CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-12-04 Ruimtelijke onderbouwing (GoFlo)

Gemeenteraad 2 februari 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Verzwaard adviesrecht BOPA Floraweg 10 & 12, Roelofarendsveen23.742 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 25

Beleid Provincie Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma De provincies stellen beleidsdoelen op in hun Omgevingsvisies ten aanzien van de risico’s van de klimaatverandering en energietransitie. De provincie wil zorgen voor een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied dat zorgt voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient (in toenemende mate): o energieneutraal te zijn, door optimaal in te zetten op besparing van elektriciteits- en warmte/koeltevraag, het benutten van rest- en aardwarmte en zoveel mogelijk in eigen (lokale) hernieuwbaar opgewekte elektriciteit te voorzien. o klimaatbestendig en waterrobuust te zijn ook op slappe ondergrond. Daarmee wordt bedoeld dat het nieuw ingerichte gebied en de omgeving goed blijft functioneren in extreme weersomstandigheden. Klimaatadaptief bouwen is daarom de norm in Zuid-Holland. o uit te gaan van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteiten variatie aan biotopen voor de stedelijke soorten in het bebouwde gebied duurzaam te behouden en te versterken. o circulaire oplossingen te bieden bij realisatie en beheer door een verantwoord materiaalgebruik en het hanteren van de ontwerpprincipes modulariteit en losmaakbaarheid, zodat er kan worden ingespeeld op een veranderde behoefte in de toekomst.

o gezonde en veilige leefomgeving te bevorderen; die een gezonde leefstijl ondersteunt, met een beweegvriendelijke leefomgeving voor sport en beweging stimuleert en waarin een goede milieukwaliteit wordt beschermd en bevorderd. In ruimtelijke visies en plannen wordt opgenomen hoe ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering en invulling wordt gegeven aan energieneutraliteit, natuurinclusiviteit, circulariteit en een gezonde bebouwde leefomgeving. Tevens zet de provincie via diverse provinciale programma’s in op (versnelling van) de realisatie naar een energieneutrale, klimaatbestendige, natuurinclusieve, circulaire, gezond en veilige bebouwde leefomgeving, alsmede een robuuste groenblauwe hoofdstructuur in Zuid-Holland. Dit doet de provincie vanuit verschillende rollen in samenwerking met verschillende partners. De provincie wil de transitie naar een energie-efficiënte samenleving bevorderen, zodat op termijn duurzaam en CO2-neutraal wordt voorzien in de energiebehoefte. De provincie zet in op haar ambities voor duurzame energie, om dit te bereiken is inzet op warmte, wind en zon alleen niet voldoende. In de provinciale energieagenda ‘Watt Anders’ is de ambitie opgenomen om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO2 neutraal te laten zijn. Nieuwbouwlocaties bieden de grootste kans om energie-efficiency te realiseren.

In deze tijd is het ondenkbaar dat er niet energiezuinig of zelfs energieneutraal wordt gebouwd al dan niet in combinatie met een decentrale hernieuwbare energievoorziening. De provincie is een groot voorstander van aardgasloze wijken, zowel bij nieuwbouw als renovatie. Dit vergt een andere blik op woning(ver)bouw van zowel provincie, gemeente, corporatie, ontwikkelaars, bouwsector, netbeheerders en installateurs. Deze nieuwe benadering van de woningbouwopgave is geëffectueerd door in de regionale woonvisies expliciet aandacht te vragen voor de duurzaamheid en energietransitie. Regionale woonvisies worden gemaakt voor één of meerdere woningmarktgebieden. Hierbij vraagt de provincie om een onderbouwing van de keuzes en maatregelen in de woonopgave met betrekking tot energietransitie en klimaatadaptatie. Omgevingsverordening en instructieregels In de Omgevingsverordening kan de provincie dwingende bepalingen opgenomen hebben waaraan gemeenten in het omgevingsplan moeten voldoen. Dit noemt men instructieregels. Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering) 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 26

b. c. d. e.

overstroming; hitte; droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. 2. Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s. Omgevingsplan gemeente De gemeente stelt normen en regels vast in het omgevingsplan waaraan getoetst dient te worden. Deze normen kunnen ook betrekking hebben op klimaatadaptatie en energietransitie. De normen worden vervat als omgevingswaarden in het omgevingsplan. In het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem zijn enkel regels opgenomen m.b.t. energiebesparing, aansluiting op het warmtenet en de aanleg van gesloten energiesystemen. Deze regels zijn meer van toepassing op de bouw of ingebruikname van bouwwerken. Relatie tot ontwikkeling Dit plan wordt ontworpen met oog voor de toekomst en sluit aan op het beleid van het Rijk, de Provincie en de gemeente. We realiseren klimaatbestendige woningen door regenwater op te vangen voor hergebruik en slim om te gaan met schaduw en zonwering. Energiezuinigheid staat centraal met gasloze woningen, hoogwaardige isolatie en zonnepanelen op de daken. Zo dragen we bij aan een duurzame en leefbare omgeving.

Dit betekent bijvoorbeeld dat het regenwater gebufferd en vertraagd wordt afgevoerd om wateroverlast te voorkomen, terwijl dit water ook gebruikt kan worden voor de bewatering van planten. Hittestress kan worden aangepakt door overstekken, zonwering en strategisch geplaatste bomen. De woningen worden verwarmd met energiezuinige systemen en voorzien van hoogwaardige isolatie. Zonnepanelen op de daken dragen bij aan de energievoorziening. Dit alles draagt bij aan een toekomstbestendige woonomgeving. Conclusie Met voorliggend plan wordt aangesloten bij de klimaat en energiedoelstellingen.

