1. Lokale energiestrategie Kaag en Braassem - 16 mei 2024
Tekst van het document
daken en parkeerplaatsen niet voldoende oplevert, grootschalige opwek blijft dus ook in dit scenario nodig. Om die reden zijn er drie gebieden voor windturbines langs de A4 en N207 geïdentificeerd, die op basis van het onderzoek en de gesprekken met inwoners en andere belanghebbenden de voorkeur krijgen. Niet alle zoekgebieden hoeven te worden ingezet om de opwekdoelstelling te realiseren. Indien het niet lukt om opwek in een zoekgebied te realiseren zijn er alternatieven beschikbaar. Wel is er sprake van een impliciete voorkeursvolgorde. De gebieden langs de N207 hebben de voorkeur, omdat deze op verdere afstand van woningen liggen dan de A4. Om (grootschalige) opwek van duurzame elektriciteit binnen de gemeentegrenzen te regisseren, dient de gemeente de volgende zaken te ondernemen of in beleid te verankeren: •
Keuzes maken, zoals de zoekgebieden en de rol die de gemeente neemt in de ontwikkeling van deze zoekgebieden (dit kan per zoekgebied verschillen). In de situatie van Kaag en Braassem is het logisch dat de gemeente een sterk sturende rol neemt, omdat er tot dusverre nog geen initiatieven zonder gemeente interventie ontwikkeld zijn. Ook dient de gemeente een keuze te maken hoe het partijen uitnodigt om deel te nemen aan deze ontwikkelingen, bijvoorbeeld via een toelatingskader of een maatschappelijke tender, of juist doordat de gemeente grondposities inneemt. Dit ligt vaak in het verlengde van de rol die de gemeente neemt in de ontwikkeling;
•
Vastleggen van de eisen van de gemeente ten aanzien van ontwikkelende partijen van opwekinstallaties. Dit kan bijvoorbeeld de eis voor lokaal eigendom, financiële participatie en wensen en eisen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit zijn. Ook kan de gemeente eisen dat een ontwikkelaar een goed participatieproces volgt. De gemeente kan de instrumenten uit de Omgevingswet toepassen om dit op specifieke gebieden van toepassing te laten zijn;
•
Daarnaast kan de gemeente een algemeen gemeentelijk beleidskader voor de energietransitie ontwikkelen, waarin gemeentelijke keuzes worden vastgelegd zoals de rol van gemeente, of zij financiering aanbiedt en in welke vorm;
•
Een uitvoeringsprogramma om de gemaakte keuzes en het beleid in werking te zetten. Hierbij dient ook nagedacht te worden over de benodigde organisatorische inzet, zoals personeel en financiële middelen, om tot een goede uitvoering van de regisserende rol te komen.
Overigens is de gemeente niet de enige partij die iets te zeggen heeft over waar opwek van duurzame energie mogelijk is binnen de gemeentegrenzen. Door het Rijk, de provincie en Schiphol wordt ook (ruimtelijk) beleid opgesteld wat kan leiden tot bepaalde (ruimtelijke) restricties. Alle plannen die in de LES gemaakt zijn worden zoveel mogelijk getoetst aan bestaand beleid van het Rijk en de provincie, maar deze zijn ook aan verandering onderhevig. In bijlage 1.7 beschrijven we hoe de LES omgaat met deze restricties vanuit andere overheden. Initiatief 2: Een wijkgericht isolatieprogramma om als gemeente te sturen op het isoleren van huizen Zoals bij de doelstellingen beschreven kan isolatie van huizen en gebouwen zorgen voor een grote sprong in de energiebesparing in de gebouwde omgeving. Een wijkgericht isolatieprogramma van de gemeente kan daarin zorgen voor het gericht sturen op de toepassing van isolatie. Allereerst moet de fasering van wijken bepaald worden. We kunnen niet in elke wijk tegelijk aan de slag. Deze fasering bepaalt globaal waarom we eerst in de ene buurt en vervolgens in de andere aan de slag gaan. Per wijk ontwikkelen we vervolgens een eigen, gerichte (isolatie)aanpak. De aanpak per wijk kan verschillen.
Waar woningen al voldoende geïsoleerd zijn, zetten we in op een stimulering op warmtepompen (zie initiatief 3), terwijl in oudere wijken er een isolatie-aanpak nodig is. Om onze doelen te behalen willen we ongeveer 1 wijkaanpak per jaar opstarten. Of dit tempo realistisch is, zal afhangen van bestaande initiatieven in de wijk en de capaciteit vanuit de gemeente om dergelijke initiatieven te ondersteunen en faciliteren. We zorgen dat inwoners de juiste informatie kunnen vinden en zetten in op het verder verbeteren van de vindbaarheid van informatie over het isoleren van woningen en bedrijven. Waar mogelijk dienen we als gemeente aanvragen in voor subsidies om onze plannen te financieren, zoals isolatiesubsidies. Deze middelen gebruiken 26
we om kwetsbare doelgroepen in Kaag en Braassem de komende jaren te helpen en om labelsprongen voor de slechtst geïsoleerde woningen te faciliteren. Een isolatieprogramma dient daarbij in ieder geval de volgende zaken te bevatten: •
De doelen van het isolatieprogramma, de planning en de activiteiten om dit te bewerkstelligen.
•
Een inventarisatie van de doelgroepen en bepaling van de focusdoelgroepen voor de gemeente. Zo kan het logisch zijn om samen te werken met woningbouwcorporaties, VvE’s en energiecorporaties om snel stappen te zetten. Daarnaast is het ook goed om prioriteit te geven aan inwoners met lage inkomens, omdat zij zelf de middelen niet hebben om te kunnen isoleren.
•
Gebruik van juridische instrumenten om isolatie te bevorderen, zoals prestatieafspraken met woningbouwcorporaties of convenanten.
•
De benodigde organisatorische inzet vanuit de gemeente, zoals personeel en financiële middelen.
•
Allocatie van financiële middelen van de gemeente, plus een overzicht van de landelijke en regionale financiële subsidies die beschikbaar zijn voor isolatie
Initiatief 3: Stimuleren van lokale energiecoöperaties en individuele verduurzamingkeuzes door inwoners en andere belanghebbenden Energiecoöperaties vormen de smeerolie in de energietransitie. Zij zorgen voor lokale betrokkenheid en participatie bij duurzame initiatieven, wat essentieel is voor het creëren van een gemeenschapsgevoel en het vergroten van maatschappelijk draagvlak. Individuele verduurzamingskeuzes dragen bij aan het verminderen van de ecologische voetafdruk op het niveau van huishoudens, waar de gemeente zelf geen sturende rol in kan nemen. Om tot daadwerkelijke stimulering te komen zoeken we uit op welke wijze de inzet van energiecoaches kan worden uitgebreid met diensten zoals collectieve inkoopacties, advies over aardgasloos verwarmen bij bestaande bouw, warmtescans, etc. Bijvoorbeeld in samenwerking met lokale partners zoals (lokale) energie cooperaties (zoals KBEnergie en Leimuiden Duurzaam) en lokale ondernemers. De gemeente wil daarin ook onderzoeken of het mogelijk is om een gebiedscoöperatie op te richten, waarin alle duurzame initiatieven van de gemeente verenigd worden. Dit zorgt voor een professionaliseringslag binnen de gemeente, en geeft de gemeente de mogelijkheid om afspraken te maken (bijv. in een convenant) over de doelstellingen, exacte werkzaamheden en daarbij behorende middelen en vergoedingen.
Om een stimulerende rol te nemen kan de gemeente de volgende activiteiten ondernemen: •
Partijen bij elkaar brengen, door als coördinerende partij samenwerking te faciliteren in samenwerkingsverbanden, zoals bedrijven, installateurs, adviseurs en energiecorporaties;
•
Opzetten van kennisuitwisseling, communicatie en informatie-overzichten om belanghebbenden zoveel mogelijk te informeren;
•
Het bieden van financiële stimulansen aan de eindgebruikers, of inzicht geven in welke subsidies er beschikbaar zijn of zullen komen;
•
Het waar mogelijk maken van afspraken over doelen, zoals in een convenant, vergelijkbaar met prestatieafspraken voor woningbouwcorporaties. Partijen kunnen hierdoor gemotiveerd worden tot resultaat door het bieden van een financiële stimulans.
