CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20260421_BOPA onderbouwing Pastoor Onelplein 1 Roelofarendsveen

Gemeenteraad 8 juni 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Verzwaard adviesrecht BOPA Pastoor Onelplein 1-3, Roelofarendsveen.20.084 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

▪

Plaatsing situering;

▪

Massavorm;

▪

Gevelopbouw;

▪

Materialen en kleuren hoofdvlakken.

Het grootste deel van de woonruimte wordt ondergebracht in het bestaand kerkvolume. De plaats en massa daarvan zullen niet veranderen. Karakteristieke elementen zoals de vele glas-in-loodramen zullen in het nieuwe ontwerp deels terug worden gebracht. Nieuwe ramen, deuren en loggia’s zullen zo geplaatst worden dat ze passen in het bestaande ritme van de gevel. Bovendien wordt voor deze elementen gekozen voor een zwarte kleur, passend bij de bestaande glas-in-loodramen. De materialen van de gevel- en dakvlakken veranderen niet. Naast de kerk komt een nieuw woongebouw, op de plek van het mortuarium. Aangezien de plaatsing van de bebouwing overeenkomt met de huidige situatie, zal er op dat vlak weinig veranderen. Bovendien wordt de massa van dit woongebouw gelijkend aan de bestaande bebouwing op die plek: het woongebouw wordt iets groter dan het mortuarium, maar aangezien ook de bestaande fietsenstalling zal worden verwijderd, neemt de hoeveelheid

pagina 30 van 62

bebouwing niet (significant) toe. De opbouw van de gevel is simpel. De materialen voor de gevel en het dak worden afgestemd op het bestaande kerkgebouw: de gevel wordt vooral baksteen en het dak krijgt oranje dakpannen. Qua nieuwe materialen wordt gekozen voor simpele materialen in vooral donkere kleuren, waardoor de aandacht vooral gaat naar het karakteristieke kerkgebouw. Ook komen er nieuwbouwwoningen aan de zuidzijde van het perceel. Deze woningen hebben geen sterke relatie met het kerkgebouw, aangezien ze hun eigen ontsluitingsweg, buitenruimte en parkeergelegenheid krijgen. Daarnaast zit er zowel een tuin als waterpartij tussen de gebouwen. Daarom wordt gekeken naar het bestaande bebouwingslint langs de dijk. De nieuwe woningen zullen namelijk in het verlengde van het bestaande bebouwingslint langs de dijk geplaatst worden en voegen zich dus qua situering naar de bestaande situatie. Dat dijklint is gevarieerd qua bebouwing en er staan meerdere nieuwere woningen tussen, dus drie nieuwe woningen met hun eigen vormgeving kunnen daar goed tussen passen. Wel hebben de woningen binnen het bebouwingslint overwegend een puntdak en een vrij simpele, rechthoekige vorm en daar zullen de nieuwe woningen bij aansluiten. Deelaspecten De deelaspecten voor de beoordeling zijn als volgt:

▪

Compositie massaonderdelen (geledingen);

▪

Gevelindeling;

▪

Vormgeving gevelelementen.

De compositie is bij de hoofdaspecten aan bod gekomen: de kerk blijft behouden en het nieuwe woongebouw komt op de plek van het mortuarium, dus de compositie blijft nagenoeg gelijk. De dijkwoningen komen in het verlengde van het bebouwingslint en voegen zich daar naar het bestaande. Het kerkvolume heeft een verticale oriëntatie in de gevel, waar de nieuwe elementen zoals ramen en deuren zich naar zullen voegen. Door verticale elementen zoals balken zal dat ook terug te zien zijn in het nieuwe woongebouw. Aangezien de bebouwing in het lint gevarieerd is, is er voor de dijkwoningen geen vaste vorm om te volgen. Detailaspecten De detailaspecten voor de beoordeling zijn als volgt:

▪

Materialen onderdelen;

▪

Kleuren onderdelen;

▪

Detaillering onderdelen.

De nieuwe gevelelementen van het kerkgebouw zullen zich qua materiaal en kleur voegen naar de bestaande gevelelementen: de bestaande glas-in-loodramen zijn het vertrekpunt voor de donkere ramen, deuren en loggia’s. Ook in het nieuwe woongebouw wordt voor materialen en kleuren gekozen die daarbij aansluiten. Aangezien de bebouwing in het lint gevarieerd is, is er voor de dijkwoningen geen vaste vorm om te volgen. Conclusie In het kader van het vooroverleg heeft de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit bovendien positief gereageerd op de voorgenomen aanvraag. Er worden op het vlak van welstand daarom geen belemmeringen verwacht.

pagina 31 van 62

7.2

Verkeer en parkeren

7.2.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Planspecifiek Door de ontwikkeling van nieuwe woningen ontstaat een extra verkeersgeneratie. Om daar een inschatting van te kunnen maken, is de publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering’ van CROW geraadpleegd. De planlocatie ligt in ‘Rest bebouwde kom’ en er geldt een stedelijkheidsgraad van ‘matig stedelijk’. Oude situatie Toen het kerkgebouw nog in gebruik was, was er ook sprake van verkeersgeneratie. Deze verkeersgeneratie vond plaats op zondagen in de ochtend, als gevolg van de samenkomst. Voor de verkeersgeneratie van een kerkgebouw heeft het CROW geen kengetallen. Daarom is het aantal parkeerplaatsen als basis genomen. Hierbij is het uitgangspunt dat er twee verkeersbewegingen worden gegenereerd per keer dat de parkeerplaats wordt gebruikt. Volgens het CROW geldt voor een religieus gebouw dat er 0,2 parkeerplaatsen nodig zijn per zitplaats. De kerk had 600 zitplaatsen en dus een parkeerbehoefte van 0,2*600 = 120 parkeerplaatsen. De verkeersgeneratie op een zondagochtend was dus 2*120 = 240 verkeersbewegingen. Op andere momenten in de week was er vanwege de samenkomst doorgaans geen verkeersgeneratie. Nieuwe situatie Project Kerk Het programma van Project Kerk is als volgt:

