CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a: Bestemmingsplan Lage Dijk-Noord, Toelichting

Raadsvergadering 11 december 2025, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Bedrijventerrein Lage Dijk-Noord IJsselstein19.793 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Bedrijventerrein Lage DijkNoord, IJsselstein Gemeente IJsselstein

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0353.LageDijkNoord-Va01

Datum:

2025-10-30

Contactpersoon Buro SRO:

R. van der Made | J. van de Zand | F. Zandstra

Kenmerk Buro SRO:

SR230063

Opdrachtgever:

HBC Planontwikkeling

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 16

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 22 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 24 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 25 4.5 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 25 4.6 Ecologie ............................................................................................................................................................. 26 4.7 Externe veiligheid ..............................................................................................................................................

29 4.8 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 33 4.9 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 37 4.10 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 39 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 39

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 44 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 44 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 44 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 44 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 45

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 48 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 49 7.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro ............................................................................................................................... 49 7.2 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 50

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Het voornemen is om de gronden bij de hengstenhouderij een de Lage Dijk-Noord 28-28a te IJsselstein, tussen de N210 (Weg der Verenigde Naties) en de Techniekweg, te herontwikkelen naar een bedrijventerrein. Daarmee sluit het aan bij het aanliggende bedrijventerrein Over Oudland en vormt de locatie een afronding van het geheel. Op de locatie aan de Lage Dijk-Noord 28-28a is momenteel een hengstenhouderij gevestigd. Als voorbereiding op de herontwikkeling is een stedenbouwkundig plan in combinatie met een beeldkwaliteitsplan (Buro SRO, SR230063, 7 augustus 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1) opgesteld. Het plangebied heeft in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied noord en zuid' de bestemming 'Agrarisch'. De herontwikkeling naar een bedrijventerrein past niet binnen de mogelijkheden van dit bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan vastgesteld te worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de zuidoostzijde van IJsselstein, grenzend aan de N210 (Weg der Verenigde Naties). De planlocatie heeft een oppervlakte van ca. 2 ha. De planlocatie is als volgt begrensd:

• • • •

noordzijde: Techniekweg met daaraan grenzend bedrijventerrein 'Over Oudland'; oostzijde: Lage Dijk-Noord met daaraan grenzend bedrijventerrein 'Over Oudland'; zuidzijde: de N210; westzijde: grasland en Gerbrandytoren.

De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Earth)

5

Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: PDOK)

1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied noord en zuid', vastgesteld door de raad van de gemeente IJsselstein op 17 december 2015, waarvan de herziening met betrekking tot archeologie op 10 maart 2022 is vastgesteld. Op 8 november 2020 is het 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen IJsselstein' vastgesteld.

6

De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied noord en zuid'.

Uitsnede bestemmingsplan 'Landelijk Gebied noord en zuid', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen het plangebied gelden de enkelbestemmingen 'Agrarisch' en 'Water' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1','Waarde - Archeologie 3' en 'Leiding - Brandstof'. De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de bescherming en instandhouding van een rijksmonument. De voor 'Leiding - Brandstof' aangewezen gronden zijn bestemd voor de aanleg en instandhouding van een brandstoftransportleiding. Verder zijn voor het plangebied gedeeltelijk de functieaanduiding 'paardenfokkerij' en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' van toepassing. De beoogde realisatie van het bedrijventerrein past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied noord en zuid'. Om de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk te maken dient een herziening van het bestemmingsplan vastgesteld te worden. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en de (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de resultaten uit het vooroverleg en de inspraakmomenten.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de zuidoostzijde van IJsselstein direct tegen de N210 in de oksel van het bedrijventerrein 'Over Oudland'. In de huidige situatie is op dit perceel een hengstenhouderij gevestigd. De navolgende foto toont de huidige situatie van binnen het plangebied.

Huidige situatie birdview (bron: Google Maps)

Het plangebied is gelegen aan de rand van de Energieweg/Techniekweg. Deze vormt een duidelijke overgang met het overgebleven stukje open polderlandschap en het oude bebouwingslint van de Hogebiezendijk aan de andere zijde. In dit nog open stukje polder staat een TV-zendmast, de Gerbrandytoren. Deze vormt voor IJsselstein en ver daarbuiten een duidelijk herkenningspunt. Rondom het plangebied liggen enkele watergangen. Langs de N210 ligt een watergang, die ter plaatse van de westpunt van het plangebied afbuigt naar het noordoosten. Deze loopt door tot de Lage Dijk-Noord. Met een duiker gaat deze onder de weg door en gaat vervolgens over in een watergang die aan de oostzijde van de Lage Dijk-Noord ligt. Hier ligt een groen- en waterrijk gebiedje dat bestaat uit een cluster van bomen rondom een brede watergang. Deze loopt verder richting het oosten langs de noordzijde van de N210. Direct ten zuiden van de Techniekweg ligt een brede watergang. Deze komt van de watergang gelegen langs de Energieweg en stopt ter plaatse van de Lage Dijk-Noord. Tussen beide watergangen is een groenstrook gelegen van circa 10 m breed. Verder is er een zogenaamde DPO-leiding voor brandstof aanwezig. Deze bevindt zich ten noorden en westen van het plangebied. Binnen een afstand van circa 10 m, gemeten vanaf de hartlijn, mogen geen gebouwen of bouwwerken worden gebouwd.

