Bijlage 1. Vast te stellen bestemmingsplan IJsselstein, Ruimtevaartbaan
Tekst van het document
55
Onderhavige ontwikkeling zal de bodem zodanig verstoren dat de archeologische waarde van het terrein vastgesteld moet worden. Zodoende is er een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd 15. De vraagstelling van het onderzoek luidt: hoe kan rekening gehouden worden met eventuele archeologische resten bij de voorgenomen ontwikkeling? Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA, protocollen 4002 en 4003. Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied. Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Rijn-Maasdelta', in de landschapszone overstromingsvlakte. Ter hoogte van het plangebied ligt de Wiersch beddinggordel uit het Neolithicum en een crevasse uit periode IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen. De archeologische verwachting in het plangebied hangt samen met deze landschappelijke ligging. Op de Wiersch beddinggordel kunnen archeologische resten uit het Neolithicum aanwezig zijn. Op de crevasse-afzettingen kunnen archeologische resten uit de periode IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn. In het plangebied zijn zestien boringen gezet. De maximale boordiepte is 500 cm -mv. De boringen bevestigen de aanwezigheid van de Wiersch beddinggordel.
De top van de oeverafzettingen van deze beddinggordel ligt op 390 cm -mv (-342 cm NAP). Op deze oeverafzettingen liggen afwisselend veen, komafzettingen en crevasse-afzettingen. De crevasse-afzettingen worden onderverdeeld in twee stratigrafische niveaus waarvan het ondiepste niveau het belangrijkste is. De top van deze fase 2 crevasseafzettingen ligt tussen 110 en 220 cm -mv (-51 en -164 cm NAP). Het onderzoeksbureau adviseert met deze archeologisch relevante niveaus rekening te houden door graafwerkzaamheden tot in deze niveaus te vermijden, rekening houdend met een veiligheidsmarge van 30 cm. Dat betekent dat aanbevolen wordt om niet dieper dan 80 cm -mv en -21 cm NAP te graven in het zuiden en westen van het plangebied. Zie de figuur achterin dit rapport voor de ligging van deze zone. In aanvulling daarop wordt aanbevolen om in het hele plangebied graafwerkzaamheden tot 360 cm -mv (-312 cm NAP) te vermijden. Daarnaast wordt aanbevolen om het eventuele funderingspalenplan archeologie vriendelijk te ontwerpen. Als wel tot in de archeologisch relevante niveaus wordt gegraven, dan wordt aanbevolen te bepalen of archeologische resten aanwezig zijn door het uitvoeren van een booronderzoek in de karterende fase. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd.
Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente IJsselstein.
15
Bureau voor Archeologie. Bureau- en inventariserend veldonderzoek Ruimtevaartbaan, IJsselstein. Rapport 1366, 14 september 2023. 56
Archeologische waarden in onderhavig bestemmingsplan Naar aanleiding van het archeologisch onderzoek worden de dubbelbestemmingen ‘Waarde Archeologie - 3’ en ‘Waarde Archeologie - 4’ opgenomen. De regels voor de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie - 3’ en ‘Waarde Archeologie - 4’ worden één op één overgenomen uit bestemmingsplan ‘Achterveld en omgeving’. Daarbij kan vervolgens de dieptegrens vanaf waar archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is opgerekt worden op basis van de resultaten van het uitgevoerde archeologisch onderzoek. Bij de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie -3’ is de grens van 30 cm beneden maaiveld opgerekt naar 80 cm beneden maaiveld. Bij de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie – 4’ is deze grens opgerekt naar 390 cm beneden maaiveld. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief.
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Voor de toetsing is de cultuurhistorische waardenkaarten van de provincie Utrecht geraadpleegd. Op deze kaarten is de locatie gelegen in het agrarisch cultuurlandschap. De locatie maakt onderdeel uit van het strookontginningslandschap. De locatie is geclassificeerd als terrein (klasse 1), verkaveling (klasse 2) en strookverkaveling (klasse 3). Met onderhavig ontwikkeling wordt een agrarische functie omgevormd tot een woonbuurt met 79 woningen. Dit kan de waarden van het agrarisch cultuurlandschap schaden. Echter, met de aanleg van de Nedereindse Plas is de relatie tussen IJsselstein en de open polder voorgoed verstoord. Het agrarisch perceel wordt gezien als een gebiedsvreemd perceel dat ruimtelijk noch deel uitmaakt van IJsselstein, noch deel uitmaakt van het recreatiegebied rondom de Nedereindse Plas. De herontwikkeling van ’t Veld zal voorzien in een meer logische en een heldere ruimtelijke relatie tussen IJsselstein en de Nedereindse Plas.
De ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt versterkt doordat een gebiedsvreemde agrarische functie wordt ingewisseld voor stedelijke functies die zorgen voor een goede overgang tussen het stedelijk gebied en de Nedereindse Plas. Door de nieuwe recreatieve functies wordt de bestaande recreatiewaarde van de Nedereindse Plas versterkt, maar wordt de recreatiefunctie ook meer in verbinding gebracht met de rest van IJsselstein. Daarnaast wordt onder meer met de verbreding van de IJsselwetering en het versterken van het wandelnetwerk gewerkt aan de versterking van de ruimtelijke structuren, kwaliteiten en waarden van het gebied. Al met al is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met het relevante beleid. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief.
57
4.12
Verkeer en parkeren Algemeen Met het onderhavig plan worden 79 koop- en huurwoningen gerealiseerd ter plaatse van een voormalig agrarisch bedrijf aan de rand van IJsselstein. In het ‘Paraplubestemmingsplan parkeernormen IJsselstein’, dat is vastgesteld op 12 december 2022, is bepaald dat de gemeente IJsselstein de parkeernormen binnen het ‘Beleidsplan Parkeren’ hanteert. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van de kencijfers van CROW 381. Volgens de stedelijkheidsgraad van het CBS valt de gemeente IJsselstein onder ‘matig stedelijk’ gebied. Verder is de planlocatie gelegen in ‘rest bebouwde kom’. Daarnaast is het volgende woningbouwprogramma gehanteerd: Woning typologieën Huur, huis, sociale huur Koop, huis, tussen/hoek Koop, huis twee-onder-een-kap Koop, huis, vrijstaand
Aantal 24 30 20 5
Parkeren In het ‘Beleidsplan Parkeren’ zijn in de bijlage de te hanteren parkeernormen van IJsselstein opgenomen. Het benodigde aantal auto parkeerplekken wordt bepaald per woning, hierbij is de maximale norm gehanteerd. In de onderstaande tabel zijn de normen aangegeven per type woning. Woning typologieën Huur, huis, sociale huur (24) Koop, huis, tussen/hoek (30) Koop, huis twee-onder-een-kap (20) Koop, huis, vrijstaand (5)
Woning typologieën ‘Beleidsplan Parkeren Sociale huurwoningen Woning midden Woning midden
Parkeernormen
Woning midden
1,5 1,9 1,9 1,9
Dit leidt tot de volgende parkeerbehoefte: 24 x sociale huurwoningen (1,5) 55 x woning midden (1,9)
= 36 parkeerplaatsen = 104,5 parkeerplaatsen
Totaal 36 + 104,5 = 140,5 parkeerplaatsen. Het merendeel van de parkeerplaatsen zal worden gerealiseerd binnen het openbaar gebied van het plangebied, in totaal 106 parkeerplaatsen. Daarnaast worden 25 woningen voorzien van een dubbele oprit met garage, welke conform het parkeerbeleid meetellen voor 1,8 parkeerplaatsen per woning. Zodoende worden er op eigen terrein (25 x 1,8) 45 parkeerplaatsen gerealiseerd, wat zorgt voor een totaal aantal van (45 + 106) 151 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente IJsselstein. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project. Verkeer 58
Voor de verkeersgeneratie van de woningen is uitgegaan van de kencijfers van CROW 381. Zoals benoemd valt de gemeente IJsselstein onder ‘matig stedelijk’ gebied en ligt de planlocatie binnen ‘rest bebouwd kom’. De onderstaande tabel geeft het aantal verkeersbewegingen weer per type woning: Woning typologieën Huur, huis, sociale huur (24) Koop, huis, tussen/hoek (30) Koop, huis twee-onder-een-kap (22) Koop, huis, vrijstaand (5)
Verkeersbewegingen 5,3 7,5 8,2 8,6
Dit leidt tot de volgende verkeersgeneratie: 24 x sociale huur (5,3) 30 x koop, tussen/hoek (7,5) 20 x koop, twee-onder-een-kap (8,2) 5 x koop, vrijstaand (8,6)
= 127,2 verkeersbewegingen = 225 verkeersbewegingen = 164 verkeersbewegingen = 43 verkeersbewegingen
Totaal 127,2 + 225 + 164 + 43 = 559,2 verkeersbewegingen, afgerond 560 verkeersbewegingen per etmaal. Toekomstige intensiteiten In de toekomstige situatie zullen er dus afgerond 560 verkeersbewegingen per etmaal bijkomen. Deze toename wordt volledig opgevangen door de Ruimtevaartbaan. Echter, een deel van het verkeer wordt afgewikkeld via De Baan en een ander deel via de Europalaan. Op basis van de huidige intensiteiten, de toegankelijkheid en functie die beide ontsluitingswegen hebben, is een inschatting gemaakt van de verdeling. Vanwege de kortere route richting A2 en N210, wordt verwacht dat 60% van het verkeer richting de Europalaan en 40% richting De Baan wordt afgewikkeld. Bij de toename in intensiteit is ook rekening gehouden met autonome groei richting 2035, gebaseerd op het verkeersmodel. Dat leidt tot de volgende intensiteiten, weergegeven navolgende tabel.