▪

14 seniorenappartementen;

▪

6 sociale huureenheden (4 nieuwbouw en 2 splitsing sacristie);

▪

1 koopwoning bij omzetting pastorie (bestaande woning dus geen toevoeging).

De oppervlaktes van de seniorenappartementen vallen in drie CROW-categorieën:

▪

Koop, appartement, >100 m2 bvo: 4 appartementen;

▪

Koop, appartement, 75-100 m2 bvo: 6 appartementen;

▪

Koop, appartement, <75 m2 bvo: 4 appartementen.

Navolgende tabel toont een overzicht van de nieuwe verkeersgeneratie per woningtype en de totale verkeersgeneratie, uitgaande van een gemiddelde verkeersgeneratie. De bestaande woning is niet meegenomen.

pagina 32 van 62

Soort woning

Aantal woningen

Koop, appartement, > 100 m2 bvo Koop, appartement, 75-100 m2 bvo Koop, appartement, <75 m2 bvo Huur, huis, sociale huur Totaal

4 6 4 6

Gemiddelde verkeers-generatie per woning 7,1 5,6 4,9 4,4

Totale gemiddelde verkeersgeneratie 28,4 33,6 19,6 26,4 108

De nieuwe gemiddelde verkeersgeneratie op het deel van de planlocatie waar het kerkgebouw staat, is dus 108 voertuigbewegingen per etmaal. Project Dijk Op de dijk worden drie vrijstaande woningen gerealiseerd. Navolgende tabel toont een overzicht van de verkeersgeneratie per woningtype en de totale gemiddelde verkeersgeneratie. In totaal gaat het om gemiddeld 24,6 verkeersbewegingen per etmaal. Soort woning

Aantal woningen

Koop, huis, vrijstaand Totaal

3

Gemiddelde verkeersgeneratie per woning 8,2

Totale gemiddelde verkeersgeneratie 24,6 24,6

Totaal In totaal is de gemiddelde verkeersgeneratie van het planvoornemen 108 + 25 = 133 voertuigbewegingen per etmaal. Conclusie De verkeersgeneratie in de nieuwe situatie is lager dan de verkeersgeneratie in de oude situatie op het hoogtepunt (133 voertuigbewegingen per etmaal tegenover 240 voertuigbewegingen per etmaal). Aangezien de bestaande wegen de verkeersgeneratie van 240 voertuigbewegingen per etmaal konden opvangen, kan worden aangenomen dat ze een verkeersgeneratie van 133 bewegingen per etmaal ook kunnen opvangen. Bovendien zullen deze bewegingen in de nieuwe situatie meer verspreid zijn over de dag vergeleken met de bewegingen als gevolg van de samenkomst. Er kan worden aangenomen dat het aspect verkeer geen belemmering vormt.

7.2.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

pagina 33 van 62

Planspecifiek Door de beoogde ontwikkeling verandert de parkeerbehoefte. In de gemeente Kaag en Braassem geldt sinds 24 juni 2025 de ‘Herziening Nota Parkeernormen 2018’. Daarin worden parkeernormen gegeven die zijn bepaald op basis van lokaal autobezit, de stedelijkheidsgraad, de gebiedsindeling en de parkeernormen van CROW. Ook staat er in deze nota dat er zoveel mogelijk dient te worden voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. Daarom dient de parkeerbehoefte als gevolg van het beoogde plan bepaald te worden. Dat wordt gedaan aan de hand van de parkeernormen in de ‘Herziening Nota Parkeernormen 2018’. De planlocatie ligt in ‘Rest bebouwde kom’. Navolgende afbeelding toont de beoogde perceelindeling, waarop de parkeervoorzieningen aangegeven zijn.

Schematische beoogde perceelindeling (bron: Architektenburo Marcel van Dijk)

Woningen in en rond kerkgebouw De gemeente Kaag en Braassem werkt bij de gegeven parkeernormen met een bandbreedte: er wordt een minimum en een maximum parkeerbehoefte gegeven. Binnen die bandbreedte ontstaat de mogelijkheid om maatwerk te leveren. De minimale parkeernormen gelden daarbij als ondergrens.

pagina 34 van 62

De oppervlaktes van de seniorenappartementen vallen in drie verschillende categorieën:

▪

Etage, duur (>120 m2): 1 appartement;

▪

Etage, middelduur (65-120 m2): 10 appartementen;

▪

Etage, goedkoop (<65 m2): 3 appartementen.