•
Monitoren en evalueren van tussenresultaten en (bij)sturen op resultaat.
Initiatief 4: Ondersteunen van één door de maatschappij opgezet pilotproject in duurzame warmte of ver-duurzaming glastuinbouw, naast het doorzetten van het uitvoeringsprogramma uit de TVW Zoals in hoofdstuk 2.2 benoemd, is uit de TVW gebleken het minder waarschijnlijk is dat Kaag en Braassem middels grootschalige collectieve warmteprojecten aardgasvrij wordt. Doordat de warmtedichtheid in Kaag en Braassem, als een landelijke gemeente met kleine kernen, laag is, liggen de kosten hiervoor zeer waarschijnlijk hoger dan individuele all-electric alternatieven zoals een warmtepomp. Daarnaast is ook het transitiepad voor de glastuinbouwsector nog niet duidelijk, en waarschijnlijk gebaseerd op individuele of kleinschalige collectieve 27
initiatieven. Dit betekent echter niet dat er daarom helemaal geen collectieve initiatieven opgezet kunnen en mogen worden. Sterker nog, door Liander is aangegeven dat het wenselijk is om niet alle warmtevraag te elektrificeren middels (individuele) warmtepompen, omdat er dan ook op het laagspanningsnet netcongestie zou kunnen ontstaan. Uit gesprekken met belanghebbenden is gebleken dat er duidelijke interesse bestaat om collectieve duurzame warmteprojecten in de gemeente op te starten. De gemeente kan dit faciliteren door een pilotproject vanuit een maatschappelijk initiatief te ondersteunen. Dit dient als een showcase, waarmee de gemeente en initiatiefnemers concrete ervaring en inzichten ophalen in hoeverre collectieve warmte opwek een plek kan hebben in het toekomstige energiesysteem van Kaag en Braassem. Het ondersteunen van een pilot biedt de gemeente ook de kans om oog voor de koplopers in de energietransitie te hebben, en de energie die bij deze groep zich ook te gebruiken. Hun ideeën en initiatieven kunnen daarmee gebruikt worden als inspiratie binnen de gemeente, met de gemeente als facilitator. Om een pilotproject op te starten kan de gemeente aan de slag met de volgende zaken: •
Samenwerkingen opzetten met belanghebbenden, zoals inwonerscollectieven en vertegenwoordigers van de glastuinbouwsector. Enige organisatiegraad is hierbij wenselijk, om een collectief initiatief sneller van de grond te krijgen;
•
Identificeren van geschikte locaties;
•
Het bieden van financiële stimulansen, of inzicht geven in welke er al beschikbaar zijn. Ook hierbij is het cruciaal om samen te werken met belanghebbenden die zich bewust hebben uitgesproken voor het opzetten van collectieve warmteprojecten in Kaag en Braassem, omdat uit de TVW naar voren komt dat collectieve initiatieven hogere kosten opleveren dan individuele verduurzamingsopties;
•
Monitoren en evalueren van tussenresultaten en (bij)sturen op resultaat.
Wijkuitvoeringsplannen Naast het opstarten van een pilotproject, is het ook van belang dat de gemeente de uitvoering van de doelen en initiatieven uit de TVW voortzet. Zoals eerder beschreven is het in Kaag en Braassem, door de lage warmtedichtheid, waarschijnlijk dat veel huizen gebruik zullen maken van individuele verduurzamingsopties, zoals hybride warmtepompen. Om dit in goede banen te leiden is het van belang dat de gemeente de transitie blijft ondersteunen, wat het onder andere kan doen door de Wijkuitvoeringsplannen op te stellen. Deze geven per wijk een beter beeld wat logische verduurzamingsroutes zijn. Een goede tussendoelstelling zou zijn om voor 2030 één wijkuitvoeringsplannen per jaar op te stellen, zodat de verduurzamingsroutes om aardgasvrij te worden in kaart zijn gebracht. Dit kan samen met de wijkgerichte isolatieplannen worden opgepakt, om zo tot integrale wijkstrategieën te komen. Bovendien zou de pilot die hierboven beschreven wordt, goed ingepast kunnen worden in een van de wijkuitvoeringsplannen waar de pilot opgestart kan worden. Omdat dit al onderdeel is van de TVW, wat de gemeente al heeft uitgewerkt, wordt dit niet verder behandeld in deze LES. Initiatief 5: Het goede voorbeeld geven als gemeente De gemeente als koploper in de energietransitie kan een versnellende werking op de gehele samenleving hebben.
Bovendien verwachten belanghebbenden ook iets van de gemeente, wanneer de gemeente dit ook van haar inwoners en andere belanghebbenden doet. De gemeentelijke organisatie heeft vastgoed in bezit en gebruikt energie om haar processen uit te voeren, zoals in het gemeentelijke wagenpark of het gebruik van een milieustraat. De gemeente kan dus het goede voorbeeld geven door dit energieverbruik zoveel mogelijk te verduurzamen. Een eerste stap zal daarom een inventarisatie zijn op welke manier de gemeente energie gebruikt, en hoe dit verduurzaamd kan worden. Daarna kunnen verduurzamingstappen door de gemeente gezet worden.
28
3.4 Na de LES Met het opstellen van de Lokale Energie Strategie heeft de gemeente een lokale doorvertaling van de RESdoelstellingen en de condities waarin dat kan gebeuren. Vervolgens wordt er middels de initiatieven een (impliciete) prioritering gemaakt, in deze LES bij de acties waarvan het handelingsperspectief en de resultaatverwachting van de gemeente het grootst is. Al deze stappen zijn onderdeel van de strategische cyclus, waarin de beleidskaders worden vastgesteld. Om tot een uitvoering in de energietransitie te komen, dienen de lange-termijn strategische uitgangspunten te worden vertaald naar een uitvoeringsprogramma. De LES beschrijft de ‘wat’ en ‘waarom’, vervolgens vertaalt het operationele programma dit naar de ‘wie’ en ‘wanneer’. Deze cyclus van strategie en operatie wordt ook beschreven in het Big 8 model, wat is weergeven in figuur 13. Een uitvoeringsprogramma beschrijft de operationele doelen, vaak in de vorm van tussendoelstellingen, de activiteiten om te ondernemen, de volgordelijkheid daarin, de planning, de betrokken partijen en de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen die partijen. Een uitvoeringsprogramma beschrijft ook de benodigde middelen voor de gemeente, in budgettaire en personele zin, om de doelstellingen te kunnen realiseren.
De LES bepaalt namelijk impliciet de prioriteiten voor de gemeente, maar geeft daar nog geen weging van benodigde middelen voor de organisatie in mee. Indien de middelen van de gemeente namelijk beperkt zijn, zullen er alsnog keuzes tussen de initiatieven gemaakt moeten worden. Overigens betekent dit niet dat alles stilligt tot een uitvoeringsprogramma geschreven is. Zo zijn er bijvoorbeeld beleidsmatige aanpassingen en gemeentelijke keuzes nodig om grootschalige opwek verder te realiseren. Het uitwerken van deze zaken heeft tijd nodig en kan al door de bestaande ambtelijke ondersteuning opgezet worden. Ook activiteiten die nu al in de operationele cyclus van de gemeente zijn, zoals het ondersteunen van energiecoöperaties en inwoners in de energietransitie, kunnen gewoon doorgezet worden. Het uitvoeringsprogramma dient hier vooral gebruikt te worden om de manier van uitvoeren van initiatieven die door de gemeente nog niet eerder vastgesteld zijn te bepalen.
Figuur 13: Het Big 8 model
29
3.5 Na 2030 De ontwikkelingen tot 2030 zijn een voorbode voor wat er na 2030 nodig is. Zo zal de verduurzaming van de maatschappij verder doorzetten, wat zal leiden tot een verder groeiende vraag naar duurzame elektriciteit, warmte en mobiliteit. Technologische ontwikkelingen zullen verder doorzetten, waardoor technieken die nu nog economisch gezien niet rendabel zijn, dan wel concurrerend zullen worden. Denk bijvoorbeeld aan waterstof, kleine modulaire kernreactoren (SMRs) of langdurige opslag van elektriciteit en warmte. Dit betekent dat er voor een aantal sectoren transitiepaden zullen ontstaan, die eerder nog onduidelijk waren. De gemeente zal deze ontwikkelingen blijven volgen en haar doelstellingen en plannen voor 2050 hierop aanpassen.
