BOPA Einsteinweg 12 incl. bijlagen
Tekst van het document
Luchtkwaliteit Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 staat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, inclusief een goede omgevingskwaliteit, centraal (artikel 1.3, lid a). Hierbij wordt specifiek aandacht besteed aan lucht (artikel 1.2, lid 2f). Artikel 2.15, lid 1a van de Omgevingswet bepaalt dat omgevingswaarden worden vastgesteld voor de kwaliteit van de buitenlucht, inclusief de concentraties van verontreinigende stoffen, ter uitvoering van de richtlijn luchtkwaliteit en de richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht. De hoofdlijnen voor regelgeving omtrent luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor bescherming van de gezondheid zijn instructieregels vastgelegd in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Deze regels omvatten omgevingswaarden voor stoffen zoals stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde, het project verslechtert per saldo niet de luchtkwaliteit, of het project draagt niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging.
Pagina 25 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), dat aanzienlijke verbeteringen in de luchtkwaliteit heeft bevorderd, komt te vervallen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Beoordeling van de luchtkwaliteit is niet nodig voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging. Volgens artikel 5.53 en 5.54 Bkl draagt een project niet in betekende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3, oftewel 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1) aantonen dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft, zoals kantoren, woonwijken en gewasteelt (mits binnen de gestelde omvang), of 2) op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3%-grens niet overschrijdt, mogelijk door gebruik van de NIBMtool of, indien nodig, detailberekeningen. Planspecifiek Een plan blijft in de regel onder het NIBM-criterium waardoor niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2. In het onderhavig plan is hiervan sprake. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk.
Voorts is de huidige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is gebruik gemaakt van Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. Stof
Waarde µg / m³ 2022
Waarde µg / m³ 2025
Waarde µg / m³ 2030
Grenswaarde µg / m³
Advieswa arde (WHO) µg / m³ 10
Stikstofdioxide 17,22 15,30 13,61 40 (NO2) Fijn stof 17,59 15,31 14,51 40 15 (PM10) Fijn stof 9,55 8,37 7,57 25 5 (PM2,5) Tabel 2: Tabel grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit ter plaatse van het planvoornemen, bron: Centraal instrument Monitoring Luchtkwaliteit. Uit de tabel blijkt dat in het plangebied aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan in 2022, 2025 en 2030 ter plaatse van het plangebied. De WHO hanteert advieswaarden voor NO2, PM 10 en PM2,5 die lager zijn dan de wettelijke grenswaarden. De WHO-waarden worden niet benaderd, echter is de verwachting dat de luchtkwaliteit de komende jaren zal verbeteren, als gevolg van de verdere elektrificatie van auto’s. Geconcludeerd kan worden dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoende is voor de activiteit Wonen. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven.
Geluid Veel aspecten van onze fysieke leefomgeving zijn gerelateerd aan geluid, ofwel doordat ze geluid produceren, of doordat ze eraan worden blootgesteld. De regels met betrekking tot geluid hebben betrekking op het beheersen van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, alsmede op het beschermen van geluidsgevoelige gebouwen en andere locaties. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan (Ook wel aangeduid als 'de bruidsschat’) zijn vanuit het Rijk, bij invoering van de Omgevingswet, regels overgedragen aan gemeenten aangaande geluidsnormen. Deze regels zijn bedoeld voor het vaststellen en beoordelen van geluid afkomstig van een toegestane activiteit. In
Pagina 26 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
paragraaf 22.3.4. van het tijdelijk omgevingsplan is opgenomen wat de toegestane geluidsnormen zijn op geluidgevoelige objecten en ook verschillende toegestane afwijkende situaties. Volgens artikel 5.55 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn er twee relevante situaties met betrekking tot geluid. Situatie A betreft een project dat gerelateerd is aan een activiteit die geluid veroorzaakt. Situatie B betreft een project dat gerelateerd is aan een geluidsgevoelig gebouw. Dit omvat onder meer gebouwen met een woonfunctie, zoals woningen en appartementen; gebouwen met een onderwijsfunctie, zoals scholen en universiteiten; gebouwen voor kinderopvang met slaapgelegenheid, zoals kinderdagverblijven en internaten; en gebouwen voor gezondheidszorg met slaapgelegenheid, zoals ziekenhuizen en verpleeghuizen (art 3.21 Bkl). Planspecifiek Het planvoorstel valt onder situatie B, omdat het plan de realisatie van woningen omvat. Aangezien woningen als geluidsgevoelige objecten worden beschouwd, is het noodzakelijk om te onderzoeken welke bedrijven zich in de nabijheid van het plangebied bevinden. Deze inventarisatie is opgenomen in paragraaf 4.2. In de directe omgeving bevinden zich dus enkel bedrijven met een lage milieucategorie (maximaal milieucategorie 2). Hierdoor zijn de woningen goed inpasbaar.
Bovendien zal de toevoeging van woningen geen hinder veroorzaken voor de bedrijven in hun bedrijfsvoering. Voor dit plan is het aannemelijk dat de streefwaarde van 50 dB bij provinciale wegen (N210) wordt overschreden. Om deze reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 5. De resultaten van dit onderzoek luiden als volgt: ‘Het voornemen bestaat om het bedrijfs-/kantoorpand aan de Einsteinweg 12-22 in de gemeente IJsselstein te transformeren naar circa 80 woningen. Omdat deze nieuwe woningen zijn gelegen binnen het aandachtsgebied van provinciewegen en gemeentewegen is akoestisch onderzoek op grond van artikel 5.78s Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) noodzakelijk. Uit het onderzoek blijkt dat de planontwikkeling niet leidt tot ongewenste indirecte akoestische effecten. Ook veroorzaakt het verkeer op de gemeentewegen niet tot een geluidsbelasting boven de standaardwaarde van 53 dB. Het verkeer op de provinciale weg N210 leidt wel tot een geluidsbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar niet hoger dan de maximale hogere waarde van 63 dB zodat een dove gevel niet noodzakelijk is. Verder blijkt uit het onderzoek dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn om de geluidsbelasting significant te reduceren.
Voor de appartementen die een geluidsbelasting ondervinden die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moet een hogere waarde worden vastgesteld. Deze hogere waarde wordt door de gemeente IJsselstein vastgesteld. Bij de bouwaanvraag moet een onderzoek naar de karakteristieke geluidwering worden ingediend.’ Ondanks dat aan de wettelijke verplichtingen wordt voldaan, zoals bovenstaand beschreven, is vanwege de op onderdelen van het gebouw relatief hoge geluidsbelasting tussen gemeente en initiatiefnemer een inspanningsverplichting afgesproken om waar mogelijk geluidsreductie op de woningen te realiseren. Het gevraagde onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevel is eveneens uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 10. In dit onderzoek is beschreven dat het plan voldoet aan de norm NPR 5070. Per bouwkundig onderdeel is bepaald of het gebouw voldoet aan de eisen met betrekking tot geluidwering tussen ruimten. Tevens is advies gegeven over de mogelijke uitvoering van bouwkundige onderdelen.
