1.3
Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen op het perceel achter de bestaande woningen Noordeinde 60 en 62 te Roelofarendsveen. Globaal wordt het plangebied begrensd door: het perceel Noordeinde 66 aan de zuidkant; een watergang met daarachter braakliggend terrein waar woningbouw op wordt voorzien aan de westkant; een groenstrook aan de noordkant; de Noordeinde aan de oostkant. De afbeeldingen 1.1 en 1.2 geven de globale ligging en begrenzing van het plangebied weer.
1.4
Voorgaand bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Braassemerland’, vastgesteld door de gemeenteraad op 1 oktober 2008 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 9 juni 2009. In 2019 is dit bestemmingsplan, samen met diverse andere (post)zegelbestemmingsplannen, uitwerkings- en wijzigingsplannen, gedeeltelijk herzien. Vanwege de hiervoor beschreven uitspraak van de ABRvS is het bestemmingsplan Braassemerland 2019 voor dit perceel echter niet in werking getreden. Strijdigheid met het bestemmingsplan “Braassemerland 2019” Het plangebied heeft in het bestemmingsplan Braassemerland 2019 de bestemming ‘Wonen’ met de aanduidingen "bouwvlak", "maximum goothoogte: 6 m en "maximum bouwhoogte: 10 m". Conform uitspraak van de ABRvS wordt dit gecorrigeerd naar een maximum goothoogte van 4 meter en een maximum bouwhoogte van 8 meter. Daarnaast wordt de situering van het bouwvlak aangepast conform het principeverzoek d.d. 5 oktober 2018.
1.5
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit vier delen. Hoofdstuk 1 bevat een aantal algemene en inleidende planaspecten. Hierna volgt hoofdstuk 2. Daarin vindt de planbeschrijving plaats en wordt tevens een toelichting gegeven op de bestemmingsmethodiek. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader en de procedurele aspecten van dit bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 vormt de achterliggende onderbouwing voor de keuzes worden gemaakt ten aanzien van de diverse milieuaspecten. In hoofdstuk 5 wordt, tenslotte, ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
1
Geografische coördinaten volgens het Rijksdriehoekstelsel bepalen de ligging van een bestemming. Met gebruikmaking van de coördinaten kan exact de plaats van een object in een gebied worden bepaald.
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
3
2
Planbeschrijving
2.1
Bestaande situatie Braassemerland is gelegen aan de zuidzijde van Roelofarendsveen, dat van oorsprong bestaat uit een vijftal bebouwingslinten evenwijdig aan het Braassemermeer. Later heeft de kern zich met name ten noorden van de route Westeinde – Langeweg uitgebreid. Het huidige centrumgebied van Roelofarendsveen ligt ter hoogte van de kruising Noordeinde - Langeweg. Hier zijn de meeste voorzieningen te vinden, waaronder diverse winkels en horeca. Met de ontwikkeling van Braassemerland verschuift het zwaartepunt van de kern meer naar het zuiden. Het plangebied is gelegen aan de Noordeinde, een bebouwingslint met voornamelijk vrijstaande en geschakelde woningen. Het grootste gedeelte van het plangebied bevindt zich achter de bestaande twee-onder-één-kapwoningen Noordeinde 60 en 62 in Roelofarendsveen. Op dit moment bestaat het plangebied uit een schuur met daarachter een watergang en braakliggend terrein (zie afbeelding 2.1).
Afbeelding 2.1: Bestaande situatie plangebied (bron GoogleMaps)
2.2
Toekomstige situatie De wens bestaat om op het perceel een twee-onder-één-kapwoning te realiseren. Tevens wordt voorzien in twee parkeerplaatsen per woning, die langs de linker zijerfgrens worden aangelegd (aan de zuidkant van de projectlocatie). In totaal wordt daarmee ruimte geboden voor het stallen van vier auto's. De beoogde woningen worden in het midden van de kavel gerealiseerd. De woningen worden in dezelfde richting geplaatst als de bestaande woningen en zijn daarmee oost-west georiënteerd.
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
4
Afbeelding 2.2: Situatietekening toekomstige situatie (ontwerp Johlex Bouw, d.d. 7-9-2018)
2.2.2 Ruimtelijke inpassing Het doel is dit ontwerp op eenzelfde wijze in te steken als de huidige bestaande woningen (Noordeinde 60 en 62). De toekomstige woningen zullen ten aanzien van uitstraling en omvang gelijk zijn aan de bestaande woningen. 2.2.3 Ontsluiting en parkeren Ontsluiting Ontsluiting van het projectgebied gebeurt via de bestaande ontsluiting op het Noordeinde. Parkeerplaatsen worden langs de zuidelijke zijerfgrens haaks gerealiseerd. Door deze opstelling blijft voldoende ruimte over om bij verdere uitwerking / detaillering van het plan zorg te kunnen dragen voor de realisatie van een veilige en overzichtelijke (enkele) in-/uitrit. De gemiddelde verkeersaantrekkende werking van een twee-onder-een-kap woning is circa 15 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersaantrekkende werking neemt derhalve weliswaar toe, maar het aantal verkeersbewegingen is zo laag, dat geen belemmeringen optreden in de afwikkeling van het verkeer. Parkeren Berekening van de parkeercijfers en de verkeersgeneratie geschiedt conform de Nota Parkeernormen 2018 van gemeente Kaag en Braassem. Parkeernormen worden berekend op het type ontwikkeling in relatie tot het gebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In dit geval geldt dat sprake is van de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning in de rest bebouwde kom van gemeente Kaag en Braassem.