30
4. Betrekken van inwoners en maatschappij Voor de uitvoering van de LES is maatschappelijk draagvlak erg belangrijk. De keuzes die we nu in de LES maken, hebben in een latere fase een grote invloed op de directe leefomgeving van de inwoners van Kaag en Braassem. Daarom vinden we het gesprek met inwoners, maatschappelijke organisaties en ondernemers over de energie van de toekomst zo belangrijk. Bovendien beschikken zij over kennis van Kaag en Braassem die de kwaliteit van de plannen vergroot. 4.1 Betrokkenheid tijdens opstellen LES Tijdens het opstellen van de LES is participatie met diverse stakeholders een belangrijk onderdeel geweest. Inwoners hebben waardevolle inzichten en ideeën die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een effectieve strategie. Ook draagt participatie bij aan transparantie en vertrouwen. Inwoners willen betrokken worden bij besluitvormingsprocessen die invloed hebben op hun leefomgeving. Door hen actief te betrekken bij het opstellen van de strategie, wordt hun stem gehoord. Dit versterkt het vertrouwen en de acceptatie van de gekozen maatregelen. Door inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties te betrekken, kunnen we rekening houden met hun belangen en behoeften, waardoor de strategie beter bij hen aansluit. Dit maakt het waarschijnlijker dat zij de maatregelen ondersteunen en bereid zijn om bij te dragen aan de energietransitie. 4.1.1
Uitgangspunten
Tijdens het opstellen van de LES zijn de volgende leidende principes gebruikt als fundament om tot een doelmatig participatieproces te komen: • •
• • •
Gemeente is regievoerder over het proces Gemeente zet met een mix van toegankelijke communicatie- en participatiekanalen2 in op: o Inclusiviteit en representativiteit2 o Gelijke toegang tot informatie en middelen2 o Consulatie door de tijd heen2 o Duidelijke afbakening en politieke inbedding van de uitkomsten3,4 Gemeente geeft kaders aan en beslist uiteindelijk via de gemeenteraad over de LES Inwoners hebben een concrete stem gedurende het proces over afgebakende onderwerpen Professionele stakeholders worden betrokken voor inbreng van hun kennis en omdat zij in de praktijk met de LES (indirect) te maken krijgen 4.1.2
Uitvoering en uitkomsten participatie met inwoners
In de maanden oktober en november van 2023 ging de gemeente Kaag en Braassem op verschillende manieren in gesprek met haar inwoners. Tijdens inwonersavonden en straatgesprekken konden inwoners meedenken en praten over hoe Kaag en Braassem anders om moet gaan met het opwekken van energie: het overstappen op duurzame bronnen als zon en wind.
2 De mix van kanalen zijn toegankelijk voor alle inwoners/stakeholders, vragen geen (digitale) geletterdheid en zorgen voor een goede afspiegeling van de
bevolking. Ook zijn ze toegankelijk over de tijd heen, toegankelijk in taal en bieden de mogelijkheid tot reactie tijdens participatiemomenten maar ook daarbuiten. De kanalen waar de gemeente op inzet is: inwonersavonden, digitale storymap (interactieve atlas met toelichtingen), Kaag en Braassem spreekt, Open Stad, website gemeente Kaag en Braassem, informatiebrief en zichtbaarheid in openbare ruimte. 3 Deze principes zijn door de Wetenschappelijke Raad benoemt in het rapport “Rechtvaardigheid in Klimaatbeleid”
4 Dat brengt twee aandachtspunten: duidelijke afbakening van het product (zie bijlage 5; one-pager LES), politieke inbedding van het proces (informeren en
meegeven aandachtspunten van raad tijdens raadsessie 5 mei 2023) en de mate van inspraak (zie tabel 1; collegebesluit te nemen).
31
Via www.energievoorkaagenbraassem.nl konden inwoners zich inlezen en aanmelden voor één van de vijf verschillende inwonersavonden. Er was ruimte voor 30 inwoners per avond en telkens waren er zo’n 25 tot 30 inwoners. De avonden vonden plaats op: • • • • •
5 oktober in Hoogmade 19 oktober in Rijpwetering 2 november in Oude Wetering 16 november in Rijnsaterwoude 30 november in Woubrugge
De straatgesprekken vonden plaats op: • • •
24 oktober op de markt in Leimuiden 9 november op de markt in Roelofarendsveen 24 november op de markt in Woubrugge
Met een rijke opbrengst tot gevolg! Dit verslag loopt in vogelvlucht door de belangrijkste onderwerpen die zijn besproken. Het is door de veelheid aan gehoorde vragen en opmerkingen niet volledig, maar geeft wel een indruk weer van de opzet van de gesprekken, de onderwerpen die zijn besproken en de geluiden die we het vaakst terug hoorden. 4.1.3
Inwoneravonden
Doel en doelgroep van de inwoneravonden Het doel van de inwoneravonden was om op zoek te gaan naar kansen, voorkeuren voor en zorgen over verschillende vormen van duurzame energie-opwek, voornamelijk door middel van zon en wind. Per inwoneravond was er ruimte voor 30 deelnemers die zich vooraf hebben aangemeld. Iedere inwoner van de gemeente kon zich aanmelden: er is geen sprake geweest van loting of voorselectie. De deelnemersgroep is dus niet representatief voor alle inwoners van Kaag en Braassem. De uitkomsten schetsen wel een beeld van veel gehoorde zorgen en kansen van inwoners die geïnteresseerd zijn in dit thema.
Figuur 14: Impressie van de inwoneravonden voor de LES
Opzet en uitkomsten van de inwoneravonden In de start van de avonden werd eerst de context van het vraagstuk meegegeven. Wethouder Dolf Kistemaker (Wonen, Mobiliteit en Duurzame leefomgeving) vertelde over de aanleiding voor de bijeenkomst en het doel ervan. Kaag en Braassem wil haar verantwoordelijkheid nemen in de energietransitie, en de gemeente wil de mogelijkheden sámen met haar inwoners onderzoeken. Deelnemers kregen zicht op de verhouding van de inwoneravond tot eerder vastgesteld beleid. Vervolgens verlegden we de focus naar de landschappen van Kaag en Braassem: wat kunnen deze landschappen ons leren over de mogelijkheden om duurzame energie op te wekken in dit gebied? De deelnemers gingen in drie groepen uiteen om de zorgen, voorkeuren en kansen te uiten. De meest gehoorde uitkomsten: 32
Algemeen beeld: zorgen over (de omvang van) het vraagstuk • Deelnemers gaven meermaals terug dat het niet alleen aan de gemeente Kaag en Braassem is om de energietransitie te bewerkstelligen. Ook andere gemeenten moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Daarnaast was er een ongeveer gelijke verdeling tussen deelnemers die aangaven dat de energietransitie landelijk opgelost moet worden en niet per gemeente, middels wind op zee en grote energiecentrales, als deelnemers die aangaven dat ook Kaag en Braassem daar een rol in kan nemen, met duurzame opwek binnen de gemeentegrenzen. • Het vraagstuk is groot; meerdere deelnemers vragen zich af of er, naast duurzame opwek middels zon en wind, ook naar andere mogelijkheden wordt gekeken. Denk aan kernenergie (ook aan kleine kernreactoren), geothermie en waterstof. In alle sessies is besproken dat de gemeente hier inderdaad naar kijkt, ook in regionaal en provinciaal verband, omdat de gemeente zelf vaak niet de partij is die daarover gaat (zoals bij grote kerncentrales). Echter blijft het wel zo dat de meest realistische, haalbare en betaalbare manier om de doelstellingen voor duurzame elektriciteit voor 2030 te halen, door middel van zon en wind is. • De technische (on)mogelijkheden om de doelen van 2030 te behalen zijn meermaals besproken; netcongestie en bijvoorbeeld wettelijke beperkingen behoren tot de zorgen van inwoners.