Pagina 27 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Geur Geur kan overlast veroorzaken en de gezondheid negatief beïnvloeden. Daarom zijn er voorschriften opgesteld met betrekking tot de geur die bedrijven en andere activiteiten kunnen produceren. Deze voorschriften kunnen zich richten op afstandsnormen, maar ook op normen met betrekking tot de hoeveelheid geur die zich verspreidt naar geurgevoelige gebouwen, zoals woningen. In artikel 5.90 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt onderscheid gemaakt tussen twee situaties: A) Een project dat verband houdt met een activiteit die geur veroorzaakt, zoals de volgende activiteiten: In het tijdelijk deel van het omgevingsplan (Ook wel aangeduid als 'de bruidsschat’) zijn vanuit het Rijk, bij invoering van de Omgevingswet, regels overgedragen aan gemeenten aangaande geluidsnormen.met betrekking tot verschillende aspecten van geur, waaronder: • Geur veroorzaakt door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor berijding in een dierenverblijf (paragraaf 22.3.6.2 tijdelijk omgevingsplan). • Geur veroorzaakt door het houden van fokteven van nertsen (paragraaf 22.3.6.3 tijdelijk omgevingsplan). • Geur veroorzaakt door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 tijdelijk omgevingsplan).
• Geur veroorzaakt door de exploitatie van zuiveringstechnische werken (paragraaf 22.3.6.5 tijdelijk omgevingsplan). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. B) Hier gaat het om een project dat wordt beschouwd als een geurgevoelig gebouw. Volgens artikel 5.91 lid 1 omvat dit gebouw onder andere een woonfunctie en de bijbehorende nevenfuncties, een onderwijsfunctie en de bijbehorende nevenfuncties, een gezondheidszorgfunctie met bedgebied en de bijbehorende nevenfuncties, en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevenfuncties. Bij het beoordelen van de geurimpact wordt gekeken naar de afstand tot de gevel, zoals beschreven in artikel 5.94. Planspecifiek Het gaat om het realiseren van 80 woningen. Een woning is een geurgevoelig object derhalve dient het relevant aspect geur meegewogen te worden. Het plan valt onder situatie B. Voor dit geurgevoelige object moet eerst worden onderzocht of er in de nabijheid sprake is van een activiteit die geur veroorzaakt.
Voor geurhinder van bedrijven op korte afstand wordt verwezen naar paragraaf 4.2. Voor industriële activiteiten met geurhinder is de provinciale kaart met geurhinderbedrijven geraadpleegd. Zoals te zien is in de navolgende afbeeldingen, valt het plangebied buiten de contouren van activiteiten die geurverstoring veroorzaken. N.b. er zijn agrarische bestemmingen dichter bij het plan gelegen waar geurhinder vanaf mogelijk is. Deze zijn niet volledig weergegeven in figuur 8. Echter deze agrarische bedrijven bevinden zich op ruime afstand van het plangebied waardoor deze geen overschrijding van geurhindernormen zullen opleveren. Verdere toetsing is daarom niet nodig. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen.
Pagina 28 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Figuur 7: uitsnede industrie-geur met plangebied als rode stip (bron: provincie-utrecht)
Figuur 8: uitsnede argicultuur-geur met plangebied als rode stip (bron: provincie-utrecht).
Pagina 29 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid betreft het beheersen van risico's die voortvloeien uit de opslag, productie, gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Voorwindturbines gelden ook regels vanuit het aspect omgevingsveiligheid. De regels met betrekking tot omgevingsveiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl behandelen het toestaan van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen, evenals beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties, in relatie tot het externe veiligheidsrisico van een activiteit die is toegestaan op een locatie op basis van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het Plaatsgebonden Risico (PR) heeft specifieke grenswaarden en standaardwaarden voor (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties, zoals beschreven in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. In een Omgevingsplan worden grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties (artikel 5.7 lid 1 en 5.11 Bkl) gegeven. . Afhankelijk van de activiteit worden voor het plaatsgebonden risico vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden gehanteerd (bijlage VII Bkl). Daarnaast gelden rond rondom risicovolle activiteiten ‘aandachtsgebieden’. (artikel 5.12 Bkl).
Aandachtsgebieden is een gewijzigde invulling van het groepsrisico na de invoering van de omgevingswet. Deze gebieden geven aan waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden omvatten brand-, explosie- en gifwolkrampen. De wetgeving stelt vaste afstanden vast voor aandachtsgebieden, afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, of deze afstanden kunnen rekenkundig worden bepaald (bijlage VII Bkl). In deze aandachtsgebieden kan het noodzakelijk blijken om het groepsrisico te berekenen. Binnen een aandachtsgebied kan een voorschriftengebied worden vastgesteld. Een gemeente kan ervoor kiezen om geen brand- of explosievoorschriftengebied aan te wijzen of een kleiner gebied aan te wijzen in het Omgevingsplan (artikel 5.14 Bkl). Als een initiatief zich bevindt in een voorschriftengebied, zijn aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl) van toepassing op nieuwbouw. Voor zeer kwetsbare gebouwen zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen geldt altijd een voorschriftengebied, wat betekent dat er bij nieuwbouw aanvullende bouweisen van toepassing zijn (artikel 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen en opnemen in het omgevingsplan, zoals eisen met betrekking tot vluchtroutes en de toegankelijkheid van het gebied voor hulpdiensten. Deze eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Planspecifiek Sommige activiteiten brengen risico’s op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico’s. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Bij de realisatie van een gevoelige bestemming, zoals een woning, is het van belang om te onderzoeken of er in de nabijheid van het plangebied veiligheidsrisico's aanwezig zijn. Voor dit doel is de EVsignalering kaart geraadpleegd.
Pagina 30 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Figuur 9: veiligheidsrisicos, plangebied aangegeven met rode pijl (bron: nl.ev-signaleringskaart).
5.9.1 Transportroute gevaarlijke stoffen (RIJK) In het bovenstaande afbeelding betreft het transport van gevaarlijke stoffen, waarbij deze stoffen zowel over het water (Rijn) als over de weg (A2) worden vervoerd. De Rijn, die zich ten zuiden van het plangebied bevindt op een afstand van 2.4 kilometer, wordt gebruikt voor het vervoer van de volgende stofcategorieën: LF1, LF2 en GT3. De A2, ten oosten van het plangebied op een afstand van 2,5 km, wordt gebruikt voor het vervoer van de stofcategorie GF3. Van deze stoffen heeft GT3 het grootste aandachtsgebied, namelijk 1070 meter. Het plangebied valt echter buiten de aandachtsgebieden van de genoemde stoffen. 5.9.2 Buisleidingen Daarnaast ligt er op 100 meter afstand ten zuiden van het plangebied een kerosineleiding. Deze leiding heeft een aandachtsgebied van 1 procent lethaliteit, dat zich uitstrekt tot 30 meter afstand. Het plangebied ligt ruim buiten dit aandachtsgebied. Bij een calamiteit, lekkage, scheur of volledige breuk van de buisleiding kan kerosine vrijkomen en tot ontbranding worden gebracht door een ontstekingsbron in de nabijheid. De vrijgekomen kerosine zal hierbij in brand vliegen wat gepaard gaat met een druk en hevige hitte ontwikkeling in de vorm van een fakkelbrand. Door de hitte kunnen personen overlijden en/of brandwonden oplopen. Onderstaand is het handelingsperspectief beschreven bij een fakkelbrand.
Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Een fakkelbrandscenario is in principe niet bestrijdbaar voor de hulpdiensten. De ontstane fakkelbrand kan alleen worden gedoofd door het afsluiten van de afsluiters. De te verwachte hittestraling is dusdanig intens dat de brandweer de omgeving van een breuk niet kan betreden. Secundaire branden die als
Pagina 31 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
gevolg van de hittestraling ontstaan kunnen nadat de fakkelbrand is uitgedoofd wel door de brandweer worden bestreden. De brandweer moet hiervoor over voldoende bluswater beschikken. Voor personen buiten is het handelingsperspectief vluchten (uit het zicht van de brand, onder dekking van objecten zoals muren). Als er schuilmogelijkheden zijn, is dekking zoeken of een schuilplaats binnen gaan een goed handelingsperspectief. Voor personen binnen, op grotere afstand van de bron (daar waar gebouwen niet ontbranden) is het handelingsperspectief binnenblijven. In voorliggend plan kunnen mensen in het gebouw of vanuit het gebouw direct naar het noorden van de brand af vluchten. 5.9.3 Gemeentelijke transportroute gevaarlijke stoffen De N210 is door de gemeente aanwezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Volgens de tellingen van Rijkswaterstaat worden er redelijk wat brandbare vloeistoffen en gassen vervoerd. Dat komt door de grote hoeveelheid LPG-tankstations en propaantanks in de omgeving. Een gemeentelijke of provinciale weg kent onder de Omgevingswet geen aandachtsgebieden. De gemeente mag wel alternatieve veiligheidszones aanwijzen. Dit zou een beleidsneutrale beslissing zijn, aangezien dit soort wegen onder het oude omgevingsrecht wel invloedsgebieden kenden.
De omgevingsdienst regio Utrecht heeft een Regionale Beleidsnotitie Externe Veiligheid voor de gemeenten binnen haar werkgebied opgesteld en ter vaststelling voorgelegd. Het advies is om voor wegen als de N210 alternatieve veiligheidszones aan te wijzen, 30 meter voor brand en 200 meter voor explosie. Daarbinnen is het advies om kwetsbare gebouwen niet toe te staan, tenzij er uit toetsing conform het afwegingskader blijkt dat de externe veiligheid geborgd is of wanneer er veiligheidsmaatregelen genomen worden. Dit afwegingskader is in te zien via: https://www.maatregelenwiki.nl/nieuws/regionale-beleidsnotitie-externe-veiligheid-odru-gemeenten. Dit beleidskader is nog niet door de gemeente vastgesteld, wel wordt geadviseerd om vooruitlopend al gebruik te maken van dit kader. Het gebouw in voorliggend plan ligt op ca. 34 meter van de N210. Het plan ligt dus niet in de veilgiheidszone ten aanzien van brand. Het plan ligt wel in de veiligheidzone voor explosie op basis van het voorgestelde beleid. Voorliggend plan betreft een kwetsbaar gebouw volgens de Beleidsnotitie. Voor kwetsbare gebouwen binnen veiligheidszones van wegen wordt geadviseerd om deze toe te staan als voldaan kan worden aan het afwegingskader ruimtegebruik nabij activiteiten met gevaarlijke stoffen (paragraaf 2.5.2.). Het afwegingskader houdt het doorlopen van een aantal stappen/vragen in.
Stap 1 houdt in het kritisch bezien of er een alternatieve locatie beschikbaar is. Voor dit plan is dat niet het geval omdat er sprake is van bestaande bebouwing. Het verplaatsen van het gebouw is niet reëel mogelijk. Daarbij wordt opgemerkt dat op basis van het afwegingskader het huidige gebruik als kantoor aangemerkt wordt als beperkt kwetsbaar. Voor beperkt kwetsbare gebouwen geldt dat deze zijn toegestaan mits het afwegingskader wordt toegepast. Voor deze locatie zou voor een kantoorgebouw derhalve dezelfde vraag verantwoord moeten worden of er geen alternatieve locatie mogelijk is. Stap 2a adviseert om in het stedenbouwkundig ontwerp zo ver mogelijk afstand te houden van de bron. In voorliggend plan is geen sprake van een keuze van positionering in een stedenbouwkundig plan omdat het een bestaand gebouw betreft. Stap 2b adviseert om de personendichtheid te beperken. In voorliggend plan wordt het gebouw ingericht voor woningen. Het betreft een gebouw met een groot deel kleinere woningen, zie voor de exacte onderverdeling paragraaf 3.3.3. De personendichtheid blijft hierdoor lager dan wanneer gekozen wordt om het pand enkel voor gezinnen in te richten. Stap 3 vraagt om verantwoording of in de bestaande situatie reeds voldoende bescherming is. Het gaat om de volgende beschermingsmogelijkheden: •
Er bronmaatregelen bij de risicobron zijn genomen waarmee het risico op een ongeval met gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk is teruggedrongen;
Pagina 32 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
•
•
In voorliggend geval betreft het een transportroute waardoor het nemen van maatregelen bij de bron beperkt zijn. De N210 is echter nabij het plangebied ingericht als een weg die aan weerszijden omsloten is met ruime bermen en watergangen. Het betreft een rechte doorgaande weg met een goed overzicht en geen bomen of andere objecten direct langs de weg. Ter plaatse van het plangebied worden de rijbanen gescheiden voor het benaderen van een rotonde. De inrichting van de weg is zodanig veilig dat het optreden van een calamiteit beperkt is. De bestrijdbaarheid (bereikbaarheid voor hulpdiensten en aanwezige bluswatervoorzieningen) bij de risicobron op orde is; Het plangebied wordt aan drie zijden omsloten door watergangen. Daarnaast zijn op het terrein bluswatervoorzieningen aanwezig. Tevens is het plangebied van twee zijden te benaderen door hulpdiensten. De bestrijdbaarheid bij een mogelijke calamiteit is daarmee op orde. De bestaande omgeving voldoende bescherming biedt aan het (zeer) kwetsbare gebouw of de kwetsbare locatie tegen de effecten van een ongeval. De situering van het gebouw is haaks op de N210. Bij het optreden van een calamiteit zal het gebouw zelf als een belangrijke buffer optreden voor de bewoners. Bewoners kunnen vanuit het gebouw direct naar het noorden vluchten, van de bron af. In de omgeving zijn geen belemmeringen die het vluchten niet mogelijk maken.