Natuurinclusief bouwen Algemeen Beleid Rijk In de Nationale Omgevingsvisie is opgenomen dat naast het realiseren van meer natuurgebieden van een goede kwaliteit, de opgave is dat de natuurlijke hulpbronnen op een duurzame manier worden benut en dat andere gebruikers niet langer afwentelen op de natuur, maar zelfs een bijdrage leveren aan natuur en biodiversiteit. Zo zal bij belangrijke ontwikkelingen als de veranderingen in de landbouw, de energietransitie en de uitbreiding van woongebieden en infrastructuur rekening worden gehouden met natuur (natuurinclusief ontwikkelen). Beleid Provincie Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma De provincies stellen beleidsdoelen op in hun Omgevingsvisies ten aanzien van natuurinclusief bouwen. Zo dienen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen uitgegaan te worden van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteiten variatie aan biotopen voor de stedelijke soorten in het bebouwde gebied duurzaam te behouden en te versterken. Omgevingsverordening en instructieregels In de Omgevingsverordening kan de provincie dwingende bepalingen opgenomen hebben waaraan gemeenten in het omgevingsplan moeten voldoen. In artikel 7.45ca (kansen voor biodiversiteit) van de

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 27

omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, daarbij de mogelijkheden betrekt voor het bevorderen van de biologische diversiteit. Omgevingsplan gemeente De gemeente stelt normen vast in het omgevingsplan waaraan getoetst moet worden. Deze normen kunnen ook betrekking hebben op natuurinclusief bouwen. De normen worden vervat als omgevingswaarden in het omgevingsplan. In het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem zijn geen regels opgenomen m.b.t. biodiversiteit. Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling aan Floraweg 10 & 12 omarmt de principes van natuurinclusief bouwen, in lijn met het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. We integreren de natuur in de woonomgeving, waardoor biodiversiteit wordt gestimuleerd en een aantrekkelijke leefomgeving ontstaat. Natuurinclusief bouwen kan worden bereikt door verschillende maatregelen toe te passen zoals, het integreren van nestkasten in de gevels, groene gevels en daken aan te leggen en inheemse beplanting te gebruiken in de openbare ruimte. In de verdere ontwikkeling wordt er met aandacht gekeken hoe de groene woonomgeving bijdraagt aan een leefgebied voor vogels, insecten en kleine zoogdieren. Conclusie Met voorliggend plan wordt natuurinclusief bouwen geïntegreerd in de uitwerking van de plannen.

ZORGVULDIG RUIMTEGEBRUIK / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de ‘laddertoets’ genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel’ zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden. Wettelijk kader Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b Besluit kwaliteit leefomgeving 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 28

beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a. de regels van hoofdstuk 5;

Relatie tot ontwikkeling Nieuwe stedelijke ontwikkeling In eerste instantie moet beoordeeld worden of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (op basis van artikel 5.129g, lid 1 Bkl). Hierbij moet de stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel zijn. Om te beoordelen of de stedelijke ontwikkeling als ‘voldoende substantieel’ gekwalificeerd kan worden, moet de jurisprudentie geanalyseerd worden. Zie hiervoor de overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). Zo ligt bijvoorbeeld bij wonen de grens op het toevoegen van 11 woningen of meer. De beoogde ontwikkeling betreft de nieuwbouw van 51 woningen, waarmee deze grens wordt overschreden. Er is derhalve sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Behoefte De stedelijke ontwikkeling kan gekwalificeerd worden als ‘voldoende substantieel’: er is immers sprake van de realisatie van 51 nieuwbouwwoningen. Op basis van artikel 5.129g, lid 2 sub a Bkl moet de behoefte aan deze ontwikkeling worden aangetoond. De behoefte aan de ontwikkeling is reeds aangetoond in de beleidsparagraven 3.22, 3.41 en 3.51. De kwantitatieve behoefte aan woningen is groot en op basis van de regionale woonagenda Holland Rijnland heeft Kaag en Braassem als taakstelling de bouw van 1.740 woningen tot en met 2030, waarvan 840 in de periode 2020-2025.

De procentuele groei van de gewenste woningvoorraad (GWV) van de gemeente Kaag en Braassem bedraagt tot 2040 meer dan 15%. De bouw van 51 woningen draagt bij aan het realiseren van deze taakststelling. Daarnaast wordt met voorliggend project voorzien in de kwalitatieve behoefte voor bijzondere doelgroepen: er worden 24 wooneenheden gerealiseerd voor jongvolwassenen die niet zelfstandig kunnen wonen. Hier wordt middels deze woongroep invulling aan gegeven. Ook biedt de realisatie van de grondgebonden woningen invulling aan de behoefte voor starters of doorstromers uit appartementen een grondgebonden woning met tuin te verkrijgen in een landelijke omgeving. Stedelijke ontwikkeling buiten stedelijk gebied / aan de rand van bebouwing stedelijk gebied Op basis van artikel 5.129g, lid 2 sub b geldt dat als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, er rekening wordt gehouden met de mogelijkheden om de woningen binnen het stedelijk gebied te bouwen. De beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen stedelijk gebied spelen hierbij een rol.

De definitie van bestaand stads- en dorpsgebied is “Bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.” Deze definitie van de provincie ZuidHolland is leidend, de BSD-kaart is indicatief. Voorliggende projectlocatie valt op basis van de definitie buiten het bestaand stedelijk gebied. Hierdoor moet de mogelijkheid om deze ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied te realiseren onderzocht worden. Beschikbaarheid en geschiktheid vanuit gemeentebreed perspectief Vanuit de gemeente heeft het in beginsel ook de voorkeur om binnen het bestaand stads- en dorpsgebied (‘inbreiden’), dan wel de bebouwde kom en in de nabijheid van openbaar vervoer te bouwen. Echter, vanuit de Omgevingsvisie Kaag en Braassem is door de gemeente geconstateerd dat het aantal geschikte en overgebleven inbreidingslocaties beperkt is. Een groot deel van het binnenstedelijk gebied is de afgelopen jaren al ingevuld met nieuwbouwwijken en woningbouw. Roelofarendsveen wordt aan de noordzijde en zuidzijde begrensd door duurzame glastuinbouwgebieden. Deze gebieden dienen behouden te blijven om de glastuinbouwsector een kansrijke toekomst te geven.