Ondanks de zorgen die zijn geuit, staat het merendeel van de aanwezige inwoners achter de doelen en ambities van de energietransitie. Men vindt dat óók de gemeente Kaag en Braassem haar verantwoordelijkheid moet nemen, en is bereid om mee te denken over de randvoorwaarden. Tijdens meerdere inwonersavonden is gepleit om als gemeente Kaag en Braassem de ambities te verhogen: “we moeten als gemeente doen wat nodig is om onze eigen broek op te houden, maar misschien nog wel wat méér om op de toekomst voorbereid te zijn”. Sommige inwoners waren fel tegenstander van wind- en/of zonne-energie, anderen fervent voorstander. De gemiddelde indruk is hieronder benoemd. Kansen en zorgen voor opwek middels windturbines • Deelnemers benadrukten dat het open landschap van Kaag en Braassem kenmerkend en uniek is voor het gebied. Een deel van de inwoners gaf aan: áls er windturbines geplaatst worden, doe dit dan het liefst binnen of naast bestaande infrastructuren (zoals direct naast de N207, de A4 of de HSL). Een ander deel benoemde juist de wens om zo ver mogelijk weg te blijven van bestaande bebouwing. • De wens om samen te werken met bijvoorbeeld de gemeente Haarlemmermeer (of andere gemeenten) – en de windmolens centreren in hetzelfde gebied zodat het uitzicht slechts aan één kant belemmerd wordt, is vaak benoemd.
• Minimale randvoorwaarden die benoemd zijn: windmolens op veilige en het liefst zo groot mogelijke afstand tot woningen, zo min mogelijk in het zicht en zonder geluidsoverlast voor omwonenden. Daarnaast is een groot gedeelte van inwoners het eens dat als er windmolens geplaatst worden, deze liever bij elkaar geclusterd dienen te worden, dan verspreid over de gemeente. • Er werd vrijwel unaniem gedacht over het plaatsen van windmolens in de Braassem: daar is men absoluut geen voorstander van. Kansen en zorgen voor opwek middels zonnepanelen • Een zeer breed-gedeelde wens: maak voor opwek middels zonne-energie vooral gebruik van álle daken die nog leeg zijn in Kaag en Braassem, en denk inventief na om bijvoorbeeld geluidsschermen langs de A4 te benutten voor zonnepanelen. • Zonneweides op plassengebieden konden op weinig bijval rekenen tijdens de inwoneravonden. Ook zijn meermaals zorgen geuit over het plaatsen van zonneweides op (vruchtbare) landbouwgrond. Als er gekozen moet worden tussen opwek middels zon of wind, lijkt vaker bijval voor wind (of een combinatie van zon en wind) gevonden te worden. Dit in verband met de sterke visuele impact die zonneweides hebben op het groene landschap, én met het feit dat met windturbines sneller stappen worden gemaakt in het behalen van de energiedoelen. 33
Ook is er ingegaan op het thema financiële participatie, hieronder is de gemiddelde indruk beschreven: Kansen en zorgen voor financiële participatie • In algemene zin is er veel steun voor het idee dat als er een ontwikkeling op het gebied van duurzame energie plaatsvindt die daarmee tot een aanpassing van het landschap leidt, de inwoners van Kaag en Braassem daar op een proportionele wijze voor gecompenseerd mogen worden. • Verschillende vormen van compensatie zijn besproken, zoals het opzetten van een omgevingsfonds, inwoners (deels) eigenaar laten worden van een opwekinstallatie of een langdurige korting op de kosten voor elektriciteit voor inwoners. Financiële participatie wordt verder uitgewerkt in het beleid van de gemeente. De avonden zelf werden afgesloten met de mogelijkheden tot een open gesprek. Zo leven er bij inwoners meer onderwerpen binnen het thema energietransitie dan die tijdens de avond besproken zijn. Hier is tijdens de gesprekken verder op ingegaan, en is er aangegeven dat er ook na de gesprekken alle ruimte is om met de gemeente in contact te komen met vragen over dergelijke thema’s. 4.1.4
Straatgesprekken
Doel en doelgroep van de straatgesprekken De straatgesprekken kenden hetzelfde doel als de inwoneravonden: ophalen wat de zorgen, voorkeuren en kansen zijn die inwoners zien als het gaat om duurzame vormen van energie-opwek. Echter, de doelgroep was breder: we benaderden niet alleen mensen die al expliciete interesse hebben voor dit thema (en zich om die redenen bijvoorbeeld aan hebben gemeld voor een inwoneravond). De focus lag juist op het horen van andere stemmen; inwoners die wellicht minder snel naar een inwoneravond komen, maar die gezamenlijk wel een afspiegeling vormen van de inwoners van Kaag en Braassem.
Figuur 15: Impressie van de straatgesprekken voor de LES
Opzet en uitkomst van de straatgesprekken Op iedere markt is met 20 tot 40 inwoners gesproken. De meeste mensen waren welwillend om even in gesprek te gaan. In een gesprek van tussen de 2 en 10 minuten werden dezelfde vragen behandeld als tijdens de inwoneravonden. Algemeen beeld: meer gematigde meningen Wat opviel, is dat de meningen van de gesproken mensen tijdens de straatgesprekken meer gematigd waren ten opzichte van de meningen van mensen op inwoneravonden. Het merendeel van de gesproken mensen gaf aan dat ze inzien dat er iets moet gebeuren, en was minder sterk voor of tegen het plaatsen van windturbines en/of zonnevelden in het landschap van Kaag en Braassem. Een verklaring hiervoor kan zijn dat aanwezigen bij de inwoneravonden een sterkere mening hebben (dan wel voor of tegen), en dat dit juist de reden is waarom zij zich aanmelden voor inwoneravonden.
34
Er waren meerdere mensen die aangaven voorstander te zijn van het plaatsen van een paar windturbines in het landschap. De gemiddelde indruk was dat men dit liever zag gebeuren dan een zonneveld. Anderen gaven aan voor beide open te staan of liever een zonneveld te zien dan een windturbine. Quotes die kenmerkend zijn voor de straatgesprekken: Algemeen • “Zon en wind zijn ons vrijwel iedere dag weer gegeven, dus waarom maken we daar niet meer gebruik van? Natuurlijk is het jammer van het zicht, maar ook wij moeten meewerken aan duurzame opwek. Tof als we hier in Kaag en Braassem in meegaan.” • “We moeten doen wat nodig is om de wereld te redden. Liefst wel combineren met bestaande bouw/infrastructuur, want het moet zo min mogelijk ten koste gaan van de natuur.” • “Ik ben positief over duurzame opwek, en ben blij dat de gemeente kijkt naar nieuwe technische ontwikkelingen.” • “Ik ben tegen windmolens en zonneweides, want het bouwen is niet duurzaam, het kost veel onderhoud en dus geld. Denk liever aan waterstof of kernenergie.” • “We staren ons te blind op wind en zon, terwijl er veel innovatievere methoden zijn om elektriciteit op te wekken. Denk bijvoorbeeld aan kleine kernreactoren, die passen gewoon in je achtertuin en kosten een fractie van een grote centrale!” Windturbines • “Vroeger was ik molenaar, windmolens horen bij Nederland.
