BOPA Einsteinweg 12 incl. bijlagen
Tekst van het document
In tabel 6 is het resultaat van voornoemde berekening weergegeven. Hieruit blijkt ook dat op de werkdagochtend en -middag voldoende plaats is voor bewoners en bezoekers om op eigen terrein te kunnen parkeren. De eerlijkheid gebiedt hierbij wel om te zeggen dat het niet ondenkbaar is dat bewoners (en bezoekers) die in de avond hun voertuig in het openbare gebied geparkeerd hebben in de ochtend nog niet weer zijn vertrokken. Hoewel dit niet met zekerheid uit de onderzoeksresultaten kan worden afgeleid, is het gezien de bezetting op werkdagen om 17.00 uur niet de verwachting dat alle parkeerplaatsen nodig zijn voor de omliggende bedrijvigheid.
23048 Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein BVA Verkeersadviezen
pagina 7 van 11
Tabel 6: Parkeervraag versus parkeercapaciteit per scenario, Parkeervraag versus beschikbare capaciteit
werkdag zaterdag middag avond middag
Parkeercapaciteit Eigen terrein Mininmale restcapciteit openbaar gebied Totale beschikbare capaciteit Parkeervraag Dubbelgebruik parkeerplaatsen bewoners en bezoekers Dubbelgebruik + deelauto's (gereserveerde plaatsen voor deelauto's) Parkeersaldo Dubbelgebruik parkeerplaatsen bewoners en bezoekers Dubbelgebruik + deelauto's (gereserveerde plaatsen voor deelauto's)
80,0 21,0 101,0
80,0 26,0 106,0
80,0 26,0 106,0
69,1 63,1
103,7 93,2
95,4 87,2
31,9 37,9
2,3 12,8
10,6 18,9
Op het maatgevende moment is er zoals aangegeven bij het toepassen van deelauto’s een overschot aan parkeerruimte van 12 parkeerplaatsen. In dat geval kan ervoor worden gekozen het terrein niet maximaal als parkeerplaats in te richten, maar te kiezen voor een meer vriendelijke inrichting met meer groen. Het realiseren van circa 75 parkeerplaatsen op eigen terrein lijkt dan een realistische oplossing. Er is dan op het maatgevende moment een overschot van ongeveer 7 parkeerplaatsen in het openbare gebied. Ten slotte merken wij op dat in de verdere omgeving nog een groot overschot aan parkeerruimte beschikbaar is in het openbare gebied. Op het maatgevend moment is slechts een zesde deel (30 van de 180 plaatsen) van de beschikbare parkeermogelijkheden in het openbare gebied in gebruik.
Nieuwe normen In voorliggende notitie is uitgegaan van het parkeerbeleid van de gemeente IJsselstein dat dateert uit 2006. De gemeente IJsselstein is op dit moment bezig met het herzien van haar parkeerbeleid en de daarin opgenomen normen. Evenals in 2006 zal hierbij naar verwachting weer worden aangesloten bij de normering zoals bepaald door CROW. Zoals al aangegeven heeft CROW onlangs de nieuwe parkeernormen gepresenteerd in de publicatie 744 Parkeerkencijfers 2024, Basis voor parkeernormering. Hierin wordt ten aanzien van koopappartementen geen onderscheid meer gemaakt in prijsklassen, maar in oppervlaktes, waarbij de categorie kleiner dan 75 m2 bvo de kleinste is. Voor de realisering van de appartementen in onderhavige situatie geldt de volgende verdeling.
23048 Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein BVA Verkeersadviezen
pagina 8 van 11
Tabel 7: Oppervlakteverdeling woningen oppervlakte
aantal woningen
40 - 50 m2
30
50 - 60 m2
13
60 - 70 m2
30
70 - 75 m2
7
Totaal
80
Voor de categorie koopappartementen in de oppervlakteklasse kleiner dan 75 m2 bvo geldt een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats voor bewoners (gemiddelde norm, matig stedelijk gebied, rest bebouwde kom) en 0,15 parkeerplaats voor bezoek, totaal dus 1,45 parkeerplaats per woning. Naast de categorie ‘koopappartementen’ is in de nieuwste CROW-normen een categorie eenpersoonswoning toegevoegd (tiny house). Gezien de oppervlakte van de kleinste appartementen (40-50 m 2 bvo) vallen deze (nagenoeg) in deze categorisering. Voor dit type woning (eenpersoonswoning) geldt een parkeernorm van 0,55 parkeerplaats per woning (0,4 voor bewoners en 0,15 voor bezoekers). Indien voor de woningen in de kleinste categorie deze classificatie wordt aangehouden, dan ontstaat het beeld zoals weergegeven in tabel 8.
Tabel 8: Parkeervraag o.b.v. nieuwe normen Type woning Koop appartement < 75 m2 bvo Eenpersoons huishouden Totaal
Aantal 50 30
Parkeernorm totaal 1,45 0,55
per doelgroep
Parkeervraag
bewoners
1,3
bezoekers
0,15
7,5
bewoners
0,4
12,0
bezoekers
0,15
80
65,0
4,5 89,0
De parkeervraag bedraagt dan maximaal nog slechts 89 parkeerplaatsen in plaats van de eerder berekende 119,2 parkeerplaatsen. Rekening houdend met dubbelgebruik tussen bewoners en bezoekers komt de maximale parkeervraag dan nog op slechts 79 parkeerplaatsen uit en is er met de realisatie van 80 parkeerplaatsen voldoende ruimte op eigen terrein om deze parkeervraag op te kunnen vangen.
