CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Lokale energiestrategie Kaag en Braassem - 16 mei 2024

Gemeenteraad 17 juni 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Lokale energiestrategie Kaag en Braassem.24.823 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

gezien een inpassing van een windturbine en/of zonneweide in het grootschalige en rechtlijnige karakter natuurlijker in te passen is, dan in de kleinschaligere en dynamischere opzet van de veenweidegebieden. 1.5. Potentie opwek middels zon en wind Voor het bepalen waar in de gemeente mogelijk opwek middels zon en wind kan plaatsvinden moet er in de eerste plaats worden gekeken naar de wettelijke belemmeringen. Vanuit het Rijk gelden er regels rondom opwek om inwoners en de natuur te beschermen. De mogelijkheden betreffende opwek middels zon en wind zijn in kaart gebracht. Deze kaarten geven weer in welke delen van de gemeente wel en geen mogelijkheden zijn voor opwek, rekening houdend met wettelijke belemmeringen. Een potentiekaart is dus in feite een "omgekeerde" belemmeringenkaart. De gebiedstypen en afstanden van de belemmeringen zijn overgenomen uit het PlanMER RES Holland Rijnland. Deze kaarten zijn de vinden in bijlage 4. Vanuit deze belemmeringen redenerend komen diverse kansgebieden naar voren voor opwek middels zowel zon als wind. Er zijn kansen voor zonnepanelen op daken en parkeerplaatsen, grondgebonden zon (zonneparken) en windturbines in openlandschap. Deze potentie biedt de eerste kaders waarbinnen verder is gekeken waar mogelijke opwek kan plaats vinden, verdere kaders zijn ontwikkeld door middel van input van inwoners en andere stakeholders. 1.6.

Voorkeursscenario wind en zon Op basis van de uitkomsten van de inwonersavonden en atelierbijeenkomsten hebben we een voorkeursscenario voor de opwek van energie met zon en wind gemaakt. Het scenario kenmerkt zich door een kleinschalige en praktische aanpak voor zonneweides, naast drie mogelijke gebieden voor windturbines langs de A4 en N207, die op basis van de harde en zachte belemmeringen en de input van belanghebbenden naar voren komen. Grootschalige opwek van zon- en windenergie op landbouwgronden en in het open landschap wordt verder niet toegestaan. Kern blijft om eerst daken en andere dubbel ruimtegebruik (zoals parkeerplaatsen en geluidsschermen) volledig uit te nutten. Wel blijft er daarnaast grootschalige opwek nodig, dus daar wordt nu al ruimte voor gemaakt in dit scenario. In het scenario kleinschalige en praktische aanpak is veel ruimte voor lokale initiatieven. Inwoners, maatschappelijke organisaties en ondernemers gaan aan de slag met zonnepanelen op daken en parkeerplaatsen en de ontwikkeling van kleine zonneparken en windturbines langs infra, op restruimte/braakliggende gronden en bij bedrijventerreinen wordt gestimuleerd. Onderdeel van het scenario zijn de volgende elementen: •

Zoveel mogelijk het landschap als eenheid onbelast laten. Om die reden allereerst het maximaliseren van zon op dak, met name op de bedrijventerreinen en glastuinbouwgebieden (waar dat kan). Daarnaast de kansen benutten voor zon op parkeerplaatsen, braakliggende gronden en restruimte (zoals ruimte op bedrijventerreinen of op boerenerven) en zon langs infra (grondgebonden of geluidsschermen) benutten. Dit betreffen kleinschalige projecten (tot 2 ha). Het streven is minimaal 50% lokaal eigendom en mogelijkheden tot financiële participatie van inwoners.

•

Wat er vervolgens nog resteert grootschalig opwekken middels windturbines en zonneweides langs infrastructuur om de ruimtelijke impact van windturbines in het landschap te beperken. Opwek dient daarbij zoveel mogelijk geclusterd te worden. Combinaties van wind en zon hebben hierbij de voorkeur, om zowel de netbelasting als impact op het landschap te minimaliseren. Op een dusdanige manier inpassen dat vergezichten zoveel mogelijk behouden blijven. Voorwaarde is minimaal 50% lokaal eigendom, met mogelijkheden tot financiële participatie van inwoners.

•

Verder geen grootschalige zon en wind in het open landschap en op landbouwgronden. Dit is op dit moment niet nodig om onze ambities te bereiken, en tast bovendien het landschap te veel aan.

Voor de daadwerkelijke bepaling van de locaties wordt gezocht naar een zo optimaal mogelijke invulling van (grootschalige) opwek binnen de gemeentegrenzen. Vanuit inwoners en andere belanghebbenden zijn er zorgen voor de overlast van wind en zon, en de impact op landschap, natuur en milieu. Dit betekent dat er voor de 47

invulling, logischerwijs, rekening gehouden wordt met de geldende wet- en regelgeving. Ook is deze wet- en regelgeving in ontwikkeling, en worden er naar verwachting in 2025 nieuwe afstandsnormen voor wind bepaald. De gemeente volgt deze ontwikkeling en draagt zorg dat ontwikkelingen binnen deze wet- en regelgeving vallen. Echter wil de gemeente verder gaan dan dit, zo kan er binnen de wettelijke kaders voor een configuratie gezorgd worden die overlast en impact op de leefomgeving verder beperkt. De gemeente wil daarbij in principe zorgen voor een inpassing waarbij rekening gehouden wordt met een zo ver mogelijk afstand van huizen, in combinatie met een goede landschappelijke inpassing waarbij impact op landschap, natuur en milieu zo ver mogelijk geminimaliseerd wordt. Binnen de LES is er daarnaast sprake van een ‘impliciete zonneladder’, waarmee wordt bedoeld dat er geen ongecontroleerde groei aan duurzame initiatieven ontstaat, maar er eerst gekeken wordt naar een toepassing van zon op de meest gewenste locatie, voordat er verder wordt gekeken naar andere locaties. Zo wil de gemeente eerst zon op dak benutten, voordat er wordt gekeken naar andere opweklocaties zoals zon op infrastructuur, braakliggende grond, restruimte en parkeerplaatsen.

