CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a: Bestemmingsplan Lage Dijk-Noord, Toelichting

Raadsvergadering 11 december 2025, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Bedrijventerrein Lage Dijk-Noord IJsselstein19.793 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' verslechtert. Indien het plan wel 'in betekenende mate' bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

Planspecifiek In het kader van voorliggend bestemmingsplan en de beoogde ontwikkeling is vanuit de Wet milieubeheer een onderzoek naar de mogelijke belemmeringen van luchtkwaliteit uitgevoerd (Langelaar Milieuadvies, 11 augustus 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Navolgend staan de conclusies van dit onderzoek weergegeven. Het onderhavige plan maakt geen gevoelige bestemmingen mogelijk. Derhalve is onderzoeksplicht op basis van de wet- en regelgeving over gevoelige bestemmingen niet aan de orde. Met behulp van ISL3a in Geomilieu en de NIBM-rekentool zijn de concentratietoenamen door de ingeschatte bedrijfsemissies en verkeersgeneratie op 6 rekenpunten op de plangrens berekend. Dit is een worstcase benadering: Op kortere afstand liggen geen plaatsen waar – rekening houdend met het toepasbaarheidsbeginsel - de luchtkwaliteit onderzocht moet worden. Met behulp van de NIBM-rekentool zijn de maximale concentratietoenamen door de verkeersgeneratie worstcase berekend. De bedrijfsemissies leiden cumulatief op geen van de rekenpunten tot een concentratietoename stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) die groter is dan 1,2 μg/m³. (3% van de jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m³). De planbijdrage voor NO 2, PM10 en PM2,5 is respectievelijk 0,40, 0,10 en 0,01 μg/m³.

Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit op plaatsen waar de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Conclusie Op basis van het uitgevoerde luchtkwaliteit onderzoek kan geconcludeerd worden dat vanuit de Wet milieubeheer luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het onderhavige plan.

24

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

verpleeghuizen,

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige objecten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder mogelijk. Er wordt tevens geen geluidgezoneerd industrieterrein of een nieuwe spoorweg mogelijk gemaakt. Er dient wel inzichtelijk gemaakt te worden of de geluidbelasting op woningen in de omgeving toeneemt als gevolg van de toename van de verkeersintensiteit. Hierbij zijn de bedrijfswoningen aan de Lage Dijk-Noord en Kamerlingh Onneslaan 25 relevant. Vanwege de geringe toename aan verkeersintensiteit (zie paragraaf 4.11.1) ten opzichte van huidige verkeersintensiteit op de Lage Dijk-Noord (2.950 mvt/etmaal, bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit), is de toename aan verkeersintensiteit maximaal 7%. Bij deze toename neemt de geluidbelasting op de bestaande bedrijfswoningen niet merkbaar (< 1 dB) toe. In paragraaf 4.5 is aandacht voor het aspect milieuzonering (industrielawaai). Er dient geconcludeerd te worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het plan.

4.5 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

25

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven), zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Milieubelastende activiteiten Het voorliggende bestemmingplan maakt milieubelastende activiteiten mogelijk, te weten bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.2. Derhalve dient beoordeeld te worden of het voorgenomen plan geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving. Om te bepalen welke milieubelastende activiteiten plaats mogen vinden dient er voldaan te worden aan de richtafstanden volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', waarbij de woningen in de directe omgeving van het plangebied als maatgevend worden gezien. Het plangebied ligt langs de N210. Tevens grenst het plangebied aan het bedrijventerrein Over Oudland: een grootschalig bedrijventerrein met middelzware en zwaardere bedrijven tot en met milieucategorie 4.2. Gelet op deze ligging is ter plaatse van het plangebied geen sprake van een 'rustige woonwijk'. Het plangebied kan worden aangemerkt als 'gemengd gebied'. Hiermee gelden voor het plangebied de richtafstanden voor een 'gemengd gebied'. De richtafstanden gelden volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan mogelijk is.

