CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20260421_BOPA onderbouwing Pastoor Onelplein 1 Roelofarendsveen

Gemeenteraad 8 juni 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Verzwaard adviesrecht BOPA Pastoor Onelplein 1-3, Roelofarendsveen.20.084 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 De provincie Zuid-Holland heeft het regionaal waterprogramma 2022-2027 opgesteld, om verdere invulling te geven aan het nationale programma. Ze richt zich in dit programma op vijf hoofddoelen:

▪

Het realiseren van een duurzaam en toekomstbestendig waterveiligheidsbeleid;

▪

Het realiseren van goede grondwaterkwantiteit en -kwaliteit;

▪

Het beperken van maatschappelijke kosten door bodemdaling;

▪

Het behouden en versterken van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van landschap, water en erfgoed;

▪

Het realiseren van een goed functionerende provinciale infrastructuur.

In het programma zijn al deze thema’s uitgewerkt middels een onderbouwing van de beleidskeuze en een uitwerking van het beleid in specifieke maatregelen, zowel algemeen als gebiedsspecifiek.

pagina 54 van 62

WBP6: Water wijst de weg De planlocatie ligt in het Rijnland, waar het hoogheemraadschap van Rijnland verantwoordelijk is voor het waterbeheer. Op (datum) is het Waterbeheerprogramma van dit hoogheemraadschap voor 2022-2028 vastgelegd, genaamd ‘WBP6: Water wijst de weg’. Hieraan staan de visie, het beleid en de doelen voor desbetreffende zes jaar. Het programma omvat zes hoofdthema’s en bijbehorende doelen:

▪

Waterveiligheid: het leefgebied, inwoners en bedrijven beschermen tegen overstromingen;

▪

Voldoende water: zorgen voor voldoende – niet te veel en niet te weinig – zoetwater voor inwoners en bedrijven;

▪

Schoon en gezond water: zorgen voor schoon en gezond water voor inwoners, bedrijven en natuur

▪

Waterketen: afvalwater van huishoudens en bedrijven zuiveren;

▪

Rijnland duurzaam en circulair: inzetten; op duurzaam werken en op het sluitend maken van de kringloop van water, energie en grondstoffen;

▪

Rijnland klimaatadaptief: water meer studerend laten zijn in de ruimtelijke ordening.

Weging van het waterbelang Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben. Berging van water in de bodem Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen moet minimaal 20 mm van elke grote bui in 24 uur in de bodem opgevangen worden. De eis geldt voor al het nieuwe verharde oppervlak. De neerslag moet opgevangen worden in het naastgelegen onverharde oppervlak, of onder het eigen verharde oppervlak. Watercompensatie Er moet extra waterberging gerealiseerd worden in een plan als het verhard oppervlak 500 m² of groter is. Bij het realiseren van nieuw oppervlaktewater is het oppervlakte minimaal even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak. Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet ervoor gezorgd worden dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied.

De 90 mmregel zorgt ervoor dat wateroverlast in het plangebied zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat de kans op overlast in het omliggende gebied niet toeneemt en in veel gevallen zelfs afneemt.

Planspecifiek Watercompensatie Bij een toename van 500 m2 verharding in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied geldt er binnen het gebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland een compensatieplicht. Op basis van de onderstaande oppervlaktestaat neemt de verharding op het kerkterrein per saldo toe van 1.898 m2 naar 1.915 m2. Dat is een toename van 17 m2. Op de dijk neemt de verharding toe van 0 m2 naar 390 m2. Deze toenamen blijven onder de door het

pagina 55 van 62

Hoogheemraadschap van Rijnland gehanteerde grenswaarden voor compensatieplicht van 500 m 2 in stedelijk gebied. Watercompensatie is daarom niet vereist. Kerkterrein Bebouwing bestaande situatie incl: Fietsenstalling, Mortuarium, Sacristie, Kerkgebouw, Pastorie en schuur Bestaande bestrating Bestaande verharding Bestaand Bebouwing nieuwe situatie incl: nieuwbouw bij Mortuarium, Sacristie, toegang installaties, Kerkgebouw, Pastorie Nieuwe bestrating waterpasserend (incl wandelpaden, excl. terrassen) Nieuwe halfverharding parkeerplaatsen Nieuw

1062 699 137 1.898 m2 1069 677 (50%) 338 (50%) 1.915 m2

Dijk Bestaande bebouwing Bestaande bestrating Bestaande halfverharding

0 0 0

Bebouwing nieuwe situatie (excl. uitbouwen) Nieuwe water passerende bestrating Nieuwe halfverharding parkeerplaatsen Nieuw