Omdat uit analyses blijkt dat er onvoldoende dak beschikbaar is om onze doelstellingen wat betreft zon volledig te behalen, is het echter wel al mogelijk om te onderzoeken op welke locaties naast zon op dak zon nog meer toegepast kan worden. Dit zorgt ervoor dat er geen vertraging opgelopen hoeft te worden, door eerst te wachten totdat alle daken benut zijn. In de vergunningverlening wil de gemeente daarnaast eisen stellen aan het gebruik van duurzame materialen, recycling van zonnepanelen en windturbines, lokaal eigendom en financiële participatie door inwoners en het zorgen voor een goede landschappelijke inpassing (zoals een groene omzoming van zonnevelden).

48

Figuur 20: Voorkeursscenario wind en zon in Kaag en Braassem

49

Figuur 21: Opwektypes (bouwstenen) binnen het voorkeursscenario

1.6.1

Overzicht van specifieke kansgebieden op basis van participatie

In hoofdstuk 3 zijn de uitkomsten van de participatie uitgebreid beschreven. Deze uitkomsten samen met de eerdergenoemde (wettelijke)kaders hebben samen geleid tot specifieke kansgebieden. De kaarten hieronder geven meer detail in de specifieke kansen voor de opwek van elektriciteit met zonnepanelen en windturbines. Zonnepanelen op bedrijfsdaken en parkeerplaatsen Uit de sessies kwam een duidelijke wens van belanghebbenden naar voren om bedrijfsdaken zoveel mogelijk te benutten met zonnepanelen, waar dat kan. De gemeente kenmerkt zich door de tuinderijen en bedrijvigheid. Deze locaties zijn intensief bebouwd met kassen en grote bedrijfspanden. Veel van deze panden hebben gelegenheid om het dak te benutten voor het opwekken van groene stroom. Door per pand te kijken naar de mogelijkheden voor zonne- energie kan de vraag naar ruimte voor zon beperkt worden in het landschap. Veel bedrijven kunnen deze energie weer goed gebruiken voor hun bedrijfsvoering en zelfs de buurt helpen verduurzamen. Ook zijn er verspreid door de gemeente verschillende (grote en kleine) parkeerplaatsen die overdekt kunnen worden met zonnepanelen. Binnen dorpen en in de buurt van bedrijven of sportparken zijn vaak grote parkeerplaatsen te vinden. Deze ruimtes zijn grotendeels verhard.

Door parkeerplaatsen te benutten voor de opwekking van groene energie is er niet alleen meer laadcapaciteit voor elektrische auto's, maar ook een praktisch voordeel. Auto's staan beter beschermd tegen weersinvloeden zoals regen en hagel, en op warme zomerdagen staan ze in de schaduw. De prioriteit ligt bij het optimaal benutten van daken en dubbel ruimte gebruik, voordat er wordt gekeken naar opwek op land. De potentie van zon op dak en dubbel ruimte gebruik zoals zonnepanelen op parkeerplaatsen is echter onvoldoende om aan de gewenste opwek te voldoen, zoals beschreven in bijlage 1.3. Daarom wordt er verder gekeken naar kansgebieden voor zonneparken en windturbines. Andere kansen voor zonnepanelen/zonneparken Door Kaag en Braassem lopen verschillende hoofdwegen. Deze wegen spelen een belangrijke rol in de infrastructuur van het gebied. Ze zorgen voor verbinding maar ook een onderbreking in het agrarische landschap. De bestaande structuren kunnen worden gebruikt voor het clusteren van energieopwekking. Bestaande constructies langs de snelweg of restlocaties kunnen worden ingezet als zon- opweklocaties. Door deze te positioneren langs de drukke infrastructuur blijft de ruimtelijke impact beperkt.

Hierbij kan gezocht worden naar het integreren van groene energieopwekking in bestaande constructies zoals geluidsschermen, idealiter in combinatie met wind (zie de volgende kansgebieden). Ook zijn er diverse (braak)liggende terreinen en reststroken, met name op de bedrijven- en agrarische terreinen waar kleinschalige initiatieven met zonnepanelen mogelijk zijn. Door kleinschalige initiatieven bij bijvoorbeeld bedrijventerreinen te bevorderen, blijft het landschap als eenheid onbelast en ontstaat er mogelijkheid voor een overgang naar duurzame energiebronnen in de gemeente, ten behoeve van de eigen inwoners. De boerenerven vormen een harmonieuze eenheid tussen boerderij en achtererf. Het integreren van groene energieprojecten op deze achtererven kan leiden tot het behoud van open landschappen en vergroting van de biodiversiteit op de erven zelf. Daarnaast bieden deze kleinschalige initiatieven in de weilanden ook kansen voor de diversificatie van inkomsten voor boeren. Windturbines Wind langs infrastructuur werd tijdens verschillende participatieavonden genoemd als een kansrijke optie in de gemeente. De droogmakerijen, met hun grootschalige opgezette maat en schaal bieden hier een hoge geschiktheid voor. Door de windmolens langs drukke infrastructuur te positioneren, behoudt het landschap zoveel mogelijk zijn open en agrarisch/natuurlijk karakter.