We moeten doen wat nodig is.” • “Bouw niet in de dorpen, maar liever op plekken waar mensen er minder last van hebben. En in ieder geval geen windturbines in de Braassem.” • “Er moet wat veranderen, dus ik snap dat er windturbines moeten komen. Plaats ze dan wel naast de snelweg, want die is toch al lelijk.” • “Plaats die windturbines nou niet hier, maar allemaal op zee!” • “Wind- (en zon) zijn belangrijk, maar wat doen we als de wind niet waait en de zon niet schijnt, dan hebben we een probleem? Daarom moeten we óók inzetten op kernenergie” Zonnepanelen • “Ik heb een voorkeur voor zonneweides, en die mogen best zichtbaar zijn: het is goed dat mensen zien dat we hier als gemeente mee bezig zijn!” • “In verband met natuurbehoud en ons mooie groene landschap, zie ik liever geen zonneweides maar windmolens.” • “Zonneweides lijken me minder belastend voor de natuur. Pas ze in in het landschap, en investeer de opbrengsten dan ook weer in de natuur.” 4.1.5
Uitvoering en uitkomsten participatie professionele stakeholders
Naast de gesprekken met inwoners uit de gemeente, zijn er ook gesprekken gevoerd met de zogenaamde professionele stakeholders. Dit zijn belanghebbenden die een ander belang hebben bij de ontwikkeling van de energietransitie in de gemeente, naast dat ze als inwoner van de gemeente hierin betrokken zijn. Dit kunnen bijvoorbeeld zakelijke of publieke belangen zijn, maar ook instanties die zich hard maken voor bepaalde zaken, zoals het behoud van natuur en landschap of versterking van milieu. Deze professionele stakeholders kunnen uiteraard ook inwoners van de gemeente zijn. Vanaf de zomer 2023 is er doorlopend contact gehouden met professionele stakeholders. Deze gesprekken hebben de vorm gehad van (digitale) kennismakingen, 1-op-1 gesprekken en werksessies. De lijst van
35
professionele stakeholders waar contact mee is gezocht is op basis van een stakeholderanalyse van de gemeente Kaag en Braassem opgesteld, die in het proces van de LES verder aangescherpt is. Uiteindelijk zijn op basis van de stakeholderanalyse de volgende professionele stakeholders betrokken: Groep
Stakeholders
Ondernemers
• • •
LTO Noord – Afdeling Kaag en Braassem Stichting platform Tuinbouw Veenstreek OVKB
•
Voorheen de Vereniging tot behoud van het open landschap van Kaag en Braassem e.o.
Energie coöperaties
• •
KBenergie Leimuiden Duurzaam
Natuur en milieu
• • •
Blauwe zone Polderlab Vrouwe Venne Stichting Groen Licht
Woningbouwcorporaties
• •
MeerWonen Woondiensten Aarwoude
Andere overheden
• •
Hoogheemraadschap van Rijnland Provincie Zuid-Holland
Netbeheerders
•
Liander
Ontwikkelaars initiatieven
• • •
Initiatief wind langs de N207 Zonneweide de Dyck TP Solar
Landschap
Tabel 2: Gesproken professionele stakeholders in het kader van de LES
Uitkomsten van de participatie Uit de gesprekken en sessies met professionele stakeholders zijn dezelfde onderwerpen behandeld, die ook in de inwoneravonden besproken zijn. Zo zijn bij belanghebbenden de kansen en zorgen opgehaald met betrekking tot grootschalige opwek binnen de gemeentegrenzen, en is besproken onder welke randvoorwaarden dit plaats kan vinden. Daarnaast is er ook besproken welke aandachtspunten de belanghebbende mee wil geven vanuit zijn/haar perspectief op de energietransitie. Als de input van alle professionele stakeholders wordt samengepakt tot een gemiddelde, kan er opgemerkt worden dat het merendeel van de professionele stakeholders de gestelde doelen en ambities van de lokale energietransitie in de gemeente Kaag en Braassem ondersteund. Op de verschillende besproken aspecten worden zowel kansen gezien, als zorgen geuit. Ook horen we terug dat veel belanghebbenden al de ambitie hebben om aan de slag te gaan binnen de energietransitie, maar daar nog te veel tegen muren aanlopen. Dit zorgt voor frustratie en onbegrip, en de gemeente kan een belangrijke rol spelen in het wegnemen hiervan.
De gemiddelde indruk vanuit deze diverse groep stakeholders is hieronder samengevat: Aandachtspunten vanuit professionele stakeholders • Er is (meer) coördinatie en regie nodig om de energietransitie, de gemeente kan de spil zijn tussen de lokale stakeholder en regionale partijen, ook netbeheerders. Een LES kan een goede eerste stap zijn; • De gemeente moet zich niet star staren op doelstellingen voor de tussenjaren. Voor sommige sectoren zijn technieken nog niet voldoende ontwikkeld in 2030 (bijv. gebruik van waterstof in glastuinbouw). Doelstellingen moeten daarop worden aangepast;
36
• • •
• • •
Door de tijd heen moet het gesprek gaande gehouden worden met inwoners en professionele partijen. Niet alleen nu tijdens de LES, maar periodiek en wanneer er initiatieven worden opgezet; Officiële afspraken met stakeholders maken waar dat kan, zoals prestatieafspraken met woningbouwcorporaties om te verduurzamen; Het is belangrijk om economische kansen (en andere inzichten) in kaart te blijven brengen voor belanghebbenden, en hen inzicht te blijven geven in welke hulpmiddelen er bestaan. Anders raken ze het overzicht kwijt; Versimpel, waar dat kan, de interactie en processen die stakeholders doormaken met overheden. Dit zorgt voor draagvlak; Erken dat partijen al meedenken en meewerken aan de energietransitie. Hier betalen ze vaak ook leergeld voor, dat niet altijd wordt gezien door de overheid; De rol van de gemeente gaat niet uitsluitend over het bieden van financiële ondersteuning. Stakeholders vinden dat ze zelf hun eigen broek op moeten houden wanneer dat kan, er moet dan echter wel meer duidelijkheid komen wat de gemeente nodig acht en hoe stakeholders zelf ontzorgd kunnen worden. Dit betekent niet alleen ambtelijke duidelijkheid, ook de lokale politiek moet zich duidelijk uitspreken.
Kansen en zorgen met betrekking tot grootschalige opwek in de gemeente • Geen voorkeur voor zon of wind uitspreken, dat behoudt flexibiliteit. Bovendien is de combinatie van zon én wind vanwege netcongestie logisch, het is dus niet of-of maar en-en; • Uitgangspunt voor grootschalige opwek is om op basis van de harde (wet- en regelgeving) en zachte belemmeringen (aspecten die een gebied minder kansrijk maken, maar niet door wet- en regelgeving al worden uitgesloten) uit de MER-analyses tot zo optimaal mogelijke locaties te komen. Natuurschade dient per definitie zoveel mogelijk geminimaliseerd te worden; • Zon zoveel mogelijk toepassen in dubbelgebruik met andere functies: in eerste instantie op dak, maar ook op geluidsschermen, op parkeerplaatsen, op dijken etc.; • Voor de toepassing van wind op land, zoveel mogelijk afstand bewaren tot woningen. Ook kijken naar combinaties met infrastructuur; • Geen voorkeur voor combinaties tussen water en zon/wind. Recreatie op het water in de gemeente mag niet in gevaar komen; • Ruimtelijk is er voorkeur voor clustering van grootschalige opwek, daarmee heeft de gemeente logischerwijs een belangrijke rol in organisatie en sturing; • Capaciteit op het net is dé kritische randvoorwaarde voor succes.
Gebruik van opslag en cable-pooling zou de voorkeur moeten hebben indien capaciteit schaars is; • Gemeente dient periodiek af te stemmen met buurgemeenten over waar zijn initiatieven ontwikkelen en dit meenemen in eigen plannen; • Inwoners mee laten delen in de lusten, als ze ook delen in de lasten. Energie coöperaties spelen hier een belangrijke rol in; • De potentie van de glastuinbouwgebieden als aanjager van collectieve warmtetoepassingen uit te nutten, bijvoorbeeld door een pilot voor alternatieve warmtevormen op te zetten (denk aan een WKO, gebruik restwarmte of waterstof). 4.2 Betrokkenheid na opstellen LES Samenwerken en participeren is ook van belang na het opstellen van de LES om een succesvolle energietransitie te realiseren. Niet alleen vroegtijdig in het proces, maar juist ook in de realisatie van de energietransitie is het gebruik maken van de kennis en ervaring van de lokale gemeenschap van groot belang. Inwoners en andere belanghebbenden moeten het gevoel hebben te allen tijde te kunnen meepraten en denken over de energietransitie. Dit zorgt voor transparantie en vergroot vertrouwen en draagvlak. Daarom worden er in dit hoofdstuk een aantal voorstellen gedaan voor participatie, die door de gemeente als uitgangspunt genomen zullen worden. 37
4.2.1
Beleidsparticipatie en projectparticipatie
Tijdens de LES is een uitvoering participatieproces doorlopen, maar het is niet de bedoeling dat dit hierna stopt. Zowel in de beleidsparticipatie en projectparticipatie wil de gemeente dat participatie een onderdeel van het proces is. Het uitgangspunt hierbij is ‘een doorlopend gesprek’. Participatie dient daarbij doelmatig en proportioneel te zijn aan de fase. Zo kan het logischer zijn om in de beleidsfase algemene informatieavonden en tafelgesprekken in kleine groepen te houden om ideeën aan te scherpen, en juist in de projectfase een intensiever participatieproces te doorlopen met de inwoners en bedrijven die zich binnen een bepaalde straal van de projectlocatie bevinden, en dus het meest beïnvloed worden door de ontwikkeling. De participatievorm die hierbij past is ook afhankelijk van de fase in het proces, en dient in die fase door de gemeente zelf te worden vastgesteld. Zo kan een enquête een goed middel zijn om een breed beeld van de meningen in de gemeente te krijgen, terwijl tafelgesprekken juist nuttig zijn om ideeën in detail uit te denken. Het is aan de gemeente om dit te beslissen, met de uitgangspunten zoals hier benoemd als startpunt. Het is in ieder geval van belang om zowel digitale en fysieke middelen aan te wenden, zodat de keuze voor de belanghebbenden het grootst is.
