2025-12-04 Ruimtelijke onderbouwing (GoFlo)
Tekst van het document
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Project Status Projectnummer Kenmerk Datum
Floraweg 10-12 te Roelofarendsveen Versie 1.3 23348 23348.GOFLO 4 december 2025
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
6
7
Aanleiding en doel
5
Aanleiding Projectgebied Geldend omgevingsplan Leeswijzer
5 5 6 6
Project en toetsing omgevingsplan
7
Projectbeschrijving Toetsing omgevingsplan
7 10
Ruimtelijk beleid
13
Rijksbeleid Provinciaal beleid Omgevingswaarden Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
13 15 20 20 21
Omgevingskwaliteit
24
Cultuurhistorie, monumenten en archeologie Duurzaamheid en natuurinclusief bouwen Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking
24 25 28
Aspecten fysieke leefomgeving
31
Activiteiten en milieuzonering Bodem Geluid Gezondheid Kabels en leidingen Licht Lucht Luchthavenindelingsbesluit Milieueffectrapportage Mobiliteit en parkeren Natuur Omgevingsveiligheid Ontplofbare oorlogsresten Waterbelang
31 33 35 37 38 39 41 43 44 45 47 51 54 55
Beschrijving uitvoerbaarheid
59
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
59 59
Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
60
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 3
Bijlagen 1 2 3 4 5 6 7 8
Verkennend bodemonderzoek Geluidsonderzoek Verkeersonderzoek Quickscan flora en fauna Nader soortenonderzoek Stikstofberekening Quickscan veiligheid Aanmeldnotitie mer
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 4
1
AANLEIDING EN DOEL AANLEIDING In opdracht van Vink Bouw heeft Mees Ruimte & Milieu een goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving (GoFlo) opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van in totaal 51 woningen/wooneenheden ter plaatse van de Floraweg 10-12 te Roelofarendsveen. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het geldende omgevingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning voor een ‘buitenplanse omgevingsplan activiteit’ (BOPA). Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het geldende omgevingsplan, de zogenoemde Goede Onderbouwing van de Fysieke Leef Omgeving (GoFlo). Voorliggende rapportage betreft de GoFlo, waarin het project aan de hand van zowel omgevingsaspecten wordt gemotiveerd.
PROJECTGEBIED De projectlocatie is gelegen aan de Floraweg 10-12 te Roelofarendsveen. Op de locatie zijn in de huidige situatie kassen aanwezig behorende bij een (deels nog functionerend) tuindersbedrijf. De locatie wordt ten oosten en zuiden omringt door de huidige bedrijfswoningen en agrarische percelen. Aan de noordzijde bevindt zich een locatie waar woningbouw wordt gerealiseerd en waar op 25 juni 2024 een bestemmingsplan (Floraweg 8b) is vastgesteld. Ten westen is een bedrijventerrein gevestigd met daarachter de A4. De locatie kent de volgende kadastrale gegevens: perceelnummer 886, 887 en 13, sectie K ,van de kadastrale gemeente Alkemade (gemeentecode: AKM). Figuur 1. Luchtfoto projectgebied (bron: QGIS, eigen bewerking).
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 5
GELDEND OMGEVINGSPLAN Ter plaatse van het projectgebied geldt het “Omgevingsplan gemeente Kaag en Braassem”, in werking vanaf 1 januari 2024. Het projectgebied valt onder het tijdelijk deel van het omgevingsplan, aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet naar het definitief omgevingsplan. In paragraaf 2.2 van deze GoFlo wordt hier nader op ingegaan. De beoogde activiteit ‘wonen’ is in het geldende omgevingsplan niet toegestaan in het projectgebied. Voor deze BOPA wordt dan ook een omgevingsvergunning aangevraagd.
LEESWIJZER Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Het betreft de onderbouwing waarom sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. De hiernavolgende hoofdstukken zijn als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2: In dit hoofdstuk wordt het project (de beoogde ontwikkeling) beschreven en vindt toetsing aan het geldende omgevingsplan plaats. Hoofdstuk 3: In dit hoofdstuk worden de relevante beleidskaders beschouwd. Hoofdstuk 4: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de omgevingskwaliteit, waarbij onder meer de stedenbouwkundige inpassing, archeologie en cultuurhistorie aan bod komen. Hoofdstuk 5: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waar omgevingsaspecten zoals bodem, geluid en gezondheid aan bod komen. Hoofdstuk 6: In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het project beschreven. Hoofdstuk 7: Dit hoofdstuk betreft de conclusie ten aanzien van de ruimtelijke en functionele inpasbaarheid.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 6
2
PROJECT EN TOETSING OMGEVINGSPLAN PROJECTBESCHRIJVING Huidige situatie De projectlocatie ligt in een glastuinbouwgebied dat zich langs de Floraweg heeft ontwikkeld. De Floraweg heeft een geheel ander karakter dan de andere bebouwingslinten binnen Roelofarendsveen. De bebouwingsdichtheid is hier beperkt en het landschap en glastuinbouw voert de boventoon. In het lint komen vrijwel alleen vrijstaande woningen voor. Deze woningen staan op grote kavels die weer afgewisseld worden met watergangen en open weides en glastuinbouw. Naast watergangen komen ook enkele grotere waterplassen voor in het gebied. Het lint is oorspronkelijk bedoeld als ontsluitingsweg voor de verschillende tuindersbedrijven. In de loop der jaren zijn onder meer vanwege schaalvergroting en bedrijfsbeëindiging diverse reguliere woonbestemmingen aan het lint toegevoegd. In de huidige situatie is er binnen de projectlocatie een tuindersbedrijf met kassen gesitueerd. Er is hier enkel een agrarische functie toegestaan. Omliggende percelen kennen voornamelijk de functies ‘Agrarisch – Glastuinbouw’, ‘Wonen’ en ‘Bedrijventerrein’. Ten westen van de locatie is de snelweg A4 gelegen. Figuur 2. Huidige situatie (bron: Google maps)
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 7
Figuur 3. Huidige situatie bovenaanzicht (bron: Regels op de kaart)
Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens om woningbouw te realiseren op de locatie. Dit zal bestaan uit de bouw van in totaal 51 woningen/wooneenheden waarvan 27 grondgebonden woningen en 24 wooneenheden als onderdeel van een woongroep. De gemeente Kaag en Braasem staat in beginsel positief tegenover de ontwikkeling van woningbouw op deze locatie. Aan de noordzijde wordt al een woningbouwplan ontwikkeld voor starters en aan de oostzijde is men ook voornemens woningbouw te ontwikkelen. Programma Onderdeel van voorliggende woningbouwontwikkeling is de realisatie van 24 zorgappartementen in een woongroep die gericht zijn op 1-persoonsbezetting en als niet -zelfstandige wooneenheden. Dit zijn sociale huurwoningen die ten goede komen aan een zorgwoongroep vanuit het ouderinitiatief Gwoon Onbeperkt Thuis. Stichting Gwoon Onbeperkt Thuis is een initiatief van drie ouderparen met jongvolwassen kinderen met een meervoudige beperking. Het betreft een initiatief waar wonen, welzijn en mogelijk een dagbesteding samenkomen. Ondanks dat het voor deze doelgroep niet gewoon is om zelfstandig te wonen, is ons streven hen een huis te bieden waar ze zich Gwoon Thuis voelen. Het doel is hier een woonplek voor 24 jongvolwassenen met een verstandelijke en/of meervoudige beperking te realiseren, waarbij er drie groepen van 8 bewoners worden gevormd.