De hoge dynamiek van snelwegen, het spoor en Nwegen maakt de connectie met windmolens logischer dan in het open landschap. Hierdoor blijft het rustige karakter van de weilanden zoveel mogelijk behouden, terwijl de bestaande hoog dynamische stukken hun functionaliteit behouden. Langs de beperkte bestaande groenstructuren bij infrastructuur, of door deze toe te 51

voegen bij de ontwikkeling van windturbines, kunnen de windmolens worden ingepast om de open stukken zoveel mogelijk open te houden. Bij wind langs infrastructuur wordt er dus een combinatie met bestaande infrastructuur die het landschap al doorsnijdt gemaakt, waardoor de inbreuk van wind en zon op de horizon minder groot is. Figuur 27 (in bijlage 4) geeft aan welke gebieden, op basis van de harde en zachte belemmeringen uit de PlanMER, de grootste potentie zouden bieden voor energie opwek met windturbines. Niet alle zoekgebieden voor wind hoeven te worden ingezet om de opwekdoelstelling te realiseren. De doelstelling van 1 tot 2 windturbines kan al in een van de zoekgebieden gerealiseerd worden. Toch zijn er meerdere zoekgebieden in het scenario geformuleerd, indien het niet lukt om opwek in een zoekgebied te realiseren zijn er namelijk alternatieven beschikbaar. Wel is er daarmee sprake van een impliciete voorkeursvolgorde. Op basis van de uitkomsten van de participatie en de PlanMER raden we aan om bij het zoeken van plekken voor windturbines om de verkenning te starten bij het zuidelijke gebied rondom N207. De N207 biedt de mogelijkheid om wind en zon op significante afstand van woningen te plaatsen. De afstand tot de dichtstbijzijnde woningen is hier namelijk het grootst in het gehele gemeentegebied.

Dit is ook terug te zien in de donkergroene kleur in figuur 27, zoals aangegeven bij de belemmeringenkaarten is hier een afstand tot woningen te realiseren van meer dan 640 meter. Hiermee komen dus 2 wensen in het plaatsen van wind en zon, namelijk combinaties met infrastructuur en voldoende afstand tot woningen, bij elkaar. Het gebied langs de N207 ten oosten van Rijnsaterwoude vormt ook een kansgebied, die op basis van de PlanMER voldoende afstand tot huizen kan creëren. Dit gebied ligt echter wel dichter bij de dichter bebouwde gebieden van Rijnsaterwoude, dan de minder druk bebouwde gebieden aan de zuidkant van de N207 in Kaag en Braassem. Na de N207 volgt het gebied rondom de A4. Het idee om langs de snelweg windturbines te plaatsen, zoals dat ook langs de A4 bij de Haarlemmmermeer Zuid is gebeurd, is tijdens verschillende sessies en door verschillende belanghebbenden naar voren gebracht. De A4 vormt al een punt waarbij infrastructuur en verstedelijking bij elkaar komen, waardoor wind en zon minder zal opvallen. De A4 ligt hier in de buurt van woningen, waardoor windmolens die langs de A4 staan automatisch dichter op woningen zullen staan dan langs de N207. Dit is ook terug te zien in de kleuren van de groene vlakken, deze zijn lichtgroen in plaats het van donkergroen dat langs de N207 ook te vinden is.

Lichtgroen houdt feitelijk in dat er wettelijk gezien voldoende afstand tot woningen is, maar wel minder afstand tot woningen dan de donkergroene vlakken. Langs de A4 is de afstand tot woningen over de breedte kleiner dan bij de N207, maar nog steeds zijn er een aantal plekken waar sprake van voldoende afstand tot woningen is, zoals gezien kan worden in de potentiekaart in figuur 27. 1.7. Ruimtelijke beperkingen door het Rijk, de provincie Zuid-Holland en Schiphol De gemeente is niet de enige partij die iets te zeggen heeft over waar opwek van duurzame energie mogelijk is binnen de gemeentegrenzen. Zo stellen het Rijk en de provincie Zuid-Holland zelf ook beleid op voor wind en zon. Bovendien is de provincie verantwoordelijk voor windmolenparken groter dan 5 MW (één grote windmolen is al snel 5 MW). Zij verlenen daarbij de vergunning. Alle plannen die in de LES gemaakt zijn worden zoveel mogelijk getoetst aan bestaand beleid van het Rijk en de provincie. Zo heeft het Rijk begin 2024 aangegeven dat er geen zon op land- of natuurgrond meer mogelijk is. Tegelijkertijd spreken sommige uitgangspunten in beleid elkaar tegen. Zo geeft de provincie aan dat wind in het Groene Hart niet mogelijk is, maar wil zij wel wind langs infrastructuur stimuleren.

Dit schept onduidelijkheid voor mogelijke opwek langs infrastructuur in het Groene Hart, wat juist een uitgangspunt in het voorkeursscenario van deze LES is. De gemeente gaat daarom in de uitvoering van de LES in gesprek met de provincie om te kijken welke mogelijkheden er zijn. De provincie heeft al aangegeven haar omgevingsvisie aan te willen passen. Zo wil zij meer op het gebied van grootschalige opwek mogelijk te maken. Wij willen als gemeente (individueel en via de RES) daarin meedenken. Andere gemeenten binnen de RES hebben ook aangegeven opnieuw te willen laten

52

kijken naar de ruimtelijke regels, daar kunnen wij dus samen in optrekken. Wel kan het betekenen dat uitgangspunten in deze LES soms niet gerealiseerd kunnen worden, door regels vanuit andere overheden. Ook doordat Kaag en Braassem in de buurt van Schiphol ligt, is er sprake van ruimtelijke belemmeringen. Zo mogen objecten maar een bepaalde hoogte hebben. In de kansen- en belemmeringenkaarten voor wind, in figuur 27, is dit aangegeven met de gestreepte lijn met "...m NAP". Dit betekent niet dat er sowieso geen objecten hoger mogelijk zijn, echter is er dan wel goedkeuring door Schiphol nodig. Dit kan dus betekenen dat het door Schiphol niet mogelijk is om windturbines hoger dan 146m te plaatsen. Dit heeft geen invloed op de plekken waar opwek mogelijk is, wel op de hoeveelheid die nodig is om het doel te halen. 1.8. Netimpact Het elektriciteitsnet in de gemeente Kaag en Braassem is fijnmazig. Elektriciteit is afkomstig van 5 elektriciteitsstations in de regio, zoals figuur 10 in hoofdstuk 2 laat zien Hoewel netcongestie aan de afnamezijde ervoor zorgt dat nieuwe aansluitingen op dit moment in de gemeente niet mogelijk zijn, staan er in deze LES vooral plannen om op termijn duurzame elektriciteit in het net te gaan voeden. Dit zorgt juist voor een impact op het net aan de terugleverzijde.