23048 Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein BVA Verkeersadviezen
pagina 9 van 11
Bijlage I: Omschrijving secties parkeeronderzoek
Secties Beschrijving
Opmerking
cap
1 2
Parkeerplaats Einsteinweg 12
Parkeren in vakken
89
Einsteinweg parkeervakken tegenover nummer 37-39
Parkeren in vakken
3
3
Einsteinweg parkeervakken tegenover parkeerterreinen
Parkeren in vakken
7
4
Einsteinweg parkeervakken tegenover nummer 41
Parkeren in vakken
4
5
Einsteinweg deel voor Einsteinweg numnmer 12
Parkeerzone. Geen vakken aangegeven
0
6
Eigen terrein achter Einsteinweg 37-39
PRIVE. Vakken aangegeven. Cap onbekend
7
Eigen terrein naast nummer 37-39
PRIVE. Geen vakken. 1 plek voor elektrisch laden
8
Einsteinweg voor nummers 17 t/m 39
Parkeerzone. Geen vakken aangegeven
9
Eigen terrein naast nummer 37
PRIVE. 2 vakken voor elektrisch laden
10
Eigen terrein voor numers 35-35a
PRIVE. Vakken aangegeven.. 2 vakken voor elektrisch laden
11
Eigen terrein Einsteinweg 33
PRIVE
12
Eigen terrein Einsteinweg 33a
PRIVE
13
Eigen terrein Einsteinweg 31
PRIVE
14
Eigen terrein Einsteinweg 29
PRIVE
15
Eigen terrein Einsteinweg 25
PRIVE. Vakken aangegeven
16
Strook langs Einsteinweg voor nummers 23 en 25
Laad- en losstrook. Geen vakken
3
17
Strook langs Einsteinweg voor nummers 17-23
Geen vakken aangegeven
4
18
Eigen terrein Einsteinweg 23
PRIVE
19
Eigen terrein Einsteinweg 21
PRIVE. Parkeren in vakken
20
Eigen terrein Einsteinweg 17
PRIVE. Geen vakken
21
Einsteinweg naast nummers 17 en 59
Parkeerzone
22
Eigen terrein Einsteinweg tussen nummers 17 en 59
PRIVE. Vakken aangegeven. Aantal niet geteld
23
Einsteinweg voor nummers 41 t/m 59
Parkeerzone
0
24
Einsteinweg parkeerstrook tegenover nummer 59
Parkeren op strook. Geen vakken
3
25
Einsteinweg parkeerstrook tegenover nummer 57-59
Verboden te parkeren
0
26
Einsteinweg parkeerstrook tegenover nummer 49 t/m 57
Parkeren op strook. Geen vakken
15
27
Einsteinweg parkeerstrook tegenover nummer 47-49
Verboden te parkeren
0
28
Einsteinweg parkeerstrook tegenover nummer 41 t/m 45
Parkeren op strook. Geen vakken
13
29
Eigen terrein Einsteinweg 57
PRIVE
30
Eigen terrein tussen nummers 49 en 51
PRIVE. Geen vakken aangegeven
31
Floridalaan tussen Boomgaard Einsteinweg even zijde
Parkeren langs de weg
4
32
Floridalaan tussen Bloesempad en Einsteinweg even zijde
Parkeren in vakken langs de weg
9
33
Floridalaan tussen Bloesempad en Boomgaard even zijde
Parkeren langs de weg
5
34
Floridalaan tussen Amerikalaan en Bloesempad even zijde
Parkeren in vakken langs de weg
6
35
Floridalaan tussen Amerikalaan en Bloesempad oneven zijde
Parkeren langs de weg
5
36
Boomgaard tussen Floridalaan en Oranjepeerpad oneven zijde
Parkeren langs de weg. Niet echt mogelijk
0
37
Boomgaard tussen Floridalaan en Oranjepeerpad even zijde
Parkeren langs de weg
10
Totaal
0
0
180
23048 Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein BVA Verkeersadviezen
pagina 10 van 11
Bijlage II: Resultaten parkeeronderzoek dinsdag 29 augustus
donderdag 31 augustus
zaterdag 2 september
Secties
cap
1
89
2
2%
0
0%
0
0%
2
2%
0
0%
1
1%
0
0%
2
2%
3
3%
2
3
0
0%
0
0%
0
0%
1
33%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
1
33%
3
7
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
4
4
0
0%
0
0%
0
0%
1
25%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
5
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
6
9
0
0
5
0
0
0
0
0
7
1
0
0
0
0
0
0
0
0
1
1
0
0
0
0
0
0
0
8
0
17:00
19:00
21:00
17:00
19:00
21:00
10:00
12:00
14:00
9
0
0
0
1
1
1
0
0
0
10
5
0
0
6
0
0
0
0
0
11
1
1
1
0
0
0
1
1
1
12
1
1
1
0
0
1
1
1
1
13
1
0
1
0
0
0
0
0
0
14
2
0
0
0
0
0
0
0
0
15
0
0
0
1
1
0
0
0
1
16
3
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
17
4
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
2
50%
18
0
0
0
1
0
0
0
0
0
19
0
0
0
1
0
0
0
0
0
20
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
0
0
0
0
6
1
0
9
1
0
1
1
1
0
0
0
0
0
0
0
21
0
22 23
0
0
24
3
0
25
0
0
26
15
2
27
0
0
28
13
2
29
0%
0%
0 13%
1
15%
2
7%
0%
2
15%
0
13%
0%
3
0%
4
20%
0%
4
31%
4
27%
0%
4
31%
1
27%
0%
2
8%
0
13%
0 0%
2
0%
0
13%
0%
2
13%
0 0%
0
0
0 0
0
0
1
0 0
0
0
1
0 0
1
0
2
0 0
1
0
1
0 0
0
0
1
0 0
0
1
3
0 0
1
1
30
0
0
0%
0
1
1
31
4
0
0%
1
25%
1
25%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
32
9
6
67%
6
67%
7
78%
4
44%
5
56%
5
56%
4
44%
3
33%
1
11%
33
5
0
0%
0
0%
1
20%
2
40%
2
40%
2
40%
1
20%
2
40%
1
20%
34
6
2
33%
2
33%
2
33%
4
67%
2
33%
2
33%
2
33%
2
33%
2
33%
35
5
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
0
0%
36
0
0
37
10
9
90%
10
100%
10
100%
9
90%
11
110%
12
120%
8
80%
8
80%
7
70%
24
13%
26
14%
23
13%
30
17%
29
16%
28
16%
19
11%
22
12%
21
12%
1
0
0
0
0
2
3
2
Totaal openbaar
180
prive 100 m zone
30 31
2
5 6%
3
4 10%
1
26 3%
6
4 19%
4
3 13%
1
23048 Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein BVA Verkeersadviezen
pagina 11 van 11
3 3%
0
4 0%
0
5 0%
1
3%
Bijlage 2
Blom Ecologie Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg
Plannen-makers
0418 820 288
T.a.v. dhr. C. Vaartjes
info@blomecologie.nl www.blomecologie.nl
Onderwerp:
Notitie quickscan Wnb. Einsteinweg 12 te IJsselstein
Datum:
29 september 2023
KVK
67221904
Project:
2023-1038
BTW nr.