Navolgende tabel toont de minimale parkeerbehoefte per woningtype en de totale minimale parkeerbehoefte. Type woning

Aantal woningen

Etage, duur (>120 m2) Etage, middelduur (65-120 m2) Etage, goedkoop (<65 m2) Huurwoning (sociale huur) Vrijstaand Totaal

1 10 3 6 1

Minimale parkeerbehoefte per woning 1,7 1,5 1,2 1,2 1,9

Totale minimale parkeerbehoefte 1,7 15 3,6 7,2 1,9 29,4

Er dienen dus in het beoogde plan minimaal 30 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. In het beoogde ontwerp worden er 26 parkeerplaatsen op eigen perceel gerealiseerd, waarvan twee voor de pastoriewoning. Er zijn dus, gelet op bovenstaande berekening, vier parkeerplaatsen te weinig. In de oude situatie had de kerk een theoretische parkeervraag van 0,2 * 600 zitplaatsen van 120 parkeerplaatsen. Hierbij moet opgemerkt worden dat de in de uitgave van het CROW de norm van 0,2 is opgenomen met de kanttekening dat dit sterk kan wisselen. De parkeervraag deed zich voor op zondagen in de ochtend. Op dat moment is ook de parkeervraag vanuit omliggende woningen het hoogst. De zondagochtend kan daarmee als maatgevend moment worden aangehouden. Daarmee kan gesteld worden dat de parkeerdruk op het parkeerterrein ten oosten van de kerk met het oog op het wegvallen van de kerkfunctie sterk zal afnemen (of al afgenomen is). Gezien deze afname is het mogelijk een deel (4 parkeerplaatsen) van de nieuwe parkeervraag op te lossen in de openbare ruimte. Dijkwoningen De woningen die worden gerealiseerd aan de dijk krijgen ieder hun eigen parkeerplaatsen. Navolgende tabel toont de minimale parkeerbehoefte: Type woning

Aantal woningen

Vrijstaand Totaal

3

Minimale parkeerbehoefte per woning 1,9

Totale minimale parkeerbehoefte 5,7 5,7

De woningen krijgen ieder hun eigen parkeergelegenheid. Per woning dienen dat minstens twee parkeerplaatsen te zijn, om te voorzien in de minimale parkeerbehoefte. Daar wordt in het beoogde plan aan voldaan. Conclusie Het aspect parkeren vormt voor het beoogde plan geen belemmering.

pagina 35 van 62

7.3

Duurzaamheid en gezondheid

De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De nieuwe eisen zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Planspecifiek Er wordt woonruimte gerealiseerd in een kerkgebouw dat anders leeg zou komen te staan. Het hergebruik van een gebouw dat anders leeg zou staan, is inherent duurzaam, aangezien er minder nieuwe materialen en minder uitvoerige bouwwerkzaamheden nodig zijn. In het beoogde plan worden verder zoveel mogelijk bestaande bomen en groenstructuren behouden, wat verder bijdraagt aan de mate van duurzaamheid van het project. Ook wordt er voor de bewoners een gezamenlijke tuin gecreëerd, wat tijd doorbrengen tussen het groen bevordert. Dat is goed voor zowel fysieke als mentale gezondheid. Verder worden de beoogde woningen gasloos en volgens de BENGeisen gebouwd. De aspecten duurzaamheid en gezondheid vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.4

Geluid

De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

▪

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

pagina 36 van 62

Het beschermen van een geluidgevoelig gebouw gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale

wegen,

gemeentewegen,

waterschapswegen,

hoofdspoorwegen,

lokale

spoorwegen

en

industrieterreinen.

Planspecifiek Woningen zijn geluidsgevoelige functies, dus dient er aangetoond te worden dat er op het gebied van geluid in de beoogde situatie geen overlast zal ontstaan voor de toekomstige bewoners. De planlocatie ligt in het geluidaandachtsgebied van de Rijksweg A4, de hoofdspoorweg HSL-Zuid en verscheidene gemeentelijke wegen. In de Atlas Leefomgeving is te zien dat er op de planlocatie tot ca. 56 dB geluidsbelasting is. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 2: Buro SRO, d.d. 26 maart 2026). De uitkomsten daarvan zullen navolgend besproken worden. Berekeningsresultaten wegen Rijkswegen De waarde van het geluid bedraagt op meerdere punten meer dan de standaardwaarde 50 dB voor rijkswegen. De hoogste waarde bedraagt 59 dB op de westgevel van het appartementengebouw, op 8 m hoogte. De grenswaarde van 60 dB wordt niet overschreden. Gemeentewegen De waarde van het geluid bedraagt op meerdere punten meer dan de standaardwaarde 53 dB voor gemeentewegen. De waarde van het geluid van gemeentewegen bedraagt maximaal 54 dB op de noordelijke geven van het nieuwe appartementengebouw op een hoogte van 5 m. De grenswaarde (70 dB) wordt niet overschreden. Berekeningsresultaten spoorwegen De waarde van het geluid als gevolg van het spoorverkeer over de spoorweg HSL-Zuid bedraagt op meerdere punten meer dan de standaardwaarde voor hoofdspoorwegen (55 dB).