Het is daarbij van belang dat de plannen die de gemeente maakt ook binnen de netcapaciteit aan de terugleverzijde passen. Netbeheerder Liander heeft in haar netimpactrapportage aangegeven dat er in de hele regio Holland-Rijnland op dit moment geen aansluitmogelijkheden zijn voor grootschalige opwek groter dan >2MW (1 grote windturbine heeft een vermogen groter dan dit). De plannen van de gemeente Kaag en Braassem uit het voorkeursscenario zullen zeer waarschijnlijk worden aangesloten op het onderstation in Leimuiden. Het servicegebied van dit onderstation omvat namelijk het grootste gedeelte van de gemeente, inclusief de N207 en A4 (zie figuur 10 in hoofdstuk 2). In 2025 staat een uitbreiding van dit station gepland, waardoor er een beschikbare aansluitcapaciteit van tussen de 25 en 50MW gerealiseerd zal worden. Daarmee ontstaat er voorlopig voldoende aansluitmogelijkheid in Kaag en Braassem, hoewel er wel rekening gehouden moet worden met plannen voor duurzame opwek in Nieuwkoop, die ook (deels) onder dit station vallen. Gezien de realisatietijd van grootschalige projecten (+- 2 jaar voor wind en 1 jaar voor zon) kunnen we concluderen dat de capaciteit op de onderstations geen barrière vormt voor de aansluiting van opwek in de gemeente. Het aansluiten van 2 windmolens (zoals in het voorkeursscenario) vraagt ongeveer ~10 MW aan aansluitcapaciteit.

Het toevoegen van zonnepanelen vraagt om meer capaciteit, maar ook die ruimte is ook beschikbaar op het onderstation in Leimuiden. Bovendien wordt er in het voorkeursscenario uitgegaan van de combinaties van zon en wind via cable pooling, wat betekent dat één aansluiting gedeeld kan worden. Dit leidt tot optimaal netgebruik, wat daarom ook in het voorkeursscenario als uitgangspunt genomen is. Het capaciteitstekort aan de afnamekant is groter en langduriger. Zoals in hoofdstuk 2 beschreven is er hier sprake van netcongestie, en is het hier niet de verwachting dat er binnen 3 jaar weer ruimte gaat ontstaan op het net. Dit probleem speelt op grote schaal in Nederland, en verschillende initiatieven zijn al in ontwikkeling om een oplossing te bieden tegen netcongestie. Zo zijn er bedrijventerreinen die samen één aansluiting delen en daarbij hun pieken en dalen op elkaar af te stemmen, om zo toch een groei van de elektriciteitsvraag mogelijk te maken. Daarnaast wordt de rol van opslag in het energiesysteem belangrijker. TenneT heeft in een position paper7 in 2023 doorgerekend dat er in 2030 ongeveer 9 GW aan flexibel batterijvermogen nodig is om het elektriciteitsnet stabiel te houden. Een analyse8 van Strategy laat zien dat er in februari 2023 al een veelvoud (34 GW) aan batterijvermogen bij de verschillende netbeheerders aangevraagd is.

De markt ziet dus voldoende verdienvermogen in batterijen om het net te stabiliseren en neemt daarbij haar rol. Opslag om netcongestie tegen

7 Zie: https://www.tennet.eu/nl/nieuws/tennet-ziet-grote-rol-voor-batterijen-voor-stabiel-elektriciteitsnet-2030

8 Zie https://www.stratergy.nl/post/34-gw-aan-batterijprojecten-in-beeld-bij-netbeheerders-per-eind-februari-2023

53

te gaan vormt wel een ander vraagstuk. Het is vervelend wanneer iemand zijn opgewekte stroom niet kwijt kan, bijvoorbeeld door het afschakelen van zonnepanelen op zeer zonnige dagen, omdat dit de terugverdientijd vertraagd. Gelukkig is het probleem klein in schaal, zo heeft Netbeheer Nederland9 becijferd dat dit bij 5-8% van consumenten met panelen voorkomt, gedurende 1% van de totale zonuren. Wel is de verwachting dat dit probleem de komende jaren zal toenemen doordat meerdere huishoudens gebruik zullen maken van zonnepanelen. Oplossingen voor het tegengaan van deze problematiek zijn het afstemmen van opwek en gebruik, door op momenten dat de zon schijnt apparaten die veel energie gebruiken aan te zetten, zoals de wasmachine, de droger of vaatwasser. Batterijen kunnen ook een oplossing vormen, zo kan een elektrische auto of eigen batterij opgeladen worden met stroom uit deze panelen, om dit later te verbruiken. Een financiële prikkel om deze opslagvormen op dit moment aan te schaffen ontbreekt echter nog, onder andere door de salderingsregel. De gemeente Kaag en Braassem kijkt daarbij naar de landelijke overheid om tot maatregelen te komen die deze toepassingen stimuleren, zoals zij dat bijvoorbeeld ook voor toepassingen als zonnepanelen en duurzame warmte doet.

9 Zie: https://www.netbeheernederland.nl/artikelen/nieuws/uitzending-radar-over-afschakelen-zonnepanelen en

https://www.netbeheernederland.nl/sites/default/files/Factsheet__258.pdf

54

Bijlage 2.

Verdieping op warmte

Het grootste aandeel in het energieverbruik in de gemeente bestaat uit warmte. Zo wordt 80% van de energievraag in de gebouwde omgeving en 85% in de land- en tuinbouw geleverd in warmte. De figuur rechts laat dit visueel zien. Toch heeft warmte niet de primaire focus in dit rapport, die ligt juist bij elektriciteit. Dit heeft een aantal redenen. Ten eerste zal elektrificatie de komende jaren juist zorgen voor een afname in de warmtevraag, en een toename in de elektriciteitsvraag. Elektriciteit zal daarmee op termijn de grootste energiedrager worden. Daarnaast is het Figuur 22: Energievraag in Kaag en Braassem naar toepassing uit handelingsperspectief van de gemeente bij Klimaatmonitor (2018) elektriciteit groter dan bij warmte. Uit de TVW komt namelijk naar voren dat de warmtetransitie vooral uit individuele verduurzamingskeuzes zal bestaan, zoals het overstappen op warmtepompen. Ten derde is opwek van duurzame elektriciteit, middels wind en zon, al sterker ontwikkeld dan opwek van duurzame warmte, bijvoorbeeld middels geothermie of aquathermie. Het is dus makkelijker om nu al te verduurzamen binnen de elektriciteitssector, waar de transitie naar aardgasvrij pas grotendeels na 2030 verwacht wordt. Dit betekent echter niet dat er niks binnen warmte gebeurt. Er zijn twee doelen op het gebied van warmte in Kaag en Braassem.

