2025-12-04 Ruimtelijke onderbouwing (GoFlo)
Tekst van het document
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 43
Figuur 13. Uitsnede kaartmateriaal LIB (bron: lib-schiphol.nl).
De projectlocatie is niet gelegen binnen het beperkingengebied. Verdere toetsing aan dit aspect kan daarom achterwege blijven. Conclusie Het Luchthavenindelingsbesluit vormt geen belemmering.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn mer Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de mer-beoordeling voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de mer-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r-(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-mer-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-mer-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder ‘het omgevingsplan’ ook ‘de omgevingsplanactiviteit’ verstaan (art. 11.6 lid 3
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 44
Omgevingsbesluit). Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een mer-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de mer-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een merbeoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen. Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die boordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit). Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject, categorie J.11. Derhalve is het doorlopen van de mer-beoordeling noodzakelijk.
In dit kader dient een mededeling te worden gedaan van het aangewezen project bij het bevoegd gezag, waarin een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. Hiervoor is een aanmeldnotitie mer opgesteld door Mees die als bijlage terug te vinden is. Geconcludeerd wordt dat de realisatie van 51 woningen/wooneenheden geen significant negatief milieueffect met zich meebrengt waardoor een MER niet nodig is. Conclusie Met de realisatie van 51 woningen/wooneenheden zijn geen significant negatieve milieueffecten te verwachten die een MER rechtvaardigen.
MOBILITEIT EN PARKEREN Algemeen Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP’s wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Relatie tot ontwikkeling Parkeerbehoefte auto In de ‘Nota parkeernormen 2018’ van de gemeente Kaag en Braassem zijn parkeernormen opgenomen voor het bepalen van de parkeerbehoefte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en functiewijzigingen. De gemeente Kaag en Braassem wordt als weinig stedelijk aangemerkt. De projectlocatie is gelegen binnen de ‘rest bebouwde kom’. De beoogde ontwikkeling bestaat uit 51 woningen. Uitgaande van tussenwoningen en hoekwoningen in de rest bebouwde dient een parkeernorm van minimaal 1,6 aangehouden te worden.
Voor 27 woningen bedraagt de parkeerbehoefte 43 parkeerplaatsen. Voor de zorgappartementen kan normaliter aangesloten worden bij de norm voor ‘verpleeg- en verzorgingstehuis’. Echter, gezien de specifieke doelgroep (jongeren die niet zelfstandig kunnen wonen) is in
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 45
samenspraak met de zorgpartij gekozen voor een norm van 0,25 per wooneenheid. Voor 24 zorgeenheden is de parkeerbehoefte dan ook gemiddeld: 24 x 0,25 = 6 parkeerplaatsen. De totale parkeerbehoefte bedraagt dan 43 + 6 = 49 parkeerplaatsen. Met de ontwikkeling worden in totaal 55 parkeerplaatsen gerealiseerd langs de ontsluitingsweg op maaiveld en kan ruim voldaan worden aan de parkeerbehoefte. Figuur 14. Parkeerplaatsen op maaiveld langs de ontsluitingsweg
Verkeersgeneratie Mobycon heeft in december 2024 een verkeeronderzoek uitgevoerd waarbij zij in eerste instantie de verkeersgeneratie van het te realiseren project hebben berekend. Het onderzoek is als bijlage terug te vinden, de resultaten zijn hieronder verwerkt. De verkeersgeneratie is berekend op basis van de verkeersgeneratiekencijfers van het CROW. Hierbij zijn de ook weer de uitgangspunten weinig stedelijk en rest bebouwde kom gehanteerd. Er is gekozen om de gemiddelde kencijfers te hanteren. Met de kencijfers van het CROW wordt de verkeersaantrekkende werking per weekdagetmaal berekend. Het gemiddelde werkdagetmaal is echter relevant. Het CROW biedt hiervoor een omrekenfactor van 1,11. Dit leidt tot de volgende verkeersaantrekkende werking: Figuur 15. Berekening verkeersgeneratie (bron: Mobycon).