De hoogste waarde bedraagt 58 dB op de westgevel van het appartementengebouw, op een hoogte van 8 m. De grenswaarde (65 dB) wordt niet overschreden. Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Gecumuleerd geluid De hoogste waarde van het gecumuleerd geluid bedraagt 61 dB, wat volgens de methode Miedema wordt gekwalificeerd als ‘matig’. Als deze waarde wordt vergeleken met de grenswaarde voor gemeentewegen (70 dB), lijkt dit aanvaardbaar. Gezamenlijk geluid en geluidwering gevels De geluidwering van de gevel (20 dB als basis) moet minstens gelijk zijn aan de gezamenlijke waarde van het geluid minus 33 dB. Voor gevels van een nieuwe woningen met een waarde van het gezamenlijk geluid van meer dan 53 dB, zijn betere geluidwerende voorzieningen nodig. De hoogste waarde van het gezamenlijk geluid bedraagt 62 dB op de westgevel van het appartementengebouw, op een hoogte van 8 m. De benodigde karakteristieke geluidwering is daarom hoger dan 20 dB, wat niet gehaald wordt met de minimale geluidwering uit het Bbl voor nieuwbouw.

pagina 37 van 62

Maatregelen Maatregelen aan de bron, aanpassen wegdek/spoor De rijksweg is voorzien van 1L ZOAB. Bij het toepassen van een stiller wegdek (dunne deklaag B) zal de geluidbelasting met ca. 1-3 dB afnemen. Dat gaat echter gepaard met dermate hoge kosten in verhouding tot het plan, dat aanpassing van het wegdek hier geen optie is. Er zijn verscheidene maatregelen om geluid afkomstig van spoorwegen te reduceren mogelijk, waarvan bij een HSL raildempers en geluidsabsorberende platen in de bodem (het meest) efficiënt zijn. Ook deze maatregelen gaat echter gepaard met dermate hoge kosten in verhouding tot het beoogde plan dat aanpassingen aan de spoorweg hier geen optie zijn. Maatregelen aan de bron, verlagen van de maximumsnelheid Deze maatregel ligt voor zowel de rijksweg als de spoorweg niet voor de hand en is niet nader behandeld. Maatregelen aan de bron, afschermen van de weg Er staan reeds geluidsschermen tussen de rijksweg/spoorweg en het plangebied. Het verder afschermen van deze (spoor)wegen is hiermee geen optie. Afscherming van het plan/de nieuwe woning Het afschermen van het gebouw zelf is niet haalbaar, stedenbouwkundig ongewenst en verder niet in dit onderzoek behandeld. Maatregelen ruimtelijk initiatief, het gebouw De benodigde karakteristieke geluidwering van de gevel van de nieuwe woning dient minimaal 29 dB te bedragen.

Dit is technisch goed haalbaar en vormt daarom een passende maatregel. Conclusies onderzoek Conclusies in kader van de Omgevingswet Ten aanzien van de verschillende geluidsbronnen zijn de volgende conclusies te trekken:

▪

Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van 27 rekenpunten sprake is van een overschrijding van de standaardwaarden voor Rijkswegen (50 dB). De hoogste waarden van geluid afkomstig van rijkswegen bedraagt 59 dB;

▪

Ook blijkt er ter plaatse van 11 rekenpunten sprake te zijn van een overschrijding van de standaardwaarde voor spoorwegen (55dB). De hoogste waarde van geluid van spoorwegen bedraagt 58 dB;

▪

De standaardwaarde voor gemeentelijke wegen (53 dB) wordt op twee toetspunten overschreden. De hoogste waarde van geluid van gemeentewegen bedraagt 54 dB;

▪

De grenswaarde van verschillende geluidsbronnen wordt nergens overschreden.

Onder de Omgevingswet is het gezamenlijk geluid van de verschillende geluidsbronnen op de gevels van nieuwe woningen het uitgangspunt. De hoogste waarde van gezamenlijk geluid bedraagt 62 dB op de westgevel van het appartementengebouw. Volgens het Bbl moet de minimale karakteristieke geluidwering van de gevel 29 dB zijn, waardoor een acceptabel woon- en leefklimaat geborgd wordt. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het

pagina 38 van 62

bouwen dient middels een gevelwering-onderzoek aangetoond te worden dat er voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie te realiseren is. Hiermee voldoet het plan aan de kaders van het Bbl. Conclusies in kader van het gemeentelijk beleid De gemeente Kaag en Braassem heeft geen verdere kaders/geluidsregels voor het beoordelen van geluid onder de Omgevingswet. Het in 2024 vastgestelde afwegingskader van de omgevingsdienst West-Holland is van toepassing. Omdat er sprake is van overschrijdingen van standaardwaarden en mogelijke maatregelen aan de bronnen niet doeltreffend zijn, gelden er vanuit dat kader aanvullende voorwaarden. Conclusie Het plan voldoet niet voor alle woningen aan de standaardwaarden. Wel wordt voldaan aan de maximale waarden. Om gebruik te mogen maken van de maximale waarden is het voldoen aan gemeentelijk geluidsbeleid een voorwaarde. Ook hier wordt niet volledig aan voldaan. Dit is gezien de opgave, transformatie van een kerkgebouw, ook niet mogelijk. Niet voldaan wordt aan het vereiste van een geluidsluwe buitenruimte voor alle woningen. Hierin is voorzien om voor alle woningen wel een collectieve geluidsluwe buitenruimte aan te bieden binnen het plan.

7.5

Activiteiten en milieuzonering

De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is.

De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Zolang een gemeente nog geen specifieke regels met betrekking tot milieuhinderlijke activiteiten heeft opgenomen in haar omgevingsplan blijven de richtafstanden uit de VNG-richtafstandenlijst (2009) het toetsingskader. Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand (de richtafstand). Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds het bouwvlak van een woning die op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en verschillen per gebiedstype waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Uitgangspunt is dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast.

pagina 39 van 62

Andere milieuthema’s dan geur en geluid Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:

▪

Luchtverontreiniging.