Dit geldt ook voor de bestaande bedrijventerreinen die tussen de Rijksweg A4 en de woonkern van Roelofarendsveen liggen.

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 29

In dit kader heeft de gemeente gekeken naar mogelijkheden om buiten het bestaand stads- en dorpsgebied te kunnen bouwen. Hierbij is van belang om te bouwen aan de dorpsranden om zo op zoek te gaan naar natuurlijke grenzen om dorpen ‘af te maken’, zodat de impact op het open landschap beperkt blijft. Gemeente Kaag en Braassem heeft in haar omgevingsvisie dan ook gezocht naar gebieden aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied die in de (nabije) toekomst ontwikkeld kunnen worden en dan deel gaan uitmaken van het bestaand stedelijk gebied. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan vrijkomende locaties in glastuinbouwgebieden waar mogelijk in eerste instantie ingezet zouden moeten worden ten behoeve van woningbouw en pas daarna voor de inpassing van groen of duurzame energieopwekking. Floraweg 10-12 te Roelofarendsveen is een vrijkomend perceel dat voorheen als glastuinbouwbedrijf gebruikt werd en wat op dit moment al bebouwd is met bedrijfswoningen, gebouwen en kassen. De locatie ligt weliswaar buiten het door de provincie aangegeven bestaand stedelijk gebied, maar binnen het door de gemeente aangewezen gebied ‘kernen’. De ontwikkellocatie maakt immers geen onderdeel uit van de bestaande duurzame glastuinbouwgebieden en bedrijventerreinen en grenst aan het woningbouwproject aan de noordzijde (Floraweg 8b), waar het bestemmingsplan reeds onherroepelijk is.

Het ligt langs de Braassemdreef die de ontsluiting vormt tussen Roelofarendsveen en de rijksweg A4 en waarlangs de afgelopen jaren veel woningbouw is gerealiseerd. Deze ontwikkeling sluit logisch aan bij de gerealiseerde en vergunde woningbouwstrook en verbetert de kwaliteit van de entree van Roelofarendsveen vanaf de A4. Het beoogde perceel sluit aan op het bestaand stedelijk gebied en zorgt indirect dus voor het openhouden van het open landschap. Met het invullen van voorliggend perceel met woningbouw hoeft dan immers niet aan de rand van het dorp in het buitengebied gebouwd te worden op nu nog onbebouwde gronden. Beschikbaarheid en geschiktheid vanuit de beoogde doelgroep Voor de voorliggende locatie en meer specifiek de gewenste doelgroep geldt het volgende. Een gedreven groep ouders (stichting Gwoon Onbeperkt Thuis) zet zich actief in om geschikte huisvesting voor hun kinderen met een meervoudige beperking te vinden. Zij hebben in het verleden meerdere malen geprobeerd hun plan gerealiseerd te krijgen, maar dit is tot op heden niet gelukt. Deze locatie aan de rand van het bestaand stedelijk gebied biedt de ruimte én mogelijkheden om een passende woonomgeving voor deze doelgroep te creëren.

Binnen het bestaand stedelijk gebied van Roelofarendsveen, zoals gedefinieerd door de provincie, zijn er geen geschikte alternatieven beschikbaar vanwege de omvang van het project, de specifieke eisen die de doelgroep stelt aan hun woonomgeving en de financiële haalbaarheid van de locatie (geen mogelijkheid tot aankoop van locaties). De woningcorporatie WYwonen (beoogd afnemer en verhuurder van de woningen voor stichting Gwoon Onbeperkt Thuis) heeft binnen haar eigen kaders, de bestaande bouw, ook geen ruimte om deze doelgroep te huisvesten. Ook vanuit initiatiefnemers is er geen beschikbare en geschikte locatie binnenstedelijk voorhanden en biedt het perceel aan de Floraweg de ruimte en flexibiliteit om een duurzaam en toekomstbestendig woningbouwplan te realiseren, dat voldoet aan de behoeften van deze jonge volwassenen en bijdraagt aan de leefbaarheid van Roelofarendsveen. Wij zien de integratie van dit initiatief binnen het ontwikkelingsplan van Floraweg 10 en 12 daarom als de perfecte gelegenheid om deze jongvolwassenen een geschikte plek te bieden. Conclusie De ontwikkeling draagt bij aan de gemeentelijke woningbouwdoelstellingen en de leefbaarheid van Roelofarendsveen, met een zorgvuldige afweging van ruimtegebruik conform de Ladder voor duurzame verstedelijking. De Ladder voor duurzame verstedelijking is zogezegd van toepassing en doorlopen.

Op basis van beleid blijkt dat er behoefte is aan de voorliggende ontwikkeling, zowel kwalitatief als kwantitatief. Daarnaast is gemotiveerd waarom dit plan buitenstedelijk, maar wel aansluitend op het bestaand stedelijk gebied ontwikkeld kan worden.

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 30

5

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING In deze Goede onderbouwing van de Fysieke leefomgeving (GoFlo) wordt beschreven op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze aspecten omvatten in ieder de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERING Algemeen De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daartoe integreert de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor. De Omgevingswet beoogt maatwerk te bieden op basis van de specifieke kenmerken van de locatie én van het type activiteit. Dit gebeurt door gebruik te maken van milieuwaarden. Milieuwaarden zijn milieuaspecten of hinderaspecten waarvoor in het door de gemeente op te stellen omgevingsplan normen worden gesteld. Deze normen zien toe op geluid, geur en licht. De milieuthema’s stof en gevaar worden op andere wijze gereguleerd. Het inzichtelijk maken van milieuwaarden komt aan de orde wanneer een nieuwe functie wordt gestart, een bestaande functie wordt veranderd of een ingrijpende wijziging van de bedrijfsvoering plaatsvindt. In 2019 heeft de VNG de uitgave Milieuzonering nieuwe stijl gepubliceerd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van de eerdergenoemde milieuwaarden. De invoering van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) is de belangrijkste reden geweest om te komen tot een nieuwe Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024.