De parkeerbehoefte betreft dan minimaal 1,8 en maximaal 2,6 parkeerplaatsen per woning. Binnen de ontwikkeling van de twee woningen dienen daarom minimaal 4 (3,6) en maximaal 6 (5,2) parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling voldoet hieraan, de situatietekening toont dat wordt voorzien in 4 parkeerplaatsen.
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
5
2.3
Juridische aspecten
2.3.1 Inleiding Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare Bestemmings Plannen (SVBP 2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd. 2.3.2 Bestemmingsmethodiek Het uitgangspunt van dit bestemmingsplan is het corrigeren van plandeel van het bestemmingsplan dat door de ABRvS is vernietigd. Voor de juridische regeling wordt aangesloten bij de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan ‘Braassemerland 2019’, gecorrigeerd met specifieke regelingen voor dit perceel. Bij de opzet van het plan is gekozen voor eindbestemmingen, gebaseerd op de beoogde situatie. Op basis van de bepalingen van een eindbestemming kan direct een omgevingsvergunning worden afgegeven, indien het bouwplan past binnen de regels die gelden bij de bestemming. 2.3.3 Regels De regels bestaan uit vier hoofdstukken: • Inleidende regels (hoofdstuk 1) • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) • Algemene regels (hoofdstuk 3) • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende artikelen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels.
Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna volgt een toelichting per artikel. Tuin De voortuinen van (bestaande) woningen zijn zoveel mogelijk voorzien van de bestemming ‘Tuin’. Binnen deze bestemming zijn de gronden onder andere bestemd voor tuinen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en insteekhavens. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn beperkt.
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
6
Wonen Voor de beoogde woningen is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. Binnen deze bestemming is de grond bestemd voor maximaal twee woningen, in de vorm van één twee-onder-een-kap. Bouwen is alleen toegestaan binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Voor de woningen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 8 meter. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen zijn standaardbepalingen opgenomen in de regels. Bijgebouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden opgericht, op een minimale afstand van 1 meter achter de voorgevelrooilijn. Hierbij geldt dat maximaal 50% van het achtererf mag worden bebouwd, waarbij het maximum aantal vierkante meters bebouwing afhankelijk is gesteld van de perceelsgrootte. De maximum goot- en bouwhoogte bedragen 3 en 6 meter. Bebouwing vóór de voorgevelrooilijn is enkel toegestaan in de vorm van een erker. Hiervoor geldt dat de voorgevelbouwgrens met ten hoogste 1 meter mag worden overschreden. Een erker mag daarnaast over maximaal 2/3 van de breedte van de voorgevel gebouwd worden. Waarde – Archeologie 1 De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden.
Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden. De voorwaarden voor wanneer een omgevingsvergunning is vereist is opgenomen in de regels. Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 worden enkele algemene regels gegeven, zoals de anti-dubbeltelregel. Ook worden algemene gebruiksregels gegeven en wordt gesteld dat bestaande bouwwerken, die niet voldoen aan de regels in het plan, als toelaatbaar mogen worden beschouwd. Ook worden enkele algemene afwijkings- en wijzigingsregels gegeven die de flexibiliteit van het plan vergroten. Daarnaast is een voorwaardelijke bepaling opgenomen betreffende parkeren. Indien wordt gebouwd, dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het vigerende gemeentelijke parkeerbeleid. Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2018’. Indien deze parkeernota in de toekomst herzien wordt, dient getoetst te worden aan het meest recente gemeentelijke parkeerbeleid. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling.
Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
7
2.3.4 Geometrische plaatsbepaling / verbeelding Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond (in combinatie met de Basisregistratie Kadaster (BRK)) gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar. De gegevens zijn digitaal raadpleegbaar. Via de digitale portal waarop het plan wordt gepubliceerd kan, door te klikken op een bepaalde locatie, de bijbehorende bestemmingsregeling worden opgeroepen.
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
8
3
Beleidskader
3.1
Partiële herziening als deel van het vigerende bestemmingsplan Voorliggend bestemmingsplan corrigeert enkel het vernietigde plandeel van het vigerende bestemmingsplan ‘Braassemerland 2019’. In feite wordt slechts de bestemming teruggebracht zoals deze was opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan, waarbij qua bouwvlaksituering wordt aangesloten bij het principeverzoek uit 2018. Omdat in zowel de toelichting van het plan “Braassemerland 2019” als het principeverzoek uitgebreid is ingegaan op de vraag hoe de planvorming past binnen het beleid van de verschillende overheden, wordt daarnaar in dit bestemmingsplan kortheidshalve verwezen. Het principeverzoek zal als bijlage bij dit bestemmingsplan worden gevoegd. Voorgenomen bestemmingsplan heeft alleen betrekking op het juridisch-planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling en niet op het wijzigen van beleid. Er is dan ook geen strijdigheid met het geldende beleid. Het bestemmingsplan “Braassemerland 2019” is vastgesteld onder de reikwijdte van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Hetzelfde geldt voor dit bestemmingsplan. Voor de opbouw van het plan en de digitalisering zijn de RO-standaarden 2012 van toepassing.