De afstand van het bestemmingsvlak 'Bedrijventerrein' in het voorliggende bestemmingsplan tot de dichtstbijzijnde woning (Lage Dijk-Noord 15) is 50 m. De richtafstand van milieucategorie 3.2 in een gemengd gebied is 50 m. Geconcludeerd wordt dat er wordt voldaan aan de relevante richtafstanden en dat het voorgenomen plan geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving vormt. Gevoelige bestemmingen Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen gevoelige bestemmingen mogelijk. De bestaande woningen in het plangebied zullen op termijn gesloopt worden. Derhalve hoeft niet beoordeeld te worden of er sprake is van hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen door milieubelastende activiteiten in het plangebied en in de omgeving. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

26

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek In het kader van voorliggend bestemmingsplan en de beoogde ontwikkeling is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Blom Ecologie, 2023-0415, 12 mei 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). Navolgend staan de conclusies van dit onderzoek weergegeven. Soortenbescherming Uit de quickscan Wet natuurbescherming volgt dat de locatie een essentiële betekenis kan hebben voor beschermde soorten, namelijk gewone grootoorvleermuis, huismus en kerkuil. Aanvullend onderzoek is hiervoor noodzakelijk. Er is een aanvullend ecologisch onderzoek naar huismus, kerkuil en gewone grootoorvleermuis uitgevoerd (Blom Ecologie, 2023-0650, 5 november 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9). Navolgend zijn de resultaten en conclusie van dit onderzoek weergegeven. In april 2024 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2023). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied geen nesten van huismus aanwezig zijn. Tevens maakt het geen onderdeel uit van het essentiële leefgebied.

De beoogde ingreep leidt niet tot een schadelijke handeling als bedoeld in het Bal, artikel 11.37 lid b (wegnemen nesten) en lid d (wegnemen leefgebied). Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is derhalve niet benodigd In de periode maart-juli 2024 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten, rustplaatsen en foerageergebied van de kerkuil. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument Kerkuil (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen nesten, rustplaatsen en/of essentiële foerageergebieden geconstateerd binnen de planlocatie. Er is eenmalig een roepende kerkuil gehoord ten

27

zuiden van de N210. Door gebrek aan waarnemingen en (verse) sporen binnen de planlocatie kan cumulatief gesteld worden dat er geen sprake is van een nest- en rustplaats in de bebouwing en geen essentieel leefgebied. Het slopen van de bebouwing leidt daardoor niet tot overtreding van een verbodsbepaling zoals opgenomen in het Bal, artikel 11.37. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is derhalve niet benodigd. In augustus 2023-juli 2024 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van gewone grootoorvleermuis in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Tevens maakt het plangebied (in beperkte mate) onderdeel uit van het leefgebied voor de gewone dwergvleermuis, maar is er geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. De sloop van alle bebouwing leidt niet tot een schadelijke handeling als bedoeld in het Bal, artikel 11.46, lid 1b (verstoren vleermuizen) en lid 1d (wegnemen verblijfplaatsen). Een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit is derhalve niet benodigd Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot de gewone grootoorvleermuis, huismus en kerkuil.

Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of rustlocaties van andere soorten binnen de planlocatie. Er zijn in totaal vier konijnen en één nest van de boerenzwaluw aangetroffen binnen de planlocatie. Er is voor deze soorten geen sprake van ecologische zwaarwegende redenen en derhalve ook geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Lek' ligt op een afstand van ca. 4,7 km. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot Natura 2000-gebieden en de beoogde situatie kan externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden, met uitzondering van stikstofdepositie, op voorhand uitgesloten. Een voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. De effecten van stikstofemissie dienen inzichtelijk gemaakt te worden met een stikstofonderzoek. Dit kan middels AERIUS Calculator.

Stikstofdepositie Voor de beoogde ontwikkeling is ten behoeve van de Wet natuurbescherming een stikstofonderzoek (Langelaar Milieuadvies, 11 september 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 10) uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in verschillende Natura 2000-gebieden. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden heeft. Voor het plan hoeft geen passende beoordeling gemaakt te worden vanwege stikstofdepositie. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht en uit het aanvullend onderzoek volgt dat er geen beschermde soorten aangetroffen zijn dan wel een ontheffing van de Wet natuurbescherming verkregen kan worden, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. In dat geval is het plan uitvoerbaar.

28

4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.

Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

29

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt een bedrijventerrein en daarmee (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk.

Met de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart.