Tot slot wordt in het beleidskader in stap 7 geadviseerd om voldoende schuil- en vluchtmogelijkheden te realiseren en dat de bereikbaarheid van hulpdiensten en de bluswatervoorziening op orde is. Bovenstaand is verwoord dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Het plan is beoordeeld door de veiligheidsregio. Tot slot zal er voorzien worden in een goede en gerichte risicocommunicatie. De risico’s, de manieren van mogelijke calamiteitenbestrijding en de zelfredzaamheid zoals hierboven beschreven zullen gedeeld worden met de toekomstige kopers van de appartementen. Op basis van bovenstaande conclusies vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.
Trilling Met het oog op de bescherming van de fysieke leefomgeving zijn regels gesteld ten aanzien van het voorkomen van trillingshinder. Met de invoering van de omgevingswet heeft het Rijk instructieregels opgesteld voor trillingen door activiteiten. Dit zit toe op trillingshinder als gevolg van het mogelijk maken van een activiteit. Daarnaast is het vanuit het algemeen oogpunt van een eventwichtige toedeling van functies (EFTAL) tevens relevant om te beoordelen of er geen trillingshinder optreedt danwel aanwezig is. De instructieregels ten aanzien van trillingshinder zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving in paragraaf 5.1.4.4. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de bruidschat) zijn in art. 22.3.5 de instructieregels overgenomen. Deze zien echter enkel toe op regels door de activiteit, de bron van de trillingshinder. Planspecifiek Het planvoornemen omvat de realisatie van een trilling gevoelig object. In de omgeving zijn geen bronnen aanwezig die trillingen veroorzaken.
Er zijn ten aanzien van het aspect trillingen dan ook geen belemmeringen te verwachten. Het aspect trillingen vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen danwel dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Pagina 33 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Welstand Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan (Ook wel aangeduid als 'de bruidsschat’) zijn vanuit het Rijk, bij invoering van de Omgevingswet, regels overgedragen aan gemeenten aangaande Welstandsbeleid. De regels zien toe op (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Heeft de gemeente reeds een eigen welstandnota of beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken. Dan geldt dit tijdelijk deel van het omgevingsplan niet. Planspecifiek Artikel 22.29 lid 1 onder b bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.
De Welstandsnota 2013 is op 19 december 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Op grond van deze nota maakt het plangebied deel uit van ‘Woongebieden’ waarvoor in relatie tot het voorliggende plan de volgende criteria gelden: •
• • •
• • • • •
Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw wordt aangesloten op de bestaande architectuur en de architectuur van naastgelegen panden. Bestaande gevelritmes, goothoogten en nokhoogten in hoofdzaak respecteren. Gevelindeling en -opbouw evenwichtig en samenhangend. Op- en aanbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven in lijn en architectuur van het geheel. Bij individuele woningbouw (veelal vrijstaand, tweekappers of korte rijen): behoud van het individuele karakter van de afzonderlijke panden of series van panden, zonder dat dit afsteekt tegen de omgeving. Aanpassingen mogen, in overleg, ook op een eigentijdse wijze gebeuren en mits van een hoog niveau. Toevoegingen zoals een schotelantenne, een airco-unit of andere (technische) installaties o.i.d. zijn toegestaan, mits passend bij de beeldkwaliteit van het bouwwerk. Bij een toevoeging blijft het oorspronkelijke dakvlak goed herkenbaar; de randen van de bestaande dakvlakken blijven gehandhaafd. Andere, niet oorspronkelijke materialen (zoals kunststof), zijn toegestaan voor kozijnen, ramen, betimmeringen met behoud van bestaande indeling. Dakkapellen dienen in principe aan te sluiten op de bestaande dakkapellen op soortgelijke woningen in de straatwand en van hetzelfde type.
Het voorgestelde plan omvat de realisatie van 80 woningen, waarbij het gebouw veel van zijn oorspronkelijke uitstraling behoudt van toen het nog een kantoorpand was. Hierdoor sluit het plan naadloos aan op het stedenbouwkundig beeld van de directe omgeving. Het ontwerp omvat drie bouwlagen, en het gebouw blijft grotendeels intact omdat het om de ombouw van een kantoorpand naar woningen gaat, niet om geheel nieuwe bebouwing. De definitieve toetsing aan de welstandscriteria heeft plaatsgevonden als onderdeel van de beoordeling van de omgevingsvergunning. Het oordeel is dat het plan voldoet, zie ook bijlage 8.
Pagina 34 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Cultureel erfgoed is alomtegenwoordig in onze samenleving, zowel in musea, historische stadscentra, en landelijke gebieden, als onder de grond en onder water. Het manifesteert zich ook als immaterieel erfgoed in onze tradities, rituelen en verhalen. Cultureel erfgoed vertelt ons over onze oorsprong, identiteit en ontwikkeling. De overheid speelt een rol in het beschermen van dit erfgoed en zorgt ervoor dat het goed wordt beheerd. Dit gebeurt door bescherming van cultureel erfgoed, maar ook door nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken terwijl het erfgoed wordt gerespecteerd. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stadsen dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Planspecifiek Archeologisch onderzoek is vereist wanneer in de ondergrond archeologische waarden worden verwacht en de voorgenomen planontwikkeling waarschijnlijk invloed zal hebben op deze waarden. Het huidige plan valt op basis van het aangewezen omgevingsplan onder de categorie "Waarde Archeologie". Conform de voorschriften is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen in de bodem die groter zijn dan 20 m2 en dieper gaan dan 30 centimeter. De geplande werkzaamheden zullen dieper in de grond plaatsvinden dan 30 cm en betreffen een oppervlakte van minder dan 20 m2. Gezien de totale oppervlakte van de funderingen voor onderstaande werkzaamheden slechts 1.32 m² bedraagt. In dit specifieke geval is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De volgende werkzaamheden zullen worden verricht: • • • •
Er komen nieuwe balkons aan het gebouw te hangen welke ook worden gesteund middels kolommen welke gefundeerd zullen worden op stalen buispaaltjes. Aan de rechterzijde van het gebouw komt een fietsenstalling welke eveneens op stalen buispaaltjes gefundeerd zal moeten worden. Op het terrein worden een aantal bomen geplant. Riolering technisch dienen er beperkte graafwerkzaamheden te worden uitgevoerd op het terrein.
Het plangebied bevindt zich in een agrarisch cultuurlandschap, zoals beschreven in paragraaf 2.2.3. Voor een uitgebreide toelichting op de cultuurhistorische en landschappelijke inpassing wordt verwezen naar paragraaf 2.2.3.