3.2
Procedurele aspecten Op een bestemmingsplan is Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. In dit geval heeft de ABRvS de raad opgedragen om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, voor het vernietigde plandeel een nieuw plan op te stellen. De bestuursrechter kan het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft derhalve niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
9
4
Omgevingsaspecten
4.1
Algemeen In het kader van het bestemmingsplan “Braassemerland 2019” zijn in het principeverzoek reeds veel (milieu)aspecten onderzocht. Omdat het doel van dit bestemmingsplan enkel het herstel van het vernietigde plandeel omvat, kan dan ook veelal worden geput uit c.q. worden voortgeborduurd op deze onderzoeksresultaten. In het navolgende wordt per aspect een afweging gemaakt.
4.2
Milieueffectrapportage Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De toevoeging van twee woningen wordt niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals voorkomend in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.3). Het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER is dan ook niet nodig.
4.3
Luchtkwaliteit Het voorliggende bestemmingsplan maakt slechts twee nieuwe woningen mogelijk. Deze ontwikkeling is aan te merken als een ontwikkeling die past binnen de term ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2019.
Afbeelding 4.1: overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5 peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool)
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
10
Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 18,1 µg/m3, 18,5 µg/m3 en 10,8 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6,5 waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 4.4
Geluid De Wet geluidhinder biedt vooral in het ruimtelijk spoor bescherming tegen (spoor)weglawaai en industrielawaai van inrichtingen gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd. Het gaat hierbij onder andere om woningen. Ten behoeve van de ontwikkeling is door KuiperCompagnons een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De uitgangspunten en de resultaten van het onderzoek zijn gepresenteerd in bijlage 3 van deze toelichting. De berekende geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde zoals gesteld in de Wet geluidhinder. De berekende geluidbelasting ten gevolge van het 50 km-deel van de Braassemdreef en het Noordeinde bedraagt maximaal respectievelijk 47 en 46 dB. Dit is lager dan de voorkeursgrenswaarde zodat het niet noodzakelijk is een hogere waarde procedure te doorlopen. In de laatste afbeelding in bijlage 3 is de geluidsbelasting van beide wegen inclusief de 30 kmdelen van deze wegen gepresenteerd. De geluidsbelasting bedraagt maximaal 54 dB op de noordgevel. Deze geluidsbelasting dient als input voor het beoordelen van de karakteristieke geluidwering van de gevels. Omdat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden is het niet noodzakelijk een hogere waarden procedure te doorlopen. Het aspect geluid veroorzaakt geen belemmeringen.
4.5
Bodem Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is voor het beoogd gebruik. Uit de toelichting op het bestemmingsplan ‘Braassemerland 2019’ blijkt dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied niet is onderzocht voor de vaststelling van dat plan. Voor het principeverzoek uit 2018 is het aspect bodem eveneens niet onderzocht. Na vaststelling van voorliggend bestemmingsplan dient dus nog te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient een doorgaans een bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden verricht. Indien op basis van het onderzoek blijkt dat er sprake is van (ernstige) bodemverontreiniging, dienen noodzakelijke (sanerings)maatregelen worden genomen om te kunnen voldoen aan de vereiste bodemkwaliteit ten aanzien van de beoogde functie (wonen).
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
11
Om dit te waarborgen is hieromtrent in de regels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen dient een bodemonderzoek te zijn uitgevoerd en dienen eventuele maatregelen te zijn genomen. 4.6
Externe veiligheid In het principeverzoek zijn alle aanwezige risicobronnen onderzocht. Meest relevante in dezen is de A4 in verband met transport van gevaarlijke stoffen over de weg. Het invloedsgebied ligt over het projectgebied, maar het groepsrisico van de A4 in de omgeving van Roelofarendsveen en Oude Wetering ligt onder de oriëntatiewaarde. Het GR wijzigt niet door toevoeging van twee woningen. Ook de oriëntatiewaarde wordt derhalve niet overschreden. De toevoeging van twee woningen plaatse van het plangebied heeft geen effect op het aspect externe veiligheid.