Verkeersafwikkeling Om te beoordelen of deze verkeersgeneratie goed afgewikkeld kan worden op het bestaande wegennet, is dit ook door Mobycon onderzocht. Volledigheidshalve is hierbij ook de noordelijk gelegen ontwikkeling op het perceel Floraweg 8b meegenomen, omdat deze nog niet in het verkeersmodel van de gemeente is opgenomen. Hierdoor ontstaat een goed beeld van de totale verkeersgeneratie en afwikkeling. De verkeersgeneratie van de Floraweg 8b voor de realisatie van 75 jongerenwoningen is ook berekend en bepaald op in totaal 214 motorvoertuigen per werkdagetmaal. In totaal is dus sprake van 300 + 214 = 514 motorvoertuigen per werkdagetmaal. Omgerekend komt dit neer op circa 30 pae per drukste ochtend- en avondspitsuur.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 46
De locatie is gelegen op korte afstand van de Rijksweg A4. Het projectgebied is direct ontsloten op de Floraweg die weer na enkele meters aansluit via een rotonde aan de noordzijde op de Braassemdreef die in directe verbinding staat met de Rijksweg A4. De berekeningen laten zien dat dit niet leidt tot doorstromingsknelpunten op het kruispunt Floraweg/Braassemdreef. Ook eventuele bestaande doorstromingsknelpunten zien we in de verkeersgegevens niet terug. Voor de rotonde Braassemdreef/Alkemadelaan zien we geen aanleiding voor nader onderzoek, de toename in verkeer is zo beperkt dat een eventueel knelpunt automatisch projectoverstijgend is. Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor de realisatie van het woningbouwplan.
NATUUR Algemeen De Omgevingswet regelt per 1 januari 2024 het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Bescherming gebieden De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Hierbij gaat het om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd aan de hand van een aanwijzingsbesluit. Instandhoudingsdoelstellingen Instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in artikel 2.43 Omgevingswet geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Herstel in geval van habitattypen kan zowel uitbreiding oppervlakte als verbetering kwaliteit betreffen. In het geval van een herstelopgave voor soorten kan het gaan om uitbreiding van de omvang van het leefgebied en om verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie.
Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk en is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van aanwezige dier- en plantsoorten, natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (artikel 2.44 lid 5 Omgevingswet). Bescherming soorten Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Hier zijn als eerste de provincies verantwoordelijk voor. Ook andere overheden kunnen actief beleid voeren, zo is het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 47
Bescherming houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is derhalve onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) De Omgevingswet regelt in het Besluit activiteiten leefomgeving activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De activiteiten met betrekking tot de planologie zijn onder te verdelen in: -
Natura 2000-activiteiten; Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied; Flora- en fauna-activiteit (activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild) Vellen en beheren van houtopstanden
Omgevingswaarden natuurgebieden Depositie van zwaveldioxide (SO2) en stikstofdioxiden (NO2) kan schade veroorzaken aan natuurgebieden. Om kwetsbare vegetatie te beschermen gelden omgevingswaarden. Deze omgevingswaarden gelden enkel voor natuurgebieden met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer. Bovendien moet het natuurgebied liggen binnen; 20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen; 5 km van bebouwing, een IPPC- installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruik maken. Relatie tot ontwikkeling Gebiedsbescherming De projectlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een nader beschermd natuurgebied. In de omgeving van de projectlocatie zijn verschillende Natura 2000gebieden. De dichtstbijzijnde natura 2000-gebieden zijn de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck ten oosten en de Coepelduynen ten westen, gelegen op circa 12 km afstand van de projectlocatie. Het dichtstbijzijnde NNN gebied is gelegen op circa 1,7 km afstand van de projectlocatie. Direct significante effecten kunnen door de geruime afstand worden uitgesloten. In het kader van de Wet natuurbescherming dient uitgesloten te worden dat indirect significant negatieve effecten optreden in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
Hiertoe is een stikstofdepositieberekening op basis van de AERIUS-calculator vereist. Op 3 december 2025 is door Van der Goes en Groot een stikstofberekening in het kader van de natuurwetgeving uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen behorende bij deze GoFlo. Hieronder worden de resultaten kort weergegeven. De maximale projectbijdrage van de aanleg en gebruik van de planlocatie is 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie die bij realisatie van de plannen veroorzaakt zal worden, vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarden van de voorkomende stikstofgevoelige habitattypen dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden. Er is dus geen sprake van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000gebieden in gevaar zouden kunnen komen.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 48
Figuur 16. Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden, projectlocatie rood omlijnd (bron: Natura 2000).