Bodem Om de in stand houding van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, samen met een goede omgevingskwaliteit, stelt de overheid regels vast met betrekking tot de kwaliteit van de bodem. Deze
Pagina 35 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
regels variëren afhankelijk van het beoogde gebruik van de grond, waarbij strengere of minder strenge eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit. Het is belangrijk dat het gebruik van gronden en gebouwen in overeenstemming is met de kwaliteit van de bodem, om zo mogelijke risico's voor de gezondheid en het milieu te minimaliseren. Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor de bouw van bodemgevoelige gebouwen worden vastgesteld in het definitieve omgevingsplan volgens artikel 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze waarden kunnen verschillen per gebied of per gebruiksfunctie. Als er een overschrijding van een vastgestelde waarde optreedt, zoals bepaald in artikel 5.89i van het Bkl, mag de bouw van een bodemgevoelig gebouw alleen plaatsvinden als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden genomen. Dit is vastgelegd in artikel 5.89k van het Bkl en artikel IIIa, onder 2 van het Aanvullingsbesluit Bodem. Planspecifiek Bij een verandering van de functie van een bepaalde locatie naar een gebruik dat hogere milieueisen aan de bodem stelt dan het huidige gebruik, is het essentieel om te onderzoeken of de bodem geschikt is voor de beoogde functie. De verblijfsduur van mensen op de locatie speelt hierbij een cruciale rol.
Op de locatie Einsteinweg 12 heeft het bestemmingsplan 'Zenderpark' momenteel de bestemming bedrijventerrein, maar er wordt een milieugevoeligere functie overwogen. Dit vereist een bodemonderzoek. Tijdens de verbouwing van het gebouw zal grond worden ontgraven voor onder andere nieuwe funderingen, een fietsenstalling, de aanplant van bomen, de aanleg van riolering en mogelijk ook voor de bestaande trafo naar het gebouw. Er is dan ook een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. De conclusie van het bodemonderzoek is als volgt: ‘Met betrekking tot het perceel Einsteinweg 12 te IJsselstein is een historisch bodemonderzoek/ Vooronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is verricht in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning (Beoogde bestemmingswijziging van kantoor naar woonfunctie). Ter plaatse van de locatie is in 2007 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De huidige situatie is gelijk met de situatie ten tijde van dit onderzoek. Met het onderzoek is in voldoende mate de bodemkwaliteit vastgesteld met uitzondering van de gedempte sloten. Op de locatie komen maximaal lichte verhogingen voor. In de boven- en incidenteel in de ondergrond zijn plaatselijk bodemvreemde materialen aanwezig. Op één locatie (boring 6) is in de ondergrond een handmatig ondoordringbare puinlaag aangetroffen.
Met een indicatief asbestonderzoek is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond. De aangetroffen puinlaag in de ondergrond (boring 6) is van onbekende herkomst. Het puin is hierdoor asbest verdacht. Indien in de gedempte sloten dempingsmateriaal aanwezig is zoals bouw- en sloopafval dan gelden de dempingen ook als asbestverdacht. Derhalve dienen de dempingen en de locatie van boring 6 voorlopig aangemerkt te worden als verdacht op het voorkomen van asbest. Op basis van de bodemkwaliteitskaart en voorgaand bodemonderzoek kunnen op de locatie hooguit licht verhoogd achtergrondgehalten aan zware metalen, PAK’s en bestrijdingsmiddelen worden verwacht. Er worden geen verontreinigingen boven de interventiewaarde verwacht. Op basis van bovenstaande is de locatie naar onze mening geschikt voor wonen met groenstroken. Er zijn geen belemmeringen voor een bestemmingswijziging naar wonen’ Gezien bovenstaande conclusie vormt het aspect bodem geen belemmering voor voorliggend plan.
Pagina 36 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Weging van het waterbelang Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt over water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • Vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
• Schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Een groot aantal van de regels uit de Waterwet zijn overgegaan in de omgevingswet welke op 1 januari 2024 in werking is getreden. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022 – 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022- 2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Planspecifiek De digitale watertoets is doorlopen en er zal contact moeten worden opgenomen met het waterschap Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden. Als onderdeel van het bespreken van het plan met de omgevingstafel kan het overleg plaatsvinden met het waterschap.
Pagina 37 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Figuur 9. Waterschap Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlandenkaart. Riolering Daar er in het voormalige kantoorgebouw woningen worden gerealiseerd zal het inpandige rioleringsstelsel compleet nieuw worden aangelegd. In het terrein worden zo min mogelijk werkzaamheden uitgevoerd. Het aangepaste rioleringsstelsel zal worden aangesloten op de bestaande aansluitingen van het gemeenteriool. Eventueel benodigde extra aansluitingen zullen in overleg met de gemeente gerealiseerd worden. Hemelwater Het hemelwater zal op eigen terrein worden afgevoerd, wat bijdraagt aan het minimaliseren van de impact op het watersysteem. Het hemelwater zal, net zoals in de huidige situatie, worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Verharding Na realisatie van het plan is er een afname van de verharding van ca. 1.308 m2, voor de uitgebreide onderbouwing van de afname in verharding wordt verwezen naar figuur 10.
Pagina 38 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Figuur 10. Verminder in verharding toekomstige situatie (bron: Centrum architecten) Watergang-waterkering Voorliggend plan grenst aan een primaire watergang. Het plangebied wijzigt aan de kant van de watergang niet. Het onderhoud van de watergang kan op een gelijke wijze als bestaand doorgezet worden in de toekomstige situatie. Gezien bovenstaande conclusies is het plan niet in strijd met de belangen van het hoogheemraadschap.
Pagina 39 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
6 Financiële haalbaarheid Naast het toetsen aan diverse aspecten op het gebied van beleid en milieu, die dienen als toets of een ruimtelijk plan uitvoerbaar is, dient een plan ook te worden getoetst aan de financiële uitvoerbaarheid. Voor de financiële uitvoerbaarheid wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin het een aangewezen omgevingsplan 9een voormalig bestemmingsplan) geldt en de situatie waarin er een gewijzigd omgevingsplan vigeert wat voldoet aan de wettelijke vereisten van de Omgevingswet (inclusief regels over kostenverhaal). In het geval dat het aangewezen omgevingsplan vigeert zijn er drie mogelijke scenario’s waarmee de financiële uitvoerbaarheid verantwoord kan worden: 1. Gemeentelijke bekostiging/geen kostenverhaal (eventueel wel een nadeelcompensatieovereenkomst); 2. Kosten verhaald op basis van een anterieure overeenkomst; 3. Kosten verhaald op basis van een posterieure overeenkomst. In geval een omgevingsplan conform wettelijke vereisten Omgevingswet vigeert dienen de regels van het omgevingsplan verantwoording over het kostenverhaal te bevatten waaronder de financiële bijdrage door partijen voor de ontwikkeling. Dit is gezien de korte tijd dat de omgevingswet in werking is getreden bij veel gemeenten nog niet uitgewerkt. Planspecifiek De procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald.
Tevens wordt een anterieure overeenkomst voor de verdeling van verdere verantwoordelijkheden en kosten afgesloten. Hiermee zijn kosten en risico’s verdeeld. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.