Deze handreiking vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019, die zijn gebaseerd op de Wro respectievelijk de Crisis- en herstelwet. Met de handreiking kan beter worden ingeschat of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. In de handreiking zijn drie mogelijkheden beschreven om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur of bijvoorbeeld geschikt is voor functiemenging. De opties luiden als volgt: 1. Het maken van een inschatting aan de hand van concrete criteria voor geluid en geur. 2. Het in aanvulling op optie 1 verkrijgen van een indicatie aan de hand van de getransponeerde VNG tabel 2009. 3. Het verkrijgen van duidelijkheid door het uitvoeren van gericht geluid- of geuronderzoek. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in een gemengd gebied. De omliggende percelen bestaan uit woningen, agrarische percelen en bedrijventerreinen. Ten noorden van de projectlocatie ligt een vastgesteld bestemmingsplan voor de realisatie van (jongeren)woningen. Ten oosten van de projectlocatie zijn ook woningen gelegen en ten zuidoosten is een bedrijventerrein gelegen. Binnen het dichtstbij gelegen deel van het bedrijventerrein is maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan.

Iets zuidelijker is maximaal milieucategorie 3.2 toegestaan. Het bedrijventerrein is gelegen op circa 33 meter afstand van de projectlocatie. Voor milieucategorie 3.1 geldt in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. De afstand tot het dichtstbijzijnde bedrijf met een maximale milieucategorie 3.2 is gelegen op circa 56

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 31

meter afstand van de projectlocatie. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 50 meter. De projectlocatie valt buiten de richtafstand tot de dichtstbijzijnde bedrijven. Figuur 10. Richtafstanden vanaf projectlocatie (bron: QGIS, eigen bewerking)

Ten zuiden en ten oosten van de projectlocatie is de bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ van kracht. Een ‘tuinbouwbedrijf met bedrijfsgebouwen’ en ‘kassen met gasverwarming’ vallen onder milieucategorie 2, waarbij in ‘gemengd gebied’ een richtafstand van 10 meter vanaf de gebouwen geldt. Binnen de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' is de teelt van (tuinbouw- en /of sierteelt) gewassen toegestaan. Bij tuinbouw zijn slechts de bedrijfsgebouwen en kassen milieugezoneerd. Ten oosten bedraagt de afstand tussen de nieuw te bouwen woningen en het agrarische perceel minimaal 35 meter. Hier wordt aan de richtafstand voldaan. Ten zuiden van de projectlocatie is een sloot gelegen tussen de percelen. De woningen zijn op minimaal 10 meter afstand (zie figuur 11) en dus buiten de richtafstanden gesitueerd wat maakt dat de bedrijven geen belemmeringen veroorzaken voor de beoogde ontwikkeling. Figuur 11. Afstanden vanaf woningen tot ondergelegen kassen (bron: Tonko architecten).

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 32

Gewasbeschermingsmiddelen Nabij het plangebied zijn gronden ten behoeve van sierteelt in gebruik. Op deze gronden kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Gelet op de planologische mogelijkheden (teelt van fruitbomen, bosbouw of bollenteelt is niet toegestaan) zal er sprake zijn van relatief lage bespuiting. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is drift van gewasbeschermingsmiddelen van belang. Het neerkomen van een deel van de gewasbeschermingsmiddelen door wind heeft namelijk mogelijk effect op de gezondheid van de mensen in de omgeving. De gronden die in gebruik zijn voor sierteelt bevinden zich ten oosten van de te realiseren woningen. Er zijn geen wettelijke eisen voor de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en gevoelige bestemmingen zoals wonen. Uit jurisprudentie (uitspraak van 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een afstand van 50 m tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt redelijk acht. Deze afstand is echter indicatief. Hier kan gemotiveerd van afgeweken worden. Hierbij dient de afstand en situatie dusdanig te zijn, zodat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gevoelige functie.

De ABRvS geeft in haar uitspraak van 31 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2373) aan dat het mogelijk is om bij vollegrondsteelt van gewassen, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, af te wijken van de vuistregel van 50 m. Bij dergelijke vollegrondsteelt worden gewasbeschermingsmiddelen, in tegenstelling tot boom- en fruitteelt, op een zodanige wijze gebruikt dat daarbij nauwelijks een spuitnevel ontstaat die de omgeving negatief kan beïnvloeden. Bij de betreffende uitspraak wordt een afstand van 9,5 m als voldoende geacht, mede omdat het woonerf is afgeschermd door een haag, die eventuele resten van gewasbeschermingsmiddelen zal tegenhouden. Tevens wordt bij de afstand van 50 m uitgegaan van gewasbespuiting zonder enige vorm van driftreductie. Op grond van artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit geldt dat er verplicht ten minste 75% driftreducerend gespoten moet worden. Daarmee gelden strengere normen dan waarvan de ABRvS in haar uitspraken is uitgegaan. Tussen de agrarische gronden en de te realiseren woningen wordt een strook van ca. 50 m breed niet gebruikt ten behoeve van sierteelt. Wel staan hier siergrassen die, mede doordat ze in het seizoen dat er gespoten wordt een lengte van minimaal 150 cm hebben, een driftreducerende werking hebben. Volgens het geldende bestemmingsplan kan het hele agrarische perceel echter worden gebruikt voor sierteelt.