Figuur 17. Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland, projectlocatie rood omlijnd (bron: Atlas Leefomgeving).
Soortenbescherming Voor de beoogde ontwikkeling zijn sloop- en/of nieuwbouwwerkzaamheden beoogd. Om uit te sluiten dat er ter plaatse van de projectlocatie geen beschermde flora en fauna aanwezig zijn, is er in het kader van Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 49
soortenbescherming dor Van der Goed en Groot op 11 maart 2024 een ecologische quickscan uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen behorende bij deze GoFlo. Hieronder worden de resultaten kort weergegeven. Het plangebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van de Huismus en van Gierzwaluw. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort noodzakelijk.
Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.
Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter tijdens de aanleg maar ook later niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht. Bescherming houtopstanden Ter plaatse van de projectlocatie zijn geen bomen of bossen aanwezig die zullen worden gekapt. Nader onderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuizen In navolging van de quickscan is door Van der Goes en Groot in de periode april tot en met september 2024 een nader onderzoek uitgevoerd naar huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Dit onderzoek is als bijlage terug te vinden, de resultaten zijn hieronder integraal weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 50
Huismus Er zijn geen Huismussen waargenomen bij de bebouwing van het plangebied. Er zijn geen nestplaatsen vastgesteld. Ook in de omgeving zijn geen broedende Huismussen vastgesteld. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de Huismus. Gierzwaluw Er zijn geen verblijvende Gierzwaluwen waargenomen in of bij de bebouwing van het plangebied. De aanwezige verblijven in de omgeving van het plangebied zullen niet worden beïnvloed, er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de Gierzwaluw. Vleermuizen Er zijn tijdens de inventarisaties geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Er zijn geen negatieve effecten van de ingreep op verblijvende vleermuizen mogelijk. Er zijn wel verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen buiten het plangebied. Tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen dat ’s nachts felle verlichting aan blijft staan, zodat eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied niet worden verstoord. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
OMGEVINGSVEILIGHEID Algemeen Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Omgevingsveiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het omgevingsveiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving. Het wettelijk kader m.b.t.
omgevingsveiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de omgevingsveiligheid zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 51
wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: o Brandaandachtsgebied o Explosieaandachtsgebied o Gifwolkaandachtsgebied
Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Dit artikel biedt de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Dat wil zeggen: zolang het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan de gemeente ook beantwoorden met demografische gegevens of onderbouwde schattingen. Maatregelen Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden.
Deze gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen: afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied aanvullende risicocommunicatie beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron vlucht- en schuilmogelijkheden omgevingsmaatregelen aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. Voorschriftengebied Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Zeer kwetsbare gebouwen Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 52
Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Voor deze gebouwen zijn de aanvullende bouweisen na aanwijzing van het voorschriftengebied in het omgevingsplan dus altijd van toepassing. Het gaat dan om bijvoorbeeld ziekenhuizen, basisscholen en kinderdagverblijven. De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Deze gelden alleen in geval van nieuwbouw of vervangende nieuwbouw. Groepsrisico Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Relatie tot ontwikkeling De kaartviewer Atlas Leefomgeving is een tool die de risico-objecten van de Risicokaart op een geografische kaart laat zien. Op de risicokaart is te zien dat er vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de rijkswegen A4 en A44. De projectlocatie is gelegen nabij deze wegen. Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied van GF3 (LPG) is 355 meter en het invloedsgebied van toxische stoffen is meer dan 4.000 meter.