30

Uitsnede Atlas Leefomgeving, plangebied zwart omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving)

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Aan de Kamerlingh Onneslaan 18 is een vee- en vleeshandelbedrijf gevestigd. Dit bedrijf betreft een slachterij en dit is geen Bevi-inrichting. Het bedrijf beschikt onder andere over een installatie met 1.100 l ammoniak, hetgeen een gevaarlijke stof betreft. De PR 10-6-risicocontour bedraagt 15 m. Het invloedsgebied is maximaal 70 m. De PR 10-6-contour reikt niet tot het plangebied. Derhalve behoeft verdere geen rekening te worden gehouden met deze inrichting. Het plangebied ligt op 750 m afstand van het LPG-tankstation aan de Baronieweg 8 en daarmee ruimschoots buiten het invloedsgebied. Dit geldt ook voor het LPG-tankstation aan de rijksweg A2, dat zich op 800 m afstand bevindt. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen inrichtingen mogelijk die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Transportroutes van gevaarlijke stoffen en buisleidingen Er is een inventarisatie uitgevoerd van de externe veiligheidsrisico’s (Kragten, SRO069, 26 oktober 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 11). Provinciale weg N210 De provinciale weg N210 (wegvak U16) grenst nagenoeg aan het plangebied. Deze weg is niet opgenomen in het Basisnet weg. Deze weg kent geen plaatsgebonden risico en geen PAG, waardoor deze aspecten geen belemmering vormen voor de planvorming.

Aangezien het plan op minder dan 200 m van deze weg is gelegen, vormt de hoogte van het groepsrisico wel een aandachtspunt. Voor de ontwikkeling van bedrijvenpark De Kroon is door AVIV een onderzoek uitgevoerd, onder andere naar de N210. Uit dit onderzoek volgt dat de hoogte van het groepsrisico voor deze weg 0,05 * oriëntatiewaarde (OW) bedraagt. De onderhavige ontwikkeling bestaat uit een uitbreiding van ca. 2 ha bedrijvigheid. Voor het plangebied wordt uitgegaan van een personendichtheid van 40 personen/ha. Dit betekent een toename van 80 personen binnen het plangebied. Uitgaande van deze personenaantallen is het aannemelijk dat dit leidt tot

31

een toename van de hoogte van het groepsrisico. Echter een overschrijding van 0,1 * OW wordt niet aannemelijk geacht. Uit de voornoemde berekeningen blijkt verder dat het ongevalspunt met de hoogste bijdrage aan het groepsrisico op ruime afstand ten noorden van de huidige planontwikkeling ligt. Het is niet aannemelijk dat als gevolg van de planvorming dit ongevalspunt ter hoogte van het plangebied zal komen te liggen. Op grond van de inrichtingen in de nabijheid van het plangebied zullen over de N210 stoffen uit de categorieën LF1, LF2 en GF3 vervoerd worden. Het plangebied ligt als gevolg van deze stoffen binnen het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen (LF1 en LF2) en brandbare gassen (GF3). De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de N210 (plasbrand en BLEVE scenario) zijn meegenomen in de beperkte verantwoording van het groepsrisico (zie bijlagen bij toelichting bijlage 11). Rijksweg A2 De rijksweg A2 (wegvak U84) ligt op ruim 650 m van het plangebied. Deze weg is opgenomen in het Basisnet weg. Deze weg kent geen plaatsgebonden risico en geen PAG, waardoor deze aspecten geen belemmering vormen voor de planvorming. Aangezien het plan op meer dan 200 m van deze weg is gelegen, vormt de hoogte van het groepsrisico eveneens geen aandachtspunt.

Op grond van de meest recente telgegevens van Rijkswaterstaat (juni 2019) worden over de A2, ter hoogte van het plangebied LF1, LF2, LT1, LT2 en GF3-stoffen vervoerd. Op grond van deze stoffen ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (LT1 en LT2). De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de A2 (toxisch scenario) zijn meegenomen in de beperkte verantwoording van het groepsrisico (zie bijlagen bij toelichting bijlage 11). DPO-leiding Binnen het plangebied is een leiding van Defensie Pijpleidingen Organisatie (DPO) gelegen. Door deze buisleiding wordt kerosine getransporteerd. Deze leiding kent geen PR 10-6 risicocontour, waardoor dit geen belemmering vormt voor de planvorming. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (plasbrandscenario) zijn wel meegenomen in de beperkte verantwoording van het groepsrisico (zie bijlagen bij toelichting bijlage 11). Hiervoor is aangesloten bij de maatregelen als gevolg van een plasbrandscenario op de weg. Zelfredzaamheid Het plan betreft de uitbreiding van een bedrijventerrein. Indien minder zelfredzame personen aanwezig zijn, wordt er van uitgegaan dat zij met behulp van valide personen en de aanwezige BHV-organisatie in veiligheid kunnen worden gebracht.

Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk wordt geadviseerd om gebruik te maken van een luchtbehandelingsinstallatie die middels één handeling uitgeschakeld kan worden. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. Hier dient in de verdere planuitwerking rekening mee gehouden te worden. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is een korte vluchttijd van groot belang. Vluchtmogelijkheden nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de risicobron af te richten en door de (nood)uitgangen op zo groot mogelijke afstand van de risicobronnen te projecteren, deze routes dienen goed te worden aangeduid. Geadviseerd wordt om in het geval van een plasbrand, de bouwwerken te ontvluchten aan een zijde die van de plasbrand af gericht is. Tijdige waarschuwing in geval van een calamiteit is van groot belang, zelfredzaamheid wordt verbeterd door waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie.

Het opstellen van een bedrijfsnoodplan, het inrichten van bedrijfshulpverlening, en het oefenen van interne noodscenario's zijn maatregelen die bijdragen aan de zelfredzaamheid. Het ontruimingsplan moet in samenwerking met de brandweer worden

32

ontwikkeld, en ontruimingsoefeningen dienen te worden uitgevoerd op basis van afspraken met de brandweer. Advies veiligheidsregio Geadviseerd wordt om contact op te nemen met team operationele voorbereiding voor het waarborgen van een goede bereikbaarheid voor hulpverleningsvoertuigen en het zorgen voor voldoende bluswatervoorzieningen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Waterhuishouding 4.8.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Daarnaast zullen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) de komende jaren richtinggevend worden voor het regionale waterbeheer in Nederland. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

33

Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) In het NBW hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is meesturend voor het ruimtelijk beleid. Als een van de eerste stappen is afgesproken dat de waterschappen in beeld brengen hoeveel waterberging er nodig is om aan de zogenaamde werknormen te kunnen voldoen. Voor stedelijk gebied houdt dit bijvoorbeeld in, dat de hoeveelheid wateroppervlak die nodig is om te zorgen dat bij neerslag het waterpeil maar eens in de 100 jaar tot aan het maaiveld kan stijgen. Kaderrichtlijn Water (KRW) De KRW is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW maakt het mogelijk om verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan de gestelde waterkwaliteitseisen die afhankelijk zijn van onder meer het type water. De KRW is inmiddels geïmplementeerd in Nederlandse regelgeving door middel van de Waterwet. De Waterwet geeft op nationaal niveau onder andere invulling aan de KRW. De KRW is daarmee indirect van toepassing op onderhavig plan.

4.8.2 Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan 2022-2027 Voor de planperiode 2022-2027 is het Waterbeheerplan (WBP) van HDSR van toepassing. Het waterbeheerprogramma is een koersdocument, waarbij 'stroomopwaarts' centraal staat, oftewel voorbereiden op de toekomst en pro-actieve samenwerking vanaf het begin van het proces. Het hoogheemraadschap heeft de ambitie om bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen water een meer sturende rol te geven voor een toekomstbestendige leefomgeving. Hierbij wordt extra ingezet op de volgende thema's:

• • • •

Zuiver afvalwater, energieneutraal en circulair; Robuust en gezond watersysteem in een klimaatbestendig gebied; Waterveilige leefomgeving; Waterbewust leven en genieten van water.

Door verschillende opgaven neemt de druk op de fysieke ruimte toe, waardoor een multifunctioneel ruimtegebruik essentieel is. Door klimaatverandering en maatschappelijke ontwikkelingen veranderen de wateropgaven fundamenteel, wat een andere rol van het hoogheemraadschap vraagt. Waterschapsverordening Op grond van de Waterwet is het Hoogheemraadschap bevoegd via een verordening regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); De bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.

De waterschapsverordening vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen.

34

Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak: vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het ruimtelijk plan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding.

Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe'-maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:

• • •

duurzaam bouwen; het toepassen berm- of bodempassage;

•

het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel; adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);

• • • •

toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;

het toepassen van duurzaam onkruidbeheer; de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’-aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

35

4.8.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek In het kader van de watertoets dienen de verschillende wateraspecten beschouwd te worden. Navolgende paragraaf voorziet in een beschouwing van de relevante wateraspecten. Watercompensatie In de huidige situatie is bebouwing en erfverharding aanwezig die toebehoort aan de hengstenhouderij. In de nieuwe situatie bestaat de verharding uit de ontsluiting (bestemming 'Verkeer') en de uitgeefbare kavels (bestemming 'Bedrijventerrein'), waar 100% verhard aan toegekend wordt. In de nieuwe situatie wordt het water aan de noordwestzijde van het plangebied gehandhaafd. De greppel aan de zuidzijde wordt opgewaardeerd tot watergang. Verder wordt het westelijk deel van het plangebied deels ontgraven en krijgt dit een waterrijke invulling. De navolgende tabel toont de waterbalans. Daarbij zijn de watergangen en taluds aan de noordwestzijde van het plangebied, waar geen wijzigingen zijn voorzien, niet meegenomen.

Oppervlakte (m²) Huidige situatie Bebouwing Kavels Groen Verharding Water Totaal

2.138 0 17.033 6.440 3.664 29.275

Nieuwe situatie Bebouwing Kavels (100% verhard) Groen Verharding Water Totaal

0 13.478 8.602 1.301 5.894 29.069

Watercompensatie Verhardingstoename Benodigde compensatie verhardingstoename (15%) Gedempt water terugbrengen (100%) Benodigde hoeveelheid nieuw water volgens compensatie eisen nieuw water

6.201 930 226 1.156 2.230

Waterkering en oppervlaktewater Uit raadpleging van de legger van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden blijkt dat het plangebied niet in de beschermingszone van een waterkering is gelegen. Er zijn dan ook geen verdere maatregelen nodig. De bestaande watergangen aan de noordwestzijde van het plangebied, die gehandhaafd blijven, zijn primaire watergangen. Binnen de beschermingszone (type A), waaraan de bestemming 'Groen' is toegekend, zijn geen wijzigingen voorzien.

36

De greppel aan de zuidzijde van het plangebied is in de legger aangewezen als 'droog profiel droge sloot'. Deze greppel wordt opgewaardeerd en verbreed naar een watergang. Hemelwater Voer de afvoer van hemelwater wordt als voorkeursvolgorde 'vasthouden (op eigen terrein), bergen (in watersysteem) en afvoeren (via riool)' gehanteerd. Hemelwater dat niet op eigen terrein vastgehouden kan afgevoerd worden naar het (nieuwe) oppervlaktewater aan de randen van het plangebied. Dakwater dient direct op het oppervlaktewater geloosd te worden. Vuilwater In de toekomstige situatie ontstaan nieuwe vuilwaterstromen. Hiervoor dient een vuilwaterriool aangelegd te worden. In beginsel is er de mogelijkheid om direct op de transportleiding in de Lage Dijk aan te sluiten. Dit zal in het kader van de technische uitwerking van het ontwerp aan de hand van een rioolplan getoetst moeten worden, omdat de transportleiding al zwaar belast is. Hierbij dient opgemerkt te worden dat een verbeterd gescheiden stelsel wordt toegepast en dat de capaciteit van het pompgemaal in de omgeving vergroot wordt. Waterkwaliteit Vanuit het oogpunt waterkwaliteit is het voornemen om het watersysteem zodanig te ontwerpen dat er zo min mogelijk doodlopende watergangen ontstaan. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Cultureel erfgoed 4.9.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Er zijn in of nabij het plangebied geen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of anderszins cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Er worden dan ook geen cultuurhistorisch waardevolle elementen geschaad door het plan. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.9.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.

37

Planspecifiek Het plangebied is in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied noord en zuid, archeologie' grotendeels voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Voor deze locatie is een bureauonderzoek uitgevoerd (Transect, 4929, 15 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 12). De ligging van het plangebied op deze stroomgordels zorgt voor een hoge verwachting op archeologische resten vanaf het Neolithicum. Aangezien er bij meerdere opgraving in het plangebied en in de directe omgeving ervan archeologische vindplaatsen zijn aangetroffen uit de Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd, is de verwachting voor deze perioden zeer hoog. Het is de verwachting dat de vindplaatsen zich vooral op de hoger gelegen delen zullen bevinden. Er geldt een lage verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe Tijd vanwege het ontbreken van bebouwing op historische kaarten. Voor het plangebied geldt een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Deze resten kunnen voorkomen vanaf een diepte van 80 cm -Mv. Er geldt een zeer hoge verwachting op nederzettingsresten uit de IJzertijd, Romeinse tijd en de Bronstijd, omdat deze reeds bekend zijn aan de zuid- en oostkant van het plangebied. Het is zeer waarschijnlijk dat deze resten in het plangebied voorkomen.