Hier wordt in de toekomstige situatie rekening mee gehouden. Tot slot grenst het plangebied aan de oostzijde aan de Lage Dijk-Noord. Deze weg bestaat uit een smalle, voor auto’s, doodlopende toegangsweg van circa 3 m breed. Deze weg loopt als fietspad onder de N210 door. Tot aan de Lage Dijk-Zuid en Lage Dijk-West loopt dit fietspad door en sluit hier op aan.

8

Binnen het plangebied staat een boerderij met diverse schuren en loodsen op het achterterrein. Verder zijn er een parkeerterrein, paardenbakken, tredmolen en paardeweides aanwezig. Dit geheel wordt nu ontsloten op de Lage Dijk-Noord.

2.2 Toekomstige situatie Het voornemen is om de hengstenhouderij op locatie te beëindigen. Binnen de planlocatie wordt alle bestaande bebouwing gesaneerd. Het plangebied wordt ingevuld als bedrijventerrein voor bedrijven tot en met milieucategorie 3.2. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen zelfstandige kantoren, detailhandel die niet productiegebonden is, horeca, sportvoorzieningen, bedrijfswoningen of andere huisvestingsvormen mogelijk. De ruimtelijke hoofdopzet gaat uit van het continueren van de bestaande voorgevelrooilijnen langs de N210 aan de zuidzijde en de Techniekweg aan de westzijde. Zo krijgt het bestaande bedrijventerrein Over Oudland een logische afronding op deze hoek. Aan de zijde van de N210 wordt het profiel met water doorgetrokken, zodat dit in beeld aansluit bij de oostelijk gelegen bedrijventerrein. Op de hoek aan de zuidwestzijde vormt het hier voorgesteld water samen met een bijzonder gebouw het accent aan deze zijde van het plan. Dit draagt bij aan de leesbaarheid van het bedrijventerrein aan de N210. Aan de andere zijde, op de hoek van de Lage Dijk-Noord wordt een kleiner accent voorgesteld. De hoofdopzet laat een flexibele indeling toe. Zo kan één kavel worden gerealiseerd, maar is het ook mogelijk om een aantal kleinere kavels te realiseren. De navolgende afbeelding toont het stedenbouwkundig plan met voorbeeldverkaveling.

Stedenbouwkundig plan met voorbeeldverkaveling bedrijventerrein Lage Dijk-Noord (bron: Buro SRO)

Ontsluiting Aan de noordzijde van de kavel is de ontsluiting voorzien die via de Lage Dijk-Noord rechtstreeks op de Lage Dijk-Noord/Techniekweg wordt ontsloten. Daarmee wordt de ‘bundel’ van infra, zowel boven- als ondergronds, bij elkaar gelegd. Daarmee heeft de bestaande DPO-leiding zin min mogelijk invloed op de ontwikkelingspotentie van het plangebied.

9

De bedrijfsstraat aan de noordzijde biedt voor zowel vrachtverkeer als autoverkeer toegang tot de bedrijfskavel(s). De Lage Dijk-Noord wordt met deze opzet ontzien van zwaar vrachtverkeer en kan zo een aantrekkelijke route zijn voor langzaam verkeer. Het fietsverkeer wordt in de beoogde situatie gescheiden van het verkeer dat van en naar de bedrijfspercelen gaat, wat de verkeersveiligheid ten goede komt en een verbetering is ten opzichte van de huidige situatie. Groen en water De gemeente heeft een natuurwaardenkaart voor haar grondgebied vastgesteld. De stroken aan de noorden oostzijde van het plangebied zijn aangewezen als 'verbindend lint', 'gazon' en 'plassen en waterpartijen'. Het (ecologische) lint is een directe verbinding met buitengebied. Het lint en het groen hierin moeten behouden en versterkt worden. Groen en water maken nadrukkelijk onderdeel uit van de stedenbouwkundige opzet. Aan drie zijden van de kavel ligt water. Aan de noordzijde ligt een bestaande watergang die gehandhaafd blijft. Aan de zuidzijde wordt de bestaande greppel opgewaardeerd tot watergang. Het bestaande profiel ten oosten van het plangebied wordt daarmee doorgezet en voorziet in de watercompensatie. De ‘kop’ van de kavel wordt op een bijzondere ruimtelijke en waterrijke wijze ingepast. Aan de zijde van de N210 en de Lage Dijk-Noord maakt groen de overgang naar de bedrijfskavel(s).

Deze groene inrichting sluit aan bij het karakter van de omgeving en het profiel langs de N210.

10

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Het onderhavige initiatief draagt bij aan de prioriteiten 1, 2 en 3 en is op die wijze in lijn met de NOVI. Voorts wordt aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit. Conclusie Het voorgenomen plan sluit aan bij de ambities en belangen uit de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro is daarom verder niet specifiek van toepassing op het plangebied. Conclusie Het Barro vormt geen belemmering voor het beoogde plan.