De projectlocatie ligt op circa 203 meter afstand van de A4 en valt daarmee net buiten het verantwoordingsgebied. Figuur 18. Uitsnede risicokaart (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl).
Het projectgebied ligt wel binnen het invloedsgebied van GF3 en toxische stoffen, waardoor in ieder geval het groepsrisico berekend moet worden en eventueel een verantwoording van het groepsrisico nodig is.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 53
Onder de Omgevingswet worden de regels met betrekking tot geluid opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de omgevingsveiligheid zijn dezelfde twee begrippen van belang als in de huidige wet- en regelgeving, namelijk het plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Op 27 november 2024 is door AVIV een quick scan externe veiligheid uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen behorende bij deze GoFlo. Hieronder zijn de resultaten kort weergegeven. In deze quick scan zijn in het kader van woningontwikkeling aan de Floraweg 10- 12 in Roelofarendsveen de EV-risicobronnen geïnventariseerd en getoetst aan de omgevingswet. Hieruit is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling binnen het gifwolkaandachtsgebied van de rijksweg A4 ligt. Het EV-beleid van de provincie Zuid-Holland is niet afgestemd op gifwolkaandachtsgebieden, waardoor niet aan dit stappenplan kan worden getoetst. In het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem is voor externe veiligheid op dit moment geen specifiek beoordelingskader opgenomen voor externe veiligheid, zodat hieraan evenmin getoetst kan worden.
Het is echter niet nodig aanvullende maatregelen te treffen tegen de effecten van een gifwolk aangezien het handmatig uit kunnen schakelen van het mechanisch ventilatiesysteem een standaard bouwkundige eis is in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Algemeen Niet gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze verplaatst of geraakt worden bij werkzaamheden in de grond, kunnen ze een gevaar opleveren. Conform Arbowetgeving dient het terrein daarom voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen. In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. Gemeenten dienen hierin een eigen afweging te maken. Voor zover gemeenten in de Algemene Plaatselijke Verordening / Verordening van de fysieke leefomgeving regels hebben opgenomen met betrekking tot dit onderwerp, blijven die regels onverkort van kracht zolang ze niet actief worden meegenomen in het gemeentelijk omgevingsplan. De Omgevingswet heeft daarnaast geen invloed op gemeentelijk beleid ten aanzien van ontplofbare oorlogsresten. Relatie tot ontwikkeling Binnen de gemeente Kaag en Braassem is nog geen vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. In het omgevingsplan “Kaag en Braassem” zijn ook geen bepalingen inzake dit onderwerp opgenomen.
Een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering. Een nader onderzoek naar dit aspect is niet noodzakelijk.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 54
WATERBELANG Algemeen Op grond van de Omgevingswet is het wegen van het waterbelang noodzakelijk bij het vaststellen van het omgevingsplan. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan (artikel 5.37 van het Bkl). De regeling voor weging van het waterbelang is geformuleerd als instructieregel. De betekenis van deze instructieregel moet gezien worden in het licht van de belangenafweging die plaatsvindt in het omgevingsplan. Art. 5.37 lid 1 verplicht de gemeente bij die belangenafweging om in het omgevingsplan met de relevante waterbelangen rekening te houden en daarbij de opvattingen van de waterbeheerder te betrekken. Daarnaast is de weging ook noodzakelijk bij bijvoorbeeld een buitenplanse omgevingsactiviteit (paragraaf 8.1.1.2 Bkl). De waterbeheerder brengt het waterbelang bij de totstandkoming van een ruimtelijk plan onder de aandacht van het bestuursorgaan dat bevoegd is het betreffende ruimtelijk plan vast te stellen. Daarbij vormt de toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan het kader. De waterbelangen zien met name op het voorkomen en beperken van overstromingen (waterveiligheid), wateroverlast en droogte (waterkwantiteit). Verder strekt de weging van het waterbelang zich uit over het belang van een goede waterkwaliteit.