4.7
Bedrijven en milieuzonering In het principeverzoek zijn alle omliggende bedrijfsbestemmingen onderzocht. Het plangebied kan worden getypeerd als rustige woonwijk, er liggen geen bedrijven in de directe omgeving en het gebied ligt niet direct aan de weg. De bedrijven in de omgeving zullen niet worden gehinderd door de bouw van de woningen en bij de woningen zal een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kunnen worden. Er zijn geen verdere belemmeringen vanuit bedrijven en milieuzonering
4.8
Water Voor het principeverzoek is een watertoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling geen extra verharding wordt toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie. Het projectgebied is in de huidige situatie reeds verhard. Op basis van het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland is bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m2 bovendien geen sprake van een negatief effect op het watersysteem, waardoor geen compenserende maatregelen nodig zijn. Bij de nieuwbouw worden daarnaast geen uitloogbare materialen zoals lood, koper of zink gebruikt op plaatsen die in aanraking kunnen komen met hemelwater. De ontwikkeling heeft daarmee geen negatieve invloed op de (grond)waterkwaliteit. Het projectgebied ligt niet in een waterkering of de beschermingszone daarvan. In lijn met het Rijksbeleid en het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland wordt voor de woningen een gescheiden rioolstelsel aangelegd, zodat er naast een vuilwaterriool tevens een schoon hemelwaterafvoer is. De ontwikkeling levert geen significante wijziging op in de waterhuishoudkundige situatie.
4.9
Natuur en ecologie Soortenbescherming Ten behoeve van het principeverzoek is onderzoek gedaan naar soortenbescherming. Binnen het projectgebied worden geen beschermde soorten verwacht. Een nader onderzoek of een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Mogelijk komen de algemene soorten egel, (spits)muis en gewone pad voor binnen het projectgebied met een mogelijke verblijfplaats in de te slopen schuur, en daar geldt de zorgplicht voor. De zorgplicht houdt in dat tijdens het slopen van de schuur rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van deze soorten en dat
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
12
deze de kans krijgen om weg te vluchten naar veilig gebied. Aan de zorgplicht wordt verder voldaan als rekening wordt gehouden met mogelijke broedvogels. Indien in het broedseizoen (15 maart - 15 juli) wordt gestart met werkzaamheden dient door een ecoloog te worden gecontroleerd of broedvogels aanwezig zijn. Broedgevallen zijn altijd beschermd. Indien ruim voor het broedseizoen is gestart met werkzaamheden en deze tussentijds niet langer dan een paar dagen worden onderbroken, kunnen broedgevallen door de aanhoudende verstoring worden uitgesloten. Gebiedsbescherming Rondom het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen. Voor het gebied De Wilck (circa 10 km afstand) geldt dat binnen dit gebied geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn, zodat het onderzoek geen betrekking heeft op deze natuurgebieden. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (circa 11,5 km afstand), Kennemerland-Zuid (circa 12,5 km afstand) en Coepelduynen (circa 14 km afstand). Aanlegfase In de aanlegfase wordt de stikstofemissie voornamelijk gegenereerd door de (mobiele) werktuigen op de bouwplaats en de verkeersbewegingen van en naar de bouwplaats. Op dit moment is nog niet bekend welke installaties tijdens de bouw gebruikt zullen worden. Daarom zijn voor de aanlegfase algemene kentallen gebruikt.
In het rapport ‘Methode inschatting depositie woningbouwprojecten’ van het RIVM van 14 november 2019 wordt voor de aanlegfase een emissiekental van 3 kg NOx per woning genoemd. Een deel van de stikstof komt in de vorm van ammoniak (NH3) in de lucht terecht. Zowel NH3 en NOx zijn reactieve stikstofverbindingen. Per woning is uitgegaan van 3 kg NOx en 0,05 kg NH3. De hoeveelheid NH3 is bepaald op basis van een analyse van de verhouding tussen de NOx en NH3 emissiefactoren van mobiele werktuigen zoals deze door TNO zijn bepaald. Op basis van deze kentallen bedraagt de emissie voor de aanlegfase: 2 x 3 = 6 kg NOx en 2 x 0,05 = 0,1 NH3. Om uit te sluiten dat sprake is van een toename, is naast het emissiekental van 3 kg voor een woning als worstcase ook nog een berekening uitgevoerd met een emissie van 30 kg NOx en 0,5 kg NH3 per woning. Op basis van deze kengetallen bedraagt de totale emissie 2 x 30 = 60 kg NOx en 2 x 0,5 = 1 kg NH3. De resultaten van de berekeningen van de aanlegfase zijn in bijlage 2 gepresenteerd. Uit deze berekeningen blijkt dat in de aanlegfase geen toename van de stikstofdepositie plaatsvindt binnen de Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase De woningen worden gasloos gebouwd en veroorzaken zelf derhalve geen emissie tijdens het gebruik.