11

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:

•

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

•

Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

•

Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' De voorgenomen ontwikkeling, dat een bedrijventerrein van 1,35 ha netto uitgeefbare kavels (voor lokale en regionale bedrijven) betreft, dient aangemerkt te worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Behoefte Er dient onderbouwd te worden wat de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan bedrijventerreinen in de regio is en of de ontwikkeling binnen de eisen van de ladder voor duurzame verstedelijking past. Navolgend wordt hierop ingegaan. De vraag naar bedrijventerreinen

•

In het Coropgebied Utrecht is tot 2031 sprake van een vraag naar bedrijventerreinen van ca. 230 tot 318 ha.

•

Het beoogde bedrijventerrein richt zich met name op de lokale en regionale bedrijvigheid. De vraag naar bedrijventerreinen voor deze doelgroep in de regio IJsselstein betreft 10 tot 15 ha tot 2031.

•

De vestigingscriteria van bedrijven veranderen: de kwaliteit van de arbeidsmarkt, kennis en bereikbaarheid nemen in belang toe. Ondernemers stellen steeds hogere eisen aan de kwaliteit van de omgeving en het vastgoed, onder andere doordat ze steeds meer waarde hechten aan imago en duurzaamheid.

Het aanbod aan bedrijventerreinen

•

De harde plancapaciteit in het Coropgebied Utrecht bedraagt ca. 133 ha netto direct en niet direct uitgeefbaar areaal.

•

Binnen het Coropgebied Utrecht zijn er plannen voor de transformatie van ca. 87 ha bedrijventerrein. Naar verwachting zal ca. 25% daadwerkelijk worden getransformeerd voor 2031, oftewel ca. 22 ha. Dit leidt tot een extra toename van de vraag naar bedrijventerreinen.

12

•

De harde plancapaciteit bedrijventerreinen in de regio IJsselstein bedraagt ca. 10 ha.

De behoefte aan bedrijventerreinen

• •

•

In het Coropgebied Utrecht is tot 2031 sprake van een tekort aan bedrijventerreinen van ca. 128 tot 216 ha. Hiermee bestaat een kwantitatieve behoefte aan bedrijventerreinen. Kwalitatief is er in de regio IJsselstein tot 2031 sprake van een behoefte aan lokale bedrijventerreinen van ca. 9 tot 14 ha. Bedrijvenpark De Kroon (9 ha) en Lage Dijk-Noord (1,35 ha) kunnen in deze behoefte voorzien. De betreffende ontwikkeling sluit optimaal aan op de behoefte uit de markt en past binnen het beleid van de provincie Utrecht en de regio.

Bestaand stedelijk gebied Het grootste deel van de gronden waarop de ontwikkelingen zijn voorzien zijn thans in gebruik ten behoeve van agrarische doeleinden. In het geldende bestemmingsplan hebben deze gronden de bestemming 'Agrarisch'. Volgens artikel 1.1,1, eerste lid, onder h van het Bro is bestaand stedelijk gebied 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Uitgaande van deze definitie kan het plangebied niet aangemerkt worden als bestaand stedelijk gebied. Het benodigde areaal voor bedrijventerrein kan niet ingepast worden in het bestaand stedelijk gebied in de regio IJsselstein. Er zijn geen kavels beschikbaar voor herontwikkeling en ook geen beschikbare braakliggende kavels. Aangezien het bedrijventerrein niet ingepast kan worden in bestaand stedelijk gebied mag volgens de richtlijnen van de ladder buiten bestaand stedelijk gebied gebouwd worden. De betreffende locatie grenst aan twee zijden aan het bestaande bedrijventerrein Over Oudland en aan één zijde aan de provinciale weg N210. Bovendien ligt het plangebied volgens het beleid van de provincie Utrecht binnen het stedelijk gebied.

Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt, terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:

• • • • • • •

waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

13

Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.

Planspecifiek Binnen de provincie Utrecht is de beschikbare ruimte voor bedrijfsvestiging schaars. Er is ook nauwelijks sprake van structurele leegstand van bedrijfspanden en er is weinig voorraad beschikbaar en uitgeefbaar aan bedrijventerreinen. Desalniettemin is de provincie Utrecht terughoudend met het mogelijk maken van de ontwikkeling van nieuw, nog niet geplande bedrijventerreinen. In eerste instantie wordt ingezet op de herstructurering, verduurzaming en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen. De totale extra behoefte aan specifiek bedrijventerreinen tot 2030, inclusief vervanging van mogelijk te transformeren bedrijventerrein, wordt geraamd op ca. 212 ha. Deze totale extra behoefte kan worden onderscheiden in een lokale, regionale en bovenregionale behoefte. In specifieke gevallen biedt de provincie ruimte voor de uitbreiding van een bedrijventerrein, namelijk op het moment dat er binnenstedelijk geen mogelijkheden zijn. Met het voorgenomen plan, de realisatie van een bedrijventerrein van 1,35 ha netto uitgeefbare kavels, wordt invulling gegeven aan met name de lokale en regionale behoefte aan bedrijventerreinen, waarbij de voorkeur uitgaat naar lokale bedrijvigheid en gestreefd wordt naar intensief ruimtegebruik.