In 2050 wil Kaag en Braassem aardgasvrij zijn en alle warmtegebruik duurzaam opwekken. Als tussendoelstelling volgt Kaag en Braassem de RES. De RES heeft als doelstelling om 15% in de gebouwde omgeving te besparen ten opzichte van 2014. De energievraag van de gebouwde omgeving bestaat uit voornamelijk woningen, en een kleiner deel utiliteitsbouw (bijv. scholen en winkels). Land- en tuinbouw wordt hier niet in meegenomen, dit is een aparte categorie. De energievraag van woningen bestaat dan weer voornamelijk uit warmte (ongeveer 80%), en een kleiner deel elektriciteit. Om dus snel een slag te slaan op besparen in de gehele gebouwde omgeving, is dit het effectiefst te bereiken door de warmtevraag van woningen aan te pakken. Dit kan door te isoleren. Om die reden vertalen wij de bredere RES-doelstelling van 15% in de gehele gebouwde omgeving, naar een meer gerichte besparingsdoelstelling van 20% op de warmtevraag van woningen. Met een besparing van 20% op de warmtevraag van woningen, kunnen we namelijk 15% op de totale energievraag in de gebouwde omgeving besparen. 1.1. Aanpak tot 2030 We focussen in onze aanpak op de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Het warmteverbruik in de gebouwde omgeving bedraagt ongeveer de helft van het totale warmteverbruik in onze gemeente. Het resterende deel wordt verbruikt in de glastuinbouw.

De besparing in de glastuinbouw is geen onderdeel van deze LES. De glastuinbouw heeft zich gecommitteerd aan de doelstelling om in 2040 klimaatneutraal te zijn (vastgelegd in het Klimaatakkoord en het Tuinbouwakkoord). Er is verder vrijwel geen industrie in Kaag en Braassem. Het volledig gasloos verwarmen van woningen in 2050 is een ambitieuze opgave, want de overgrote meerderheid van de gebouwen gebruikt op dit moment nog aardgas voor ruimteverwarming, warm water en koken. Ruimteverwarming zorgt van deze drie voor het hoogste gasverbruik. De belangrijkste besparing wordt tot en met 2030 gerealiseerd door isolatie. Het doel is om middels een isolatieprogramma een groot deel van de 55

woningen verregaand te isoleren. Zo’n 2.000 woningen (of 20% van alle woningen) dienen volledig geïsoleerd te worden (van label G/F naar label A/B) om deze besparing te bereiken. Uiteraard zijn niet alle woningen in Kaag en Braassem nog van label G/F, dus dient er een doorrekening plaats te vinden welke besparing er bij welke labels gerealiseerd moet worden om de 20% besparing te bereiken. Het is hierbij van belang om met partners samen te werken die aan dezelfde isolatieopgave werken, zoals woningbouwcorporaties. Zij hebben zelf ook duurzaamheidsdoelstellingen. Hier kan dus samen in opgetrokken worden. Met een isolatieprogramma kan er ook gericht geïsoleerd worden, namelijk in huizen waar dat rendabel is (niet te oude huizen) en nodig is (niet te jonge huizen). In de praktijk betreffen dit de huizen gebouwd tussen 1970 – 2000. Ook kunnen we met een isolatieprogramma ons met name richten op inwoners die zelf niet te middelen hebben om te isoleren, zodat energiearmoede wordt aangepakt. De transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving is deels een autonoom proces. Nieuwbouw wordt sinds medio 2018 aardgasvrij vergund en ook in de bestaande bouw investeren gebouweigenaren steeds vaker uit eigen beweging in verduurzaming. Isoleren en overstappen naar duurzame verwarmingsinstallaties is met de hoge energieprijzen financieel steeds aantrekkelijker.

Isoleren zorgt niet alleen voor een lagere energierekening, maar ook voor een beter energielabel, waardestijging van de eigen woning of onderneming, een prettiger binnenklimaat en minder omgevingsgeluid. De inzet van energiecoaches, of ondersteuning door lokale partners zoals een energie coöperatie kan inwoners hierbij helpen. Voor steeds meer mensen is het verduurzamen van hun huis of bedrijf ook een stap die ze zelf kunnen zetten voor het milieu. Wel heeft iedereen behoefte aan duidelijkheid, hier kan de gemeente aan bijdragen. Omdat Kaag en Braassem geen dichtbebouwd stedelijk of industrieel gebied kent, is de warmtevraag-dichtheid in Kaag en Braassem relatief laag. Dit betekent dat kleinschalige en individuele oplossingen in onze gemeente het meest geschikt zijn, zoals warmtepompen, zonthermische panelen en kleinschalige warmtenetten. Individuele oplossingen bieden voor nu, en in de nabije toekomst, de laagste kosten. De gemeente wil deze individuele keuzes verder stimuleren. Daarnaast wil de gemeente de zinnigheid en haalbaarheid van collectieve systemen in Kaag en Braassem verder onderzoeken, door een door de samenleving geïnitieerde pilot voor een kleinschalig collectief warmtesysteem te ondersteunen. Dat kan voor de gebouwde omgeving of voor de glastuinbouw. Daarnaast is het belangrijk dat het uitvoeringsprogramma uit de TVW wordt voortgezet. 1.2.