Om te bepalen of deze resten daadwerkelijk in het plangebied aanwezig zijn is vervolgonderzoek nodig. Uit eerder uitgevoerd onderzoek blijkt dat de bodemopbouw in het gehele plangebied intact is met uitzondering van de locatie van de bestaande hengstenfokkerij. Dit houdt in dat de verwachting uit het bureauonderzoek volgens dit eerder uitgevoerde booronderzoek gehandhaafd kan worden. Er is een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uitgevoerd waarvan een evaluatierapport is opgesteld (ADC ArcheoProjecten, 002764, 27 januari 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 13). Het veldwerk heeft aangetoond dat binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Het karterende onderzoek heeft daarbij informatie opgeleverd over de ruimtelijke spreiding hiervan. Hierbij dient in acht genomen te worden dat als gevolg van de ligging en spreiding van de proefsleuven in het oostelijk deel van het plangebied geen duidelijk beeld verkregen is van het centrale deel van de oostelijke helft van het plangebied, ter hoogte van de bebouwing en de oprit tot het erf. Op basis van de verkregen informatie kan voor twee vindplaatsen (vindplaatsen 2 en 3) op basis van de fysieke en/of inhoudelijke kwaliteiten reeds gesteld worden dat deze behoudenswaardig zijn.

Voor vindplaats 1 – de sporen van landschappelijk gebruik van het plangebied vanaf vermoedelijk de Middeleeuwen tot in de Nieuwe Tijd – heeft ADC ArcheoProjecten geen oordeel over de behoudenswaardigheid opgesteld. Hiervoor is verdere uitwerking, voornamelijk wat betreft de datering en de inhoudelijke kwaliteiten van de vindplaats, nodig. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek heeft de gemeente IJsselstein een formeel besluit genomen. Namens de gemeente IJsselstein heeft diens adviseur, de Omgevingsdienst regio Utrecht, het rapport beoordeeld. Het gegeven selectieadvies voor vindplaats 2 en 3 kan worden overgenomen. Voor vindplaats 1 met de sporen van landinrichting en landgebruik is nog geen selectieadvies opgesteld door de uitvoerder van het archeologische onderzoek. Op basis van ervaringen in de regio met dit type archeologische resten wordt geadviseerd deze vindplaats mee te nemen in het onderzoek van vindplaatsen 2 en 3. Als dan alsnog blijkt dat vindplaats 1 behoudenswaardig is, moet op een later tijdstip alsnog een selectiebesluit genomen worden. Op basis van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek is bij ingrepen dieper dan 60 cm onder huidig maaiveld verder archeologisch onderzoek noodzakelijk bij vindplaats 2, een nederzetting uit waarschijnlijk de late bronstijd/ijzertijd, en vindplaats 3, een nederzetting uit de Romeinse tijd.

Dit onderzoek dient te bestaan uit een opgraving om de aanwezige archeologische resten te documenteren en te bergen. Niet uitgesloten is dat de vindplaatsen door kunnen lopen onder de huidige bebouwing. Dit geldt met name voor vindplaats 3. Ter hoogte van de huidige bebouwing dient daarom aanvullend onderzoek in de vorm van een begeleiding van ondergrondse sloopwerkzaamheden van de bestaande inrichting plaats te vinden, als onderdeel van de uit te voeren opgraving. In het voorliggende bestemmingsplan is, gelijk aan het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied noord en zuid, archeologie', ter bescherming van de verwachte archeologische waarden aan de gronden in het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 3' toegekend.

38

4.10 Duurzaamheid Voor het beoogde bedrijventerrein zijn er duurzaamheidsambities. In het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1) wordt dit aspect beschreven. De duurzaamheidsthema's worden navolgend toegelicht. Uitgangspunten

• •

Toepassen van PV-panelen, bij voorkeur in combinatie met een groen dak.

•

Variatie aan nieuwe gebiedseigen beplanting voor vergroten biodiversiteit.

Voorkeursvolgorde hemelwater: vasthouden (op eigen terrein), bergen (in watersysteem) en afvoeren (via riool).

Beeldkwaliteitscriteria

• • • •

Toepassen van duurzame materialen. Bijvoorbeeld hout gecombineerd met deels groene gevels.