In aansluiting op de Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening heeft de provincie Utrecht het 'Kader voor regionale programmering wonen en werken' vastgesteld. Gemeenten en provincie stellen op basis van dit kader en andere visies en strategieën een regionaal programma op. Een nieuwe locatie van een bedrijventerrein dient opgenomen te zijn in het 'Kader voor de regionale programmering wonen en werken'. De betreffende locatie is (nog) niet opgenomen in het 'Kader voor de regionale programmering wonen en werken'. De locatie zal aangemeld worden voor het regionale programma. Vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan is mogelijk nadat de locatie is opgenomen in het programma. In de Economische visie provincie Utrecht uit 2020 is opgenomen dat er nieuwe ruimte voor bedrijven en instellingen nodig is om het vestigingsklimaat aantrekkelijk te houden. Daarnaast wordt onderzocht of en hoe bestaande, lokale bedrijven gefaciliteerd kunnen worden in hun uitbreidingsbehoefte. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie provincie Utrecht.

14

3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's. De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s.

De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek De planlocatie ligt binnen het stedelijk gebied volgens de kaart bij de Omgevingsverordening. Artikel 9.16 'Instructieregel bedrijventerreinen stedelijk gebied' van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht geeft aanwijzingen voor bestemmingsplannen die betrekking hebben op bedrijventerreinen. De nieuwvestiging van bedrijventerreinen of uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen in het stedelijk gebied is mogelijk als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. 2. 3. 4.

de uitbreiding bedrijventerrein past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken; de revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen zijn verzekerd; de uitbreiding bedrijventerreinen vindt plaats in aansluiting op een bestaand bedrijventerrein; en de uitbreiding bedrijventerreinen leidt niet tot extra bodemdaling.

Zoals uit paragraaf 3.2.1 blijkt bestaat er een mogelijkheid om bestaande bedrijventerreinen uit te breiden als dit niet mogelijk is binnen het bestaande stedelijk gebied. Verder is er in het programma opgenomen dat er zo veel mogelijk zorgvuldig ruimtegebruik moet plaatsvinden. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de uitbreiding van bedrijventerrein 'Over Oudland' met 1,35 ha mogelijk. De locatie is opgenomen in het op 7 mei 2025 in werking getreden Provinciaal Programma Wonen en Werken 2025, met een uitgeefbaar oppervlak (netto) van 1,6 ha. Het bedrijventerrein in de omgeving van de planlocatie (Over Oudland) verkeert in een goede staat, waarbij sprake is van weinig leegstand. Er is dan ook geen noodzaak tot revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van het bestaande bedrijventerrein. De planlocatie grenst aan de noord- en oostzijde aan het bedrijventerrein Over Oudland, waardoor de uitbreiding in aansluiting op het bestaande bedrijventerrein is voorzien. De ligging tussen het bestaande bedrijventerrein en de N210 en vlak bij de rijksweg A2 maakt de locatie geschikt voor de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein.

15

De bodemgesteldheid op de planlocatie is dusdanig dat bodemdaling, in tegenstelling tot de veenweidegebieden in het (noord)westen) van de provincie Utrecht, niet verwacht wordt. In artikel 9.18 'Instructieregel detailhandel' zijn de regels ten aanzien van detailhandel opgenomen. Het plangebied is op kaart bij de Omgevingsverordening aangewezen als 'detailhandel buiten bestaand winkelgebied'. In dit gebied is nieuwvestiging of uitbreiding van detailhandel niet mogelijk, tenzij aan één van de uitzonderingen van artikel 9.18 sub 2 wordt voldaan. Het voorliggende bestemmingsplan maakt productiegebonden detailhandel mogelijk. Voor deze productiegebonden detailhandel wordt voldaan aan artikel 9.18 sub 2 onder g: 'detailhandel die qua aard en omvang vergelijkbaar is met detailhandel hiervoor genoemd onder a t/m f of waarvan aard en omvang geen negatieve gevolgen hebben voor detailhandel op locaties binnen bestaand winkelgebied'. De productiegebonden detailhandel van een (relatief) beperkte omvang (maximaal 10% van de bedrijfsvloeroppervlakte, tot een maximum van 150 m²), die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, heeft dusdanig beperkte ruimtelijke uitstralingseffecten dat deze aanvaardbaar is buiten het bestaand winkelgebied. Concurrentie met en leegstand in het bestaand winkelgebied als gevolg van het plan kan uitgesloten worden.