Doorkijk na 2030 Hoewel het doel voor 2050 duidelijk is, zijn de transitiepaden naar aardgasvrij op dit moment nog niet duidelijk. Zoals in de TVW aangegeven, zijn individuele oplossingen logischer in Kaag en Braassem. De nog op te starten pilot voor een kleinschalig collectief systeem kan meer duidelijkheid geven over de zinnigheid en toepasbaarheid van collectieve systemen in Kaag en Braassem, en bij een positief resultaat als inspiratie dienen in de gemeente. Verder zal het verregaand isoleren van huizen ook doorzetten na 2030, voor huizen waar dat nog niet het geval is.

56

Bijlage 3.

Verdieping op mobiliteit

3.1. Huidige situatie en ambitie Transport en mobiliteit gebruikt ongeveer de helft van het totale energieverbruik in Kaag en Braassem, met een ongeveer gelijke uitstoot. We constateren dat de uitstoot voor een groot gedeelte wordt gegenereerd door uitstoot van auto’s op de A4, waar wij als gemeente weinig invloed hebben. Kijken we alleen naar lokale mobiliteit, betreft dit 19% van het energieverbruik in Kaag en Braassem (23% van de CO2-uitstoot). Ook zonder A4 kunnen we concluderen dat daarmee het reduceren van de CO2-uitstoot in de sector Transport en mobiliteit zeer belangrijk is in het behalen van de algehele doelen voor de energietransitie. De mobiliteitssector wil in 2050 volledig emissievrij zijn, ook in Kaag en Braassem. Als tussendoelstelling wil Kaag en Braassem in 2030 11% besparen binnen mobiliteit ten opzichte van het energieverbruik in 2014, in lijn met de doelstelling binnen de RES.

Figuur 23: Energievraag en Uitstoot in Kaag en Braassem naar sector uit Klimaatmonitor

Tot 2030 zal in mobiliteit vooral nog ingezet worden op elektrificatie om naar een duurzamere mobiliteitsvorm over te stappen. Elektrische auto’s zijn inmiddels al duidelijk herkenbaar in het straatbeeld, waar elektrisch vrachtvervoer nog aan het startpunt van een transitie staat. Zoals in hoofdstuk 2 vermeld, is het overstappen naar elektrisch rijden naast een verduurzamingsalternatief ook een besparingsmiddel, omdat elektrische vervoer efficiënter is dan vervoer met een verbrandingsmotor. Om de doelstelling van 2030 te halen en 11% energie te besparen dient ongeveer 15% van het vervoer in Kaag en Braassem te elektrificeren. Een inschatting van PwC op basis van RDW, CPB en NAL-data is dat 20% van het personenvervoer in 2030 elektrisch zal zijn, voor vrachtvervoer is geen data beschikbaar. Het zou dus mogelijk moeten zijn om deze besparing te halen uit autonome groei van elektrisch vervoer. De verduurzaming van mobiliteit en transport wordt momenteel wel vertraagd door netcongestie (zie ook H2.1). Het elektriciteitsnet is overbelast waardoor er op dit moment geen aansluitingen mogelijk zijn voor snellaadinfrastructuur. Op dit moment is het nog wel mogelijk voor particulieren om een laadpaal te realiseren. 3.2. Aanpak tot 2030 In de RES 1.0 van Holland Rijnland is onderzocht welke maatregelen de meeste bijdrage leveren aan het behalen van de doelen.

De inzet op de elektrificatie van auto’s en de verduurzaming van vrachtwagens (waterstof of

57

elektrisch) levert het meeste op. Om 11% energie te besparen zullen ongeveer 15% van de voertuigen in Kaag en Braassem in 2030 elektrisch moeten rijden. De CO2-uitstoot door transport en mobiliteit in Kaag en Braassem wordt in grote mate veroorzaakt wordt door de A4, maar ook regionale wegen als de N207. Met andere woorden, het is deels afhankelijk van effectief landelijk en provinciaal beleid in het behalen van haar doelen. De gemeente heeft wel handelingsperspectief richting haar eigen inwoners. Onder andere door het creëren van bewustwording en gedragsverandering. Gedragsverandering in mobiliteitskeuzes kan worden gestimuleerd door het aanbieden van voldoende laadinfrastructuur in de gemeente en het stimuleren van het gebruik van alternatieven voor mobiliteit, zoals deelmobiliteit en andere mobiliteit zoals de (elektrische) fiets of het openbaar vervoer. Toch wordt er in deze LES geen prioriteit voor de gemeente van mobiliteit gemaakt. Dat heeft te maken met het feit dat de overstap naar elektrisch vervoer een individuele keuze blijft, die inwoners of bedrijven zelf maken. De prioriteiten die in hoofdstuk 2 worden weergeven beschrijven maatregelen binnen het handelingsperspectief van de gemeente die meer effect zullen sorteren op de CO2-uitstoot, en daardoor voorrang krijgen.

Wel wil de gemeente het goede voorbeeld geven, en daarom haar eigen mobiliteitsactiviteiten verduurzamen. Indien de gemeente alsnog overweegt om acties binnen mobiliteit te overwegen, zijn er mogelijke maatregelen in bijlage 3.3 beschreven. 3.3. Mogelijke maatregelen Het is belangrijk om een visie op laadinfrastructuur te vormen vanuit de gedachte dat de elektrificatie van auto’s en verduurzaming van vrachtwagens een zeer belangrijk onderdeel is voor het behalen van de doelen. Hiervoor kan een gemeentelijk verkeersbeleidsplan op worden gesteld waarin duurzame mobiliteit een van de pijlers is. Vervolgens kan de gemeente het plaatsingsbeleid actualiseren op basis van plan en prognosekaarten zodat laadvoorzieningen verder uitgebreid kunnen worden om daarmee de elektrificatie van personenvervoer te stimuleren. Waar veel winst valt te behalen is een gemeentelijke aanpak op het ondersteunen van ondernemers in de gemeente met het overschakelen naar zero-emissie logistiek. Door goede voorlichting, ondersteuning in het bepalen van hun laadbehoefte en ondersteuning in de realisatie. Met name deze laatste is cruciaal vanwege de netcongestiesituatie. Zo’n aanpak zou onderdeel kunnen zijn van de geactualiseerde visie op laadinfrastructuur. Tenslotte is stimulering van elektrische deelvervoersmiddelen, elektrisch rijden en oplaadstations voor e-bikes in de gemeente van belang.