Ook de vervulling van op grond van de wet aan watersystemen toegekende maatschappelijke functies, zoals scheepvaart of zwemwater, is een van deze waterbelangen. Door ontwikkelingen als klimaatverandering, met meer extreem natte en droge periodes, en bodemdaling wegen waterbelangen steeds nadrukkelijker mee bij ruimtelijke beslissingen. Het is aan het daartoe bevoegde bestuursorgaan om in het betreffende ruimtelijk plan rekening te houden met de waterbelangen. In zoverre zijn de opvattingen van de waterbeheerder dus niet doorslaggevend. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat via deze regeling de waterbelangen meer aan de voorkant van het planproces aan de orde komen (Stb. 2018, 292, p. 340). In de Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving geeft het Rijk aan welke vergunningplichten gelden voor verschillende wateractiviteiten. Zo stelt het Rijk een vergunningplicht voor onder andere een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk, stortingsactiviteiten op zee en waterontrekkingsactiviteiten. Waterschappen kunnen ook een vergunningplicht hanteren in hun waterschapsverordening. Beleid Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma is vastgesteld op 18 maart 2022.
Het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 worden de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen beschreven. In het Nationaal Water Programma zijn drie hoofdambities opgenomen: Een veilige en klimaatbestendige delta. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Een veilige en klimaatbestendige delta Vanwege het feit dat Nederland kwetsbaar is voor de gevolgen van klimaatverandering, zijn maatregelen vereist die verdere klimaatverandering tegengaan. Daarnaast zijn stappen nodig om ons aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Dit wordt klimaatadaptatie genoemd. Klimaatadaptatie is een opgave die vele beleidsterreinen en sectoren raakt en daar dwars doorheen loopt. Klimaatadaptatie is een belangrijk onderdeel van het waterveiligheidsbeleid. Het Rijk bouwt voort op bestaande strategieën, zoals de overstromingsrisicobenadering en meerlaagsveiligheid. Uiterlijk in 2050 moeten de primaire waterkeringen aan de aangescherpte wetelijke normen voldoen. Ook wordt gewerkt aan het versterken van regionale keringen. Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 55
Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta Een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Daarom moet Nederland in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Het Rijk werkt aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. Het Rijk wil de internationale concurrentiekracht van de mainports en van de Nederlandse maritieme sector op een duurzame manier versterken en daarom wordt gewerkt aan een vlot, veilig, robuust en duurzaam goederenvervoersystemen over water. Daarnaast richt Rijkswaterstaat op maatregelen voor het tegengaan van verzilting en het verkennen van mogelijke systeemingrepen voor een klimaatbestendige zoetwatervoorzieningen. Vervolgens werkt Rijkswaterstaat aan vlot, veilig, robuust en duurzaam verkeer van scheepvaart over water door de aanleg en het beheer en onderhoud van rijkswateren en vaarwegen. Hierbij wordt veel aandacht besteed aan het klimaatbestendig maken van het netwerk en aan de verduurzaming van aanleg, beheer en onderhoud. Met innovaties op het gebied van technologie, data en digitalisering wordt gewerkt aan veiliger, schoner en efficiënter vervoer over water.
Ten slotte bezuinigt Rijkswaterstaat op het eigen energieverbruik en het zet in op klimaatneutraal werken. Door het onder voorwaarden laten gebruiken van het Rijkswaterstaat-areaal voor het opwekken van duurzame energie voor en door derden kan een bijdrage geleverd worden aan de energietransitie. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stofen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. Het kabinet heef in 2021 het statiegeldsysteem uitgebreid naar kleine fesjes om de hoeveelheid plastic in het milieu te verminderen. Het Rijk neemt in de planperiode van dit NWP veel maatregelen voor een natuurlijkere inrichting van de grote wateren om de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) te bereiken. Deze maatregelen zijn opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen 20222027. In de afgelopen periode zijn daarnaast extra middelen vrijgemaakt voor de Deltaaanpak Waterkwaliteit, het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer en de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW).