Pagina 40 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
7 Bijlagen 1. Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein, BVA Verkeersadviezen, 11 oktober 2024 2. Notitie quickscan Wnb. Einsteinweg 12 te IJsselstein, Blom ecologie, Project: 2023-1038 29 september 2023 3. Veldinventarisatie vleermuizen einssteinweg 12 te IJsselstein, Adviesbureau Mertens B.V. rapportnummer 2023.4381, 3 oktober 2024 4. Aeriusberekening, Plannen-makers, 5 Juni 2024 5. Akoestisch onderzoek omgevingsplan transformatie Einsteinweg 12-22 IJsselstein, Kuiper Compagnons, Werknummer 622.122.81, 14 oktober 2024 6. Historisch bodemonderzoek Einsteinweg 12 te IJsselstein, Grondslag B.V, Project 38650, 26 februari 2024 7. Advies Einsteinweg 12-22, 3404 LL IJsselstein, Ans de Wijn 8. Welstandsadvies Mooisticht 15 juli 2024 9. Overzicht gevelwijzigingen Einsteinweg 12, Centrum architecten, blad ov-304, 07-08-2024 10. Geluid Einsteinweg 12-22, IJsselstein, M3E, Projectnummer 22142.1, 14-10-2024
Pagina 41 Onderbouwing omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Bijlage 1
Stationsplein 6 8011 CW Zwolle postbus 40089 8004 DB Zwolle bva@bvaverkeer.nl www.bvaverkeer.nl
Aan
Rik Vonk, Centrumarchitecten
Van
Jan Haveman, BVA Verkeersadviezen
Datum
11 oktober 2024
Betreft
Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein
1. Inleiding Lovt Vastgoed B.V. is samen met Centrumarchitecten betrokken bij de transformatie van het kantoorgebouw van Centric op het perceel aan de Einsteinweg 12 in IJsselstein. Zoals de plannen er nu uitzien wordt het kantoorgebouw getransformeerd in 80 wooneenheden. Deze transformatie brengt een veranderende parkeervraag met zich mee. De vraag die nu voorligt is of de parkeervraag van de 80 te realiseren woningen kan worden opgevangen op eigen terrein. In de huidige situatie bevinden zich 89 parkeerplaatsen rondom het gebouw. Lovt Vastgoed heeft BVA Verkeersadviezen gevraagd deze vraag te beantwoorden. In voorliggende notitie doen wij verslag van onze bevindingen. Hierbij gaan wij in paragraaf 2 in op de parkeervraag van de nieuwe bouwontwikkeling. In paragraaf 3 komen de opzet en resultaten van een uitgevoerd parkeeronderzoek aan de orde en in paragraaf 4 ten slotte worden de belangrijkste bevindingen nog eens kort samengevat, worden conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan.
2. Parkeerbalans Zoals in de inleiding al is aangegeven wordt het bijna 6.000 m2 grote kantoorgebouw getransformeerd in 80 woningen. Het betreft de realisatie van 56 koopappartementen in het goedkope segment en 24 appartementen in de sociale huursector. Om de parkeervraag van de woningen te bepalen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente IJsselstein, zoals opgenomen in het Parkeerbeleidsplan IJsselstein (november 2006). In het Parkeerbeleidsplan IJsselstein 2006 wordt, voor zover het de parkeernormen betreft, hoofdzakelijk gebruik gemaakt van de parkeernormen zoals opgesteld door CROW (Nationaal kennisinstituut onder andere voor verkeer en vervoer). Bij de normering wordt onderscheid gemaakt in minimale en maximale normen, met andere woorden de normen kennen een bandbreedte. In het kader van deze ontwikkeling is uitgegaan van de gemiddelde waarde, waarbij is uitgegaan van de normen zoals deze gelden voor de gebiedstypering ‘rest bebouwde kom’. De gemiddelde waarde is te rechtvaardigen, omdat belangrijke voorzieningen (onder andere winkelcentrum Overtoom) via een vrijwel volledig solitair gelegen fietspad (Basiliekpad) te bereiken zijn en de tramhalte IJsselstein-Zuid, met een directe verbinding met Utrecht CS, op loopafstand (circa 450 meter) is gelegen.
23048 Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein BVA Verkeersadviezen
pagina 1 van 11
De gemeente IJsselstein hanteert als gemiddelde waarde voor koopappartementen in het goedkope segment 1,55 parkeerplaats per woning. In deze norm is de parkeervraag van bezoekers (0,3 parkeerplaats per woning) inbegrepen. Voor appartementen in de sociale huursector is een norm van 1,35 parkeerplaats per woning opgenomen, waarbij eveneens 0,3 parkeerplaats voor bezoekers is inbegrepen. In tabel 1 is de bepaling van de parkeervraag voor de nieuwe woningen weergegeven.
Tabel 1: Parkeervraag woningen (maximaal) Type woning
Aantal
Koop
56
goedkope segment Huur
24
sociale segment Totaal
Parkeernorm totaal 1,55 1,35
per doelgroep bewoners
Parkeervraag
1,25
70,0
bezoekers
0,3
16,8
bewoners
1,05
25,2
bezoekers
0,3
7,2
80
119,2
Uit de tabel blijkt dat de parkeervraag voor de 80 appartementen 119,2 parkeerplaatsen bedraagt. Het gaat hierbij om een sommatie van de maximale parkeervraag per doelgroep. Indien de parkeerplaatsen op eigen terrein zowel door bewoners als bezoekers kunnen worden gebruikt en er dus geen gereserveerde parkeerplaatsen voor bewoners en/of bezoekers zijn, dan is er sprake van dubbelgebruik. Een parkeerplaats die in de nacht door een bewoner wordt gebruikt kan bijvoorbeeld overdag, als de betreffende bewoner niet aanwezig is, door een bezoeker worden gebruikt. Dit impliceert dat er in totaliteit minder parkeerplaatsen nodig zullen zijn, omdat bewoners en bezoekers niet (allemaal) gelijktijdig aanwezig zijn. Om dit effect inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van zogenaamde aanwezigheidspercentages per doelgroep. Omdat in de Parkeerbeleidsnota IJsselstein geen aanwezigheidspercentages zijn opgenomen, is hiervoor gebruik gemaakt van CROW publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024’. CROW heeft in genoemde publicatie voor de doelgroepen bewoners en woningbezoekers aanwezigheidspercentages opgenomen. In tabel 2 zijn de aanwezigheidspercentages van bewoners en woningbezoekers op diverse momenten weergegeven. Ook is in deze tabel het effect hiervan op de totale parkeervraag weergegeven.
Het is evident dat de parkeervraag op alle momenten lager ligt dan de eerder berekende maximale parkeervraag van 119,2 parkeerplaatsen, met een hoogste waarde op de werkdagavond: parkeervraag 103,7 parkeerplaatsen.