Verkeersbewegingen van en naar het plangebied genereerd voor dit plan geen stikstofemissie omdat de wegen op meer dan 5 km van een stikstofgevoelig Natura 2000 gebied ligt. De gebruiksfase van de 2 woningen leidt niet tot een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
13
Conclusie Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de 2 woningen in dit plan. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. 4.10 Cultuurhistorie en archeologie Ten behoeve van het principeverzoek is onderzoek uitgevoerd naar archeologie. Het bureauonderzoek wees uit dat mogelijk archeologische vindplaatsen in het plangebied zouden kunnen worden aangetroffen. Derhalve is op de locatie ook een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Vanwege het ontbreken van archeologische relevante niveaus binnen de toekomstige verstoringsdiepte (maximaal 3 m-mv) en de relatief natte omstandigheden waarin de natuurlijke bodem is gevormd wordt nader onderzoek niet geadviseerd. Nabij de projectlocatie is een gemeentelijk monument gelegen. De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan dit monument. Andere cultuurhistorische waarden zijn in dit gebied niet aanwezig. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie en archeologie de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Buiten dat alles geldt te allen tijde overal een plicht om bij het uitvoeren van grondwerk, eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag, zoals aangegeven in de Erfgoedwet. 4.11 Overige aspecten Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen, hoogspanningsverbindingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen of waterleidingen gelegen. Er zijn geen hoogspanningslijnen of straalpaden in de omgeving van het plan. Er wordt daarom geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het project. Het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol vormt tevens geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.12 Duurzaamheid Bij de bouw van de nieuwe woning wordt in ieder geval toepassing gegeven aan de wettelijke verplichtingen op dit gebied. De woningen worden gasloos uitgevoerd en in dat kader voorzien van een warmtepomp. Verder wordt er aangesloten bij de duurzaamheidspunten zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
14
5
Uitvoerbaarheid
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de bestemmingsplannen “Braassemerland 2019” is uitvoerig stilgestaan bij inspraakreacties en zienswijzen. Op basis hiervan is het plan op onderdelen aangepast. Dit bestemmingsplan herstelt enkel een vernietigd plandeel binnen het vigerende bestemmingsplan, dat voortvloeit uit een zienswijzeprocedure. Het plan is aangepast conform oordeel van de ABRvS.
5.2
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens moeten, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten) deze kosten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De voorgenomen ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarvoor reeds de benodigde financiële middelen zijn gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en draagt geen financiële risico's voor de realisatie. Het verhaal van eventuele grondexploitatiekosten is verzekerd via een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro tussen de gemeente en initiatiefnemer. Van het vaststellen van een exploitatieplan kan dus worden afgezien.
De economische uitvoerbaarheid van het plan wordt gegarandeerd door de initiatiefnemer. De initiatiefnemer verklaart dat de realisatie en de begeleiding van het plan voor eigen rekening wordt genomen. Van belang is ook dat reeds zicht is op kopers van de woningen. Gezien het bovenstaande wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.
5.3
Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Woningwet (Ww) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaam-
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
15
heden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Bij het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan is de grond zo gedetailleerd mogelijk bestemd. Binnen de bestemmingen is weinig flexibiliteit, veel rechtszekerheid en daarmee weinig kans op interpretatieverschillen. Ook zijn de verbeelding, de regels en de toelichting zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieproblemen en problemen met betrekking tot de uitvoering zo veel mogelijk worden voorkomen.
Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
Bijlage 1 Principeverzoek, MEES Ruimte & Milieu, 5 oktober 2018 Bestemmingsplan “Braassemerland – Noordeinde 62a en 62b” Toelichting Vaststelling
PRINCIPEVERZOEK PROJECT
Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
STATUS
vastgesteld
PROJECTNUMMER
NL.IMRO.18840000PA00003-0001
DATUM
5 oktober 2018
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer
info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 - 744 08 38 085 - 744 08 37 Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 2
Inhoudsopgave
Principeverzoek
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
Hoofdstuk 2
Projectbeschrijving
7
2.1 2.2 2.3
7 8 10
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Projectlocatie Projectplan Vigerend bestemmingsplan
Beleidskaders
12
3.1 3.2 3.3 3.4
12 14 24 27
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
Ruimtelijke aspecten
30
4.1 4.2 4.3 4.4
30 31 32 33
Welstand Analyse van verkeer- en parkeeraspecten Archeologie en cultuurhistorie Waterhuishoudkundige situatie
Milieuaspecten
35
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
35 36 37 38 39 40 41 44
Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Luchthavenindelingsbesluit Schiphol Bodem (milieukundig) Geluid Luchtkwaliteit Ecologie M.e.r.-beoordeling
Uitvoerbaarheid
46
6.1 6.2
46 46
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 3
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 4
Principeverzoek
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 5
Hoofdstuk 1
Inleiding
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling van een twee-onder-één-kapwoning is in opdracht van Johlex Bouw een principeverzoek opgesteld. Het projectgebied betreft het perceel gelegen achter de bestaande twee-onder-één-kapwoningen Noordeinde 60 en 62 in Roelofarendsveen. Voor de ontwikkeling dient uiteindelijk een planologische procedure doorlopen te worden. Het principeverzoek dient ter bepaling van de grondhouding van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Kaag en Braassem en dient vergezeld te gaan van een onderbouwing waarin de haalbaarheid van het plan wordt aangetoond, waarbij wordt ingegaan op de ruimtelijk en milieutechnisch relevante aspecten. Voorliggend document bevat deze onderbouwing. Hierbij is er voor gekozen het document zo veel mogelijk al in te steken als goede ruimtelijke onderbouwing in de zin van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 6
Hoofdstuk 2 2.1
Projectbeschrijving
Projectlocatie
De projectlocatie is gelegen op het perceel achter de bestaande woningen Noordeinde 60 en 62 te Roelofarendsveen. Roelofarendsveen is een dorp in Zuid-Holland, dat onderdeel uitmaakt van de gemeente Kaag en Braassem. Ten zuiden van de projectlocatie ligt het dorpscentrum van Roelofarendsveen. Het Braassemermeer ligt ten oosten van het projectgebied. Langs het projectgebied ligt de weg Noordeinde, die zich tot ver richting het noorden van de projectlocatie uitstrekt. Ten westen tot slot, is de A4 gelegen. Meer specifiek wordt de projectlocatie omsloten door de Braassemerdreef, Noordeinde, Noordakker en thans braakliggend terrein waar woningbouw op wordt voorzien.