NL856882999B01
Samensteller:
S. Gielen Ad.
IBAN
NL21RABO0314240683
Geachte meneer Vaartjes, Hierbij de quickscan Wet natuurbescherming omtrent het project Einsteinweg 12 te IJsselstein. Aanleiding Aan de Einsteinweg 12 te IJsselstein is een kantoorpand met een parkeerterrein gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens het bestaande kantoorpand op de planlocatie om te bouwen tot een appartementencomplex met 80 woningen. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd (figuur 1). Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen mogelijk een negatief effect sorteren op beschermde flora en fauna (soortenbescherming) en beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming). Binnen de beoogde ingreep vinden enkel werkzaamheden aan bebouwing plaats. Soortenbescherming en gebiedsbescherming zijn derhalve binnen deze quickscan beoordeeld. Het zwaartepunt van deze quickscan ligt bij (beschermde) soorten waarvoor het dak en/of muren een essentieel onderdeel kunnen zijn van het leefgebied. Dit betreffen vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen, overige (broed)vogels en steenmarters.
Figuur.1 Het plangebied is gelegen te Einsteinweg 12 te IJsselstein.
Planlocatie De planlocatie betreft een kantoorpand opgebouwd uit bakstenen muren met een spouw en enkele balkons. Het dak betreft een plat bitumen dak met betonnen en metalen daklijsten. (figuur 2 en 3). De directe omgeving van de planlocatie bestaat uit een parkeerterrein, bedrijventerrein en ten zuiden en westen ligt een ruime watergang.
Figuur.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen te Einsteinweg 12 te IJsselstein. De planlocatie ligt aan de rand van een bedrijventerrein. Direct langs het kantoorpand ligt een ruime watergang die in verbinding ligt met de sloten rondom het bedrijventerrein. Ten westen is veel groen aanwezig en ten oosten ligt is de doorgaande weg de N210, daarachter liggen agrarische percelen en weilanden
Figuur 3
De groenstrook ten westen van de planlocatie.
Beoogde ontwikkeling De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de transformatie van het kantoorpand naar een appartementencomplex met circa 80 woningen. Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een bestemmingsplanwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • • •
inpandig slopen: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; inpandige bouw van appartement: algemene bouwwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie balkons: verwijderen gemetselde borstweringen; gevel verwijderen van bestaande techniekruimte: algemene sloopwerkzaamheden; kozijnen vervangen en borstwering plaatsen begane grond: algemene sloop en realisatie werkzaamheden.
Figuur 4
Visuele representatie van de beoogde situatie (Bron: Centrum Architecten).
Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 21 september 2023 en is uitgevoerd door S. Gielen Ad. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; regen, 7/8 bewolkt, 15 Celsius en windkracht 1 (Bft). Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie.
Algemene zorgplicht
In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
Soortenbescherming
De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
Gebiedsbescherming
Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour en het Weidevogelkerngebied. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden.
Natura-2000 gebieden
Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.
Provinciaal beleid
Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Voor een ontwikkeling in een Groene Contour. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn. Beoordeling soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling.
Vleermuizen (Habitatrichtlijn art. 3.5)
Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Vleermuizen maken, afhankelijk van de soort, gebruik van verblijfplaatsen in bomen en/of bebouwing. Aangezien de beoogde ontwikkeling zich beperkt tot werkzaamheden aan bebouwing, is het op voorhand uitgesloten dat deze ontwikkeling leidt tot het wegnemen van verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen. De bebouwing waarbij de beoogde ingreep plaats zal vinden is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen
vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De planlocatie betreft een kantoorpand welke is opgebouwd uit bakstenen muren met een spouw en een plat bitumen dak met daklijsten. In de muren van de bebouwing zijn openstootvoegen, open dilatatievoegen, kierende daklijsten en geschikte ruimtes tussen de balkons aanwezig. De opening zijn geschikt om toegang te krijgen tot geschikte wegkruipruimtes en tot de spouwmuur voor vleermuizen. De muren van het kantoorpand beschikken over geschikte potentiële verblijfplaatsen (figuur 5). Daarnaast is er een groot oppervlaktewater en veel groen in de omgeving aanwezig, waar vleermuizen op korte afstand van de mogelijke verblijfplaatsen voldoende geschikt foerageergebied beschikbaar hebben. Het is niet uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hierdoor is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen.
Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie in stedelijk gebied en het type bebouwing is potentie voor verblijfplaatsen van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis (tabel 1). Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels veldbezoeken in de periode aprilseptember (zie vervolgstappen). De beoogde ontwikkeling beïnvloed enkel reeds bestaande bebouwing. Derhalve is het uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling leidt tot aantasting van een essentiële vliegroute of essentieel foerageergebied.
Figuur 6
Open stootvoegen en open dilatatievoegen waardoor vleermuizen toegang hebben tot de spouwmuur en geschikte wegkruipruimtes.
Figuur 7
Open stootvoegen, kierende daklijsten en ruimtes tussen de kozijnen geven bieden voor vleermuizen geschikte openingen die leiden naar mogelijke verblijfplaatsen.
In de luwte van opgaande vegetatie en bebouwing kunnen vliegbewegingen van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.
Tabel 1
Samenvatting van de beoordeling op mogelijke overtreding Wnb voor verschillende vleermuissoorten, essentiële vliegroute en foerageergebied.
Vleermuissoort
Potentie
Onderbouwing
Gewone dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing.
Ruige dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing
Laatvlieger
Ja
Geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing
Meervleermuis
Nee
Afwezigheid van groot oppervlaktewater in de omgeving en buiten bekende verspreiding
Gewone grootoorvleermuis
Nee
Planlocatie ligt binnen stedelijk gebied met (te) veel lichtverstoring
Tweekleurige vleermuis
Nee
Afwezigheid van zeer hoge bebouwing en buiten bekende verspreiding
Rosse vleermuis
Nee
Afwezigheid boomholte(s) met voldoende inrotting
Watervleermuis
Nee
Afwezigheid boomholte(s) met voldoende inrotting
Vleermuizen algemeen Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis)
Ja
Hoge bebouwing met bufferende vermogen
Essentiele vliegroute
Nee
Geen aantasting van lijnvormige structuren
Essentieel foerageergebied
Nee
Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 2
Overzicht van de aanwezige potentie per vleermuissoort en per type verblijfplaats.
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Winter
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Laatvlieger
Ja
Ja
Ja
Nee
Huismussen en gierzwaluwen (Vogelrichtlijn art. 3.1 cat. 2 soort) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. In de omgeving dient voldoende functioneel habitat in de vorm van groenblijvende structuren, stofbaden en foerageerlocaties aanwezig te zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Het kantoorpand heeft een plat bitumen dak. In het pand zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig voor huismus en gierzwaluw. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op nestlocaties van de huismus en gierzwaluw zijn derhalve uitgesloten. Aangezien de beoogde ontwikkeling geen invloed zal hebben op groenstructuren, is een negatieve invloed op het (eventueel aanwezig) functioneel leefgebied van huismussen in de omgeving uitgesloten. Uit het vorengenoemde kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus en gierzwaluw.
Vogels (Jaarrond beschermde vogelsoorten, Cat. 5 soorten en algemene broedvogels) Op de planlocatie zijn geen nestlocaties van categorie 5 vogels (zoals spreeuw en huiszwaluw) waargenomen. Tevens zijn er nabij de bebouwing geen grote nesten en horsten aangetroffen, waardoor een verstorende invloed op roofvogels is uitgesloten. De bebouwing en omgeving hiervan zijn ongeschikt als nestlocatie en functioneel leefgebied van uilen. Gedurende het broedseizoen zijn nesten en de functionele leefomgeving van alle vogels beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Steenmarter (Nationaal beschermde diersoort, art. 3.10) De steenmarter is een grondgebonden zoogdier dat gebruik kan maken van daken in een dermate bebouwde en verstoorde omgeving. Er zijn geen geschikte openingen aanwezig voor steenmarter. Daarnaast is het pand gelegen aan een volledig verhard bedrijventerrein. Voor soorten als steenmarter is er geen functioneel leefgebied aanwezig. Een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op de steenmarter is uitgesloten.
Overige soorten Naast de bovengenoemde soorten en soortgroepen zijn ook andere soortgroepen onder de Wet natuurbescherming beschermd. Dit betreffen vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, insecten en andere ongewervelden. De beoogde ontwikkeling betreft de transformatie van een kantoorpand naar een appartementencomplex. Derhalve zal enkel bebouwing beïnvloed worden binnen deze ontwikkeling. Voor veel van de bovengenoemde soortgroepen vervullen daken en/of muren geen (belangrijke) functie. Derhalve is een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op beschermde amfibieën, reptielen, vissen en insecten en andere ongewervelden op voorhand uitgesloten. Op de muren van de bebouwing is geen beschermde muurvegetatie aangetroffen. Een negatieve invloed op beschermde vaatplanten kan derhalve ook uitgesloten worden. Overige grondgebonden zoogdieren zullen eveneens geen negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling ondervinden. Beoordeling gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is gelegen op een afstand van circa 3 km en betreft ‘Uiterwaarden Lek’.
Wegens de beperkte omvang van de beoogde ontwikkeling is een negatieve invloed op Natura 2000 gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour op voorhand uitgesloten.
Conclusies
Soortenbescherming Ten behoeve van soortenbescherming dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar gebouwbewonende vleermuizen (tabel 3).
Tabel 3 Overzicht van de Soortenbescherming. Soortgroep
Beschermingsregime Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Mogelijke jaarrond beschermde functie plangebied
Artikel 3.5
Ja
Verblijfplaatsen
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (cat. 1 t/m 5)
Gebiedsbescherming Aanvullende stappen ten behoeve van gebiedsbescherming zijn niet van toepassing. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor gebouwbewonende vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).
Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De transformatie van het kantoorpand naar een appartementencomplex van 80 woningen aan de Einsteinweg 12 te IJsselstein is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Vervolgstappen en maatregelen
Vervolgstappen Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen 3 rondes in het voorjaar en 3 in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en
vleermuissoorten worden in tabel 2 en 3 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute.
Te treffen maatregelen • • • •
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
We hopen u met dit schrijven voldoende te hebben geïnformeerd. We verblijven in afwachting van uw reactie.
Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., S. Gielen Ad. Auteur
Bijlage 1
Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Collegiale toets
Vervolgstappen
Blom Ecologie Koeweistraat 2 - 4181 CD Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie.
Bijlage 1 Vervolgstappen Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).
De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.
Bijlage 3
VELDINVENTARISATIE VLEERMUIZEN EINSTEINWEG 12 TE IJSSELSTEIN
Eindrapport
VELDINVENTARISATIE VLEERMUIZEN EINSTEINWEG 12 TE IJSSELSTEIN
rapportnummer 2023.4381 3 oktober 2024 In opdracht van: De Goede Holding BV Jacobijnenstraat 2 3512TH Utrecht
Adviesbureau Mertens B.V.
Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en natuurwetgeving Utrechtseweg 120, 6871 DV Renkum 06-29458456 info@adviesbureau-mertens.nl www.adviesbureau-mertens.nl
© Adviesbureau Mertens BV, Renkum, 2024. Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING .......................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED ...................................................................................................................................... 2 1.3 DE PLANNEN ............................................................................................................................................. 2 1.4 VRAAGSTELLINGEN VAN HET ONDERZOEK .................................................................................................. 4 1.5 OPBOUW VAN DIT RAPPORT ....................................................................................................................... 4
2. ECOLOGIE VLEERMUIZEN ............................................................................................................................... 5
3. METHODE........................................................................................................................................................... 6 3.1 ONDERZOEK ............................................................................................................................................. 6 3.2 VEREISTEN ............................................................................................................................................... 6 3.3 OMVANG ONDERZOEK ............................................................................................................................... 7 3.4 VELDONDERZOEK ..................................................................................................................................... 8
4. RESULTATEN .................................................................................................................................................. 10 4.1 VOORJAAR/VOORZOMER (FOERAGEER-, KOLONIEPLAATSEN EN VLIEGROUTES) .......................................... 10 4.2 NAZOMER (OVERWINTERINGSPLAATSEN) ................................................................................................. 10 4.3 VOORHERFST (FOERAGEER-, BALTS- EN PAARPLAATSEN) ......................................................................... 10 4.4 BELANG FOERAGEERGEBIED ................................................................................................................... 10
5. CONCLUSIES ................................................................................................................................................... 13
GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................................................................... 14
BIJLAGEN ............................................................................................................................................................ 15 1 BEGRIPPEN ............................................................................................................................................ 16 2 VOORWAARDEN .................................................................................................................................... 18 3 ONDERZOEKS OMSTANDIGHEDEN .................................................................................................... 19
Adviesbureau Mertens
1
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
1. INLEIDING 1.1 Inleiding Er is het voornemen voor de omvorming van een kantoor tot appartementencomplex aan de Einsteinweg 12 te IJsselstein. De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming en per 1 januari 2024 via de Omgevingswet. In 2023 is daarom een verkennend veldonderzoek uitgevoerd (Gielen, 2023). Uit deze verkenning kwam naar voren dat het voorkomen van en negatieve effecten konden worden uitgesloten. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens BV te Renkum gevraagd om een veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van vleermuizen en om bij het eventueel voorkomen hiervan, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van dit onderzoek gepresenteerd.
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied aan de Einsteinweg 12 te IJsselstein (rood). 1.2 Het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Einsteinweg 12 te IJsselstein en is sinds het verkennend onderzoek niet wezenlijk gewijzigd. Het betreft een pand met o.a. open stootvoegen met bitumen dakbedekking. Voor een verdere omschrijving van dit gebied wordt verwezen naar het verkennend onderzoek (Gielen, 2023). 1.3 De plannen De plannen zijn sinds het verkennend onderzoek niet gewijzigd. Voor een omschrijving van de plannen wordt dan ook verwezen naar het verkennend onderzoek (Gielen, 2023).
Adviesbureau Mertens
2
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
Figuur 2. Beel van het te transformeren pand aan de Einsteinweg 12 te IJsselstein met open stootvoegen op 14 december 2023. Adviesbureau Mertens
3
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
1.4 Vraagstellingen van het onderzoek Vleermuizen kunnen in potentie kunnen voorkomen (Adviesbureau Mertens, 2023). Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding van dit hoofdstuk worden de volgende vraagstellingen onderzocht: 1. Welke soorten vleermuizen komen voor in of in de nabijheid van het onderzoeksgebied aan Einsteinweg 12 te IJsselstein? 2. Wat is de verspreiding en het terreingebruik van de vleermuizen in of nabij het onderzoeksgebied van de Einsteinweg 12 te IJsselstein?
1.5 Opbouw van dit rapport Na een korte uitleg over vleermuizen wordt in hoofdstuk 3 de werkwijze van het onderzoek weergegeven. In hoofdstuk 4 wordt de aanwezigheid en de verspreiding weergegeven. In hoofdstuk 5 worden conclusies gegeven en worden aanbevelingen gedaan. In bijlage 1 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen. In bijlage 2 worden de voorwaarden van het onderzoek weergegeven. Aangezien onderhavig rapport een voortzetting is van de verkennende onderzoeken (Gielen, 2023), kunnen de rapporten niet los van elkaar worden gelezen.