De groepen zijn heterogeen van samenstelling, zowel qua geslacht als qua functioneringsniveau. Iedere bewoner huurt een eigen studio met eenvoudig keukenblok en natte cel van totaal 35-40 m2. Voor de dagbesteding worden er aparte ruimtes gecreëerd. Naast deze zorgappartementen worden er nog 27 reguliere grondgebonden woningen gerealiseerd, onder te verdelen in: 9 betaalbare koopwoningen; 12 vrije sector koopwoningen midden categorie 6 vrije sector koopwoningen duur Stedenbouwkundige verkaveling Het gebouw van de zorgwoongroep wordt gerealiseerd in drie bouwlagen en komt direct achter de twee bestaande woningen langs de Floraweg 10-12 te liggen. De ontsluiting vindt plaats via de noordzijde van het perceel waarbij gebruik wordt gemaakt van de ontsluiting van het noordelijk gelegen woningbouwplan aan de Floraweg 8. De ontsluiting loopt via een verbindingsweg in oost-west richting langs de noordzijde van het perceel waar tevens het parkeren is georganiseerd. Er worden drie L-vormige woonblokjes gemaakt die gekoppeld zijn aan autovrije straatjes. De grondgebonden woningen worden uitgevoerd in twee lagen met een kap. Alle grondgebonden woningen hebben een tuin en berging. Naast de gewenste doorkijkjes bieden
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 8
de autovrije tussenstraatjes de mogelijkheid tot het creëren van een collectieve plek aan het water (de zuidelijke watergang). Figuur 4. Verkaveling toekomstige situatie (bron: Tonko architecten, februari 2025)
Parkeren Het parkeren is opgelost op maaiveld, waarbij langs de verbindingsweg aan de noordzijde van het perceel insteekparkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarnaast worden ten behoeve van de zorgwoongroep nog een aantal parkeerplaatsen aangelegd aangrenzend aan het te realiseren gebouw. In totaal worden er 55 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Figuur 5. Impressietekening streetview vanaf Floraweg
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 9
Figuur 6. Impressietekening streetview vanaf Floraweg
Figuur 7. Impressietekening
TOETSING OMGEVINGSPLAN In deze paragraaf wordt het initiatief getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege, bestaande uit: • • •
Bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen & exploitatieplannen; Lokale verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (indien aanwezig: Erfgoedverordening, Geurverordening en/of Verordening afvoer van hemelwater); Bruidsschat.
Bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de (voormalig geldende) bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Hierna wordt per relevant onderdeel de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Bestemmingsplan “Geesteweg en Floraweg” Ter plaatse van het projectgebied geldt het (voormalig) bestemmingsplan "Geesteweg en Floraweg”, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem op 13 mei 2013. De projectlocatie heeft de bestemming ‘Agrarisch - Glastuinbouw’. Er zijn geen dubbelbestemmingen of gebiedsaanduidingen van kracht op de locatie en er geldt geen bouwvlak. Figuur 4 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Vervolgens worden de relevante bepalingen uit de regels weergegeven, voor zover relevant voor de ontwikkeling en daarmee niet limitatief.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 10
Figuur 8. Uitsnede bestemmingsplankaart (bron: QGIS, eigen bewerking).