Aangezien projectparticipatie vaak een verantwoordelijkheid van de projectontwikkelaar is, zullen wij dit als gemeente ook als verplichting stellen. Wanneer er een project wordt gestart is het aan de initiatiefnemer om samen met de omgeving een proces te door lopen om te komen tot een wenselijke en haalbare vormgeving van participatie. Hieruit volgen afspraken over het ontwerp van het energieproject, over de ruimtelijke inpassing en over lokaal eigendom en financiële participatie. 4.2.2
Lokaal eigendom
Lokaal eigendom is bedoeld om de omgeving meer zeggenschap te geven in de energietransitie. Lokaal eigendom betekent dat inwoners en ondernemers collectief (gedeeltelijk) eigenaar zijn van de ontwikkeling van een opwekinstallatie. Het doel is meer zeggenschap voor inwoners, en daardoor meer maatschappelijk acceptatie. Lokaal eigendom gaat vaak in de vorm van een energiecoöperatie die deelnemen in een project. Daarmee hebben inwoners/ondernemers zeggenschap over het project en de ontwikkeling ervan. Zo kan ze meepraten over hoe het park eruitziet en wat er met de opbrengsten gebeurt. Ook delen inwoners/ ondernemers mee in de opbrengsten, maar ze dragen ook een financieel risico. Er zijn diverse vormen van lokaal eigendom, dit kan variëren tussen nul en honderd procent, een aantal voorbeelden zijn gegeven in de figuur hieronder. Lokaal eigendom staat daarmee los van financiële participatie, omdat lokaal eigendom specifiek over het toekennen van eigenaarschap en zeggenschap aan de lokale omgeving gaat. Financiële participatie gaat over het kunnen meeprofiteren van de lokale omgeving aan de baten van energieontwikkelingen. De gemeente wil het uitgangspunt van het Rijk volgen, namelijk het streven naar minimaal 50% lokaal eigendom in lokale energietransitie initiatieven. Meer lokaal eigendom is mogelijk, maar zoals in de figuur hieronder weergeven, leveren dit wel risico’s op.
Er wordt wel een onderscheid gemaakt tussen klein- en grootschalige initiatieven. Kleinschalige initiatieven zijn alle zonnesystemen op daken, op parkeerplaatsen, braakliggende gronden en restruimtes (zoals ruimte op bedrijventerreinen of op boerenerven) en zon langs infra (grondgebonden zonder wind of geluidsschermen). Hier heeft lokaal eigendom de voorkeur, bijvoorbeeld doordat een energie coöperatie de locatie ontwikkelt. Grootschalige initiatieven zijn windmolens of een combinatie van windmolens en zon. Hier is lokaal eigendom een voorwaarde voor realisatie. Ontwikkelaars dienen dus rekening te houden met lokaal eigendom in hun planvorming. De gemeente legt haar eisen ten aanzien van de vorm van lokaal eigendom vast in haar beleidsvorming.
38
Figuur 16: Voor- en nadelen van verschillende hoeveelheid in lokaal eigendom
4.2.3
Financiële participatie
Financiële participatie gaat over het financieel meeprofiteren van de omgeving aan een project. Veelal is financiële participatie een vraagstuk bij projecten waarbij de omgeving geen initiatiefnemer is, en er dus niet per definitie meegeprofiteerd wordt. Het verschil tussen financiële participatie en lokaal eigendom is het volgende: financiële participatie staat los van het lokaal eigendom, dat vooral over zeggenschap door de omgeving gaat. Lokaal eigendom gaat dus over het behartigen van de belangen van omwonenden, en niet zozeer het financieel meeprofiteren. Wel wordt vaak bij de opzet van lokaal eigendom juist ook (een vorm van) financiële participatie opgezet. Financiële participatie kan de betrokkenheid van gemeenschappen bij de energietransitie vergroten, bijdragen aan andere doelstellingen in de gemeenschap (zoals versterking van natuur of recreatie) en de overgang naar duurzame energie versnellen. Bovendien kan het individuen en gemeenschappen financiële voordelen opleveren door middel van dividenden, rente, lagere energiekosten of investeringen in duurzame projecten of lokale voorzieningen. Financiële participatie kan in diverse vormen worden uitgevoerd, zoals: • Mede-eigenaarschap: Omwonenden profiteren mee als mede-eigenaar van een wind- of zonneproject, via een vereniging of coöperatie.
Bij bijvoorbeeld aandelen is het project een stuk eigendom van een organisatie, waar dividend (een deel van de winst) aan uitgekeerd wordt. Aandelen zijn interessant wanneer omwonenden zeggenschap en financiële participatie willen combineren. • Obligaties: Een lening aan een rechtspersoon, die met rente dient te worden terugbetaald. Obligaties zijn interessant wanneer omwonenden financiële participatie niet willen combineren met zeggenschap • Omgevingsfonds: Een deel van de opbrengsten komt ten goede aan maatschappelijke doelen in de buurt, zoals een spotclub of wijkvereniging. • Omwonendenregeling: Een manier om een groep omwonenden, vaak directe omwonenden in een bepaalde straal rondom een energieontwikkeling, te compenseren voor de impact op hun leefomgeving. Bijvoorbeeld in de vorm van het bieden van gelden om hun woning te verduurzamen, of door de opgewekte stroom aan de lokale omgeving aan te bieden tegen een lage prijs, gebaseerd op een kostprijs+ model (dit wordt ook wel “local4local” genoemd). Tijdens de inwonersavonden kwam naar voren dat het merendeel financiële participatie belangrijk vindt bij duurzame energie opwek, voornamelijk bij grootschalige opwekinitiatieven die invloed hebben op het landschap.
Om te voldoen aan de randvoorwaarde voor het vergroten van maatschappelijk draagvlak, wil de gemeente een toepassing van financiële participatie als voorwaarde stellen bij initiatieven in de energietransitie. Ontwikkelaars 39
dienen dus rekening te houden met financiële participatie in hun planvorming. Of de gemeente een bepaalde vorm van financiële participatie verplicht, of dit juist vormvrij laat, legt het vast in haar beleidsvorming.
40
BIJLAGEN
41
Bijlage 1.
Verdieping op elektriciteit
1.1. De landelijke opgave In 2050 is Nederland klimaatneutraal en is onze energievoorziening duurzaam opgewekt en CO2-neutraal. De opwek van duurzame elektriciteit is noodzakelijk om de duurzaamheidsdoelstellingen te behalen. Landelijk gebeurt dat met kernenergie, waterkracht en wind op zee. Er is afgesproken dat iedere regio een aandeel in de restopgave op zich neemt. Met zonnepanelen op daken, zonneparken en windturbines. Ook in de regio HollandRijnland, waar Kaag en Braassem onderdeel van is. Er is afgesproken dat Holland-Rijnland in 2030 1,05 TWh aan duurzame elektriciteit opwekt en dat deze opgave evenredig wordt verdeeld over de regio. De grafiek rechts laat zien dat de opwek van elektriciteit nog flink achterblijft bij de ambities binnen de regio. Ook in Kaag en Braassem is het aandeel duurzame energie opwek nog laag. Dit ondanks het flink gestegen aantal zonnepanelen op daken. In onze gemeente staan nog geen windturbines of zonneparken. De opwek van elektriciteit vormt een belangrijk onderdeel van deze Lokale Energie Strategie. Ondanks dat ze zeer belangrijk zijn voor het behalen van de duurzaamheidsdoelen hebben windturbines en zonneparken veel impact op de leefomgeving.