▪

Externe veiligheid en gevaar.

▪

Trillinghinder.

▪

Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.

▪

Lichthinder.

▪

Spuitzones.

▪

De hinder door verkeer aantrekkende werking.

Planspecifiek Woningen zijn een milieugevoelige functie. Daarom dient aangetoond te worden dat de toekomstige bewoners van de te ontwikkelen woningen geen ontoelaatbare overlast ervaren van eventuele omringende bedrijven. Tegelijk dient te worden aangetoond dat de omliggende bedrijven niet worden beperkt in hun mogelijke werkzaamheden als er woningen worden gerealiseerd. Daarom is een inventarisatie gemaakt van bedrijven rond het plangebied. Hieronder worden de relevante bedrijven en instanties besproken, met behulp van de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Gezien de rustige ligging van de planlocatie in een woonwijk valt dit gebied onder ‘rustig woongebied’. Aannemersbedrijf Op ca. 35 m in westelijke richting van de planlocatie ligt een perceel met de bestemming ‘Bedrijf’ en een specifieke functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ en ‘specifieke vorm van bedrijf – aannemersbedrijf’. Voor een bedrijf met milieucategorie 3.1 geldt een richtafstand van 50 m. Voor een aannemer met een werkplaats van meer dan 1.000 m2 geldt evenals een richtafstand van 50 m. De werkplaats ligt op ca. 45 m afstand van de gevel van de dichtstbijzijnde woningen op de planlocatie. Er wordt dus net niet voldaan aan de richtafstand.

Er moet daarom aanvullend onderbouwd worden of de activiteiten die op locatie plaatsvinden bij de beoogde woning leiden tot een verminderd woon- en leefklimaat en een eventuele beperking van de bedrijfsvoering. De initiatiefnemer van het beoogde plan is ook de bedrijfsexploitant van het naastgelegen aannemersbedrijf. In de loodsen vindt prefabricage ten behoeve van bouwactiviteiten plaats. De meest zuidelijke drie loodsen worden uitsluitend gebruikt voor opslag en stalling van auto’s. De intensiteit van de bedrijfsvoering is dus beperkt. Bovendien moest de intensiteit van de bedrijfsvoering al beperkt zijn, met het oog op de woningen aan het Westeinde 10a en 10, die op kortere afstand van dit bedrijf liggen dan de woningen in het planvoornemen. De belemmering in bedrijfsvoering als gevolg van de beoogde ontwikkeling is dus beperkt. Daarnaast maakt het feit dat een groot deel van de loodsen enkel gebruikt wordt voor opslag en het feit dat de bedrijfsvoerder ook initiatiefnemer is dat een goed woon- en leefklimaat op locatie te verwachten is. Drukkerij Op ca. 40 meter in oostelijke richting van de planlocatie liggen gronden met de bestemming ‘Bedrijf’ en als functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - drukkerij’ en ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’.

Voor een bedrijf met milieucategorie 3.1 geldt een richtafstand van 50 meter dus daar wordt gezien vanaf de perceelsgrenzen niet aan voldaan. In de praktijk zit er op deze locatie inderdaad een drukkerij. De afstand tussen de drukkerij en de gevel

pagina 40 van 62

van de dichtstbijzijnde beoogde woningen bedraagt ca. 70 m. Voor een kleine drukkerij geldt een richtafstand van 30 meter. Daar wordt aan voldaan. Het is niet waarschijnlijk dat de bedrijfsvoering en/of het bedrijfsgebouw aangepast zal worden in de toekomst, dus er kan worden geconcludeerd dat dit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Bedrijventerrein, deel ten zuiden Alkemadelaan Ten noorden en westen van de planlocatie ligt een groot bedrijventerrein. De bestemming is ‘Bedrijventerrein’, waarmee deze gronden afhankelijk van de functieaanduiding bestemd zijn voor bepaalde bedrijfsvoering. De Alkemadelaan loopt midden door het bedrijventerrein. Het deel van het bedrijventerrein ten zuiden van deze weg wordt eerst besproken. Op ca. 35 m van de planlocatie in westelijke richting ligt een vlak met de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’. Dat is het dichtstbijzijnde deel van het bedrijventerrein. Bedrijven met een milieucategorie 2 hebben een richtafstand van 30 meter. Daar wordt dus aan voldaan. De overige bedrijven binnen het vlak ‘bedrijf tot en met milieucategorie 2’ liggen ieder op minstens 75 m afstand van de planlocatie en voldoen allemaal aan de maximale milieucategorie. Aangezien daar een richtafstand van 30 m voor geldt, kan worden aangenomen dat deze bedrijven geen belemmering vormen. Op ca.