Artikel 3 – Agrarisch – Glastuinbouw De op de verbeelding voor Agrarisch - Glastuinbouw aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van volwaardige en doelmatige glastuinbouwbedrijven, bollenbroeierijen en vollegrondsteelt; b. ondergeschikte detailhandel van op locatie gekweekte of voorgebrachte producten waarbij het verkoopvloeroppervlak niet meer dan 45 m2 mag bedragen; c. hoveniersbedrijven waarbij minimaal 25% van het bedrijfsoppervlak wordt aangewend voor eigen teeltactiviteiten; d. bestaande aantal legale of reeds vergunde bedrijfswoningen; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - plattelandswoning' een plattelandswoning; f. de uitoefening van een aan huis verbonden beroep; g. behoud van de bestaande waterberging en realiseren van een buffer voor toekomstige waterberging; h. de daarbij behorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen ten behoeve van de bereikbaarheid van de bedrijfspercelen, andere verhardingen ten dienste van het glastuinbouwbedrijf, groenvoorzieningen, waterlopen, waterbergingen, waterbassins en voorzieningen van algemeen nut. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. kassen; b. bedrijfsgebouwen, waaronder onder andere bedrijfshal, verwerkingshal, laboratoria, (niet zelfstandige) kantoren, presentatieruimte en onderzoeksruimte; c.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder begrepen watertanks, watersilo's en wkk-installaties; d. werken, geen bouwwerken zijnde, zoals waterbassins. 3.3.3 Kassen, bedrijfsgebouwen en bouwwerken Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen dienen geconcentreerd op de bedrijfsgrond te worden gesitueerd waarbij de voorgevel van het dichtst bij de weg gelegen bedrijfsgebouw dan wel kas zich op een afstand van 25 tot 55 meter uit de as van de weg, vermeerderd met de breedte van de zich eventueel tussen de weg en de woning bevindende waterloop, dient te bevinden; b. de maximale goothoogte van kassen bedraagt 8,00 meter; c. de maximale bouwhoogte van kassen bedraagt 10,00 meter;
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 11
d. e. f. g. h. i. j. k. l.
de maximale bouwhoogte van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, bedraagt 12,00 meter; bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, mogen in oppervlakte maximaal 250 m2 beslaan dan wel 12,5% van de oppervlakte aan aanwezige kassen indien meer dan 250 m2; in afwijking van het bepaalde onder e mag het oppervlak bedrijfsgebouwen, ook zijnde kassen, voor hoveniersbedrijven niet meer bedragen dan 500 m2; kantoren maken onderdeel uit van een bedrijfsgebouw en/of zijn verbonden met de aanwezige kassen en beslaan in oppervlakte maximaal 1% van de aanwezige kassen met een minimum bruto vloeroppervlak van 75 m2 en een maximum bruto vloeroppervlak van 1.000 m²; de maximale bouwhoogte van een watertank of een (natte) koeltoren bedraagt 15,00 meter; de maximale bouwhoogte van een waterbassin bedraagt 2,00 meter; wkk-instalatie en/of CO2-tank of daarmee vergelijkbaar bouwwerk langs een weg moet altijd achter de voorgevelrooilijn van het primaire bedrijfsgebouw gebouwd worden, zodanig dat het bouwwerk een (ondergeschikt) onderdeel uitmaakt van en een eenheid vormt met het primaire bedrijfsgebouw; de afstand van kassen, bedrijfsgebouwen en overige bouwwerken tot aan de (oorspronkelijke) gevel van een bedrijfswoning moet ten minste 12,50 meter bedragen; indien de toename van verharding meer bedraagt dan 500 m2 dient in overleg met het Hoogheemraadschap van Rijnland te worden bepaald of voor de
toename van verharding compensatie noodzakelijk is.
Strijdigheden met het omgevingsplan De ontwikkeling van 51 woningen is in strijd met het geldende bestemmingsplan. De strijdigheden zijn gelegen in: de enkelbestemming Agrarisch – Glastuinbouw. Op gronden met de enkelbestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ zijn woningen niet toegestaan; het bouwen buiten het bouwvlak. Op de projectlocatie is geen bouwvlak aanwezig waar gebouwd mag worden. Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, dient een planologische procedure doorlopen te worden.
Beperkingengebieden Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, luchthavens, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. De projectlocatie is niet gelegen binnen een aangewezen beperkingengebied.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 12
3
RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling De Novi is niet specifiek van toepassing op het projectgebied. De beoogde ontwikkeling draagt wel bij aan de realisatie van sterke en gezonde steden en regio's. Het plan sluit daarbij aan bij een van de nationale belangen van de NOVI, waarbij de woningvoorraad aan moet sluiten op de provinciale en gemeentelijke woningbehoefte. Hiervoor wordt verwezen naar de navolgende provinciale en gemeentelijke paragrafen van deze Goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving. 3.1.1.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet specifiek van toepassing op het projectgebied, maar sluit wel aan bij het realiseren van sterke en gezonde steden en regio’s.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan onder meer regels over omgevingswaarden, instructieregels en beoordelingsregels. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Omgevingswaarden Een omgevingswaarde is een van de instrumenten waarmee overheden het beleid van een omgevingsvisie kunnen uitvoeren. Deze moet objectief zijn vast te stellen en meetbaar zijn. De rijksomgevingswaarden zijn vastgesteld in hoofdstuk 2 van het Bkl. De rijksomgevingswaarden luiden als volgt:
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 13
Lucht Waterveiligheid primaire waterkeringen Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwater Bronnen voor drinkwater Zwemmen in oppervlaktewater NEC omgevingswaarden
Provincies en gemeenten mogen afwijkende of aanvullende omgevingswaarden stellen voor luchtkwaliteit, zwemwater en waterkwaliteit. Ook kunnen ze omgevingswaarden stellen voor onderwerpen waarover het Rijk geen omgevingswaarden stelt. Hierbij te denken aan omgevingswaarde voor geur- of lichthinder. Instructieregels Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten. Voor deze GoFlo is met name hoofdstuk 8 van het Bkl relevant. Dit hoofdstuk bevat respectievelijk de instructieregels voor omgevingsvergunningen. Regels voor monitoring Bij monitoring verzamelen bestuursorganen gedurende langere tijd op systematische wijze gegevens over de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling De toets aan eventueel van toepassing zijnde (rijks)omgevingswaarden vindt plaats in paragraaf 3.3 van deze GoFlo. Voor de toets aan instructieregels geldt dat een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt aangevraagd. Derhalve zijn de instructieregels uit hoofdstuk 8 van het Bkl relevant.