Adviesbureau Mertens
4
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
2. ECOLOGIE VLEERMUIZEN
Vleermuizen zijn vliegende zoogdieren die zich voeden met insecten. Per nacht wordt een grote hoeveelheid voedsel gegeten. Vleermuizen zijn aangewezen op een grote diversiteit aan ecotypen, die een groot en constant voedselaanbod opleveren. Daarnaast zijn vleermuizen afhankelijk van landschapselementen. Aan de hand van landschapselementen (bomenlanen, huizenrijen, houtwallen e.d.) kunnen vleermuizen zich oriënteren door middel van het uitzenden van geluiden. Open landbouwgebieden zijn daarom bijvoorbeeld onaantrekkelijk voor vleermuizen. Vleermuizen verblijven overdag, gedurende het zomerseizoen, in kleine ruimten als spouwmuren of gaten in bomen. Afhankelijk van de soort, bewonen vleermuizen bomen of gebouwen. Alleen de grootoorvleermuis maakt gebruik van zowel bomen als gebouwen. Vooral vrouwtjes zitten veel bij elkaar, in een kolonie. Hier worden de jongen in groot gebracht. Als de schemering valt vliegen de vleermuizen uit en gaan via vaste routen, de vliegrouten, naar de foerageerplaatsen. Soms liggen foerageerplaatsen en kolonies wel meer dan 10 km uit elkaar. Op de foerageerplaatsen wordt gedurende de gehele nacht gefoerageerd. Bij het aanbreken van de dag vliegen de vleermuizen via de vliegrouten weer terug naar de kolonie. Tegen de herfst breekt het paarseizoen aan. De jongen worden in het daarop volgende voorjaar geboren.
De vleermuizen leven in de herfst nagenoeg niet meer in kolonies, maar solitair. Voor de paring worden paarplaatsen gebruikt die vaak afwijken van de kolonieplaatsen. Vaak worden in de herfst ook andere soorten en aantallen vleermuizen aangetroffen. Een voorbeeld hiervan is de ruige dwergvleermuis. Daarnaast worden in de herfst vaak andere foerageerplaatsen gebruikt, de vleermuizen zijn immers niet meer gebonden aan de kolonieplaats. Kort na het paarseizoen tot enkele maanden later, als de winter aanbreekt, trekken de vleermuizen naar ruimten met een stabiel microklimaat als (ijs)kelders, grotten, bunkers of dikke bomen om daar door middel van de winterslaap de winter door te brengen. Vleermuizen gebruiken in de winter dus eveneens verblijfplaatsen, wanneer zij hun winterslaap houden. Slechts zeer sporadisch komen de winterverblijfplaatsen overeen met de zomerverblijfplaatsen. Doordat vleermuizen voor hun oriëntatie gebruik maken van echolocatie zijn vleermuizen gevoelig voor ingrepen in het landschap. Oriëntatie vindt plaats aan de hand van opgaande elementen als bijvoorbeeld bomenlanen en houtwallen. Verlies daarvan resulteert in verminderde oriëntatiemogelijkheden. Oriëntatie is noodzakelijk om van kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en om voedsel te vinden.
Bij de afweging van de effecten van ruimtelijke ingrepen in natuur en landschap spelen derhalve opgaande elementen een belangrijke rol. Vleermuizen worden meer en meer betrokken bij de besluitvorming rond ingrepen in het landelijk en stedelijk gebied. Dit is ook verplicht: alle soorten zijn nationaal en internationaal wettelijk beschermd via de Wet natuurbescherming en de Habitatrichtlijn.
Adviesbureau Mertens
5
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
3. METHODE
3.1 Onderzoek Conform de opdracht is onderzoek uitgevoerd naar verblijfplaatsen van vleermuizen in Einsteinweg 12 te IJsselstein. 3.2 Vereisten Het vleermuisinventarisatie-protocol van het Netwerk Groene Bureaus (2021) stelt dat: Voor (kraam)verblijven en vliegroutes van vleermuizen dient onderzoek te worden uitgevoerd: in de periode 15 mei – 15 juli, 2 x 2 uur (i.v.m. laatvlieger 2 x ’s avonds, i.v.m. dwergvleermuis 1 x ’s ochtends, i.v.m. meer vleermuis minimaal één keer in juni, Soortafhankelijk 30 tot 60 minuten voor zonsopgang, wat betekent dat het bezoek 2,5 tot 3 uur voor zonsopgang moet beginnen en voor eind juni), periode tussen veldbezoeken tenminste (10) 20 dagen, bij geschikte omstandigheden, als meer dan een kwart van het onderzoeksgebied niet valt te (over)zien of te beluisteren, moet een extra waarnemer ingeschakeld worden. De ‘75%-regel’ geldt niet voor ochtendbezoeken en paarverblijfonderzoeken. Voor zwermplaatsen in het kader van winterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen dient onderzoek te worden uitgevoerd: in de periode 1 aug - 10 sep., 2 x 2 uur, tussen 0:00 - 2:00, periode tussen veldbezoeken tenminste (5) 10 dagen, bij geschikte omstandigheden, als meer dan een kwart van het onderzoeksgebied niet valt te (over)zien of te beluisteren, moet een extra waarnemer ingeschakeld worden.
De ‘75%-regel’ geldt niet voor ochtendbezoeken en paarverblijfonderzoeken. Voor winterverblijfplaatsen van overige vleermuizen (niet gewone dwergvleermuis) dient doorgaans onderzoek te worden uitgevoerd in de periode december tot maart. Voor paarverblijf- & zwermplaatsen van vleermuizen dient onderzoek te worden uitgevoerd: in de periode (15 jul) 15 aug - 1 okt (1 nov), 2 x 2 uur (i.v.m. laatvlieger minimaal 1x ’s avonds), (0 min) 60 min na (zo mogelijk later, rond middernacht), periode tussen veldbezoeken tenminste (10) 20 dagen, bij geschikte omstandigheden, als meer dan een kwart van het onderzoeksgebied niet valt te (over)zien of te beluisteren, moet een extra waarnemer ingeschakeld worden. De ‘75%-regel’ geldt niet voor ochtendbezoeken en paarverblijfonderzoeken.