Daarom is een zorgvuldig participatieproces gevolgd om te komen tot Figuur 17: Voorgang grootschalige opwek binnen RES Holland-Rijnland concretisering van de mogelijkheden voor windturbines en zonneparken in de gemeente Kaag en Braassem. Alternatieven voor wind en zon In het Klimaatakkoord is afgesproken dat we de 2030 doelen voor duurzame elektriciteit willen halen met zon, wind (op land en zee) en kernenergie. Dit zijn bewezen technieken die op korte termijn kunnen bijdragen aan de verduurzaming van Nederland. Tijdens de LES zijn er vragen gesteld over de toepassing van kernenergie in de gemeente. Kernenergie is (op dit moment) geen onderdeel van de LES of van de RES. De Nederlandse overheid is namelijk het bevoegde gezag voor de plaatsing van kerncentrales. Op dit moment worden er plannen gemaakt voor 2 nieuwe kerncentrales in Borssele. Ook wordt binnen en buiten Nederland volop onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor kleine modulaire kernreactoren (zgn. SMRs). Binnen de provincie wordt ook een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van SMRs in Zuid-Holland. Mocht hieruit blijken dat kernenergie een interessante techniek is voor lokale toepassing, dan zal de gemeente hier ook vervolgstappen in willen nemen. Dit wordt dus actief gevolgd. Verder wordt waterstof vaak genoemd. Waterstof is geen direct alternatief voor zon en wind.
(Groene) waterstof wordt geproduceerd door middel van duurzame elektriciteit. Daarvoor zijn dus windturbines en zonnepanelen nodig. Duurzame waterstof wordt voorlopig alleen op erg kleine schaal gemaakt en is daarmee nog erg duur. Schaalvergroting komt zeer waarschijnlijk pas na 2030. Daarom wordt duurzame waterstof voorlopig vooral als oplossing gezien voor de industrie. Voor de energietransitie in onze gemeente speelt duurzame waterstof op dit moment geen rol. Veel gestelde vragen over alternatieven voor zon en wind zijn ook beantwoord in de veel gestelde vragen sectie van de LES webpagina, namelijk www.energievoorkaagenbraassem.nl. 42
1.2. Onze ambitie Er is afgesproken dat Holland-Rijnland in 2030 1,05 TWh aan duurzame elektriciteit opwekt. Dit noemen we het RES-bod. Deze opwek moet komen van zonnepanelen op grote daken (dit zijn daksystemen met een opwekvermogen groter dan 15 kilowatt-piek, ongeveer 40 panelen), zonnevelden en windturbines. Zonnepanelen op kleine daken tellen niet mee voor het RES-bod, maar helpen uiteraard wel in het energieneutraal maken van de regio. Holland-Rijnland verwacht ongeveer 0,25 TWh aan opwek van zonnepanelen op grote daken te laten komen. De resterende 0,8 TWh dient te komen van windturbines en zonnepanelen op land. Dat zijn zo'n 50 grote windturbines (van 5,6 MW) of grofweg 900 hectare zonnepark. Of alles daartussenin. De gemeente Kaag en Braassem wil een evenredig aandeel in dit regionale bod nemen, op basis van het energieverbruik van de gemeente. De gemeente Kaag en Braassem verbruikt zo'n 9% van het totale energieverbruik in de regio. Op basis van dit energieverbruik en een evenredig aandeel in de opwekdoelstelling, wil Kaag en Braassem in 2030 0,09 TWh aan duurzame elektriciteit opwekken. De tabel laat deze berekening zien. Energieverbruik (2014*)
Opwekdoelstelling
Kaag en Braassem
0,879 TWh
0,09 TWh
Overige gemeenten
9,230 TWh
0,96 TWh
Totaal RES Holland-Rijnland
10,109 TWh
1,05 TWh
Aandeel Kaag en Braassem
9%
9%
Tabel 3: Opwekdoelstelling Kaag en Braassem op basis van een evenredige verdeling in het energieverbruik in de RES Holland-Rijnland *Voor de opwekdoelstelling wordt 2014 als het basisjaar genomen, hierdoor wordt voor de evenredige verdeling ook naar 2014 als basisjaar gekeken. Er wordt hier gekeken naar het totale energieverbruik, dus inclusief energieverbruik als gevolg van de A4.
Kaag en Braassem wil dus in 2030 0,09 TWh aan duurzame elektriciteit opwekken. Dit kan het doen door zonnepanelen op grote daken (of parkeerplaatsen) aan te leggen, of zonneweiden en windturbines te plaatsen. De gemeente en haar inwoners hebben de voorkeur om eerst de daken vol te leggen. Om in te schatten hoeveel zonneweiden en windturbines er daarnaast nog geplaatst moeten worden, is er op basis van een RVO dataset een inschatting gedaan van het potentieel van zon op grote daken en het potentieel van zon op parkeerplaatsen. Hierbij is er een aanname gedaan, met een onder- en bovengrens, over hoeveel percentage van de daken en parkeerplaatsen in 2030 zonnepanelen kan krijgen. Op basis van deze inschatting dient er in Kaag en Braassem nog 1 tot 2 windturbines (van 5,6 MW5) en 30 tot 40 ha aan zonnepanelen (uitgaande van 1 MWp per hectare4) geplaatst te worden (op basis van een 50/50 verdeling zon en wind), om de doelstelling van 0,09 TWh te bereiken. 1.3. Andere opwekscenario’s Naast de doelstelling om een evenredig deel in het RES-bod te nemen op basis van het energieverbruik van Kaag en Braassem binnen de regio, zijn er ook een aantal andere mogelijke denkrichtingen voor een ambitie van de gemeente aangekaart door belanghebbenden.
Zo zou de gemeente ook een evenredig deel van het RES-bod kunnen nemen, op basis van de grootte van het oppervlak van Kaag en Braassem binnen de regio. Meer oppervlak kan immers meer potentie voor opwek betekenen. Ook hebben belanghebbenden geopperd om Kaag en Braassem een ambitie te laten nemen op basis van de beoogde CO2-reductie, namelijk de (oude) landelijke ambitie van -49% zoals naar gerefereerd in het raadsakkoord, en de nieuwere landelijke ambitie van 55%. Deze denkrichtingen zijn binnen de LES doorgerekend, om een idee te geven wat er vervolgens aan 5 Deze getallen zijn gebaseerd op het Begrippenkader RES van Nationaal Programma RES, een set van afspraken tussen de RES-regio’s en landelijke
organisaties (als PBL, CBS) om data in de energietransitie te harmoniseren
43
additionele grootschalige opwek binnen de gemeente nodig is. Zoals in hoofdstuk 1 aangegeven is de RESdoelstelling voor de gemeente leidend, dus de scenario’s die een doorrekening van CO2-reductie geven, zijn vooral bedoeld als indicatie. Om deze scenario’s door te rekenen is ten eerste de doelstelling omgerekend naar een opwekdoel. Voor het lokale deel binnen dit RES-bod is dit simpelweg gedaan door het aandeel van Kaag en Braassem in het respectievelijke energieverbruik en landoppervlakte van de hele regio toe te passen op het RES bod. Zoals hierboven beschreven is het voorbeeld voor energieverbruik gegeven. Kaag en Braassem verbruikt 9% van de energie van de RES-regio, dus pakt daarmee ook 9% van het RES-bod. Voor de scenario’s waar een CO2-reductie bij behaald wordt is een bredere inschatting gemaakt welke hoeveelheid er bespaard wordt, en hoeveel warmte en mobiliteit er naast elektriciteit duurzaam opgewekt wordt. Hierbij zijn we uitgegaan van conservatieve inschattingen in 2030, omdat het de verwachting is dat de verduurzaming binnen deze 2 categorieën pas echt op stoom komt na 2030, bijvoorbeeld in collectieve warmtesystemen en mobiliteit op waterstof of biobrandstof. Elektriciteit loopt in deze ontwikkeling voorop.