140 m in westelijke richting bevindt zich een vlak waar bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 gevestigd mogen worden. Gezien de ruime afstand tussen dit vlak en de beoogde woningen wordt aangenomen dat deze bedrijven geen belemmering vormen. De richtafstand voor bedrijven met milieucategorie 3.1 is namelijk 50 meter en daar wordt ruim aan voldaan. Op ca. 320 m in westelijke richting ligt een vlak waar bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 gevestigd worden. Aangezien de richtafstand tot dergelijke bedrijven 100 bedraagt, kan worden aangenomen dat dit geen belemmering vormt. Bedrijventerrein, deel ten noorden Alkemadelaan Het overige deel van het bedrijventerrein ligt ten noorden van de Alkemadelaan. Op ca. 70 m van de planlocatie ligt een vlak met functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’. Voor dergelijke bedrijven geldt een richtafstand van 100 meter. Daar wordt niet aan voldaan. In de werkelijke situatie zijn de bedrijven niet tot de rand van het bestemmingsvlak gebouwd. Het grootste deel van de beoogde woningen voldoet gezien vanaf de gevels wel aan de richtafstand, behalve het woongebouw dat op de plek van het mortuarium gebouwd zal worden: de afstand van gevel tot gevel ligt nét onder de 100 meter, dus wordt er niet voldaan aan de richtafstand. Daarom wordt gekeken naar de bedrijven die hier in de praktijk gevestigd zijn. Bedrijf

Milieucategorie

Richtafstand

Voldoet?

10 m

Daadwerkelijke afstand Ca. 85 m

Eco Recycling Cans (productontwerp) AutoCrew – Wereldauto (autobedrijf/garage) CLT Beauty (schoonheidssalon) BodyArt Training (personal trainer)

1 2

30 m

Ca. 70 m

Ja

1

10 m

Ca. 95 m

Ja

3.1

50 m

Ca. 100 m

Ja

Ja

Er is te zien dat alle bedrijven die hier in de praktijk gevestigd zijn voldoen aan de richtafstand. Het is niet waarschijnlijk dat zich hier in de nabije toekomst andere bedrijven met significant grotere richtafstanden zullen vestigen, dus dit vormt geen belemmering.

pagina 41 van 62

Peuterspeelzaal en onderwijsinstelling Naast de planlocatie zitten een peuterspeelzaal en onderwijsinstelling. De bestemming van de desbetreffende gronden is ‘Maatschappelijk’. Daarmee zijn deze bestemd voor het uitoefenen van activiteiten gericht op maatschappelijke voorzieningen. In de praktijk zitten er dus een peuterspeelzaal en onderwijsinstelling, met bijbehorend speelplein. De richtafstand voor een dergelijke functie is 30 meter vanaf de hoofdgeluidsbron, in dit geval de speelpleinen. Het dichtstbijzijnde woongebouw, waar de sociale huurwoningen in zullen worden ondergebracht, voldoet niet aan de richtafstand: deze ligt op ca. 15 meter van het plein. Wel staat er op zowel het terrein van de peuterspeelzaal als op de planlocatie tussen het woongebouw en het plein een heel aantal bomen en andere beplanting, die mogelijk geluid van de kinderen zullen dempen. Bovendien kan er worden aangenomen dat het gros van de eventuele geluidsoverlast veroorzaakt door de kinderen overdag en doordeweeks zal plaatsvinden, terwijl de meeste bewoners dan juist niet of minder thuis zullen zijn. Er kan worden aangenomen dat er door de aanwezigheid van de peuterspeelzaal en onderwijsinstelling geen onaanvaardbare geluidsoverlast zal ontstaan. Bovendien zullen de peuterspeelzaal en onderwijsinstelling op termijn verhuizen naar het IKC (Kineo) nabij het Sportpad, op ca.

870 m afstand van de planlocatie. Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor het beoogde plan.

7.6

Geur

Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de Bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente stelt in aanvulling hierop waar nodig 1 of meer bebouwingscontouren geur vast waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan.

Planspecifiek Er worden in de omgeving van het plangebied geen geurveroorzakende activiteiten uitgevoerd. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

pagina 42 van 62

7.7

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Wel is ten behoeve van 'een evenwichtige toedeling van functies’, met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van receptor 27369098_2442 voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor NO2 en PM10 en 25 μg/m³ voor PM2,5. De specifieke concentraties over 2024 van fijnstof en stikstofdioxide in het plangebied bedragen 15,4 μg/m³ (PM10), 8,5 μg/m³ (PM2,5) en 15,3 μg/m³ (NO2). De WHO-advieswaarden worden overschreden. Vanaf 2030 gaan strengere Europese luchtkwaliteitseisen gelden, dus ook in Nederland. Uiterlijk in 2030 moeten de jaargemiddelde concentraties PM2,5 en PM10 zijn gedaald naar respectievelijk 10 en 20 μg/m³. Voor NO2 gaat een nieuwe jaargemiddelde eis gelden van 20 μg/m³.

De specifieke concentraties over 2030 van fijnstof en stikstofdioxide in het plangebied bedragen 15,0 μg/m³ (PM10), 7,3 μg/m³ (PM2,5) en 12,2 μg/m³ (NO2). Deze waarden liggen lager dan de concentraties in 2024 en blijven binnen de nieuwe grenswaarden voor 2030. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.

pagina 43 van 62

7.8

Archeologie en cultuurhistorie

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Daarnaast zijn er algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen.

De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

Planspecifiek Archeologie In het tijdelijke deel van het omgevingsplan van Kaag en Braassem is het plangebied niet voorzien van een archeologische dubbelbestemming. In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd door The Missing Link. Op basis van deze evaluatie zijn bij raadsbesluit van 13 mei 2013 de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Daarbij is de nieuwe archeologische beleidsadvieskaart opgenomen. Op de beleidskaart heeft het gebied een 'Lage verwachting'. In verband hiermede kan onderzoek naar archeologie achterwege blijven. Cultuurhistorie Het plangebied heeft geen dubbelbestemming met betrekking tot cultuurhistorische waarden. Binnen het plangebied zijn geen monumentale of cultuurhistorische waardevolle gebouwen aanwezig. Wel is het kerkgebouw op de planlocatie een karakteristiek pand. De kerk stamt uit 1950 en is waardevol als voorbeeld van architectuur uit de Delftse School. Daarom is het beschermen van het zicht op de kerk vanaf het Pastoor Onelplein en het Westeinde belangrijk.