Adviesbureau Mertens
6
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024 Het gebied aan de Einsteinweg 12 te IJsselstein is te groot om in één keer volledig te overzien. Daarom is het gebied in vier deelgebieden gesplitst (zie figuur 3).
Figuur 3. Deelgebieden (A t/m D) bij het nader onderzoek naar het voorkomen en het terreingebruik van vleermuizen aan de Einsteinweg 12 te IJsselstein.
3.3 Omvang onderzoek Gelet op de aard en omvang van het gebied zijn 28 onderzoeksronden uitgevoerd op 21, 22, 23, 24 mei, 22, 23, 24,25 juni, 1, 13 14 15 juli, 1, 2, 3, 4, 11, 12, 13, 14 augustus, 1, 2, 3, 4, 26, 27, 28, 29 september 2024 met een totale onderzoeksomvang van ongeveer 56 uur (exclusief een verkenning op 14 december 2023). In onderstaande paragrafen wordt per soortgroep de inventarisatiemethode weergegeven. In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de methode per soortgroep en de bezoekdata. In bijlage 3 worden de omstandigheden en de inventarisatieduur weergegeven.
Adviesbureau Mertens
7
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
Tabel 1. Overzicht inventarisatieronden naar de aanwezigheid van vleermuizen ter plaatse van en direct rond Einsteinweg 12 te IJsselstein (1 = zuidwestzijde, 2 = noordwestzijde, 3 = noordoostzijde, 4 = zuidoostzijde). Datum
Vleermuizen
Voorjaar/voorzomer (foerageer-, kolonieplaatsen en vliegroutes) - 21 mei 20241 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen - 22 mei 20242 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen - 23 mei 20243 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen - 24 mei 20244 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen 1 - 22 juni 2024 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen 2 - 23 juni 2024 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen 3 - 24 juni 2024 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen 4 - 25 juni 2024 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen 1 - 12 juli 2024 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen - 13 juli 20242 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen - 14 juli 20243 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen - 15 juli 20244 Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen Midzomer (foerageer- en overwinteringsplaatsen) - 01 augustus 20241 Foerageer-, en winterplaatsen 2 - 02 augustus 2024 Foerageer-, en winterplaatsen 3 - 03 augustus 2024 Foerageer-, en winterplaatsen - 04 augustus 20244 Foerageer-, en winterplaatsen - 11 augustus 20241 Foerageer-, en winterplaatsen - 12 augustus 20242 Foerageer-, en winterplaatsen 3 - 13 augustus 2024 Foerageer-, en winterplaatsen 4 - 14 augustus 2024 Foerageer-, en winterplaatsen Voorherfst (foerageer-, balts- en paarplaatsen) - 01 september 20241 Balts-, paar-, foerageerplaatsen 2 - 02 september 2024 Balts-, paar-, foerageerplaatsen - 03 september
20243 Balts-, paar-, foerageerplaatsen - 04 september 20244 Balts-, paar-, foerageerplaatsen - 26 september 20241 Balts-, paar-, foerageerplaatsen 2 - 27 september 2024 Balts-, paar-, foerageerplaatsen 3 - 28 september 2024 Balts-, paar-, foerageerplaatsen 4 - 29 september 2024 Balts-, paar-, foerageerplaatsen
Adviesbureau Mertens
8
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
3.4 Veldonderzoek Vleermuizen zijn geïnventariseerd door middel van batdetector-onderzoek (Petterson D-240). Met de batdetector worden de, voor mensen onhoorbare, ultrasone geluiden van vleermuizen omgezet naar de voor het menselijk oor hoorbare geluiden. Soorten kunnen door de geluiden (frequentie, ritme en klank) en zichtbeelden worden onderscheiden. Door interpretatie hiervan kan tevens het gedrag afgeleid worden en kunnen onder andere verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen worden opgespoord. Gedurende het onderzoek is rondgelopen. Op 21, 22, 23, 24 mei, 22, 23, 24,25 juni, 1, 13 14 15 juli 2024 werd geïnventariseerd naar de aanwezigheid van kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen van vleermuizen. De onderzoeksronden op 1, 2, 3, 4, 11, 12, 13, 14 augustus 2024 vonden plaats rond middernacht en derhalve was het mogelijk om ook onderzoek te doen naar gedrag dat wijst op eventuele overwinterende vleermuizen (zwermen dwergvleermuis). De onderzoeksronden op 1, 2, 3, 4, 26, 27, 28, 29 september 2024 waren gericht op de inventarisatie van balts-, paar- en foerageerplaatsen. De methode voor het inventariseren van vleermuizen voldoet aan het Inventarisatie Protocol van het Netwerk Groene Bureaus (Netwerk Groene Bureaus, 2021) en de kennisdocumenten van gewone dwergvleermuis (Bij 12, 2024) en ruige dwergvleermuis (Bij 12, 2017).
Van laatvlieger is geen kennisdocument beschikbaar. De onderzoeken vonden plaats bij geschikte omstandigheden. Omdat het onderzoek is uitgevoerd bij geschikte omstandigheden, op goede momenten en in een geschikte periode is het onderzoek goed uitgevoerd conform de vereisten en geeft een goed beeld van het voorkomen van vleermuizen.