In relatie tot deze ontwikkeling geldt dat in het omgevingsplan reeds de volgende instructieregels zijn opgenomen: waarborgen van de veiligheid beschermen van de waterbelangen beschermen van de gezondheid en van het milieu beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed behoud van ruimte voor toekomstige functies behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen De toets aan deze instructieregels vindt plaats in hoofdstuk 5 en 6 van deze GoFlo. Hoofdstuk 8 van het Bkl bevat beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen. Deze beoordelingsregels gelden voor omgevingsvergunningen waarvoor het Rijk de vergunningplicht bepaalt in de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit bouwwerken leefomgeving. Beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen waarvoor decentrale overheden de vergunningplicht bepalen staan in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening. In relatie tot de onderhavige ontwikkeling geldt dat de gemeente het bevoegde gezag is. De beoordelingsregels uit hoofdstuk 8 van het Bkl zijn derhalve niet van toepassing en nadere toetsing kan achterwege blijven.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 14
3.1.2.2 Conclusie In het Bkl zijn geen randvoorwaarden opgenomen waarbij in de nadere uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling rekening mee moet worden gehouden.
PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie Zuid-Holland Het huidige beleid betreft de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.
Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonder of meer kwetsbaar is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling Bij het beoogde project gaat het om ‘aanpassing’. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of schaal van een gebied en daarmee ook niet geheel binnen de richtpunten past.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 15
Voor de projectlocatie is de kwaliteitskaart geraadpleegd. Beoordeeld is welke kwaliteitskaarten van toepassing zijn ter plaatse van het plangebied en welke richtlijnen hierbij horen. De voor het plangebied relevante kwaliteitskaarten zijn de kaarten voor 'Laag van de ondergrond', ‘Laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ en 'Laag van de stedelijke occupatie'. De 'Laag van beleving' is niet relevant ter plaatse. Conform de kwaliteitskaart ‘Laag van de ondergrond’ is het plangebied gelegen in ‘Bijzonder reliëf – oude stroomgordels en geulafzettingen. Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. Op de Kwaliteitskaart zijn de genoemde aardkundige structuren met archeologische waarde globaal aangegeven. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie.
Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Vanwege de ligging van de projectlocatie in een gebied waar geen rekening dient te worden gehouden met (te verwachten) archeologische waarden geldt er geen onderzoeksplicht er wordt er geen aantasting van de archeologische waarden verwacht. Daarnaast is de locatie gelegen binnen ‘Veencomplex – Veen’. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. Op de projectlocatie is een bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in paragraaf 5.2 van deze GoFlo. Conform de kwaliteitskaart ‘Laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ is het plangebied gelegen in ‘Onverveende bovenlanden’.
Een bovenland is een smalle strook onvergraven veengrond aan weerszijden van een veenstroom of wetering, met een scherpe overgang naar de aangrenzende droogmakerijen. Als het ware een herinnering aan het oude veenlandschap te midden van het nieuwere landschap. De bovenlanden kennen een kleinschalig en relatief besloten en groen karakter. Bebouwing en erfbeplanting bepalen het beeld net als menging van veel verschillende functies. De diversiteit en het multifunctionele karakter zijn kenmerken van de linten. Ruimtelijke verdichting is mogelijk als dit bijdraagt aan het groene karakter van de bovenlanden en geen tot nauwelijks verkeersaantrekkende werking heeft. De locatie is gelegen nabij een woonwijk en het toekomstige verkeer sluit aan op het bestaande wegennetwerk. Met de snelweg op korte afstand van de projectlocatie is te verwachten dat er gemakkelijk ontsloten kan worden. Conform de kwaliteitskaart ‘Laag van de stedelijke occupatie’ is het plangebied gelegen in ‘Stads- en dorpsrand’. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied.
De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 16
De structuur van de wegen en openbare ruimte veranderd niet ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. Er worden woningen gerealiseerd op gronden die in de huidige situatie een agrarische functie kennen. Ten noorden van de ontwikkeling staat een woningbouwplan voor 75 appartementen op stapel. De beoogde ontwikkeling bevindt zich op het perceel ten zuiden van die geplande woningen. Op deze gronden worden 51 woningen gerealiseerd verdeeld over 27 grondgebonden woningen en 24 wooneenheden als onderdeel van een specifieke zorgwoongroep. Ten zuiden van het plangebied bevinden zich enkele woningen met daarachter agrarische percelen. De beoogde ontwikkeling zorgt daarmee voor een geleidelijke overgang tussen bebouwd gebied en landschap. Daarnaast is de locatie gelegen binnen ‘Glastuinbouwgebieden’. Concentratiegebieden voor glastuinbouw kunnen qua belevingswaarde worden beschouwd als bedrijventerrein. Ontwikkelingen in de glastuinbouw dienen bij voorkeur bij te dragen aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren. Gericht op zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik en collectieve voorzieningen, met aandacht voor aansluiting op bestaande landschappelijke structuren. Een dooradering van het gebied met water en recreatieve routes is gewenst. De beoogde ontwikkeling omvat geen ontwikkeling in de glastuinbouw.
Ook is de projectlocatie gelegen binnen ‘Bouwwerken voor energie-opwekking’. Nieuwe vormen van energie zullen steeds meer het landschap beïnvloeden. Diverse nieuwe energiedragers zijn bouwwerken die, afhankelijk van locatie, vorm en grootte, matige tot grote invloed op het landschap kunnen hebben. Vooral grote windturbines hebben verreikende invloed. Ook biovergistingsinstallaties en zonnevelden zijn bouwwerken die niet vanzelf en niet altijd passen bij de kenmerken van het gebied. Anderzijds kunnen bouwwerken voor energie-opwekking bijdragen aan nieuwe landschappelijke kwaliteit. Bij bouwwerken voor energie-opwekking is altijd een zorgvuldige locatiekeuze en/of inpassing van belang. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van energie-opwekking. 3.2.1.2 Conclusie De richtpunten ter plaatse van het plangebied vormen geen belemmering of randvoorwaarde voor verlening van de omgevingsvergunning.