Er kan eventueel sierteelt plaatsvinden tot aan de plangrens op een afstand van circa 33 meter. In de huidige situatie is dat niet het geval. Ten zuiden van de sierteeltgronden is een watergang aanwezig. Volgens de regelgeving mag er geen gewasbeschermingsmiddel in het oppervlaktewater kunnen komen. Met een spuitvrije zone en toepassingseisen van de chemische middelen kan ervan uitgegaan worden dat de drift van de middelen niet via de watergangen bij de nieuwbouwwoningen kan komen. De tuin van de bestaande woning aan de Floraweg 10 vormt tevens een afscherming naar de sierteelt. Er kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er vinden geen verkeersbewegingen plaats ten behoeve van deze gronden. Daarmee kan geluidhinder vanwege voertuigen redelijkerwijs uitgesloten worden en vormt dit aspect geen belemmering voor een woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde appartementen. Conclusie Het aspect Activiteiten en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

BODEM Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 33

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:  Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2);  Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal);  Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4)  Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een bodemgevoelig gebouw. Er is immers sprake van de realisatie van 51 grondgebonden woningen.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Grondslag op 16 juli 2024 een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als bijlage terug te vinden, de resultaten zijn hieronder weergegeven. Demping I en II:  Demping I toont verhogingen van zware metalen, PAK’s, PCB’s en minerale olie, waarbij een interventiewaarde overschrijding van zink is geconstateerd. Er werd ook asbest in de ondergrond aangetroffen. Verdere onderzoeken worden niet zinvol geacht.  Demping II bevestigt verhogingen van zware metalen, met als specifieke bevinding een kleine verontreiniging van koper. Asbest werd niet gevonden in de puinlagen. Verdere onderzoeken zijn niet nodig. Bodemonderzoek overige terreindelen:  Bij voormalige opslag van meststoffen en bestrijdingsmiddelen werd een verhoging van zware metalen en OCB’s aangetoond, met de bovengrond beoordeeld als industrieel verontreinigd. Er zijn geen verdere onderzoeken nodig.  Bij het voormalig ketelhuis werd geen verhoging van PAK’s gevonden, en er was geen olie in de bodem waargenomen.  In de zuidwesthoek van Floraweg 10 werd DDT boven de interventiewaarde aangetroffen, wat aanleiding geeft voor nader onderzoek. De overige bodem is beoordeeld als geschikt voor hergebruik binnen het project.  Grond is onderzocht op PFAS, wat aantoont dat deze geschikt is voor landbouw/natuur en deels voor waterbodems.

Asbestonderzoek:  Asbest werd aangetroffen langs watergangen en in de bodem van de kassen. Zwerfasbest moet verwijderd worden om verdere vermenging met de bodem te voorkomen. Waterbodemonderzoek:  De waterbodem bestaat uit sterk humeus slib. In sommige deellocaties is het slib sterk verontreinigd, met een overschrijding van de interventiewaarde voor zink. De verontreinigde gebieden mogen niet verspreid worden op aangrenzende percelen. Aanbevelingen:  Demping I: Sanering is aanbevolen vanwege de verontreiniging, afhankelijk van de herinrichting. Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 34

 

DDT-overschrijding: Nader onderzoek is nodig om het volume grond met verontreiniging vast te stellen. Waterbodem: Er is geen verplichting voor erkende uitvoer van baggerwerkzaamheden, maar een werkplan en melding bij de bevoegde instantie zijn vereist voor de sterk verontreinigde waterbodems.

Samenvattend, de verontreinigingen op de onderzochte terreinen vereisen diverse maatregelen, waaronder nader onderzoek, sanering en specifieke werkwijzen voor het omgaan met verontreinigde grond en waterbodem. Het nader onderzoek zal worden uitgevoerd in een latere fase. Het verkennende onderzoek geeft voldoende informatie omtrent de uitvoering en wijziging naar woonfunctie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

GELUID Algemeen De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten:  Woonfunctie  Onderwijsfunctie  Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang  Gezondheidszorgfunctie Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde geluid of de grenswaarde geluid uit het Bkl. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De onderstaande tabel geeft de waarden weer. Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen Gemeentewegen Waterschapswegen Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen Industrieterreinen

Standaardwaarde (tabel 5.78t Bkl) 50 Lden

Grenswaarde (tabel 5.78u Bkl) 60 Lden

53 Lden

70 Lden

55 Lden

65 Lden

50 Lden 40 Lnight

55 Lden 45 Lnight

Op het moment dat wordt voldaan aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar te beoordelen, maar dan dient aan een aantal wettelijke eisen te worden voldaan. Voorbeelden hiervan zijn dat er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen of dat de geluidbeperkende maatregelen zorgen voor zoveel mogelijk beperking van overschrijding van de standaardwaarde. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Zo kan bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen, onder voorwaarden, een overschrijding van maximaal 5 dB van de grenswaarde worden toegestaan. Wel dient als compensatie daarvoor te worden nagedacht over het realiseren van een geluidluwe gevel. Er zijn ook andere gebouwen en locaties die niet zijn aangeven als geluidgevoelig. Voorbeelden hiervan zijn: kantoren, recreatiewoningen, begraafplaatsen of parken. Hiervoor geldt dat de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid kan bepalen vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 35

Zodra in een gebouw of op een locatie met zekere regelmaat en voor een langere tijd personen kunnen verblijven dient het onderdeel geluid nader bekeken te worden. De praktijk wijst uit dat een goede locatiekeuze van activiteiten of functies meestal voldoende is voor het bereiken van het gewenste beschermingsniveau. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beperken zich tot geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. Deze instructieregels verschillen (deels) per type geluidsbron zoals bedrijven en wegen. Daarnaast moet er gekeken worden naar geluid van alle geluidbronnen samen. Tot slot geldt voor geluidsnormen van onversterkt menselijk stemgeluid, zoals dat van spelende kinderen op een schoolplein, dat dit niet met waarden wordt gereguleerd. Volgens artikel 5.59 van het Bkl moet het omgevingsplan regelen dat het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw (zoals woningen) aanvaardbaar is. In een omgevingsplan kunnen, om het stemgeluid van spelende kinderen te reguleren, voorschriften worden opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld zijn ten aanzien van het aantal kinderen dat tegelijkertijd buiten mag spelen om een aanvaardbaar geluidniveau te behouden. Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van geluidgevoelige gebouwen (woningen) in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Er is op 7 februari 2025 door Kuiper compagnons een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder kort weergegeven. Het volledige onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze GoFlo. De nieuwe woningen zijn gelegen binnen het aandachtsgebied van de Rijksweg A4, de provincialeweg N445, diverse gemeentewegen en de hoge snelheidslijn (HSL). Er is geen sprake van een zone rondom een industrieterrein. Daarnaast zijn ook de indirecte akoestische effecten van het plan door een toename van verkeer onderzocht. Voordat het definitieve onderzoek tot stand is gekomen, zijn diverse verkavelingsmodellen doorgerekend om te komen tot een zo optimaal mogelijke geluidssituatie. Deze verkavelingsmodellen zijn in het onderzoek terug te vinden. Uiteindelijk is een definitief verkavelingsmodel gekozen die de basis vormt voor deze GoFlo en dus ook het geluidsonderzoek. In onderstaand figuur is de geluidsbelasting van alle geluidsbronsoorten voor de grondgebonden woningen en het zorggebouw gepresenteerd.

Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat de standaardwaarde van één van de beschouwde geluidsbronsoorten ter plaatse van elk van de nieuwe woningen wordt overschreden. De grenswaarde(n) wordt bij geen van de woningen overschreden. Omdat langs de Provincialeweg N445 nog geen GPP’s zijn vastgelegd wordt de geluidsbelasting door het verkeer op de N445 getoetst aan de normstelling uit de Wet geluidhinder. Uit deze berekening blijkt dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en dat daarom geen hogere waarde noodzakelijk is. Uit het onderzoek volgt verder dat realistische geluidsreducerende maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied niet mogelijk zijn omdat het geluid van de Rijksweg A4 dominant is en langs deze weg al schermen staan. Het verhogen van deze geluidsschermen met 2 m, voor zover dat constructietechnisch mogelijk is, over een lengte van 900 m leidt slechts tot een beperkte verlaging van de geluidsbelasting.

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 36

Verder blijkt dat, zonder maatregelen, niet bij alle woningen sprake is van een geluidsluwe gevel. Op de laagst belaste gevel is bij iets minder dan de helft van de grondgebonden woningen sprake van een geluidsluwe gevel op de begane grond en de eerste verdieping. Bij de andere woningen is op de geluidluwe sprake van een maximaal 3 dB te hoge geluidsbelasting door het verkeer op de Rijksweg A4. Voorgesteld wordt door middel van bouwkundige maatregelen de geluidsbelasting ter plaatse van de spui(opening) terug te brengen tot tenminste de standaardwaarde. Ook ter plaatse van het zorggebouw is sprake van een geluidsbelasting die de standaardwaarden overschrijdt. Omdat hier eenzijdig georiënteerde woningen (kleine zorgunits) worden gerealiseerd is voor circa de helft van deze woningen geen sprake van een geluidsluwe gevel. Om bij deze woningen de geluidssituatie te verbeteren wordt voorzien in een gemeenschappelijke buitenruimte aan een geluidsluw geveldeel. De geluidbelasting op de bestaande woningen (indirecte hinder) neemt niet toe door het plan. Alhoewel sprake is van een toename van het verkeer op de bestaande wegen veroorzaakt de nieuwbouw een afschermende werking van het geluid van de A4 en de N445 waardoor geen sprake is van een toename van de geluidsbelasting.

Er is daarom bij de bestaande woningen geen sprake van een significante verslechtering van het woon- en leefklimaat door de realisatie van het plan. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van de woningen.

GEZONDHEID Algemeen Het gezondheidsbeleid van de gemeente Kaag en Braassem richt zich sterk op het concept "Positieve Gezondheid." Dit initiatief, gesteund door lokale zorg- en welzijnsorganisaties, stimuleert inwoners om veerkrachtig te zijn en zelf de regie over hun gezondheid te nemen. Dit betekent niet alleen lichamelijke gezondheid, maar ook aandacht voor mentaal welzijn, zingeving, en sociale participatie. De gemeente werkt hiervoor samen met huisartsen, apothekers, fysiotherapeuten en welzijnsorganisaties, die inwoners helpen bij het oplossen van gezondheidsproblemen die vaak samenhangen met eenzaamheid of een gebrek aan sociale verbinding, zoals door welzijnsactiviteiten via "Welzijn op Recept". Daarnaast worden er materialen zoals de "Positieve Gezondheid" vragenlijsten en het "spinnenweb" ingezet. Dit helpt mensen om zelf na te denken over hun gezondheid vanuit verschillende invalshoeken. Het doel is om inwoners bewust te maken van hun eigen kracht en mogelijkheden en hen hierin te ondersteunen De gemeente stimuleert verenigingen en vrijwilligersorganisaties om een bijdrage te leveren aan dit gezondheidsbeleid, bijvoorbeeld door initiatieven die sociale verbinding bevorderen en armoede of eenzaamheid tegengaan. Dit alles sluit aan bij de visie om de leefomgeving in Kaag en Braassem zo gezond en vitaal mogelijk te maken.

Relatie tot ontwikkeling Het toevoegen van woningen in de gemeente Kaag en Braassem kan goed aansluiten bij het gezondheidsbeleid, dat zich richt op de "Positieve Gezondheid" van haar inwoners. Dit concept houdt namelijk rekening met de bredere aspecten van welzijn, waaronder een veilige en stabiele woonomgeving en mentaal welzijn. Stabiliteit en Mentale Gezondheid Een stabiele woonsituatie is essentieel voor de mentale gezondheid en veerkracht van mensen. Woningtekort en onzekerheid over huisvesting kunnen stress en gezondheidsproblemen veroorzaken. Door voldoende en passende woningen aan te bieden, ondersteunt de gemeente de basisbehoeften van haar inwoners, wat Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 37

bijdraagt aan hun algehele welzijn. De toevoeging van 51 woningen draagt bij aan de woningvoorraad van de gemeente. Duurzaamheid en Gezonde Leefomgeving Door nieuwe woningen duurzaam te bouwen, draagt de ontwikkeling bij aan een gezonde leefomgeving. Groene en energiezuinige woningen zorgen voor een gezonder binnenklimaat en minder luchtvervuiling, wat het fysieke welzijn van de bewoners bevordert. Conclusie Het aspect gezondheid leidt niet tot een belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