259 184 (50%) 78 (50%) 390 m2

Verhardingsbalans (bron: Johlex)

Waterafvoer Voor het afvoeren van hemelwater wordt niet aangesloten op gemeentelijke riool. Hemelwater wordt zo lang mogelijk vastgehouden in het plangebied, vervolgens wordt het afgevoerd op de aangrenzende watergangen. Voor het afvalwater zal worden aangesloten op het bestaande rioolsysteem. Waterkeringen Op de legger van het Hoogheemraadschap van Rijnland is te zien dat er geen primaire waterkering op of bij de planlocatie ligt. Wel is te zien dat op de planlocatie een regionale waterkering ligt. Het gaat om een polderkade van de Gogerpolder. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van desbetreffende legger.

Uitsnede legger regionale keringen Hoogheemraadschap van Rijnland (bron: website Hoogheemraadschap van Rijnland)

pagina 56 van 62

De dijkwoningen zullen gebouwd worden ter hoogte van de kernzone en profiel van vrije ruimte van de regionale waterkering (de dijk). De ontsluitingsweg naar de woningen ligt binnen het profiel van vrije ruimte. Ook ligt een deel van de beschermingszone binnen het plangebied, evenals een deel van de buitenbeschermingszone. Zoals is opgenomen in de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is bouwen binnen deze zone vergunningsplichtig. Voor het uitvoeren van de beoogde bouwwerkzaamheden dient de initiatiefnemer instemming te verkrijgen van het Hoogheemraadschap. Oppervlaktewater Rond nagenoeg de hele buitenste rand van het perceel van de planlocatie loopt een waterweg. Rondom die waterweg loopt een beschermingszone. De sloot ten noorden en oosten van de planlocatie en de waterweg langs het Westeinde vallen in de categorie ‘belangrijk oppervlaktewater’. Daaromheen loopt een kernzone en beschermingszone. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de legger oppervlaktewateren.

Uitsnede legger oppervlaktewater Hoogheemraadschap van Rijnland (bron: website Hoogheemraadschap van Rijnland)

Volgens artikel 9.15 van de Waterschapsverordening van het Hoogheemraadschap van Rijnland is bouwen binnen de kern- en beschermingszone van primair oppervlaktewater vergunningsplichtig. Het hoogheemraadschap kan conform artikel 3.39 van waterschapsverordening voorschriften in deze vergunning opnemen. Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat het aspect geen belemmering vormt voor het beoogde plan, mits er voldaan wordt aan de uitvoeringseisen van het hoogheemraadschap.

7.13 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

pagina 57 van 62

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.

▪

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag.

▪

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.

De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.

de kenmerken van het project

2.

de plaats van het project

3.

de kenmerken van de potentiële effecten

Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:

▪

Er wordt slechts een beperkt aantal woningen toegevoegd;

▪

De nieuwbouwwoningen zullen voldoen aan de BENG-eisen;

▪

De beoogde ontwikkeling brengt een beperkt aantal milieugevolgen met zich mee

pagina 58 van 62

Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt.

pagina 59 van 62

8

Financiële haalbaarheid

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan als publiekrechtelijk instrument komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften mogen betrekking hebben op het gebied waar de omgevingsvergunning voor geldt en de aangevraagde ontwikkeling. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst is gesloten, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden.

Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal in dat geval publiekrechtelijk. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.

Planspecifiek De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst is onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

pagina 60 van 62

9

Conclusie

Voorliggende onderbouwing heeft betrekking op het perceel van het Pastoor Onelplein 1 te Roelofarendsveen. Het planvoornemen betreft de sloop van een aantal bijgebouwen, de realisatie van seniorenappartementen en twee sociale huurwoningen in het bestaande kerkgebouw, de realisatie van vier sociale huurwoningen in een nieuw gebouw, de realisatie van drie vrijstaande woningen op de dijk en de herindeling van het gehele perceel. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op binnenstedelijke verdichting van de gemeente Kaag en Braassem. Het initiatief is getoetst aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Hieruit blijkt dat het in lijn is met dat beleid of in ieder geval niet in strijd is met het beleid. Daarnaast is het initiatief getoetst op alle relevante aspecten over de fysieke leefomgeving en het milieu. Vanuit deze aspecten komt naar voren dat er geen belemmeringen worden gevormd voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.

pagina 61 van 62

pagina 62 van 62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=3a2780c0-1a95-4705-9ece-558045bece49