Daarnaast dient conform het Besluit ruimtelijke ordening de ladder voor duurzame verstedelijking te worden toegepast. Uit paragraaf 3.1.3 blijkt dat wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het gehele plangebied ligt buiten de boringsvrije zone van het waterwingebied rond Nieuwegein. Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat het beoogde plan in overeenstemming is met de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie IJsselstein De raad van de gemeente IJsselstein heeft de Omgevingsvisie IJsselstein op 11 november 2021 vastgesteld. In de Omgevingsvisie IJsselstein worden verschillende belangen samengesmolten tot een integrale ontwikkelingsrichting voor de periode tot 2030 en verder. In de omgevingsvisie wordt de identiteit en kwaliteiten van IJsselstein beschreven en wordt ingezet op het behouden en verbeteren hiervan middels nieuwe ontwikkelingen, oftewel: behoud én ontwikkeling. De koers wordt in hoofdlijnen uitgezet door middel van kwaliteits- en ontwikkelingslagen. In de kwaliteitslagen wordt stilgestaan bij de huidige kwaliteiten van IJsselstein, bij de ontwikkelingslagen wordt aangegeven met welke ontwikkelingen deze kwaliteiten in de toekomst kunnen worden versterkt. Vervolgens wordt in de omgevingsvisie meer specifiek de koers per deelgebied beschreven met de daarbij horende gebiedseigen beleidsopgaven. De planlocatie maakt onderdeel uit van het deelgebied 'bedrijventerreinen'. Bedrijventerreinen IJsselstein heeft in totaal 68 hectare bedrijventerrein. De eerste bedrijventerreinen aan de IJssel en de Lage Biezen werden steeds meer ingebed in de bebouwde kom. De ruimte voor groei moet nu worden gevonden aan de nieuwe stadsgrenzen.

IJsselstein kent veel productiebedrijven, waarbij een gunstige ligging aan de A2 en centraal in het land, belangrijke vestigingsfactoren zijn. Planspecifiek In de Omgevingsvisie IJsselstein is opgenomen dat bestaande (gereserveerde) bedrijventerreinlocaties worden verder ontwikkeld en geherstructureerd. Op bedrijventerrein Over Oudland zijn geen gronden meer beschikbaar voor uitgifte. Op de kaarten die in de omgevingsvisie zijn opgenomen is de planlocatie aangewezen als 'bestaand bedrijventerrein'. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de verdere ontwikkeling van het bedrijventerrein aan de Lage Dijk-Noord.

16

Op de kaarten in de omgevingsvisie is de planlocatie ook aangewezen als archeologische vindplaats. In paragraaf 4.9.2 wordt ingegaan op het aspect archeologie. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de Omgevingsvisie IJsselstein.

3.3.2 Toekomstvisie 2025 IJsselstein Dichtbij Op 21 januari 2010 heeft de gemeenteraad van IJsselstein de Toekomstvisie ‘IJsselstein Dichtbij’ vastgesteld. De gemeente IJsselstein kenmerkt zich onder meer door drie belangrijke kwaliteiten:

•

IJsselstein is een stad met een sterke sociale samenhang. Mensen zijn zeer betrokken bij de gemeenschap en bij elkaar. Dit geldt voor zowel inwoners als ondernemers. De samenhang komt onder meer tot uitdrukking in een actief verenigingsleven en tal van evenementen.

•

IJsselstein is een stad met een karakteristieke historische ruimtelijke kwaliteit. Belangrijke kenmerken in deze ruimtelijke kwaliteit zijn de historische binnenstad met monumenten en de Hollandse IJssel die door de stad stroomt. IJsselstein heeft een unieke ligging in zowel het Groene Hart als het stedelijk gebied van Utrecht. Hierdoor combineert de stad de rust en ruimte van het groene buitengebied met de economische dynamiek van een stad.

•

Voor 2025 wil de gemeente deze kwaliteiten verder versterken. De gemeente wil de nabijheid van de ruimtelijke kwaliteiten in de stad meer benutten, door inhoud te geven aan de volgende ambities:

• • • •

versterken van de historische binnenstad; groen en water meer verweven met de stad; continue werken aan vitale woonwijken; bevorderen zorgvuldig ruimtegebruik.

Planspecifiek De gemeente IJsselstein streeft ernaar ondernemers ruimte te bieden, door in wijken mogelijkheden voor wonen en werken te bieden en voor voldoende ruimte op bedrijfsterreinen te zorgen. De druk op de schaarse ruimte in de gemeente IJsselstein is hoog. Deze druk wordt onder andere veroorzaakt door de ligging in de regio in Nederland die al jaren het hoogste economische potentieel heeft. Dit leidt tot bevolkingsaanwas, groei van bedrijvigheid en daarmee extra ruimteclaims. Bij nieuwe ruimteclaims maakt de gemeente IJsselstein een zorgvuldige afweging naar de noodzaak. Daarbij wordt mede vastgehouden aan de omvang van de rode contour. De beoogde bedrijfskavels en infrastructuur zijn binnen de rode contour beoogd. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt tegemoet gekomen aan de behoefte aan bedrijventerreinen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de 'Toekomstvisie 2025 IJsselstein Dichtbij'.

3.3.3 Mobiliteitsvisie IJsselstein ‘Gezond op weg naar 2030’ Op 1 oktober 2020 is de 'Mobiliteitsvisie IJsselstein 'Gezond op weg naar 2030' vastgesteld. Mobiliteit is nodig voor het uitvoeren van een activiteit (bijvoorbeeld werken, wonen, sport, recreatie, sociaal bezoek, cultureel bezoek, onderwijs) die op een andere locatie wordt uitgevoerd. Maar mobiliteit heeft ook (negatieve) omgevingseffecten (uitstoot van CO2, stikstofdepositie, fijnstof, ruimtebeslag, geluid, verkeersonveiligheid en barrièrewerking). Op basis van deze trends en ontwikkelingen en de samenhang met andere beleidsvelden zijn vijf kernopgaven voor IJsselstein gedefinieerd:

17

•

Bereikbaar blijven: IJsselstein wil bereikbaar blijven. Daarvoor is het nodig om een omslag in het mobiliteitsgedrag tot stand te brengen: meer gebruik van de fiets, het openbaar vervoer en van slimme mobiliteitsketens. Dat moeten samen worden bereikt met de inwoners, bedrijven, werknemers en bezoekers.