figuur 2.1 Aanduiding projectlocatie Het projectgebied betreft de kadastrale objecten Alkemade, K 3825 en K3102. Onderstaande afbeelding bevat een uitsnede van de kadastrale kaart. De locatie is globaal omkaderd in het rood, de woningen worden op dit kavel gesitueerd. Tevens wordt voorzien in parkeergelegenheid ten behoeve van de bewoners.
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 7
figuur 2.2 aanduiding projectlocatie kadastrale kaart (www.kadaster-online.kadaster.nl)
2.2
Projectplan
Het doel is een twee-onder-één-kapwoning te realiseren op de hierboven aangegeven locatie. Voorts wordt voorzien in twee parkeerplaatsen per woning, die langs de linker zijerfgrens worden aangelegd (aan de zuidkant van de projectlocatie). In totaal wordt daarmee ruimte geboden voor het stallen van vier auto's. Voor de beoogde woningbouw is in dit stadium nog geen gedetailleerd ontwerp beschikbaar. Wel is een situatietekening opgesteld (zie figuur 2.3) waaruit duidelijk wordt hoe de woningen op het kavel worden gepositioneerd. Ook de parkeerplaatsen zijn hierop inzichtelijk gemaakt. De beoogde woningen worden in het midden van het kavel gerealiseerd. De bewoners van nummer 60 hebben onlangs een pad van 1,3 meter gekocht van de eigenaren van het perceel, waardoor de erfgrens iets is verschoven. Gerekend vanaf de oude erfgrens van nummer 60 en de ongewijzigde erfgrens van nummer 62, komen de woningen op 7,3 meter vanaf die grenzen te liggen en derhalve op 6 meter vanaf de nieuwe erfgrens van de eigenaren van nummer 60. Het bouwplot wordt bovendien 8 meter diep en 13 meter breed. Deze 13 meter wordt in het midden tussen de noordelijke en zuidelijke erfgrens gesitueerd. De afstand tussen deze grenzen bedraagt in totaal 21 meter. De nokhoogte komt op ca. 9,5 meter hoogte ten opzichte van het huidig maaiveld.
De woningen worden in dezelfde richting geplaatst als de bestaande woningen en zijn daarmee oost-west geörienteerd. De woningen krijgen daarmee een tuin op het westen. Aan de westkant van de locatie loopt een smalle watergang, een kwaliteit die benut kan worden om te zorgen voor een kwalitatieve inrichting van de buitenruimte. Een smalle strook richting het noorden kan gebruikt worden voor de realisatie van bijgebouwen. Tot slot geldt nog dat de woningen gasloos worden uitgevoerd en worden voorzien van een warmtepomp.
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 8
figuur 2.3 Situatietekening toekomstige situatie (ontwerp Johlex Bouw, d.d. 7-9-2018) Zoals aangegeven ontbreekt in dit stadium nog een gedetailleerd ontwerp van de beoogde woningen. Het doel is dit ontwerp op eenzelfde wijze in te steken als de huidige bestaande woningen (Noordeinde 60 en 62). Om een beeld te schetsen van de voorziene woningen, zijn afbeeldingen opgenomen van deze bestaande woningen. De toekomstige woningen zullen ten aanzien van uitstraling en omvang gelijk zijn aan de bestaande woningen. Wanneer zicht is op planologische toestemming, worden de ontwerpen verder uitgewerkt. Door de bestaande woningen als uitgangspunt te hanteren is de ontwikkeling goed in te passen in de omgeving.