KABELS EN LEIDINGEN Algemeen De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) bevat regels ter bescherming van bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico’s van deze kabels en leidingen. Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) De Wibon gaat niet op in de Omgevingswet. Doel van de Wibon is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen te voorkomen. Het gaat dan om water-, elektriciteit-, gasen telecomleidingen. Netbeheerders zijn door deze wet verplicht om informatie te geven over de ligging van hun kabels en leidingen. Mechanisch graven of heien mag in de openbare ruimte pas als er bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) van het Kadaster een KLIC-melding is gedaan. Deze verplichting geldt voor elke graafdiepte. Degene die de mechanische graafwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, is de grondroerder. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen.

Het Kadaster regelt dat de melder informatie krijgt over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie. Omgevingsplan – (toelaten van) buisleidingen en hoogspanningsleidingen Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan. Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld leidingen die belangrijk zijn voor de energievoorziening, zoals de stadsverwarming. Als maatregelen nodig zijn, dan moeten deze geborgd worden in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan. Deze bouwregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Denk bijvoorbeeld aan de situering en afstand van ondergrondse kabels en leidingen ten opzichte van omliggende woningen. Daarnaast bepaalt een gemeente in haar omgevingsvisie welke ondergrondse leidingen of kabels relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en of deze relevant zijn om op te nemen in het omgevingsplan. In het omgevingsplan staan geen of zeer beperkt gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen. Deze regels richten zich op de ligging, het type leiding en de gebruikskenmerken.

Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om de volgende kenmerken:  soort stof (bij buisleidingen)  maximale druk (bij gas in buisleidingen)  maximaal vermogen (bij ondergrondse hoogspanningsleidingen) Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 38

Hoogspanningsverbindingen en magneetveldzones Op 21 april 2023 is het herijkte voorzorgbeleid magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen in werking getreden. Het doel van het voorzorgbeleid magneetvelden is om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassenen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Niet omdat dit om gezondheidsredenen noodzakelijk is, maar uit voorzorg. Het voorzorgbeleid voor magneetvelden bestaat uit:  bronmaatregelen, die de netbeheerders bij alle netcomponenten treffen;  afstandsmaatregelen bij bovengrondse hoogspanningslijnen, die het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening op basis van de berekening van de magneetveldzone kan treffen. Door de minister voor Klimaat en Energie (KE) en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) is, in afstemming met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), besloten om voor andere netcomponenten dan bovengrondse hoogspanningslijnen geen afstanden ten opzichte van gevoelige bestemmingen te adviseren. Dat betekent dat er ook geen magneetveldzone bij deze netcomponenten bepaald wordt.

Het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening heeft de mogelijkheid om de magneetveldzone van een bovengrondse hoogspanningslijn vast te leggen in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan, omgevingsplan of projectbesluit). Door het verbinden van planregels aan de magneetveldzone kan voorkomen worden dat er nieuwe gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone gerealiseerd kunnen worden. Relatie tot ontwikkeling In het omgevingsplan “Kaag en Braassem” zijn geen regels opgenomen over buisleidingen / hoogspanningsleidingen met een bijbehorende beschermingszone. Nader onderzoek naar de buisleiding / hoogspanningsleiding is gelet op voorgaande niet noodzakelijk. Daarnaast worden ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling grondroerende werkzaamheden uitgevoerd. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

LICHT Bezonning Algemeen Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op bijvoorbeeld gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Zo draagt voldoende zon bij aan een aangenaam verblijfsklimaat, maar geldt eveneens dat men in de steeds hetere zomers ook de schaduw moet kunnen opzoeken. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Gemeenten kunnen door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan voorkomen dat er te veel of te weinig schaduw ontstaat. Hierbij kan gedacht worden aan: voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing, bouwhoogten, fysieke vorm van de gebouwen, ligging openbare ruimte en speelplekken ten opzichte van bebouwing en zongericht verkavelen. Naast stedenbouwkundige oplossingen kunnen gemeenten ook kiezen voor het vastleggen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan of vastleggen van een

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 39

meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan. Daarnaast kan in het omgevingsplan worden opgenomen dat bij een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling een bezonningsonderzoek op basis van de TNO-norm dan wel gemeentelijke norm dient te worden uitgevoerd TNO-norm Voor het beoordelen of sprake is van voldoende zonlicht op de gevels van omliggende woningen, hanteren veel gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen de (niet wettelijk verplichte) TNO-norm. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm:  de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam;  de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. In sommige gevallen kan het echter wenselijk zijn om ook de bezonningssituatie voor deze woningen inzichtelijk te maken. Doorgaans wordt een bezonningsstudie aanbevolen bij een bouwhoogte van meer dan 25 meter. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in bebouwing van 10 meter hoogte. Conform de TNO-norm is bezonningsonderzoek niet noodzakelijk.

Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering. Een nader onderzoek naar dit aspect is niet noodzakelijk.

Lichthinder Algemeen Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken, te weten: 1. Hinder voor de mens 2. Hinder langs wegen 3. Verstoring van de natuur 4. Horizonvervuiling Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bal noemt Lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. Wel kan een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit zijn bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. In dat geval is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing op het veroorzaken van lichthinder. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen, lokaal algemeen verbindende voorschriften stellen en kan eventueel ook direct handhavend optreden als er onmiskenbaar strijd is met de zorgplicht. Overheden kunnen hierbij de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt hanteren. Concreet kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kwantitatieve of kwalitatieve normen, aan het opleggen van een bepaalde afstelling of aan armaturen met afschermkapjes.