Hiervoor dient er ruimte in kaders en regels voor aanbieders van duurzame deelmobiliteit gemaakt te worden. Ook dit zou onderdeel kunnen zijn van de geactualiseerde visie op laadinfrastructuur. 3.4. Doorkijk na 2030 In 2050 wil de mobiliteitssector volledig emissievrij zijn. Al vanaf 2035 mogen er in Europa geen nieuwe auto's met verbrandingsmotoren (benzine/diesel) worden verkocht. Volgens een rapport van PBL zal deze ontwikkeling naar zero-emissie vanaf 2030 vooral uit verregaande elektrificatie komen, met name van personenvervoer en distributie voor kleine afstanden. Elektrische auto’s hebben nog veel ruimte voor technologische ontwikkeling, waardoor problemen met een te kleine actieradius tot de verleden tijd behoren. Voor het resterende deel van de mobiliteitssector wordt verwacht dat zij overstappen op hernieuwbare brandstoffen, waar elektrificatie geen optie is. Vooral voor langere afstanden worden batterijen simpelweg te zwaar of economisch gezien niet rendabel, daar is hernieuwbare brandstof zoals waterstof of biobrandstof een alternatief. Een laatste verduurzamingsslag kan gehaald worden uit gedragsverandering. Zo is het dat het aantal gereden kilometers per persoon daalt, doordat mensen bewuster omgaan met mobiliteit, bijvoorbeeld door meer digitaal te vergaderen in plaats van te reizen. Ook zal autobezit lager worden, doordat er alternatieven beschikbaar zijn 58

zoals de elektrische fiets of een deelauto. Dit effect is naar verwachting in Kaag en Braassem kleiner. Door de landelijke opzet van de gemeente zijn de te reizen afstanden namelijk groter, waardoor de fiets een minder geschikt alternatief is.

59

Bijlage 4.

Potentie en belemmeringen voor opwek met wind en zon

Deze bijlage bevat de kaarten rondom belemmeringen en kansen voor opwek middels zon en wind. In de storymap van de LES (bereikbaar via deze link) kunt u de kaarten in betere kwaliteit bekijken en in- en uitzoomen. Mocht u ze in meer detail willen bekijken, dan raden wij dit aan 4.1. Zonnepanelen op daken en parkeerplaatsen Binnen de gemeente is potentie voor energie opwek via zonnepanelen op daken en parkeerplaatsen. De kaarten hieronder geven weer waar de potentie ligt, specifiek in Roelofarendsveen en Leimuiden, als voor de gehele gemeente.

Figuur 24: Kansgebieden zonnepanelen op bedrijfsdaken en parkeerplaatsen in Roelofarendsveen (links), Leimuiden (rechts).

60

Figuur 25: Potentie voor zon op bedrijfsterreinen en parkeerplaatsen

61

4.2. Zonnepanelen op land Binnen de gemeente is beperkte potentie voor energie opwek via grondgebonden zon (zonneparken). Voor de ontwikkeling van zon op land gelden namelijk een aantal belemmeringen, zoals weidevogelgebieden en landbouwgrond. Plekken waar belemmeringen gelden zijn in deze kaart afgevallen. In de onderstaande tabel staan de belemmeringen waar rekening mee is gehouden in het bepalen van de potentie voor grondgebonden zon. Een gele weging betreft de zachte belemmeringen. Deze gebieden zijn met mitigatiemaatregelen geschikt te maken. Rood betreft de harde belemmeringen, dit zijn de wettelijke of fysieke beperkingen. Weging

Belemmeringen zon op land

Geel

- Weidevogelgebieden - Niet in PlanMER, maar extra opgenomen: Kagerplassen en molens, molenbiotopen, landbouwgrond en grasland met agrarische bestemming

Rood

- Natuurnetwerk Nederland - Fysieke beperkingen, zoals zon op (spoor)wegen - Voor onderscheid met zon op dak: Panden, kassen en gebouwen.

Tabel 5: Belemmeringen zon op land

De belemmeringenkaart is voor leesbaarheid en begrip vervolgens vertaald naar een potentiekaart. Deze kaarten geven weer waar het vervolgens in de gemeente mogelijk is (en niet mogelijk is) om energie middels zon op te wekken. Een potentiekaart is daarmee een omgedraaide belemmeringenkaart. Gebieden zonder belemmeringen hebben namelijk een grote potentie voor gebruik als opweklocatie. De belemmeringen worden vertaald naar de volgende kleuren en beoordelingen in de potentiekaart. Weging

Kleur en beoordeling in potentiekaart

Geel

Donkergroen: Geschikt vanuit milieuperspectief. Er zijn geen harde of zachte belemmeringen.

Rood

Lichtgroen: Geschikt te maken vanuit milieuperspectief. Er zijn zachte belemmeringen. In de praktijk betekent dit dat er mitigatiemaatregelen getroffen moeten worden om energie op te wekken, bijvoorbeeld het compenseren van gekapte bomen met het aanplanten van nieuwe bomen.

Tabel 6: Weging belemmeringen in potentiekaart zon op land

Inmiddels is er een landelijke ontwikkeling dat zon op land niet zomaar meer overal toegestaan wordt. Per 1 januari 2024 is er landelijk vastgelegd dat zon op land niet meer mogelijk is op landbouw en natuurgronden, voordat daken/gevels en andere dubbelfuncties (zoals parkeer- en stortplaatsen en langs wegen) benut zijn. Deze aanpassing is nog niet weergeven in deze kaart, aangezien dit een kaart van voor deze ontwikkeling is. In de praktijk zal het betekenen dat een groot deel van de kaart niet meer groen is. Echter zijn de keuzes voor zon in het uitgewerkte voorkeursscenario van Kaag en Braassem nog steeds mogelijk binnen deze nieuwe landelijke restrictie voor zon op land.