Gelet op de ligging van het plangebied doet de beoogde ontwikkeling geen afbreuk aan (het zicht op) de karakteristieke kerk.

pagina 44 van 62

Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

7.9

Bodem

Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

▪

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

▪

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van een bestemmingswijziging naar een bodemgevoeliger grondgebruik. Het plangebied is het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestemd voor wonen en tuin. De beoogde woningen worden binnen het perceel op bodemgevoelige locaties voorzien. Een bodemonderzoek kan hiermee achterwege blijven.

7.10 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder

pagina 45 van 62

meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage VI van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken.

(Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.

Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.

pagina 46 van 62

Planspecifiek Het beoogde plan omvat de realisatie van woningen, wat een gevoelige functie is. Daarom dient te worden aangetoond dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt. De risicokaart van de Atlas Leefomgeving is geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont daar een uitsnede van.

Risicokaart, plangebied rood omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving).

Transportroutes gevaarlijke stoffen Op ca. 400 m in noordwestelijke richting ligt de A4, waaroverheen gevaarlijke stoffen getransporteerd mogen worden. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied voor explosie en/of brand van de weg. Wel ligt het plangebied binnen het aandachtsgebied voor een gifwolk. Daarbij moeten de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden beschouwd vanuit een gifwolkscenario. Bij een ongeval met een tank-/ketelwagen met gevaarlijke stoffen is het mogelijk dat er een toxische wolk ontstaat en deze over het plangebied trekt. Het effectgebied waar binnen onherstelbare of ernstige gezondheidsklachten bij blootstelling kunnen optreden is bij stabiel weer tot voorbij de 1,5 km. Bestrijdbaarheid Het plangebied is zowel vanuit de oostzijde als de noordzijde voor de hulpdiensten goed bereikbaar. Voor de woning kunnen bouwtechnische maatregelen worden genomen, zoals afschakelbare (mechanische) ventilatie. Zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het effectgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen, indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen.

De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is mede bepalend voor het uiteindelijke aantal slachtoffers en voor de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval.

pagina 47 van 62

Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in de woning te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk het gebouw niet binnendringt. Het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het ventilatiesysteem is daarvoor een vereiste. Buisleidingen De dichtstbijzijnde buisleiding loopt op ca. 1,3 km in noordwestelijke richting. Het gaat om een gasleiding. Daarnaast liggen er langs deze leiding nog meer leidingen, waar gas of kerosine doorheen loopt. De planlocatie ligt buiten het brandaandachtsgebied van deze leidingen, evenals de PR-contouren. Hoogspanningslijnen Op ca. 1,4 km in westelijke richting van de planlocatie loopt de dichtstbijzijnde bovengrondse hoogspanningsleiding. Er geldt een rekenafstand van 2 x 110 meter, dus dit vormt geen belemmering. Risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen De dichtstbijzijnde activiteit met gevaarlijke stoffen vindt plaats op ca. 160 m in noordelijke richting. Het gaat om een opslagtank voor oxiderend verstikkend gas. Vanwege de afstand tot de planlocatie vormt dit geen belemmering voor het beoogde plan. Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt.

7.11 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld.

Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.

pagina 48 van 62

In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

▪

aanwezige dier- en plantensoorten;

▪

typen natuurlijke habitats;

▪

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

▪

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

▪

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op werkzaamheden die mogelijk schadelijk zijn voor beschermende soorten en gebieden. Er wordt in het kader van het beoogde plan bestaande bebouwing gesloopt, namelijk het mortuarium en een fietsenstalling. Dit betreft een Flora- en Fauna-activiteit zoals geformuleerd in de Omgevingswet. Derhalve is er voor de beoogde ontwikkeling een quickscan natuur uitgevoerd (Els & Linde B.V, 23.766, d.d. 5 december 2025, zie bijlage 3). Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en ‘Kennemerland Zuid’ liggen beide op een afstand van ca. 12 km. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen en heeft geen significant storend effect op soorten in Natura 2000-gebieden. Gelet op deze grote

pagina 49 van 62

afstand en op de beperkte schaal van de ontwikkeling kan een stikstofonderzoek middels de AERIUS-calculator achterwegen blijven. Soortbescherming Uit de quickscan blijkt dat de aanwezigheid van vleermuizen, gierzwaluw en huismus niet uitgesloten kan worden. Er dient hiervoor een aanvullend onderzoek naar deze soorten te worden uitgevoerd. Dit onderzoek is opgestart en de eerste onderzoeksrondes zijn geweest (najaarsronde 2025). Indien blijkt dat uit het nader onderzoek dat er sprake is van aanwezigheid van beschermde soorten dient aanvullend een Omgevingsvergunning activiteit Natuur aangevraagd te worden bij de provincie Zuid-Holland. Daarnaast kan de aanwezigheid van de overige soorten waaronder de egel en algemene broedvogels niet worden uitgesloten. Ter bescherming van de mogelijke aanwezigheid van deze overige soorten moet de geschikte begroeiing intact worden gelaten en er mag geen werkmateriaal in het groen worden geplaatst. Om te voorkomen dat egels zich kunnen vestigen binnen de planlocatie, voor het afronden van de werkzaamheden, wordt aangeraden om geen compost, takken-, blader- of puinhopen te creëren. Houtopstanden De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden. Bomen Effect Analyse Er is in het kader van het beoogde plan een Bomen Effect Analyse uitgevoerd (De Boomingenieur, JE0482025, d.d.