•

Toepassen van laadpalen.

Nestgelegenheden voor dieren opnemen in het gebouw. Groene daken gecombineerd met zonnepanelen. Maximale groene invulling randen van bedrijfskavel ten behoeve van biodiversiteit en klimaatadaptatie.

Voor de energievoorziening van het beoogde bedrijventerrein zal gebruik gemaakt worden van elektriciteitsaansluitingen, waarover de netwerkbeheerder heeft aangegeven dat de dat de huidige aansluitingen verzwaard kunnen worden van drie keer 35 A naar drie keer 80 A. Daarnaast blijkt uit de communicatie met de netwerkbeheerder dat de netcongestieproblematiek in de omgeving binnen de planperiode van 10 jaar opgelost zal zijn.

4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Verkeersgeneratie en -afwikkeling Met het voorgenomen plan wordt het mogelijk gemaakt dat het plangebied herontwikkeld wordt tot een (uitbreiding van het) bedrijventerrein. Op basis van de mogelijkheden die het voorliggende bestemmingsplan biedt en de kencijfers van CROW-publicatie 744 kan een inschatting gemaakt worden van de verkeersgeneratie van het voorgenomen plan.

Hierbij wordt gebruik gemaakt van de volgende gemiddelde kencijfers voor een gemengd bedrijventerrein. Per netto hectare gemengd bedrijventerrein is de verkeersgeneratie 128,0 voertuigbewegingen door lichte voertuigen (auto’s), 12,3 voertuigbewegingen door middelzware voertuigen (bedrijfsbussen en kleine vrachtauto’s) en 17,7 voertuigbewegingen door zware voertuigen (grote vrachtwagens). Het uitgeefbare deel van het voorliggende bestemmingsplan heeft een

39

oppervlakte van 1,35 ha. De bijbehorende verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag bedraagt 172,8 lichte, 16,6 middelzware en 23,9 zware voertuigbewegingen. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag 213,3 voertuigbewegingen. Voor een hengstenhouderij, die nu op de planlocatie toegestaan en gevestigd is, geldt dat CROW-publicatie 744 geen kencijfers bevat. Desondanks is het duidelijk dat de hengstenhouderij thans een verkeersaantrekkende werking heeft. Op basis van ervaringscijfers wordt ingeschat dat de verkeergeneratie van de hengstenhouderij ten minste 25 voertuigbewegingen per etmaal bedraagt. Hierbij wordt uitgegaan van de verkeersgeneratie in een rustige periode (ca. 20 voertuigbewegingen per etmaal), aangevuld met de verkeersgeneratie van de bedrijfswoning. De voertuigbewegingen behorende bij de hengstenhouderij zijn gespreid over de dag en belasten de spits minimaal. Gelet op het voorgaande bedraagt de verwachte verkeerstoename die optreedt als gevolg van de beoogde ontwikkeling ca. 190 voertuigbewegingen per etmaal. De verkeersgeneratie van het beoogde bedrijventerrein wordt afgewikkeld via een nieuwe T-aansluiting op de Lage Dijk-Noord/Techniekweg (zie 'Ontsluiting nieuw bedrijventerrein'). In de ochtend- en avondspits is de verkeersintensiteit als gevolg van het beoogde bedrijventerrein gelijk aan ca.

20 voertuigbewegingen per uur, wat overeen komt met gemiddeld één voertuigbeweging per 3 minuten. De betreffende T-aansluiting is in staat om deze verkeersintensiteit te verwerken. In september 2025 heeft de gemeente IJsselstein verkeerstellingen uit laten voeren. Uit de tellingen blijkt dat intensiteit op de Lage Dijk-Noord, tussen de Lorentzlaan en de Tinbergenlaan, op een weekdag 1.159 voertuigbewegingen per etmaal bedraagt. De intensiteit op Lorentzlaan, tussen de Lage Dijk-Noord en de Zeemanlaan, op een weekdag is 1.474 voertuigbewegingen per etmaal. Er is geen verkeerstelling voor de intensiteit op de Lage Dijk-Noord, tussen de Techniekweg en de Lorentzlaan, die het grootste deel van de verkeersgeneratie van het beoogde bedrijventerrein zal verwerken. Op basis van de bovenstaande verkeerstoename en de huidige verkeersintensiteiten op de Lage Dijk-Noord (1.159 voertuigbewegingen per etmaal) en Lorentzlaan (1.474 voertuigbewegingen per etmaal neemt de verkeersintensiteit op deze wegen met maximaal 8% toe. Hierbij is ervan uitgegaan dat het verkeer volledig over de Lage Dijk-Noord en niet via de Techniekweg wordt afgewikkeld (worstcasebenadering) en dat het verkeer vanaf de kruising Lage Dijk-Noord - Lorentzlaan zich 50-50 verdeeld. De relatief beperkte toenames worden als niet significant en daarmee aanvaardbaar beschouwd.