Om uiteindelijk te bepalen hoeveel grootschalige opwek er nog nodig is, dienen we de potentie van zon op dak en parkeerplaatsen in de gemeente van de doelstelling af te halen. Het resterende getal moet namelijk nog ‘gevonden’ worden in de vorm van grootschalige opwek. Hier is wederom op basis van een RVO dataset een inschatting gedaan van het potentieel van zon op grote daken en het potentieel van zon op parkeerplaatsen. Hierbij is er een aanname gedaan, met een onder- en bovengrens, over hoeveel percentage van de daken en parkeerplaatsen in 2030 zonnepanelen kan krijgen. Wel gelden voor de verschillende scenario’s verschillende rekenregels. Zo mogen er in het RES-bod alleen grote daksystemen worden meegeteld (dit zijn daksystemen met een opwekvermogen groter dan 15 kilowatt-piek, ongeveer 40 panelen), terwijl in de CO2-reductie scenario’s alle daksystemen worden meegeteld. Als we de potentie van de doelstelling afhalen, komen we tot een inschatting van de benodigde grootschalige opwek. In het getal voor potentie is het huidig gerealiseerde aantal zonnepanelen al meegenomen. Het betreft dus de totale potentie voor zonnepanelen op daken. Figuur 18 hieronder geeft dit visueel weer:
Figuur 18: Benodigde grootschalige opwek voor de verschillende scenario's in Kaag en Braassem (in TWh)
Voor de 4 scenario’s is er sprake van een steeds hogere doelstelling voor opwek van duurzame elektriciteit. Daarmee groeit de benodigde grootschalige opwek ook, zelfs met een hogere potentie (doordat we alle zonnepanelen op dak mogen meetellen) in de twee CO2-reductie scenario’s. De bandbreedte van te benodigde 44
grootschalige opwek valt tussen de 0,06 TWh in het kleinste scenario, tot 0,17 TWh in het grootste scenario. De tabel hieronder laat zien wat dit (ongeveer) in hoeveelheid wind en zon betekent, bij een 50/50 verdeling tussen wind en zon. De hoeveelheden windturbines en zonnepanelen zijn afgerond op hele getallen (voor windturbines) of tientallen (voor zonnepanelen). Hierbij is er uitgegaan van een grote turbine met een vermogen van 5,6 MW een opwekvermogen van een zonnepark van 1 MWp per hectare6. Scenario
Benodigde opwek (TWh)
Hoeveelheid windturbines
Hoeveelheid zonnepanelen (in ha)
Scenario 1: Lokaal aandeel in RES-bod o.b.v. energieverbruik
0,06 – 0,07 TWh
1 tot 2
30 tot 40 ha
Scenario 2: Lokaal aandeel in RES-bod o.b.v. landoppervlak
0,11 – 0,12 TWh
2 tot 3
60 tot 70 ha
Scenario 3: Lokale CO2-reductie van 49%
0,13 – 0,15 TWh
3 tot 4
70 tot 80 ha
Scenario 4: Lokale CO2-reductie van 55%
0,15 – 0,17 TWh
3 tot 5
80 tot 90 ha
Tabel 4: Benodigde grootschalige opwek voor de vier scenario's in Kaag en Braassem, uitgedrukt in zon en wind
Zoals in bijlage 1.2 beschreven is, is het de ambitie van Kaag en Braassem om een evenredig aandeel binnen het RES-bod te nemen, op basis van het energieverbruik. Dit betreft dus scenario 1. 1.4. Karakteristieken van het landschap in Kaag en Braassem Bij het identificeren van locaties waar potentieel duurzame energie mag worden opgewekt is het van belang om rekening te houden met de karakteristieken van het landschap. Het landschap van Kaag en Braassem vormt een belangrijk aspect in het dagelijkse leven van inwoners in de gemeente. Veel inwoners gaven tijdens gesprekken aan trots te zijn op het gebied. Ook zien ze risico's in het feit dat ontwikkelingen in de energietransitie het landschap van Kaag en Braassem kunnen verstoren. Om deze reden is er binnen het proces van de LES nauw samengewerkt met een team van landschapsarchitecten, die hebben onderzocht uit welke typerende karakteristieken het landschap bestaat, en welke (on)mogelijkheden dit biedt voor de opwek van duurzame energie. De gemeente Kaag en Braassem vormt een gebied dat zich, buiten de bebouwde gebieden, met name kenmerkt door het open polderlandschap. Dit open polderlandschap is in grote lijnen op te delen in twee subtypen: de veenweiden en droogmakerijen.
De veenweiden zijn ontstaan doordat dit landschap al lange tijd geleden is gebruikt om energie uit op te wekken, door het veen te steken en op te laten drogen tot turf. Restanten van het oorspronkelijke onontgonnen landschap liggen letterlijk boven op het droogmakerij landschap, bestaande uit hoger gelegen lintdorpen, tuinderijen, de plassen Wijde Aa, Braassemermeer en de Kagerplassen met hun kronkelige oevers. De gebieden die ingezet zijn voor turfwinning zijn voornamelijk aan de westkant van de gemeente te vinden. Het landschap daar is herkenbaar aan kleinschalige indelingen. Water en land lopen kriskras en ongestructureerd door elkaar. Ook de omliggende weilanden van de Kagerplassen behoren tot dit ‘oorspronkelijke’ landschap en kenmerken zich door een waterrijk en kleinschalig karakter met een hoge cultuurhistorische waarde. Dit geeft een sterk natuurlijk karakter aan het gebied. Daarnaast heb je de droogmakerijen. Deze vormen het overgrote deel van het polderlandschap. Het heeft een grootschalig karakter, ontstaan door de relatieve late veenontginningen, gecreëerd door het machinaal 6 Deze getallen zijn gebaseerd op het Begrippenkader RES van Nationaal Programma RES, een set van afspraken tussen de RES-regio’s en landelijke
organisaties (als PBL, CBS) om data in de energietransitie te harmoniseren
45
polderen van dit gebied. De droogmakerijen liggen met name ten oosten van de A4. Bij dit gebied behoren de grote landbouwkavels, nieuwe boerderijen, lange weteringen en rechte wegen. Rondom Roelofarendsveen is het open landschap getransformeerd van een oud tuindersdorp naar een economisch belangrijk kassengebied.
Samen met de doorsnijding van de A4 vormt dit het meest verstedelijkte gebied in de gemeente. Figuur 19: A0 overzichtskaart zoals gebruikt tijdens de bijeenkomsten
De kwaliteit van het landschap zit in het netwerk van overgangen in oude en nieuwe structuren zoals de droogmakerijen en de veenweide gebieden. Net als de contrasten tussen de weidse polders en de beslotenheid van de compacte lintdorpen. De schaal en leegte van de droogmakerijen zijn groot en voelen soms industrieel aan. De beleving van het landschap staat in verhouding tot de snelheid van de auto en vanaf de hoger gelegen N207 is het hele gebied te overzien. De ontelbare sloten en kronkelige kavelpatronen maken van het veenweidegebied een voelbaar levend monument. Hier fiets je door het geluid van een grote populatie weidevogels en zie je nog oude molens aan de horizon staan. De ondergrond is hier ook zicht- en voelbaar. Subtiele hoogte verschillen en gebogen kavelrichtingen verraden oude kreken in de ondergrond. Op het Braassemermeer en de Wijde Aa komen de werelden samen doordat je hier door de kronkelige oevers voelbaar op oud vaarwater bent en tegelijkertijd door het hoogteverschil met het drooggemaakte land enorme weidse vergezichten ervaart. In de landschapsanalyse kunnen er een aantal conclusies getrokken worden ten aanzien van de (on)mogelijkheden voor de opwek van duurzame energie. Deze zijn ook tijdens gesprekken met belanghebbenden onderstreept. Het polderlandschap heeft een belangrijk aandeel in de leefbaarheid van de gemeente voor haar inwoners.
Verstoring door ontwikkelingen die het open landschap aantasten moeten zoveel mogelijk vermeden worden. Dit kan gebeuren door ontwikkelingen binnen de energietransitie zoveel mogelijk te koppelen aan al bestaande 'verstoorders' in het open landschap, zoals de infrastructuren die het landschap doorsnijdt. Daarnaast lenen de droogmakerijen zich beter voor de toepassing van grootschalige opwek. Dit 46