Adviesbureau Mertens
9
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
4. RESULTATEN
4.1 Voorjaar/voorzomer (foerageer-, kolonieplaatsen en vliegroutes) In het voorjaar / de voorzomer van 2024 is alleen de gewone dwergvleermuis waargenomen. De gewone dwergvleermuis is alleen foeragerend aangetroffen ten oosten van de Einsteinweg 12 te IJsselstein en dus niet in de nabijheid van het pand aan de Einsteinweg 12 te IJsselstein (zie figuur 4). Er zijn geen vliegroutes vastgesteld van gewone dwergvleermuis. Er waren gedurende onderhavig onderzoek ook geen aanwijzingen van de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Omdat de gewone dwergvleermuis relatief laat in het plangebied arriveerde en er geen gedrag is aangetroffen dat wijst op de aanwezigheid van verblijfplaatsen (zoals zwermen), is een verblijfplaats buiten het plangebied gelegen. In figuur 2 zijn de waarnemingen weergegeven van het voorjaar / de voorzomer.
4.2 Nazomer (overwinteringsplaatsen) Doordat de muren in het plangebied van de Einsteinweg 12 te IJsselstein relatief droog zijn, in hoge mate worden beïnvloed door weersinvloeden (slechte isolatie) en er zowel in het voorjaar/ de voorzomer als in de voorherfst relatief weinig vleermuizen werden vastgesteld (ook niet zwermend in de zwermperiode voorafgaand aan overwintering), kan het voorkomen van overwinterende vleermuizen in en direct rond het plangebied worden uitgesloten.
4.3 Voorherfst (foerageer-, balts- en paarplaatsen) Er zijn in de voorherfst eveneens alleen gewone dwergvleermuizen foeragerend aangetroffen. Er zijn geen balts- of paarplaatsen vastgesteld rondom de muren met open stootvoegen. Omdat geen baltsplaatsen werden aangetroffen in het plangebied is het niet aannemelijk dat er paarplaatsen voorkomen. Bij een baltsplaats vliegt een vleermuis immers rond met sociale geluiden die wijzen op een paarplaats. In figuur 5 worden de waarnemingen weergegeven.
4.4 Belang foerageergebied Gelet op de aantallen en dichtheid van de foeragerende vleermuizen dient het plangebied en directe omgeving niet gezien te worden als belangrijk (primair) foerageergebied. Daarbij komt dat gedurende de plannen het plangebied en omgeving foerageergebied voor vleermuizen kan blijven, waardoor negatieve effecten op foeragerende vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Een reden dat in het pand en daaromheen weinig (foeragerende) vleermuizen zijn vastgesteld kan als oorzaak hebben dat: In de omgeving zijn de zuid- en westzijde open waardoor weinig oriëntatiemogelijkheden, Rond het pand is geen opgaande beplanting waardoor weinig oriëntatiemogelijkheden, Zuid- en westzijde zijn volledig open waardoor wind meer invloed heeft. De bebouwing aan de noord- en oostzijde is van relatief recente datum, waardoor er weinig (opgaand) groen is, dat de foerageermogelijkheden niet ten goede komt.
Adviesbureau Mertens
10
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
Figuur 4. Waarnemingen van foeragerende gewone dwergvleermuizen in het voorjaar / de voorzomer van 2024 in en direct rond het gebied aan de Einsteinweg 12 te IJsselstein.
Adviesbureau Mertens
11
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
Figuur 5. Waarnemingen van foeragerende gewone dwergvleermuizen in de voorherfst van 2024 in en direct rond het gebied aan de Einsteinweg 12 te IJsselstein.
Adviesbureau Mertens
12
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
5. CONCLUSIES
Er is het voornemen voor de functiewijziging van de Einsteinweg 12 te IJsselstein dat zal samen gaan met het aanpassen van onder andere de gevels. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens BV te Renkum gevraagd om een veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van vleermuizen en om bij het eventueel voorkomen hiervan, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat rond het gebied gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. Andere soorten vleermuizen, zoals de laatvlieger, zijn niet vastgesteld. De gewone dwergvleermuizen komen voor in lage dichtheid en buiten het invloedgebied. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aangetroffen in en direct rond het plangebied. Een mogelijke reden is dat het pand aan de Einsteinweg 12 te IJsselstein in een vrij open en nieuw landschap is gelegen waardoor de mogelijkheden voor vleermuizen zijn beperkt. Op grond van bovenstaande analyse worden negatieve effecten op vleermuizen uitgesloten. Op grond hiervan is voor de plannen voor Einsteinweg 12 te IJsselstein geen vergunning flora- en fauna activiteit vereist van de Omgevingswet. De zorgplicht blijft onverkort van kracht.
Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hiermee rekening gehouden te worden.
Adviesbureau Mertens
13
Renkum
Veldinventarisatie vleermuizen Einsteinweg 12 te IJsselstein. Eindrapport 3 oktober 2024
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
Bij 12, 2023 (april). Kennisdocument gewone dwergvleermuis, Utrecht. Bij 12, 2017. Kennisdocument ruige dwergvleermuis, Utrecht. EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad Europese Gemeenschap, nummer L. 103. EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7. Gielen, S., 2023. Notitie quickscan Wnb. Einsteinweg 12 te IJsselstein. Waardenburg, 1-13. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, 2017. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie Economische zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 2016, 1-34. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van LNV (Dienst Regelingen), Den Haag. Netwerk Groene Bureaus, 2021. Vleermuisinventarisatie-protocol; Introductie, toelichting en tabel. Odijk.
Adviesbureau Mertens
14
Renkum
BIJLAGEN
1 BEGRIPPEN
Baltsplaats
Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.
Foerageergebied
Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.
Foerageerplaats
Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.
Kolonie
Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.
Migratieroute
Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.
Paarplaats
Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.
Verblijfplaats