•

Verbeteren van de verkeersveiligheid: IJsselstein wil het aantal verkeersslachtoffers structureel terugdringen door duurzaam veilige infrastructuur in combinatie met handhaving, bewustwording en een veilig weggedrag. Zorg voor leefbaarheid: IJsselstein wil de aantrekkelijkheid van de woonomgeving en de binnenstad in stand houden en versterken, zodat IJsselstein een fijne en gezonde woonstad is met een vitale aantrekkelijke binnenstad.

•

•

Mobiliteit voor iedereen: IJsselsein wil het mogelijk maken, dat de inwoners zelfstandig kunnen reizen van deur tot deur met een vorm van collectief vervoer, zodat zij kunnen blijven deelnemen aan de economische, maatschappelijke en sociale activiteiten. Dit is van belang voor inwoners die niet meer zelfstandig gebruik kunnen maken van een auto, fiets of het reguliere openbaar vervoer.

•

Bijdragen aan de klimaatdoelstellingen: IJsselstein wil een aantrekkelijke gemeente blijven voor de huidige en toekomstige generaties. Daarvoor is het nodig om de auto-afhankelijkheid te verminderen en het aandeel van duurzame vormen van mobiliteit te vergroten.

Planspecifiek In 2019 is de ‘Bestuursovereenkomst duurzame mobiliteit en bereikbaarheid IJsselstein’ gesloten tussen de gemeente IJsselstein en de provincie Utrecht. In de overeenkomst staat dat die vervalt wanneer er een vastgestelde mobiliteitsvisie is. Omdat de bestuursovereenkomst een tussenproduct betrof, vormt de mobiliteitsvisie het vigerend beleid van de gemeente IJsselstein. Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de relevante kernopgaven uit de mobiliteitsvisie. Met de aanpassing van de rotonde Nelson Mandelaplein van de N210 naar een VRI en de overige voorgestelde maatregelen blijft IJsselstein bereikbaar. In paragraaf 4.11.1 is een inhoudelijke beoordeling inzake het aspect verkeer opgenomen. Conclusie Gezien het voorgaande is het plan uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.

3.3.4 Welstandsnota IJsselstein De Welstandsnota 2013 is op 19 december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein. Op grond van deze nota kan het plangebied worden aangemerkt als 'bedrijventerrein'. Bedrijventerreinen in IJsselstein hebben allemaal een ander karakter. Dit is voornamelijk afhankelijk van de leeftijd van het terrein en het soort bedrijven wat er gevestigd is. Bij nieuwbouw of verbouwingen zal inspiratie worden gehaald uit de architectuur van omliggende bedrijven. De uitstraling van bedrijventerrein naar de omgeving verdient extra aandacht, bedrijfsgebouwen die aan ontsluitingswegen liggen verdienen een extra zorgvuldig en hoogwaardig ontwerp. Daarnaast worden bedrijven langs oude ontginningswegen onderscheiden. Hierbij is de wens dat er kleine volumes voor de grotere bedrijfshallen gesitueerd worden. Dit refereert aan het oorspronkelijke kleinschalige karakter van de bebouwing langs ontginningswegen. Voor de betreffende locatie zijn onder andere de volgende criteria uit de welstandsnota relevant:

•

Sluit aan bij bestaande karakteristieke straatbeeld, gevelbeelden, schaalgrootte, gevelindeling en gevelritmiek.

•

Aanpassingen mogen op een eigentijdse wijze gebeuren in overleg en mits in harmonie met het bestaande beeld.

• •

Gevelindeling en -opbouw evenwichtig en samenhangend. De totale compositie van de bebouwing op één perceel is samenhangend.

18

• •

Toevoegingen aan het hoofdvolume hebben vormverwantschap met het hoofdvolume en hebben een ondergeschikt karakter. Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw wordt aangesloten op de bestaande architectuur in de omgeving.

•

Bedrijfsbebouwing gericht op ontsluitingswegen (Baronieweg, Beneluxweg, N210, Lage Dijk Zuid, Hogebiezendijk, Panoven) kent een hoogwaardige architectuur.

• • •

Entrees onderscheiden zich in of aan de gevel, mits in samenhang met de massa. Representatieve bebouwing is gericht op de straat of belangrijkste openbare ruimte. Bij bebouwing gericht op historische ontsluitingswegen (Lage Dijk Zuid, Panoven, Hogebiezendijk, Hoge Dijk), is gewenst kleinere volumes (woningen, kantoren) voor grootschalige bedrijfsbebouwing te plaatsen.

Planspecifiek Het nieuwe bedrijfsoppervlak sluit aan bij de stijl en structuur van het aangrenzende bedrijventerrein Over Oudland. Er is een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan (Buro SRO, SR230063, 7 augustus 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1) opgesteld, dat eerder voor advies voorgelegd is aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit van de gemeente IJsselstein en akkoord is bevonden. Het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitplan wordt tegelijkertijd met het bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad en zal het toekomstige toetsingskader voor welstand zijn.