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. In de verordening staat aangegeven wat wel en niet is toegestaan: mag bijvoorbeeld op een bepaalde locatie een bedrijf worden uitgebreid of kan dat niet vanwege een grondwaterbeschermingsgebied. Ook staan er instructieregels in voor gemeentelijke omgevingsplannen en taken van waterschappen. De ZHOV is in werking vanaf 1 januari 2024 en voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2025. 3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling Er zijn diverse regels uit de Omgevingsverordening waar de voorgenomen ontwikkeling aan moet voldoen. Een samenvatting van deze regels met de relevante voorwaarden voor de voorgenomen ontwikkeling is onderstaand weergegeven. Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen In paragraaf 7.3.6.a van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn de regels ten aanzien van toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen opgenomen. Deze paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Op grond van artikel 7.41a dient rekening te worden gehouden met de risico's van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's van bodemdaling.
Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 17
voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. In artikel 7.41aa is opgenomen dat een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen betrekt. De volgende aspecten van toekomstbestendig bouwen worden blijkens het tweede lid van artikel 7.41aa betrokken: a. de risico's van klimaatverandering; b. de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie; c. de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; d. de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruikfsase; e. het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; f. het versterken van de biodiversiteit; en g. het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving. In paragraaf 4.2 Duurzaamheid en natuurinclusief bouwen wordt nader ingegaan op het aspect duurzaamheid, waarbij ook wordt in gegaan op de energiehuishouding van gebouwen, het versterken van de biodiversiteit en het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving.
Voor wat betreft het in te zetten materieel tijdens de bouwfase geldt dat gewerkt wordt met elektrisch materieel of materieel met een stage klasse van IV of hoger (zie hiervoor ook de invoergegevens bij de Aerius-berekening, zoals opgenomen in 5.11 Natuur van deze motivering). In paragraaf 5.14 Water wordt ingegaan op de aspecten wateroverlast, overstroming, hitte en droogte. Verder wordt in paragraaf 5.4 Gezondheid nader toegelicht op welke wijze binnen het plangebied een gezonde en veilige leefomgeving wordt gerealiseerd. Vooruitlopend op deze paragrafen kan geconcludeerd worden dat de artikelen 7.41a en 7.41aa niet aan vaststelling van onderhavig plan in de weg staan. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 7.3.7 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn de regels ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit opgenomen. De paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Onderhavig plangebied is aangewezen met een beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42. In artikel 7.43, 43a en 43c wordt het soort ruimtelijke ontwikkeling onderscheiden en de wijze waarop per soort ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit dient te worden gewaarborgd. Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkelingen vinden daarom primair plaats binnen BSD.
Omdat het plan grenst aan de recente ontwikkeling van het nieuwe woongebied aan de Floraweg 8b en aan de gewenste woningbouwontwikkeling van Floraweg 9 is sprake van ‘aanpassing’. Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h. Op grond van artikel 7.43h kan een omgevingsplan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Op basis van artikel 7.43h lid 2 worden in de motivering de volgende kwaliteiten betrokken: a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Het plangebied maakt nu deel uit van een glastuinbouwgebied en wordt aan de noordzijde begrenst door een nieuw woningbouwplan. Door het agrarisch gebruik met de daarbij behorende (kassen)bebouwing is geen sprake van openheid en vergezichten.
Het plangebied ligt aan de dorpsrand en maakt onderdeel uit van het bestaand bebouwd gebied van de gemeente. Op dit moment kenmerkt het plangebied zich niet met een groen karakter of specifieke verschijningsvorm van het landschap. Door gebruik te maken van het slagenlandschap en de sloten aan weerszijden van het perceel te handhaven blijft de oorspronkelijke landschappelijke structuur herkenbaar. Stedelijke ontwikkelingen
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 18
In paragraaf 7.3.8 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn de regels ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen opgenomen. Op basis van artikel 7.44 dient een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt rekening te houden met de op de behoefteramingen van Gedeputeerde Staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit de instemming met of vaststelling van regionale bestuurlijke afspraken door Gedeputeerde Staten of uit een door Gedeputeerde Staten openbaar gemaakt document. De regionale bestuurlijke afspraken bevatten een uitwerking van de in de provinciale Omgevingsvisie genoemde doelstellingen. De provincie heeft als doelstelling uitgesproken om tot 2030 bijna 250.000 woningen te bouwen en hiervan dient zo veel als mogelijk binnen het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd worden. Voor de kwantitatieve behoefte geldt verder dat in de 'Regionale Woonagenda Holland Rijnland' (2023) een totale regionale woningbehoefte is vastgesteld van 30.500 nieuwe woningen in de periode tot 2030. Specifiek voor de subregio Oost, waar Kaag en Braasem en daarmee het plangebied in is gelegen, gaat het om 9.500 11.000 woningen.
Op basis van artikel 7.45 dient een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, in de motivering in te gaan op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 4.3 van deze motivering vindt deze toets plaats. Hieruit blijkt dat er behoefte bestaat om woningbouw op deze plek te realiseren. Op basis van artikel 7.45b dient een omgevingsplan voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen, rekening te houden met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en dient het plan bij te dragen aan een goede woon- en leefomgeving. Hierbij dienen ook de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen betrokken te worden. Met voorliggende ontwikkeling worden in totaal 51 woningen gerealiseerd, waarbij 24 woningen voor een bijzondere doelgroep: het onzelfstandig wonen binnen een woongroep voor de Stichting Gwoon Onbeperkt Thuis. Artikel 7.45c bepaalt verder dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Hiervoor is een verkeersonderzoek uitgevoerd die laat zien dat het extra verkeer op een goede en veilige wijze afgewikkeld kan worden op het bestaande wegennet. Dit wordt verder in paragraaf 5.10 uitgewerkt. In artikel 7.45f is een maximum parkeernorm voor nieuwe sociale huurwoningen opgenomen.