Tabel 2: Parkeervraag per moment Parkeervraag Type woning
doelgroep
Aanwezigheidspercentage
aantal
werkdag
Parkeervraag
zaterdag
p.p.
ochtend middag avond
nacht
zondag
werkdag
zaterdag
zondag
middag avond middag ochtend middag avond
nacht
middag avond middag
Koop
bewoners
70,0
60%
60%
90%
100%
75%
80%
75%
42,0
42,0
63,0
70,0
52,5
56,0
goedkope segment
bezoekers
16,8
40%
50%
75%
0%
100%
100%
90%
6,7
8,4
12,6
0,0
16,8
16,8
15,1
Sociale
bewoners
25,2
60%
60%
90%
100%
75%
80%
75%
15,1
15,1
22,7
25,2
18,9
20,2
18,9
huur
bezoekers
7,2
40%
50%
75%
0%
100%
100%
90%
Totaal
119,2
23048 Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein BVA Verkeersadviezen
pagina 2 van 11
52,5
2,9
3,6
5,4
0,0
7,2
7,2
6,5
66,7
69,1
103,7
95,2
95,4
100,2
93,0
In het kader van het streven naar ‘duurzame mobiliteit’ kunnen zogenaamde deelauto’s worden ingezet, waarmee de parkeervraag verder kan worden verlaagd. Indien dit het geval is hanteert de gemeente IJsselstein als richtlijn dat maximaal 20% van de parkeervraag van bewoners mag worden vervangen door deelauto’s. Hierbij wordt verder als uitgangspunt gehanteerd dat iedere deelauto het gebruik van 5 auto’s voorkomt. Ter illustratie als er sprake is van een (maximale) bewonersparkeervraag van 100 voertuigen, dan mogen voor maximaal 20 van deze voertuigen (4) deelauto’s worden ingezet. Omdat deze deelauto’s ook een parkeerplaats nodig hebben bedraagt de netto reductie in dat geval dus geen 20 maar 16 parkeerplaatsen. Voor de inzet van deze deelauto’s zal een overeenkomst moeten worden afgesloten met een derde partij. In deze casus bedraagt de parkeervraag van bewoners 95,2 parkeerplaatsen. Dit impliceert dat maximaal 3 deelauto’s kunnen worden ingezet. Bij de inzet van 3 deelauto’s neemt de parkeervraag van bewoners dus af met 12 voertuigen en bedraagt de maximale bewonersparkeervraag geen 95,2 voertuigen, maar 83,2 voertuigen. Een en ander betekent dus dat de bewonersparkeervraag zoals opgenomen in tabel 2 op alle momenten wordt gereduceerd. In tabel 3 is het resultaat hiervan weergegeven.
Tabel 3: Effecten deelmobiliteit Parkeervraag Bewonersparkeren
werkdag
zaterdag
zondag
ochtend middag
avond
nacht
middag
avond
middag
Totaal
57,1
57,1
85,7
95,2
71,4
76,2
71,4
Reductie deelmobiliteit bij gereserveerde parkeerplaatsen deelauto's
6,0
6,0
10,5
12,0
8,3
9,0
8,3
Saldo
51,1
51,1
75,2
83,2
63,2
67,2
63,2
In de tabel is als uitgangspunt gehanteerd dat de deelauto’s beschikken over een eigen gereserveerde parkeerplaats. Samenvattend kunnen in hoofdlijnen de volgende situaties worden onderscheiden: Gereserveerde parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers; Maximaal dubbelgebruik bewoners en bezoekersparkeerplaatsen; Maximaal dubbelgebruik, inzet deelauto’s met gereserveerde plaatsen voor deelauto’s. In tabel 4 zijn de resultaten van deze scenario’s weergegeven. Daarnaast is in deze tabel het scenario opgenomen waarbij er sprake is van gereserveerde parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers én deelauto’s worden ingezet. In dat geval is er sprake van een reductie van 12 parkeerplaatsen ten opzichte van het maximale scenario.
23048 Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein BVA Verkeersadviezen
pagina 3 van 11
Tabel 4: Parkeervraag diverse scenario's Parkeervraag Parkeervraag
werkdag
zaterdag
zondag
ochtend middag
avond
nacht
middag
avond
middag
Maximaal (gereserveerde plaatsen per doelgroep)
119,2
119,2
119,2
119,2
119,2
119,2
119,2
Gereserveerde plaatsen per doelgroep + deelauto's
107,2
107,2
107,2
107,2
107,2
107,2
107,2
Dubbelgebruik parkeerplaatsen bewoners en bezoekers
66,7
69,1
103,7
95,2
95,4
100,2
93,0
Dubbelgebruik + deelauto's (gereserveerde plaatsen voor deelauto's)
60,7
63,1
93,2
83,2
87,2
91,2
84,8
Uit tabel 4 blijkt dat de parkeervraag op het maatgevend moment maximaal 119,2 bedraagt en minimaal 93,2, afhankelijk van het scenario. In de planvorming wordt voorzien in het realiseren van 80 parkeerplaatsen. Dit betekent dat er (afhankelijk van de situatie) sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen van minimaal 14 en maximaal 40. Om in de overtollige parkeervraag te kunnen voorzien zal een claim op de openbare parkeervoorzieningen in de directe omgeving moeten worden gelegd. Dit is mogelijk als uit onderzoek blijkt dat er in de directe omgeving voldoende parkeerplaatsen aanwezig en beschikbaar zijn. Om hierin inzicht te krijgen is een parkeeronderzoek uitgevoerd. Op de opzet en resultaten van dit onderzoek gaan wij in paragraaf 3 nader in.
Stallingscapaciteit fietsen Analoog aan de berekening van het aantal parkeerplaatsen kan ook de behoefte aan stallingsvoorzieningen voor fietsen worden bepaald. Omdat in het Parkeerbeleidsplan IJsselstein 2006 geen normen voor fietsparkeren zijn opgenomen, maken wij hiervoor gebruik van CROW-publicatie 291 ‘Leidraad fietsparkeren’. In deze publicatie is opgenomen dat voor appartementen met een (eigen) fietsenberging plaats dient te worden geboden aan 2-3 stallingsplaatsen per woning. Beschikken de woningen niet over een eigen stallingsmogelijkheid dan bedraagt de norm 0,5 – 1,0 stallingsplaats per woning. Daarnaast geeft de publicatie aan dat voor bezoekers 0,5 – 1,0 stallingsplaats per woning nodig is. Deze stallingsvoorzieningen zullen over het algemeen buiten het gebouw moeten worden gerealiseerd. Gezien de ligging van de woonbebouwing leent deze locatie zich meer voor fietsgebruik dan voor lopen. Om die reden lijkt het reëel om de bovenkant van de normering voor stallingslocaties aan te houden. In de planvorming worden geen eigen stallingsplaatsen gerealiseerd voor bewoners, noch binnen noch buiten het gebouw.
Als we normatief uitgaan van 1 stallingsplaats per woning voor bewoners (als maximale waarde van de norm voor geen eigen stalling) en 1 stallingsplaats per woning voor bezoek (maximale norm voor bezoek) dan leidt dit in totaliteit tot 2 stallingsplaatsen per woning. In totaliteit zijn daarmee dan 160 stallingsplaatsen nodig. De planvorming voorziet in het realiseren van 184 stallingsplaatsen in het ‘openbare gebied’ en voldoet hiermee aan de hiervoor genoemde stallingsnorm. Er is een overschot van 24 stallingsplaatsen voor fietsen. Dit biedt wellicht mogelijkheden om (enkele) stallingsplaatsen te beveiligen. Afhankelijk van de exacte locatie en vorm van de te realiseren voorziening moet rekening worden gehouden met een oppervlak van 1,5 m2 per fiets, hetgeen dus neerkomt op circa 250 m2 stallingsruimte. Wel merken wij op dat de benodigde ruimte
23048 Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein BVA Verkeersadviezen
pagina 4 van 11
afhankelijk is van de totale hoeveelheid stallingsplaatsen (hoe meer plaatsen hoe kleiner het oppervlak per fiets) en het type stallingsvoorziening.