Al deze maatregelen betekenen een grote stap naar het halen van de doelen voor waterkwaliteit en natuur. In 2021 heef het Rijk de Beleidsnota Drinkwater 20212027 vastgesteld om schoon, gezond en genoeg (drink)water voor iedereen veilig te blijven stellen. Het Programma Natuur en het Programma Versterken Biodiversiteit bevaten maatregelen om de waternatuur te versterken. De visie voor kringlooplandbouw draagt bij aan het verbeteren van de kwaliteit van grond en oppervlaktewater. De aanpak van bodemdaling is ook voor het waterbeheer van groot belang. Het Programma Ontwikkeling Nationale Strategie (ONS) Landschap ondersteunt een landschapsinclusieve aanpak van de wateropgaven. Rijkswaterstaat richt zich in de planperiode van het NWP op het uitvoeren van de 3e tranche KRWmaatregelen, het opstellen en uitvoeren van Natura 2000beheerplannen en het verkennen en uitvoeren van de PAGWmaatregelen in de rijkswateren. Daarbovenop gaat extra aandacht uit naar opkomende en zeer zorgwekkende stofen, zowel op het gebied van vergunningverlening als kennisontwikkeling. Voor het grondwatersysteem gaat Rijkswaterstaat samen met regionale waterbeheerders de efecten op het grondwater van de rijkswateren en eigen werkzaamheden daarin verkennen. Hierbij wordt ook gekeken of de rijkswateren een positieve bijdrage kunnen leveren aan de gewenste grondwatersituatie van het regionale grondwatersysteem.
Dit mede ter bestrijding van gevolgen van wateroverlast en voornamelijk verdroging.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 56
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in het beheergebied van Hoogheemraadschap van Rijnland. Het plangebied wordt aan de noord-, zuid- en westzijde begrensd door oppervlaktewater. De watergangen aan de noord- en zuidrand vallen deels binnen het plangebied. De waterpartij ten westen van het perceel is aangeduid als primair water, en valt buiten het plangebied. Het plangebied maakt onderdeel uit van de Veender- en Lijkerpolder buiten de bedijking. In deze polder wordt een zomerpeil van NAP -1,48 m en een winterpeil van NAP -1,52 m gehanteerd. Het overtollige water uit de polder wordt door middel van een gemaal afgevoerd naar het Braassemermeer. Het Braassemermeer is een onderdeel van de boezem van Rijnland en heeft een zomerpeil van NAP -0,61 m en een winterpeil van NAP -0,64 m. Waterkering en belangrijk oppervlaktewater Het projectgebied ligt binnen de buitenbeschermingszone van een waterkering. In de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur zijn regels gesteld ten aanzien van activiteiten binnen deze zone. Deze regels gaan over seismisch onderzoek en bouwwerken met explosiegevaar. Beide zijn niet van toepassing op voorliggende ontwikkeling. Daarnaast ligt het plangebied voor een klein deel binnen de zone voor kernzone en beschermingszone van belangrijk oppervlaktewater (zie figuur 19).
Indien binnen deze zone een bouwwerk wordt gerealiseerd is in beginsel een vergunning nodig. Afhankelijk van de definitieve inrichtingsplannen wordt dit voorgelegd aan Rijnland om een mogelijke vergunningaanvraag voor te bespreken. Figuur 19. Uitsnede waterschapsverordening: kernzone en beschermingszone belangrijk oppervlaktewater (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland).