Blijkens het tweede lid van artikel 7.45f geldt deze parkeernorm niet, als er op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren is vastgesteld. In voorliggend plan wordt er een specifieke parkeernorm gehanteerd voor de zorgwoningen, die overigens wel past binnen de eis van de maximale parkeernorm. Zie hiervoor paragraaf 5.10. Wonen Op basis van artikel 7.47a dient een (omgevings)plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, te voorzien in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 30% sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44. Met voorliggende ontwikkeling worden 24 van de 51 woningen gerealiseerd binnen de sociale huursector. Dat is bijna 50% en daarmee wordt voldaan aan dit artikel. Artikel 7.47b bepaalt verder dat ook moet worden voorzien in voldoende betaalbare woningbouw. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 2/3 betaalbare woningbouw of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44. Naast de 24 sociale woningen worden er ook 9 betaalbare koopwoningen gerealiseerd. Hiermee is het totaal aan betaalbare woningen 33 van de 51 en daarmee 65%. Hiermee wordt de 2/3 betaalbare woningen tot op twee procent benaderd (67%).
Daarbij wordt opgemerkt dat het aandeel sociaal, met de bijzondere doelgroep, juist weer veel hoger ligt dan de eis van 30%. Hiermee wordt in lijn met de eisen uit de omgevingsverordening ontwikkeld.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 19
3.2.2.2 Conclusie De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
OMGEVINGSWAARDEN Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie, maar ook van de gemeente zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor:
de gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats; de toelaatbare belasting door activiteiten; de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen.
De omgevingswaarde moet worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. Een kwalitatieve omgevingswaarde is mogelijk als zo'n aspect met objectieve termen kan worden omschreven. Bijvoorbeeld: wanneer een rivier moet voldoen aan de normen voor een 'goede ecologische toestand', is een objectieve beschrijving van kwaliteiten nodig in bijvoorbeeld een programma of beleidsregel. Omgevingswaarden hebben geen doorwerking naar andere partijen dan de gemeente die de omgevingswaarde heeft vastgesteld. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur of geluid.
Relatie tot ontwikkeling In paragraaf 2.2 (toets aan het omgevingsplan) is niet gebleken dat voor de voorgenomen ontwikkeling specifieke omgevingswaarden zijn vastgesteld, waaraan de voorgenomen ontwikkeling moet worden getoetst. Toetsing aan rijksomgevingswaarden voor omgevingsaspecten, zoals luchtkwaliteit, komen in hoofdstuk 4 en 5 van deze GoFlo aan bod.
Conclusie De omgevingswaarden vormen een randvoorwaarde voor de nadere uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling. Toetsing aan geldende wet- en regelgeving rondom omgevingsaspecten komt in hoofdstuk 4 en 5 van deze GoFlo aan bod.
REGIONAAL BELEID Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2023 Het is dringen op de woningmarkt in Holland Rijnland. Net als in andere delen van Nederland stapelen de vraagstukken zich op. De tekorten zijn groot, met name in het betaalbare koop-, sociale huur- en middeldure huursegment. De koopprijzen zijn hard gestegen en de wachttijden voor sociale huurwoningen zijn langer, waarbij een grote diversiteit aan doelgroepen met smart wacht op een geschikte woning. Om die redenen is in juli 2023 de nieuwe regionale woonagenda vastgesteld: Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2023. Dit document vervangt de vorige woonagenda uit 2017. Met de nieuwe regionale woonagenda willen de gemeenten het wonen in de regio versterken. Dat gebeurt door meer te sturen op een goed evenwicht tussen vraag en aanbod op de regionale woningmarkt en door keuzes te maken die de kwaliteit van wonen in de regio versterken. Er worden specifieke opgaven geagendeerd, zoals het bouwen van voldoende sociale huurwoningen, het huisvesten van de vergrijzende
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 20
bevolking en bijzondere doelgroepen als gevolg van de extramuralisering en de huisvestingsopgave voor groepen die tussen wal en schip vallen. Een nieuwe regionale woonagenda helpt de gemeenten door het geven van kaders en richting bij het realiseren van deze opgaven. Sinds de woonagenda uit 2017 zijn goede stappen gezet in de woningproductie. In de periode van 2015 tot 2020 zijn 14.384 woningen toegevoegd aan de woningvoorraad (inclusief sloop). De provinciale Woningbehoefteraming uit 2021 valt echter aanzienlijk hoger uit dan de laatste raming uit 2019. Dit betekent dat verder versneld dient te worden. De woningbehoefte komt uit op 30.500 nieuwe woningen vergeleken met 22.800 in de vorige prognose. Voor de periode 2021-2030 zijn er plannen voor circa 36.500 woningen (direct uitvoerbaar, passende kansen en plannen op basis van afspraken). Rekening houdend met planuitval en -vertraging (30%), is de ruimte om plannen te programmeren 39.650 woningen. Daarbij wordt de woningbouwopgave als vertrekpunt van de programmering gezien en nadrukkelijk niet als contingent. Het is een richtsnoer voor het ontwikkelen en realiseren van plannen, met focus op de juiste kwaliteiten en de juiste locaties. Uit het woningmarktonderzoek komt een duidelijke opgave naar voren om sterker in te zetten op betaalbaarheid.