3. Parkeeronderzoek Om een beeld te krijgen van het aantal parkeerplaatsen in de omgeving van de ontwikkeling en de beschikbaarheid hiervan om te kunnen fungeren als overlooplocatie voor parkeerders vanuit de nieuwe appartementen, is een parkeeronderzoek uitgevoerd.
Inventarisatie Voorafgaand aan het onderzoek heeft een inventarisatie plaatsgevonden in de directe omgeving van de woningbouwontwikkeling, waarbij het aantal aanwezige parkeerplaatsen in kaart is gebracht. Hierbij zijn zowel de parkeerplaatsen in het openbare gebied geïnventariseerd als ook parkeerplaatsen op privéterrein. Dit om een totaalbeeld te krijgen van de parkeersituatie in de omgeving. Vooralsnog is voor onderhavige situatie alleen het openbare gebied van belang en wordt in voorliggende rapportage het parkeren op privéterreinen verder buiten beschouwing gelaten. Het aantal parkeerplaatsen in het openbare gebied is bepaald door simpelweg de parkeervakken te tellen. Als er op terreinen geen vakken aanwezig zijn, is een reële inschatting van het aantal parkeermogelijkheden gemaakt op basis van het terreinoppervlak en de fictieve parkeervakgrootte. Dit geldt ook voor parkeren langs de rijbaan. In dat geval is voor een voertuig uitgegaan van een benodigde wegvaklengte van ongeveer 6 meter. Uiteraard is hierbij rekening gehouden met locaties waar niet kan of geparkeerd mag worden, zoals in bochten en voor uitritten.
Onderzoeksmethode Het onderzoek dat is uitgevoerd betreft een zogenaamd parkeerdrukonderzoek. Dat wil zeggen dat op diverse momenten het aantal geparkeerde voertuigen wordt geteld. Het onderzoeksgebied dat hierbij is beschouwd betreft in grote lijnen het gebied dat bestaat uit de lus van de Einsteinweg, het deel van de Floridalaan ten zuiden van de Amerikalaan en het meest westelijke deel van de Boomgaard (ten westen van het Oranjepeerpad). Het onderzoeksgebied is hierbij ingedeeld in diverse secties. Registratie van het aantal geparkeerde voertuigen heeft per sectie plaatsgevonden, waardoor op detailniveau uitspraken kunnen worden gedaan over het parkeergedrag in de omgeving. De omvang van het onderzoeksgebied en de indeling in secties is weergegeven in figuur 1. Detailinformatie van de secties is terug te vinden in bijlage I.
23048 Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein BVA Verkeersadviezen
pagina 5 van 11
Figuur 1: Omvang onderzoeksgebied en sectie-indeling Het onderzoek is uitgevoerd op verschillende dagen en momenten. Registratie heeft plaatsgevonden op:
Dinsdag 29 augustus, om 17.00, 19.00 en 21.00 uur, Donderdag 31 augustus, om 17.00, 19.00 en 21.00 uur, Zaterdag 2 september, om 10.00, 12.00 en 14.00 uur.
Voor deze onderzoeksmomenten is gekozen, omdat de parkeervraag van de nieuwbouwwoningen dan groter is dan de parkeercapaciteit op eigen terrein en er op die momenten dus een mogelijk een claim wordt gelegd op de omliggende parkeerplaatsen.
Resultaten In algemene zin geldt dat bewoners en bezoekers van de woningen zo dicht mogelijk bij de bestemming willen parkeren. Om die reden beschouwen wij eerst de locaties die binnen een straal (loopafstand) van ongeveer 100 meter van het complex liggen. Overigens blijkt uit het onderzoek dat de parkeerplaats behorende bij het complex (sectie 1) in de huidige situatie niet of nauwelijks wordt gebruikt. Er is dus geen sprake van overloop van parkeerders van omliggende voorzieningen naar dit terrein. Zoals aangegeven zijn in eerste instantie alleen de meest nabij gelegen secties beschouwd in het openbare gebied. Het gaat hierbij om de secties 2, 3, 4, 5 en 28 (zie ook figuur 1).
23048 Parkeerbalans Einsteinweg 12 IJsselstein BVA Verkeersadviezen
pagina 6 van 11
In tabel 5 is de bezetting deze parkeerplaatsen aangegeven.
Tabel 5: Bezetting parkeerplaatsen in directe omgeving Secties
capaciteit
2, 3, 4, 5 en 28 restruimte
27
dinsdag donderdag Zaterdag 17:00 19:00 21:00 17:00 19:00 21:00 10:00 12:00 14:00 2 2 0 6 4 1 0 0 1 25 25 27 21 23 26 27 27 26
Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een beperkte bezetting van deze parkeerplaatsen op alle registratiemomenten. De maximale bezetting is geregistreerd op donderdagmiddag om 17.00 uur, met een bezetting van 6 van de 27 parkeerplaatsen. Er zijn dus in alle gevallen minimaal 21 parkeerplaatsen beschikbaar. De bezetting van alle onderscheiden secties is weergegeven in bijlage II.
4. Conclusies en aanbevelingen Uit hoofdstuk 2 blijkt dat de parkeervraag afhankelijk is van de keuze die wordt gemaakt met betrekking tot de onderscheidden scenario’s. Uitgaande van een (maximale) parkeercapaciteit op eigen terrein van 80 parkeerplaatsen, kan worden geconcludeerd dat de scenario’s met gereserveerde parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers geen optie zijn. Immers in dat geval bedraagt de (maximale) parkeervraag meer dan 80 parkeerplaatsen, waardoor ook plaatsen in het openbare gebied gereserveerd zouden moeten worden voor bewoners en bezoekers van het nieuwe woningbouwcomplex. Dit impliceert dat alleen de scenario’s met dubbelgebruik van parkeerplaatsen door bewoners en bezoekers, al dan niet met deelauto’s, realistisch zijn. In het slechtste scenario (zonder deelauto’s) zijn op het maatgevende moment (werkdagavond) 104 parkeerplaatsen nodig. Op dat moment zijn er 80 parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar en minimaal 26 (zie tabel 5) in het omliggende gebied. Hierbij is uitgegaan van de werkdagavond om 21.00 uur. Dat betekent dat er in dat geval net voldoende ruimte is om de parkeervraag op eigen terrein en in de directe omgeving in het openbare gebied te herbergen. Wordt gekozen voor een scenario waarbij ook gebruik kan worden gemaakt van deelauto’s dan is er een overschot aan parkeerplaatsen op het maatgevende moment van minimaal 12 parkeerplaatsen.