De belangrijkste ontsluitingswegen voor het beoogde bedrijventerrein richting de Baronieweg en de provinciale weg N210 zijn de Lage Dijk-Noord en de Lorentzlaan. De wegen liggen in de bebouwde kom en ontsluiten bedrijfspercelen op een bedrijventerrein. Volgens het Duurzaam Veilig-principe van het CROW valt zo’n weg doorgaans in de categorie erftoegangsweg. Voor zwaarder gebruikte erftoegangswegen met bedrijfs-/industriefuncties geldt dat een erftoegangsweg van type I (ETW-1) van toepassing is. Volgens de richtlijnen mag een dergelijke weg 5.000-6.000 mvt/etmaal verwerken. Voor erftoegangswegen die enkele percelen ontsluiten en als woonstraat dienen geldt type 2 (ETW-2), waarvoor ca. 1.000 mvt/etmaal als bovengrens geldt. De bovengenoemde intensiteiten op het bedrijventerrein blijven ruimschoots onder de richtlijn voor ETW-1 en zijn ook niet bovenmatig hoger dan de richtlijn voor ETW-2. Daarmee kan gesteld worden dat de intensiteiten op de wegen waarop het grootste deel van het verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling afgewikkeld zal worden in de huidige situatie aanvaardbaar zijn. De (beperkte) toename aan verkeer die op zal treden, brengt hier geen noemenswaardige verandering is. Het grootste deel van het verkeer zal via de Lage Dijk-Noord, Lorentzlaan en Baronieweg naar de provinciale weg N210 rijden.

De capaciteit van de N210 wordt vrijwel volledig benut in de huidige situatie. Omdat de N210 te maken heeft met zware congestie en omdat deze congestie in de toekomst naar verwachting nog verder toeneemt, heeft de provincie Utrecht (beheerder N210) samen de gemeenten IJsselstein en Nieuwegein en Rijkswaterstaat een onderzoek uitgevoerd naar maatregelen om de doorstroming op de N210 op de korte en lange termijn te verbeteren. Uit het onderzoek naar de doorstromingsmaatregelen voor de N210 volgt dat de volgende knelpunten het meest van belang zijn bij het veroorzaken van congestie: 1.

kruising Utrechtseweg/N210;

40

2. 3. 4.

rotonde Nelson Mandelaplein; toerit A2-zuid; viaduct richting Nieuwegein, toerit A2-noord en kruising Batauweg.

Het gevolg van de knelpunten is dat de wachtrijen terugslaan tot op de wegvakken van de N210 aan de zuidzijde van IJsselstein en dat verkeer vanuit het achterland en ook vanuit IJsselstein onvoldoende afwikkelt. In de andere rijrichting zorgen in de avondspits min of meer dezelfde locaties voor wachtrijvorming aan de noordzijde. Aanvullend speelt in de avondspits de congestie die ontkiemt op de A2 in zuidelijke richting. De knelpunten hangen met elkaar samen en waardoor de gevolgen versterken: de knelpunten zijn dermate sterk dat de ontstane wachtrijen terugslaan tot de andere locaties. Bovendien functioneren de knelpunten als een soort flessenhals. Dat betekent dat, wanneer knelpunten worden opgelost, de verkeersdruk op andere, stroomafwaarts gelegen punten toeneemt. De conclusie van het onderzoek dat het aan te bevelen is om een aantal aanpassingen aan de N210 door te voeren om de doorstroming te verbeteren. De meest relevante maatregel voor het voorliggende plan is het ombouwen van de rotonde Nelson Mandelaplein (aansluiting Baronieweg op de N210) tot een kruispunt met verkeerslichten (VRI). De provincie Utrecht is voornemens de ombouw van de rotonde op korte termijn uit te voeren. Hierover heeft besluitvorming plaatsgevonden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16176096/1