Het wordt van belang geacht om doelgroepen met lage- en middeninkomens die in de huidige woningmarkt nauwelijks aan bod komen perspectief te bieden. Naast een groeiende behoefte aan sociale huur wordt een tekort aan woningen voor middeninkomens gesignaleerd. 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling Kaag en Braassem heeft binnen de regio Holland Rijnland als taakstelling de bouw van 1.740 woningen tot en met 2030, waarvan 840 in de periode 2020-2025. De procentuele groei van de gewenste woningvoorraad (GWV) van de gemeente Kaag en Braassem bedraagt tot 2040 meer dan 15%. De bouw van 51 woningen draagt bij aan het realiseren van deze taakststelling. Met voorliggende ontwikkeling worden in totaal 51 woningen toegevoegd, waarvan er 24 sociale zorgappartementen in de huursector zijn voor een specifieke woonzorggroep. Dit betekent dat bijna de helft van de te realiseren woningen voor een specifieke doelgroep wordt gerealiseerd in de sociale huursector. Daarmee is voorliggende woningbouwontwikkeling in lijn met de regionale woonagenda. 3.4.1.2 Conclusie De realisatie van voorliggend woningbouwproject zorgt met de realisatie van 47% sociale huurwoningen voor een bijzondere zorggroep dat in lijn wordt ontwikkeld met de regionale woonagenda.
GEMEENTELIJK BELEID Omgevingsvisie Kaag en Braassem De geactualiseerde Omgevingsvisie Kaag en Braassem versie 2024 is op 5 februari 2024 door de gemeenteraad van Kaag en Braassem vastgesteld. De Omgevingsvisie is een dynamisch document. Dat betekent dat dit document mee dient te bewegen met de veranderingen en ontwikkelingen die spelen binnen de gemeente en de samenleving. De Omgevingsvisie wordt daarom periodiek bijgesteld. In deze brede visie verbindt de gemeente de fysieke leefomgeving en het sociale domein aan elkaar. Met de omgevingsvisie wil de gemeente borgen wat goed gaat en inzetten op verdere vernieuwing en ontwikkeling waar dit nodig is. Per onderwerp zijn opgaven weergegeven en is aangegeven met welke doelen de gemeente deze opgaven wil bereiken. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld, met bijbehorende kenmerken en waarden. Op basis daarvan is per gebied een beknopt perspectief voor de toekomst geschetst. Aan de hand van gebiedsgerichte programma's zijn de gebiedstypen uit de omgevingsvisie nader uitgewerkt, met name bedoeld om richting te geven aan het op te stellen omgevingsplan.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 21
3.5.1.1 Relatie tot ontwikkeling Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype Kernen en is aangeduid als 'Bestaand stedelijk gebied'. Kernen zijn de gebieden waar onder andere veel ruimte is voor winkels, horeca, sport en wonen. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken. Deze zijn per kern benoemd en uitgewerkt in de dorpsperspectieven. Daarnaast worden de kernen onderverdeeld in 'centrum dorps' en 'landelijk dorps'. Roelofarendsveen is 'centrum dorps'. Voor het gebiedstype Kernen zijn de volgende doelen geformuleerd: een passende woning voor iedereen. een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving. Specifiek uitgangspunt hierbij is dat het wenselijk wordt geacht om (agrarische) bedrijfsbestemmingen in en rondom de kern te wijzigen naar bijvoorbeeld woningbouw, om zo bedrijfsbestemmingen te clusteren op de bedrijventerreinen en het woon- en leefklimaat in de kernen te verbeteren. Figuur 9. Gebiedstype Kernen en Bestaand stedelijk gebied met locatie binnen rood kader
De druk op de woningmarkt is groot. Er is een grote wachtlijst voor de sociale huursector, er is behoefte aan meer huur- en koopwoningen in het (betaalbare) middensegment en we hebben te maken met specifieke huisvestingsvraagstukken voor doelgroepen. We zetten daarom in op het sneller realiseren van woningen, met de focus op het sociale en betaalbare segment. We vinden dat alle doelgroepen evenredig aan de behoefte aan bod moeten komen op de woningmarkt. Er is dan ook aandacht voor (het realiseren van) een grote mate aan diversiteit in woningtypes om betaalbaar en geschikt wonen mogelijk te kunnen maken voor iedereen. Daarbij is de leefbaarheid van de kernen is van groot belang. Een voldoende aanbod van woningen die zoveel als mogelijk aansluit bij de specifieke behoefte van die kern draagt bij aan het behoud van de voorzieningen en de vitaliteit van het verengingsleven. Daarom zetten we in op woningbouwontwikkelingen in elke kern van de gemeente. Bij elke ontwikkeling wel rekening houdend met de ruimtelijke kwaliteit, met de focus op ‘passend in de omgeving’. Plannen die aan deze criteria voldoen kunnen dan ook op de volle steun rekenen van de gemeente, ook als deze op gespannen voet staan met het contourenbeleid van de provincie Zuid-Holland.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 22
De gemeente richt zich in de omgevingsvisie op het bouwen voor alle doelgroepen, maar heeft op basis van woononderzoeken een extra focus op jongeren, starters en senioren. De gemeente zet dan ook in op het bouwen van betaalbare woningen voor ouderen, starters en jongeren om zo de doorstroming te stimuleren. Daarnaast stelt de gemeente dat vrijkomende locaties in bijvoorbeeld glastuinbouwgebieden waar mogelijk in eerste instantie ingezet zouden moeten worden ten behoeve van woningbouw en pas daarna voor de inpassing van groen of duurzame energieopwekking. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in het toevoegen van 51 woningen, waarvan er 24 zorgappartementen worden gerealiseerd voor een specifieke doelgroep die hiermee een begeleide start kan maken op de woningmarkt. Gelet op het voorgaande draagt de ontwikkeling bij aan de ambities en uitgangspunten van de omgevingsvisie. 3.5.1.2 Conclusie De realisatie van voorliggend woningbouwplan is in lijn met de uitgangspunten van de omgevingsvisie.
Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstands-aspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. 3.5.2.1 Relatie tot ontwikkeling De plangebieden liggen ten zuidwesten van de kern Roelofarendsveen en zijn gelegen in een welstandsluw gebied. Binnen en in de directe omgeving van de plangebieden zijn geen monumenten aanwezig, Tevens maken de plangebieden geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht.