figuur 2.4 Voorgevel bestaande woningen
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 9
figuur 2.5 Zijaanzicht bestaande woning (zuidzijde)
2.3
Vigerend bestemmingsplan
Het projectgebied maakt onderdeel uit van vigerend bestemmingsplan 'Braassemerland', vastgesteld door de voormalige gemeente Alkemade op 1 oktober 2008 en gedeeltelijk goedgekeurd door de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op 9 juni 2009. Inmiddels is tevens sprake van een voorontwerpbestemmingsplan Braassemerland 2018 van 19 april 2018. Het nu nog vigerende bestemmingsplan is niet meer te raadplegen via ruimtelijkeplannen.nl. Wel is bekend dat op dit moment nog de bestemmingen 'Woongebied uit te werken - 5' en 'Archeologisch onderzoeksgebied' van kracht zijn. Op basis van het voorontwerpbestemmingsplan kent het gehele projectgebied de bestemming 'Wonen' en 'Waarde - Archeologie 1'. Omdat deze regeling nog niet van kracht is, wordt hieronder enkel stilgestaan bij de nu nog vigerende bepalingen. Artikel 23 - Woongebied uit te werken 5 Voor dit onderdeel geldt dat de gronden weliswaar bestemd zijn voor onder meer 'wonen', maar dat enkel gebouwd mag worden overeenkomstig een uitwerking van burgemeester en wethouders. Voorts dient op basis van artikel 32 van het bestemmingsplan met betrekking tot het algemeen toetsingskader, aan diverse ruimtelijke en milieutechnische onderdelen getoetst te worden. Pas bij een positieve uitkomst is zeker dat de gronden geschikt zijn voor de beoogde woonfunctie.
Artikel 25 - Archeologisch onderzoeksgebied (dubbelbestemming) Lid 1 - Doeleindenomschrijving De gronden op de plankaart aangewezen voor 'Archeologisch onderzoeksgebied' zijn mede bestemd voor doeleinden ter vaststelling van de archeologische waarde door middel van een archeologisch vooronderzoek en ter bescherming en veiligstelling van de potentiële archeologische waarden. Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 10
[...] Lid 3 - Bouwvoorschriften Op de in lid 1 bedoelde gronden is het verboden bouwwerken te bouwen met een oppervlakte van meer dan 100 m2. [...] Lid 5 - Aanlegvergunning Het is verboden op of in de als 'Archeologisch onderzoeksgebied' bestemde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) binnen de bestemming de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van de bodem; b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen, of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte van de aan te brengen verharding meer dan 100 m2 bedraagt; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leiden en de daarmee verband houdende constructies; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; i. het scheuren van grasland over een grotere oppervlakte dan 100 m2; j.
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,3 m, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginningen. Toetsing beoogde ontwikkeling Voor dit project geldt dat de locatie gelegen is binnen een gebied dat een uit te werken woonbestemming kent. Hoewel woningbouw op de gronden wordt voorzien, mag uitsluitend worden gebouwd krachtens een uitwerking van het college van B&W. Voordat dit mogelijk is dienen diverse milieutechnische en ruimtelijke aspecten te zijn onderzocht. Voorliggend principeverzoek gaat in op de haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Uiteindelijk dient een planologische procedure doorlopen te worden om de ontwikkeling mogelijk te maken. Op dit moment ligt een voorontwerp bestemmingsplan ter inzage voor het gebied (Braassemerland 2018), op basis waarvan de gronden de bestemming 'Wonen' krijgen. Dit plan is echter nog niet vigerend en geldt daarom niet als toetsingskader. Wel toont het de koers die de gemeente op relatief korte termijn zal varen. Het doel is bij het verdere verloop van de procedure, de ontwikkeling van de woningen Noordeinde 62A en 62B mee te nemen in dat bestemmingsplan.
Ten aanzien van de dubbebestemming 'Archeologisch onderzoeksgebied', geldt dat beperkingen gelden op het moment dat (kort samenvattend) sprake is van bouwwerken of andere werken of werkzaamheden die een grotere oppervlakte beslaan dan 100 m2. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk en is uitgevoerd door Hamaland Advies. Het aspect archeologie wordt behandeld in hoofdstuk 4 van voorliggend principeverzoek, waar tevens het onderzoek wordt besproken.
Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 11
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskaders
Rijksbeleid
3.1.1 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Dit besluit legt nationale ruimtelijke belangen vast. Het beleid is erop gericht om het aantal regels terug te dringen. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Hierdoor is onder andere de aanwijzing van nationale landschappen vervallen. Het Rijk maakt bijvoorbeeld geen landsdekkende woningbouwafspraken meer, alleen nog in de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. Het Rijk benoemt alleen nog landelijke doelstellingen om de woningmarkt goed te laten werken. Het landschapsbeleid gaat ook naar de provincies. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er met een gebied moet gebeuren. Op dit moment legt het Barro geen restricties op voor dit bestemmingsplan. 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) In maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De structuurvisie heeft verschillende nota's vervangen, zoals de Nota Ruimte, Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak, de structuurvisie voor de Snelwegomgeving, de agenda Landschap, de agenda Vitaal Platteland en de Pieken in de Delta.
De rijksoverheid streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, met een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. De ruimtelijke structuur van Nederland heeft zich ontwikkeld van steden in een landelijk gebied naar stedelijke regio's in interactie met landelijke en cultuurhistorische gebieden. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Zij verdienen het vertrouwen dat ze dat op een goede manier doen. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie en natuur. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijk ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt.
Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainport, greenports en de valleys. Over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoor-beeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed. Een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners. In de structuurvisie zijn dertien nationale belangen benoemd. De nationale belangen, die worden benoemd, betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoer- en transportsystemen, de Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 12
milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden. Geen van deze nationale belangen zijn van toepassing op dit plan en daarmee wordt beleid hierover overgelaten aan de provincie en de gemeente. 3.1.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd. Op 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd op de volgende punten: de huidige definities worden niet gewijzigd. De ingezette lijn in de jurisprudentie blijft hiermee in stand; het begrip 'actuele regionale behoefte' wordt geschrapt en in de nieuwe Ladder vervangen door 'behoefte'; de nieuwe Ladder bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt; voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht; er is een nieuw artikellid toegevoegd op grond waarvan de Laddertoets bij bestemmingsplannen met een uitwerkingsplicht of wijzigingsbevoegdheid kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van het wijzigings- of uitwerkingsplan.
Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Om dit mogelijk te maken is het Bro met ingang van 1 oktober 2012 gewijzigd en wel de artikelen 1.1.1. en 3.1.6. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen. Daaraan is in het eerste lid een omschrijving toegevoegd van: bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Het wettelijk kader ziet er als volgt uit: Artikel 3.1.6 van het Bro: lid 2: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Lid 3: Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan al bedoeld in dat artikel. Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 1 3
Lid 4: Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat het bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Toelichting op gebruik De wijziging van de Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “De belangrijkste wijzigingen betreffen een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke 'treden' en het vervangen van het begrip 'actuele regionale behoefte' door: behoefte. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.
Tevens wordt de mogelijkheid geboden in een nieuw derde lid, om de toepassing van de Ladder door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. De verwachting is dat de Ladder hierdoor beter hanteerbaar zal zijn, beter aansluit bij het geheel aan vereisten aan een toelichting bij bestemmingsplannen en tot minder onderzoekslasten zal leiden.” "Provincies en gemeenten geven aan dat de term 'actuele regionale behoefte' voor verwarring zorgt en onvoldoende duidelijk maakt waar een beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling zich op zou moeten richten. In het bijzonder de term 'regionaal' is verwarrend, omdat het enerzijds betrekking heeft op de omvang van het gebied waarbinnen de behoefte moet worden bezien, ofwel het 'ruimtelijke verzorgingsgebied', ook wel 'marktregio' genoemd. Anderzijds heeft het betrekking op de aard van het overleg, waarbij de regio nogal eens wordt geïnterpreteerd als de bestuurlijke regio. Provincies hebben in een voorstel aangegeven graag een onderscheid te willen zien tussen het regionale aspect bij de behoefte in de zin van het verzorgingsgebied en het overleg in bovengemeentelijk verband.
De gedachte achter dit voorstel is in dit wijzigingsbesluit overgenomen door het vervangen van de term 'actuele regionale behoefte' door de eenvoudiger term 'behoefte'.” Relatie tot projectgebied Voor dit project geldt dat het is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Het project is gelet op de omvang echter niet te typeren als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat in deze situatie geen sprake is van een zodanig aantal woningen dat het project een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Bovendien is ook geen sprake van een (zodanige) functiewijziging waardoor sprake zou zijn van verstedelijking. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ligt de locatie binnen de bestemming 'Woongebied uit te werken 5.' Daarnaast is een nieuw bestemmingsplan in ontwikkeling (voorontwerp, Braassemerland 2018), waarin de locatie een directe woonbestemming krijgt. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft dan ook niet doorlopen te worden.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit De provincie Zuid-Holland beschikt over de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM), waarvan de geconsolideerde versie in werking is getreden per 29 juni 2018. In de VRM wordt het beleid op hoofdlijnen omschreven en wordt duidelijk welke doelen de provincie de komende jaren nastreeft. Er zijn structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu zichtbaar, waarvan nog onzeker is hoe die precies zullen doorwerken. De voorspelbaarheid van ontwikkelingen Mees Ruimte & Milieu | Noordeinde 62A en 62B te Roelofarendsveen
Pagina | 1 4
vermindert. Demografische ontwikkelingen verschillen: sommige regio’s groeien door, andere krijgen te maken met bevolkingsstagnatie en -daling. De regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. In dit dynamische speelveld behartigt de provincie Zuid-Holland het publieke belang van het op orde brengen, beter benutten en verder opwaarderen van de bovenlokale netwerken, landschapsstructuren en verstedelijkingspatronen. De huidige fysieke situatie en de lopende en beoogde projecten in het mobiliteitsnetwerk vormen het vertrekpunt voor de provincie. De behoefte van de gebruikers staat centraal in het provinciale beleid voor ruimte en mobiliteit. Het aanbod moet zijn afgestemd op hun vraag. De provincie richt zich op een efficiënte benutting van de ruimte en de netwerken, met blijvende aandacht voor de kwaliteit. De provincie kiest om het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid niet afhankelijk te maken van een voorspelling van een ‘eindsituatie 2030’. In plaats daarvan zal de bestaande situatie gelden als vertrekpunt, vormt de maatschappelijke vraag de leidraad voor het handelen en stuurt de provincie op het bereiken van haar doelen.