11 april 2025, bijlage 4). Daarin is de te verwachten impact van de voorgenomen herinrichtingswerkzaamheden op deze bomen beoordeeld, op basis van het (destijds) meest recente ontwerp. Bestaande situatie Er staan op de planlocatie 18 bomen van 10 verschillende soorten. Geen van de bomen staat op de bomenlijst van gemeente Kaag en Braassem. Navolgende afbeelding toont de bestaande bomen, inclusief de gehanteerde nummering.

pagina 50 van 62

Beschouwde bomen op de planlocatie (bron: De Boomingenieur, d.d. 11 april 2025)

Boom 5 wordt vanwege afgestorven takken aangewezen als veiligheidsrisico. Er zijn 12 bomen in goede conditie, 5 bomen in redelijke conditie en boom 7 heeft een matige conditie. De meeste bomen zijn van goede kwaliteit, met uitzondering van boom 1 en 7, die een redelijke kwaliteit hebben. Voor de meeste bomen geldt een goede toekomstverwachting (> 15 jaar), voor boom 7 en 14 een redelijke toekomstverwachting (10-15 jaar). Werkzaamheden De verwachte werkzaamheden zijn:

▪

afgraven deel maaiveld;

▪

aanleggen parkeervoorzieningen;

▪

slopen bebouwing en herbouw appartementen ter hoogte van boom 9 en 10.

Effect werkzaamheden op bomen, duurzaam behoud

▪

Boom 6, 10 en 12 tot en met 18 staan op voldoende afstand van de werkzaamheden en kunnen duurzaam in stand worden gehouden. Bij boom 10 moet wel de kroon ingenomen worden;

▪

Boom 1, 2, 7 en 11 zullen 10-25% wortelverlies ondervinden, wat bij boom 1, 2 en 11 duurzaam behoud alsnog mogelijk maakt, terwijl boom 7 niet duurzaam behouden kan worden;

▪

Boom 4, 5, 8 en 9 zullen 25-40% wortelverlies ondervinden en kunnen niet duurzaam in stand worden gehouden;

▪

Boom 3 zal meer dan 40% wortelverlies ervaren en kan niet duurzaam in stand worden gehouden.

pagina 51 van 62

Aanbevelingen

▪

Boom 5 dient gesnoeid te worden;

▪

Boom 3, 4, 5, 7, 8, 9, en 10 kunnen binnen de huidige plannen niet duurzaam behouden worden; o

Er zijn mogelijke oplossingen die behoud van de bomen alsnog mogelijk kunnen maken, zoals het terugdringen van het aantal parkeerplaatsen, een smallere rijbaan en/of enkele parkeerplaatsen verhogen;

o

Voor boom 5 geldt: als de onder de boom geplande parkeerplaatsen niet gerealiseerd worden, kan de boom alsnog duurzaam behouden worden.

▪

Voor alle bomen die behouden worden, geldt een aantal voorwaarden die in het onderzoek uiteengezet zijn.

Verhouding onderzoek-definitief ontwerp Het besproken onderzoek was gebaseerd op de meest recente ontwerptekening destijds. In de tussentijd is het ontwerp aangepast, wat invloed heeft op de toepasbaarheid van het onderzoek en de aanbevelingen. Zo is de plaatsing van de parkeerplaatsen aangepast. Navolgende afbeelding toont het definitieve ontwerp voor het perceel, waarop ook aangegeven is welke bomen verwijderd zullen worden. De nummering van de bomen die gehanteerd is in de BEA is aangegeven op de afbeelding. Op deze afbeelding is te zien dat er onder boom 5 niet langer parkeerplaatsen ingetekend zijn. Daarmee is duurzaam behoud van deze boom mogelijk, mits deze zoals voorgeschreven wordt gesnoeid. Alle andere bomen waarvan in het onderzoek is aangegeven dat duurzaam behoud ervan niet mogelijk is, worden in het kader van het beoogde plan verwijderd (3, 4, 7, 8, 9 en 10). Verder wordt ook boom 11 verwijderd. De bomen 17 en 18 zijn niet aangegeven op de tekening, aangezien deze ter plaatse van de begraafplaats staan en deze begraafplaats in het kader van het beoogde plan niet aangetast zal worden. Deze twee bomen blijven behouden.

pagina 52 van 62

6 10

9

8 5 7 4

11

1 2 3

16 14

13

12

15

Bomen en parkeren definitief (bron: architektenburo Marcel van Dijk)

Derhalve kan worden geconcludeerd dat alle bomen die in het kader van het beoogde plan behouden zullen worden ook geschikt zijn voor duurzaam behoud. Indien boom 5 wordt gesnoeid en alle andere voorwaarden die uiteen zijn gezet in het onderzoek nageleefd worden, kan er worden gezegd dat de bomen geen belemmering vormen voor het beoogde plan en dat alle beoogde bomen behouden kunnen blijven worden. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

pagina 53 van 62

7.12 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog worden gehouden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=3a2780c0-1a95-4705-9ece-558045bece49