62

Figuur 26: Potentiekaart voor zon op land

63

4.3. Windturbines op land Binnen de gemeente is potentie voor energie opwek met windturbines. De kaart hieronder geeft deze potentie weer. Voor de ontwikkeling van wind op land gelden namelijk een aantal belemmeringen, zoals afstanden tot woningen, infrastructuur en natuurgebieden. Plekken waar belemmeringen gelden zijn in deze kaart afgevallen. In de onderstaande tabel staan de belemmeringen waar rekening mee is gehouden in het bepalen van de potentie voor windturbines. Een gearceerd gele weging betreft geen belemmering, maar een factor van belang. Een gele weging betreft de zachte belemmeringen. Deze gebieden zijn met mitigatiemaatregelen geschikt te maken. Oranje betreft geen harde of zachte belemmering, maar dient bij voorkeur vermeden te worden. In de praktijk gaat het hier om een te dichte afstand op huizen. Rood betreft de harde belemmeringen, dit zijn de wettelijke of fysieke beperkingen.

Weging Belemmeringen Wind Gearceerd geel* - Veenlandschap - Schiphol hoogtebeperkingen (lagere turbines) Geel* - Weidevogelgebieden - 400 meter tot Natuurnetwerk Nederland - 460 tot 640 meter tot woning Oranje* - 280 tot 460 meter tot woning Rood* - Natuurnetwerk Nederland - Minder dan 280 meter tot woning - 228 meter tot inrichting met gevaarlijke stoffen - 5 meter tot ondergrondse buisleidingen en hoogspanningsleidingen - 66 meter tot spoorwegen - 58 meter tot rijkswegen Tabel 7: Belemmeringen wind

De belemmeringenkaart is voor leesbaarheid en begrip vervolgens vertaald naar een potentiekaart. Deze kaarten geven weer waar het vervolgens in de gemeente mogelijk is (en niet mogelijk is) om energie middels zon op te wekken. Een potentiekaart is daarmee een omgedraaide belemmeringenkaart. Gebieden zonder belemmeringen hebben namelijk een grote potentie voor gebruik als opweklocatie. De belemmeringen worden vertaald naar de volgende kleuren en beoordelingen in de potentiekaart. Weging

Kleur en beoordeling in potentiekaart

Gearceerd geel

Donkergroen: Geschikt vanuit milieuperspectief. Geen harde of zachte belemmeringen. Lichtgroen: Geschikt te maken vanuit milieuperspectief. Er zijn zachte belemmeringen. In de praktijk betekent dit dat er mitigatiemaatregelen getroffen moeten worden om energie op te wekken, bijvoorbeeld het compenseren van gekapte bomen met het aanplanten van nieuwe bomen. Gestreept lichtgroen: Bij voorkeur vermijden vanuit milieu en veiligheid. In de praktijk heeft dit dezelfde status als lichtgroen (er zijn zachte belemmeringen), maar staan deze gebieden te dicht op huizen, wat niet gewenst is. Geen kleur. Dit is niet haalbaar vanuit milieu en veiligheid (er zijn harde en zachte belemmeringen)

Geel Oranje Rood

Tabel 8: Weging belemmeringen in potentiekaart wind

64

Figuur 27: Potentie voor wind

65

Bijlage 5.

Energiescenario voor 2030

Om een inschatting te maken wat de energievraag in 2030 is, is er een scenario opgesteld. Dit scenario maakt gebruik is gemodelleerd in het Energie Transitie Model, en handmatig doorgerekend om aan te sluiten op de cijfers uit Klimaatmonitor, die in de rest van de energieanalyses gebruikt zijn. Het scenario voor 2030 bevat de volgende aannames: Scenario voor 2030 Algemeen •

Groei van inwoners met 10% (op basis van prognoses PRIMOS)

Warmte • •

Besparing van 20% op warmtevraag in woningen door isolatie (doelstelling LES). 20% warmtepompen in de gebouwde omgeving

Elektriciteit •

Opwekdoelstelling van 0.09 TWh, gebaseerd op een evenredig aandeel in de opwekdoelstelling van de RES Holland-Rijnland, volgend uit het energieverbruik (scenario 1 uit bijlage 1.3)

Mobiliteit • •

25% elektrisch vervoer, op basis van doelstelling om 11% te besparen. Nog geen gebruik van bio-brandstof / waterstof.

Tabel 9: Aannames voor 2030 scenario in Kaag en Braassem

Deze aannames leiden tot de volgende mutatie in de totale energievraag van Kaag en Braassem tussen 2018 en 2030. De elektriciteitsvraag neemt door elektrificatie toe, terwijl de vraag naar warmte en brandstof (in mobiliteit) juist afneemt. De totale energievraag in Kaag en Braassem neemt daarmee wel af. De figuur hieronder geeft dit weer:

Figuur 28: Mutatie energievraag Kaag en Braassem tussen 2018 en 2030

66

Daarnaast is het interessant om te zien hoe het energieaanbod in Kaag en Braassem richting 2030 verder verduurzaamt. De figuur hieronder geeft de resultaten op basis van het scenario voor 2030 dit weer. Binnen alle toepassingen verduurzaamt het aanbod van energie, en groeit het aandeel hernieuwbare energie in het totale energieaanbod van Kaag en Braassem van 6% in 2018 naar 28% in 2030. Door opwek van duurzame elektriciteit groeit het aandeel duurzame elektriciteit binnen de gemeentegrenzen tot 41% in 2030. Dit is op basis van scenario 1 (zie bijlage 1.3) voor opwek van elektriciteit binnen de gemeente. Indien de gemeente voor een scenario met meer opwek gaat, groeit dit getal verder door.

Figuur 29: Verduurzaming van het energieaanbod in Kaag en Braassem op basis van scenario voor 2030

67

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=90784564-40ee-4ae0-b348-077419ba2ba1