Waterkwantiteit Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (tot en met 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15% moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 57
Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling dient het aantal vierkante meters verharding in de huidige en de nieuwe situatie vergeleken te worden. Dit is door Tonka Architecten inzichtelijk gemaakt. In de onderstaande tabel worden deze resultaten inzichtelijk gemaakt. Hierbij zijn in de toekomstige situatie ook de parkeervakken en wegen die als halfverharding en middels grasklinkers worden uitgevoerd als volledige verharding meegenomen. Figuur 20. Verharding huidige en nieuwe situatie.
Huidige situatie Toekomstige situatie Afname
Totale oppervlakte 9.250 m2 9.250 m2
Verharding 6.200 m2 5.470 m2 -730 m2
Percentage verharding 67% 59%
Uit bovenstaande tabel blijkt dat er met de herontwikkeling sprake is van een afname aan verharding en derhalve een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie op het perceel. Waterkwaliteit en riolering Verder dient bij de verdere uitwerking van het plan aandacht te worden besteed aan waterkwaliteit, waterkwantiteit en riolering. Om schoon water schoon te houden en gescheiden af te voeren zal voor dit bouwplan het schone hemelwater afgevoerd worden naar bodem of oppervlaktewater. Voor afvoer naar oppervlaktewater is het van belang dat geen uitlogende materialen (als zink, lood, koper en bitumen zonder KOMO-keurmerk) worden toegepast op plaatsen waar deze materialen in contact komen met het hemelwater. Dergelijke materialen zullen niet worden toegepast. Klimaatadaptatie Bij de verdere planuitwerking kan mogelijk rekening worden gehouden met ruimtelijke adaptatie. Dit onder andere door het aanbrengen van groene daken, eventueel met meervoudig ruimtegebruik en capaciteit voor waterberging. Hittestress kan worden aangepakt door overstekken, zonwering en strategisch geplaatste bomen. Conclusie Het waterbelang is voldoende afgewogen voor deze ontwikkeling en vormt geen belemmering voor de realisatie van woningen.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 58
6
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan de Floraweg 10-12 te Roelofarendsveen wordt een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Kaag en Braassem en initiatiefnemer. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Er heeft participatie plaatsgevonden op verschillende manieren:
Afstemming met aangrenzende ontwikkelingen: Er is continu overleg geweest met de ontwikkeling aan de noordzijde (Floraweg 8) en de oostzijde (Floraweg 9) van het plangebied. Dit zorgt ervoor dat de plannen op elkaar aansluiten en eventuele knelpunten vroegtijdig worden opgelost. Gesprek met perceeleigenaar: Er is een gesprek gevoerd met de eigenaar van het perceel aan Floraweg 16. Tijdens dit gesprek is het plan toegelicht en zijn de wensen en opmerkingen van de eigenaar besproken. Er is geprobeerd om deze input zo veel mogelijk te verwerken in het plan, met name met betrekking tot de zichtlijn vanuit de woning van de eigenaar. Informatieavond voor ouders: Samen met Gwoon Onbeperkt Thuis is er een informatieavond georganiseerd voor ouders die op zoek zijn naar woonruimte voor hun jongvolwassen kind met een meervoudige beperking. Tijdens deze avond zijn referentieprojecten getoond en is het beoogde plan en de mogelijkheden binnen het woonzorgcomplex toegelicht.
Deze vormen van participatie hebben bijgedragen aan een plan dat rekening houdt met de belangen van verschillende betrokkenen en dat goed aansluit bij de behoeften van de toekomstige bewoners.
Planologische procedure De Algemene wet bestuursrecht kent twee voorbereidingsprocedures: de korte voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Voor deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de korte voorbereidingsprocedure doorlopen. Bij een besluit op aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit, tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking. Dan volgt voor eenieder de mogelijkheid om eventuele bezwaren tegen het besluit bekend te maken. Een bezwaarmaker moet het bezwaar binnen 6 weken indienen bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 59
7
CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel 51 woningen te realiseren aan de Floraweg 10-12 te Roelofarendsveen. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 23348.GOFLO
Pagina | 60