3.3.5 Beleidsplan Duurzaamheid gemeente IJsselstein Het Beleidsplan Duurzaamheid gemeente IJsselstein is op 9 juni 2016 door de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein vastgesteld. Eind 2015 heeft de gemeenteraad een motie aangenomen om de Klimaatverklaring (Parijsverklaring) te ondertekenen. Door ondertekening van de klimaatverklaring heeft de gemeente zich gecommitteerd te werken aan de volgende hoofdambitie: 1. 2.

In 2050 is IJsselstein klimaatneutraal In 2030 is de gemeentelijke organisatie CO2-neutraal

In het beleidsplan zijn voor de thema’s wonen en verkeer en het jaartal 2020 de volgende relevante doelstellingen opgenomen:

• •

besparing gasverbruik met 1,5% per jaar;

• • •

alle nieuwe gebouwen zijn (bijna) energieneutraal;

8% duurzame energie lokaal opgewekt tegenover 2% nu, waaronder: o vertienvoudiging zonne-energie; o verdubbeling adressen met zonnepanelen; alle nieuwe gebouwen worden duurzaam gebouwd en hebben een score minimaal GPR = 8 het gebruik van het aantal deelauto’s is met 20% toegenomen ten opzichte van 2016.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling geeft invulling aan het Beleidsplan Duurzaamheid. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.10. In deze paragraaf wordt inhoudelijk op aspect duurzaamheid ingegaan. Conclusie Het voorgenomen plan sluit aan bij de ambities uit het Beleidsplan Duurzaamheid gemeente IJsselstein.

19

3.3.6 Integrale Visie Openbare Ruimte 2021-2031 In de Integrale Visie Openbare Ruimte 2021-2031 (IVOR) komen alle aspecten van de openbare ruimte samen in één visie. De gemeenteraad heeft de IVOR op 17 juni 2021 vastgesteld. Vanuit bestaande beleidsdocumenten en strategische plannen zijn zeven thema’s uitgewerkt in de IVOR, te weten gebruik en beleving, identiteit (karakter/uitstraling), klimaatbewust, samenwerking, groen natuurlijk, gezonde en prettige leefomgeving en duurzaamheid/toekomstbestendigheid. De overkoepelende visie voor de openbare ruimte luidt: “IJsselstein heeft een openbare ruimte die ons verbindt en die bijdraagt aan een gezonde en leefbare woonen werkomgeving, voor nu én in de toekomst.” De overkoepelende visie is uitgewerkt in vier ambities, waarbinnen verschillende thema's vallen die meer gericht op een onderwerp ingaan. De vier ambities zijn:

• • • •

echt IJsselstein; toekomstbestendig; gezond en leefbaar; samenwerking.

Planspecifiek Bij het voorgenomen plan dient in het vervolg bepaald te worden welke gronden tot de openbare ruimte gaan behoren. De uitkomst hiervan kan zijn dat er geen gronden zijn die toegevoegd worden aan de openbare ruimte. Als er wel gronden toegevoegd worden aan de openbare ruimte dan is de Integrale Visie Openbare Ruimte 2021-2031 hierop van toepassing. Hieruit volgt dat de openbare ruimte toekomstbestendig moet zijn: klimaatadaptief, duurzaam en groen natuurlijk. Dit sluit aan bij de tweede ambitie uit de IVOR. In het vervolg zal de inrichting van de openbare ruimte, indien aan de orde, nader uitgewerkt worden, waarbij rekening gehouden zal worden met het Handboek inrichting openbare ruimte van de gemeente IJsselstein. Dit handboek zal in de toekomst aangepast worden op basis van de klimaatvisie, die in oktober 2023 aan de raad wordt aangeboden voor besluitvorming.

20

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Verder is vanaf 1 januari 2021 artikel 7.28 van de Wet milieubeheer gewijzigd. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen; D11.3: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarden van een oppervlakte van 75/100 ha of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De voorgenomen ontwikkeling omvat een bruto oppervlakte van ca. 2 ha, waarvan 1,35 ha netto uitgeefbare kavels. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

21

a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-procedure noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.procedure plaatsvinden.

In het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden de belangrijkste milieugevolgen, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, aan de hand van de relevante selectiecriteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn, in beeld gebracht in een aanmeldnotitie (Buro SRO, SR230063, 22 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Op basis van de aanmeldnotitie kan geconcludeerd worden of belangrijke milieugevolgen uitgesloten kunnen worden. Het bevoegd gezag kan op basis van de aanmeldnotitie een besluit nemen over de uitkomst van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij het besluit over de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk Planspecifiek Om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater inzichtelijk te maken heeft AT Milieuadvies in 2011 een verkennend bodemonderzoek en een nader bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek uitgevoerd. Navolgend zijn de resultaten hiervan weergegeven. Verkennend bodemonderzoek Er is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 (AT MilieuAdvies, mei 2011, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3) uitgevoerd. Hieruit blijken de volgende resultaten.