Dit kan ook voor vormen van lichthinder die niet door het Bal zelf geregeld worden. Daarnaast kunnen in de provinciale verordening, een gemeentelijke visie en/of het omgevingsplan regels gesteld worden omtrent (het voorkomen van) lichthinder. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van 51 woningen en is daarmee geen activiteit die lichthinder kan veroorzaken. Daarnaast zijn er geen ontwikkelingen in de omgeving, waarvan lichthinder te verwachten is.

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 40

Conclusie Het aspect lichthinder vormt geen belemmering. Een nader onderzoek naar dit aspect is niet noodzakelijk.

LUCHT Algemeen De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier reeds een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Het CIMLK is in opdracht van IenW in beheer bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De structuur en betekenis van gegevens in het CIMLK is vastgelegd in een Informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit. Relatie tot ontwikkeling Voor het projectgebied is beschouwd in hoeverre het project ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging.

Daarnaast wordt het woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit toegelicht. Toets NIBM Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder:  Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen;  Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen;  Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met:  één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of  twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties. De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie van maximaal 53 woningen mogelijk. Hiermee draagt het plan gelet op de weergegeven voorbeelden - niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied en de directe omgeving. Volledigheidshalve is de NIBM tool geraadpleegd

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 41

(zie onderstaande figuur). Als uitgangspunt is de worst-case verkeersgeneratie voor het project gehanteerd (gemiddeld 270 mvt/etm, zoals beschreven in paragraaf 5.10 Mobiliteit en parkeren). Figuur 12. NIBM tool

Hieruit volgt dat, zelfs wanneer wordt uitgegaan van een worst-case scenario, de bijdrage van het extra verkeer NIBM is. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan dan ook achterwege blijven. Aandachtsgebieden luchtkwaliteit De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. Onder de aandachtsgebieden (voor zowel NO2 als PM10) valt onder meer de agglomeratie Rotterdam/Dordrecht (15 gemeenten), waar de gemeente Capelle aan den IJssel onderdeel van uitmaakt. Echter is het artikel 5.51 Bkl van toepassing op het toelaten van de volgende activiteiten:  de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen;  activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen; of  milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Het beoogde project voorziet in de realisatie van 51 woningen. Het betreft zodoende niet de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen. In de verkeersparagraaf is de verkeersgeneratie van zowel de huidige als de toekomstige situatie berekend. Met de realisatie van woningen worden geen milieubelastende activiteiten toegelaten. Artikel 5.52 Bkl is daardoor niet van toepassing op het project.

Toetsing aan de omgevingswaarden kan daarom verder achterwege blijven. Bovendien zijn geen aanvullende regels hierover in het omgevingsplan opgenomen. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving, wordt volledigheidshalve wel in kaart gebracht wat de totale concentraties van fijnstof en stikstof ten opzichte van bijbehorende grenswaarden zijn. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn de totale concentraties ter plaatse van een rekenpunt nabij het projectgebied inzichtelijk gemaakt in onderstaande tabel.

Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO

Pagina | 42

Tabel 1. Totale concentraties stikstof en fijnstof nabij de projectlocatie (bron: Atlas Leefomgeving)

NO2 (µg/m³)

PM10 (µg/m³)

PM2,5 (µg/m³)

Monitoringsjaar 2022

17,4

17,3

8,9

Monitoringsronde 2023 Monitoringsjaar 2030 Grenswaarde

16,1674

14,9768

7,5195

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Zodoende kan gesproken worden van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering. Een nader onderzoek naar dit aspect is niet noodzakelijk.

LUCHTHAVENINDELINGSBESLUIT Algemeen Wet luchtvaart De Wet luchtvaart betreft luchtverkeer, luchtvaartuigen en luchthavens. De wet is zowel verkeersrechtelijk als omgevingsrechtelijk van aard. De hoofdstukken 8, 8A en 10 van de Wet luchtvaart bevatten (voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) omgevingsrechtelijke aspecten, namelijk regels over (externe) veiligheid, geluidbelasting en lokale luchtverontreiniging. De hoofdstukken bevatten op elkaar afgestemde regels voor het luchtverkeer (gebruik van het luchtruim, luchtverkeerswegen, luchthavens) en regels voor de ruimtelijke beperkingen op de grond (vooral bouwbeperkingen). Samenhang Omgevingswet De fysieke leefomgeving staat centraal in de Omgevingswet. De regels uit de Wet luchtvaart die leiden tot beperkingen ten aanzien van de aan gronden toe te kennen functie en het toegestane gebruik van gronden worden daarom overgebracht naar de instructieregels. Het gaat daarbij in ieder geval om regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid rond luchthavens, het behoeden van de staat en werking van luchthavens en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de directe omgeving daarvan. Luchthaven(indelings)besluit Schiphol Luchthavenbesluiten vormen het kerninstrument voor de regulering van luchthavens.

Luchthavenbesluiten bevatten aan de ene kant regels over het luchthavenverkeer en aan de andere kant regels over de ruimtelijke indeling in de nabijheid van de luchthaven. Omdat de Omgevingswet alle regels over de fysieke leefomgeving bundelt, vallen deze laatste regels onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Het luchthavenbesluit bevat uitsluitend regels over het luchthavenverkeer en een aanwijzing van de beperkingengebieden. Dit kunnen beperkingengebieden zijn in verband met de (vlieg)veiligheid, geluidhinder, externe veiligheid, laserstraalvrije gebieden of vogelbeperkingsgebieden. De ruimtelijke beperkingen die in de verschillende beperkingengebieden gelden, zijn opgenomen als instructieregels voor omgevingsplannen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarmee ligt de doorwerking van de ruimtelijke beperkingen naar omgevingsplannen vast. Relatie tot ontwikkeling Middels een door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu ontwikkelde webapplicatie kan worden beoordeeld of een plan binnen een relevant gebied in het kader van het LIB gelegen is en of een gepland object de aldaar geldende maatgevende toetshoogten overschrijdt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=19aabe61-9594-4d6b-a975-859286143743