Aan de ontwikkeling worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld. 3.5.2.2 Conclusie De geldende welstandsnota geeft geen randvoorwaarden of uitgangspunten mee voor de woningbouwontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 23
4
OMGEVINGSKWALITEIT In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving.
CULTUURHISTORIE, MONUMENTEN EN ARCHEOLOGIE Algemeen Onderdeel van de fysieke leefomgeving is het cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen, namelijk monumenten (dit kunnen gebouwde monumenten zijn maar bijvoorbeeld ook tuinen en parken), archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschap en roerend of immaterieel erfgoed (dit kan bijvoorbeeld een haven met historische schepen zijn). Alle wettelijke regelingen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving zijn in de Omgevingswet terecht gekomen. Artikel 5.130 en Artikel 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor het cultureel erfgoed. Het beschermingsregime in het omgevingsplan moet ertoe strekken om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het cultureel erfgoed dat binnen het desbetreffende gebied aanwezig is en om dit cultureel erfgoed voldoende te beschermen als een activiteit wordt ontplooid. De Omgevingswet vormt samen met de Erfgoedwet (2016) het fundament voor de bescherming van het erfgoed. Monumenten De aanwijzing van rijksmonumenten is opgenomen in de Erfgoedwet en deze monumenten zijn daarmee wettelijk beschermd. In een Omgevingsplan kan een rijksmonument worden opgenomen, maar dit is door de bescherming op grond van de Erfgoedwet niet verplicht.
In een Omgevingsplan dienen voor alle beschermde monumenten regels te zijn opgenomen om de omgeving van het beschermde monument te beschermen. In de periode tot eind 2029 geldt een overgangsfase voor gemeentelijke monumenten. Na de overgangsfase worden alle gemeentelijke monumenten beschermd in een Omgevingsplan. Tot die tijd kunnen gemeentelijke monumenten ook beschermd worden via een erfgoedverordening. Archeologische monumenten In een Omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de (te verwachten) archeologische waarden. Een archeologische onderzoeksplicht in het Omgevingsplan regelt bijvoorbeeld wanneer archeologisch onderzoek moet plaatsvinden en aan welke eisen dit moet voldoen. In beginsel is een project kleiner dan 100 m² vrijgesteld, maar in een Omgevingsplan kan een andere vrijstellingsgrens worden vastgelegd. Stads- en dorpsgezichten & cultuurlandschappen Zowel het Rijk, de provincie als een gemeente kan een stads- of dorpsgezicht met een bijzonder cultuurhistorisch karakter aanwijzen voor bescherming. In een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht zijn de rechtsgevolgen niet gelijk aan die van een gemeentelijk beschermd gezicht. Vergunningsvrij bouwen is in een Rijksbeschermd stadsgezicht bijvoorbeeld ingeperkt. Een landschappelijk waardevol gebied kan beschermd zijn als cultuurlandschap.
Roerend of immaterieel erfgoed In de Omgevingswet is bepaald dat in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld aan roerend of immaterieel erfgoed als dit erfgoed direct of indirect voorwerp kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan regels voor een haven met historische schepen. Of het
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 24
toedelen van een functie aan een locatie die samenhangt met een (lokaal) volksgebruik dat wordt aangemerkt als immaterieel cultureel erfgoed. Werelderfgoed Naast de bescherming van erfgoed via de regels in artikel 5.130, is in artikel 5.131 voorzien in een specifieke regel voor het werelderfgoed. Een Omgevingsplan dient regels te bevatten voor het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Daarbij geldt dat een ontwikkeling in een betreffende gemeente invloed kan hebben (bijv. hoogbouw) op de universele waarde van werelderfgoed in een omliggende gemeente. Relatie tot ontwikkeling Ter plaatse van het projectgebied is in het omgevingsplan niks opgenomen ter bescherming van het cultureel erfgoed. In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig waardoor in het kader van de beoogde ontwikkeling geen rekening dient te worden gehouden met de bescherming van de omgeving van het erfgoed. Vanwege de ligging van de projectlocatie in een gebied waar geen rekening dient te worden gehouden met (te verwachten) archeologische waarden geldt er geen onderzoeksplicht. De projectlocatie ligt niet in of nabij een beschermd dorpsgezicht. De projectlocatie ligt niet in of nabij werelderfgoed. Ontwikkelingen op de projectlocatie kunnen hierdoor geen invloed hebben op de universele waarde van het werelderfgoed.
Conclusie Het aspect cultuurhistorie, monumenten en archeologie vormt geen randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie.
DUURZAAMHEID EN NATUURINCLUSIEF BOUWEN Klimaat en energietransitie Algemeen Beleid Rijk In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, zie paragraaf 3.1.1.1 van deze GoFlo) zijn de ambities van het Rijk opgenomen die onder andere betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in Nederland. Onderdeel hiervan is het beleidsdoel om ruimte te bieden voor klimaatadaptatie en energietransitie. Hiervoor heeft het Rijk de volgende beleidsdoelen:
Nederland is in 2050 klimaatbestendig en water robuust. Bij (her)ontwikkelingen wordt voorkomen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer toeneemt, voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Om de klimaatdoelstellingen voor 2050 te behalen is ervoor gekozen dat het grootste gedeelte van de energieproductie wordt gerealiseerd door middel van windparken op de Noordzee. Ook de ruimte op zee is schaars: naast de vraag om ruimte voor energie, is er ruimte nodig voor scheepvaart, visserij, natuur(herstel), luchtvaart, defensieoefengebieden, zandwinning, olie- en gaswinning en recreatie. De opgave is om de juiste maatschappelijke balans te vinden in de ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Dit is uitgewerkt in het Programma Noordzee 2022-2027. De energie-infrastructuur wordt geschikt gemaakt voor duurzame energiebronnen. De opgave van duurzame energie wordt gerealiseerd met het oog voor de kwaliteit van de omgeving en zo veel mogelijk gecombineerd met een andere functie.