De aangetoonde matig verhoogde concentratie voor zink in de bovengrond van boring A15, ter plaatse van de tuin, en de matig tot sterk verhoogde concentratie voor zink in de ondergrond van boring A27, ter plaatse van het weiland, geven op basis van de Wet bodembescherming aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Op het zuidelijke deel van het erf is asbesthoudend plaatmateriaal op het maaiveld aangetroffen (12,5% chrysotiel). Geadviseerd wordt alle aanwezige asbesthoudende plaatmaterialen op het maaiveld te verwijderen en ter plaatse een indicatief asbestonderzoek uit te voeren. Nader bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek heeft AT Milieuadvies een verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek conform NTA 5755 en een verkennend en indicatief onderzoek naar asbest in grond en puin conform NEN 5707 (AT Milieuadvies, juli 2011, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4) uitgevoerd. Hieruit blijken de volgende resultaten. De totale hoeveelheid sterk met zink verontreinigde grond ter plaatse van boring A27 is op basis van de onderzoeksresultaten ingeschat op circa 21 m³. Gezien de diepte van voorkomen, 1,0-1,7 m -Mv, worden contactrisico’s met de sterke verontreiniging uitgesloten.

Door de beperkte omvang van de sterke verontreiniging met zink is conform de Wet bodembescherming (Wbb) geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierdoor geldt formeel geen saneringsplicht. Verder is in de grondlaag van 0,5-1,0 m -Mv ter plaatse van boring A27 nog een matige verontreiniging met zink aanwezig. De omvang van

22

de matige verontreiniging is ingeschat op circa 15 m³. Ook bij boring A15 van het voorgaand verkennend bodemonderzoek is een matige verontreiniging met zink aangetroffen, maar nu in de bovengrond tot ongeveer 0,3 m -Mv (omvang ca. 9 m³). Ondanks het feit dat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zal het bevoegd gezag (gemeente IJsselstein) in het geval van herinrichting mogelijk toch een plan van aanpak eisen. In het plan van aanpak dient te worden omschreven hoe met de matig tot sterke verontreiniging met zink ter plaatse van boringen A15 en A27 omgegaan kan worden. De resultaten van het indicatief asbestonderzoek in grond op het zuidelijke deel van het erf, nabij de provinciale weg, geven geen aanleiding voor de uitvoering van saneringsmaatregelen. De gewogen interventiewaarde voor asbest in bodem wordt niet overschreden. Actualisatie en nader bodemonderzoek Met voorgaand verkennend en nader bodemonderzoek (2011) is vastgesteld dat op de locatie lichte verontreinigingen voorkomen met zware metalen en plaatselijk met PAK en minerale olie. Verder zijn twee spots met een sterke zink verontreiniging vastgesteld. Het gaat om de volgende locaties: in de voortuin in de toplaag van boring A15 en ter plaatse van het weiland in de ondergrond bij boring A27.

Bij het actualisatieonderzoek (Grondslag, 1 september 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5) zijn de sterke verhogingen aan zink in de voortuin en in het weiland niet opnieuw teruggevonden. Bij het actualisatie onderzoek ter plaatse van het erf is een sterke verhoging aan barium, koper en zink aangetroffen in de bovengrond. Dit ter plaatse van de meest zuidwestelijke schuur (boring 29) en bij de mestopslag (boring 113). Door middel van een nader onderzoek is de verontreiniging afgeperkt. Boring 113 en 29 liggen op 3 meter afstand van elkaar waardoor het oppervlak van de sterke verontreiniging circa 20 m² is. De omvang is daardoor ingeschat op 8 m³. De omvang is daarmee kleiner dan 25 m³ waardoor er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De verontreiniging is vermoedelijk te relateren aan bijmengingen. Gezien de ouderdom van het erf is de verontreiniging historisch. Aangenomen kan worden dat de verontreiniging is ontstaan voor 1987, waardoor er geen sprake is van een ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’. Met het verkennend onderzoek asbest is aangetoond dat er geen asbest voorkomt in de bovengrond van het erf. Geconcludeerd kan worden dat op het perceel een verontreinigingsspot met barium, koper en zink voorkomt. Bij de herontwikkeling van het plangebied moet deze bodemverontreiniging gesaneerd worden.

Aanvullend bodemonderzoek Voor onderhavig plan is een aanvullend onderzoek uitgevoerd om de milieuhygiënische bodemkwaliteit vast te leggen en te beoordelen of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming (Grondslag, 20 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Met het aanvullend onderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de bodemlaag onder de slakkenlaag in verband met uitloging onderzocht. Gezien op het terrein voormalige boomgaarden hebben gelegen, is ook de bovenste 0,3 meter van het maaiveld op het voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) onderzocht. De gestelde hypothese dat op de locatie zware metalen (o.a. vanadium en chroom) en bestrijdingsmiddelen worden verwacht, is deels bevestigd. In de bodemlaag onder de verharding zijn lichte verhogingen aan enkele zware metalen en minerale olie (natuurlijke herkomst) aangetoond. Er zijn geen verhogingen aan bestrijdingsmiddelen, chroom en/of vanadium aangetoond. In de grond zijn geen verhogingen aan bestrijdingsmiddelen aangetoond. Conclusie Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het onderhavige plan.

23

4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16176096/1