Intensiteiten toekomstige situatie (Bron: Verkeersonderzoek Studio Verbinding 2023)
De verwachte toename in de intensiteiten leiden niet tot knelpunten op de uitvalswegen. De intensiteiten zijn, en blijven, onder de maximaal wenselijke capaciteiten van de wegen. Omdat het verkeer zich verdeelt zodra het op de Ruimtevaartbaan uitkomt, zal de daadwerkelijke intensiteit aanzienlijk lager liggen op de gedeeltes ten oosten en westen van de ontsluiting. Mogelijke ontsluitingen
59
In het verkeersonderzoek16 dat is uitgevoerd voor onderhavige ontwikkeling is onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke ontsluitingen. In het plan zijn twee mogelijke ontsluitingen opgenomen die het plan ontsluiten voor gemotoriseerd verkeer. Een derde optie voor een ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer aan de oostzijde, aansluitend op de Randdijk, is in een eerder stadium al afgevallen. Wel zijn er twee ontsluitingen voor langzaam verkeer aan de noordzijde, een aan de oostzijde en een aan de westzijde opgenomen. Gezien de omvang van het plan en het volume aan woningen is het noodzakelijk om twee ontsluitingen voor gemotoriseerd verkeer te realiseren, in verband met bereikbaarheid (voor hulpdiensten), doorstroming en het ontvlechten van de verkeersstromen en de verschillende verkeersdeelnemers. De eerste ontsluiting betreft een nieuw te realiseren weg parallel aan het bestaande Aquamarijnpad en de tweede ontsluiting betreft het bestaande fietspad en trottoir parallel aan het Arianehof dat richting de Nedereindse Plas loopt. Tijdens de schouw is gelet op de locaties van deze ontsluitingen. Aquamarijnpad De westelijke ontsluiting van ‘t Veld via de Ruimtevaartbaan is een nieuw te realiseren weg parallel aan het Aquamarijnpad. De ontsluitingsweg zal door middel van een brug over de IJsselwetering heen komen te liggen, direct tegenover de Basishof.
In Figuur 5 is het beoogde dwarsprofiel van de ontsluiting weergegeven. Hier is rekening gehouden met een gemengde rijbaan van 4,80 meter breed en een trottoir van 2,10 meter breed. Dit voldoet aan de richtlijnen van het CROW voor een ETW30 voor verkeer in twee richtingen. De totaal benodigde breedte komt daarmee op 6,90 meter. Het trottoir is in het dwarsprofiel op hetzelfde niveau als de rijbaan voorzien. Om voetgangers van het verkeer te scheiden is het advies om het trottoir verhoogd aan te leggen met trottoirband.
Dwarsprofiel van de westelijke ontsluiting
Doordat een groenstrook (bomenrij) en de IJsselwetering tussen de ontsluiting en het Aquamarijnpad ligt, hebben bewoners hier geen last van het verkeer. Directe lichtinval
16
Studio Verbinding. Verkeersonderzoek ’t Veld, Ruimtevaartbaan, IJsselstein. 6192, 15 september 2023. 60
van het verkeer kan voorkomen worden door struiken, hagen of andere begroeiing op de juiste locaties. De Ruimtevaartbaan kent een ontsluitende functie voor de hofjes in de wijk IJsselveld, echter is het een ETW30. Binnen een 30-zone in een woonwijk zijn gelijkwaardige kruisingen de richtlijn. De kruisingen op de Ruimtevaartbaan zijn in de huidige situatie deels gelijkwaardig met een kruispuntplateau uitgevoerd. Echter, de meeste hofjes sluiten door middel van een uitritconstructie aan. Omdat de toekomstige ontsluiting een volwaardige weg het plangebied in betreft, luidt het advies om hier een gelijkwaardig kruispunt met plateau te maken. Het zicht voor verkeer op dit nieuwe kruispunt dient zoveel mogelijk onbelemmerd te zijn. Tussen het Aquamarijnpad en de nieuwe ontsluiting ligt op dit moment een punaise om het verkeer te remmen. Deze kan verwijderd worden als op het nieuwe kruispunt een plateau komt te liggen. Arianehof De oostelijke ontsluiting van ’t Veld via de Ruimtevaartbaan loopt via het al bestaande fietspad en trottoir naast de Arianehof. Om deze weg ook voor gemotoriseerd verkeer toegankelijk te maken, dient de weg verbreed te worden. Door de beperkte ruimte zal dit ten koste gaan van het groen langs het pad. In Figuur 6 is het beoogde dwarsprofiel weergegeven.
Hier is rekening gehouden met een gemengde rijbaan van 4,80 meter breed en een trottoir van 4,60 meter breed. Dit voldoet aan de richtlijnen van het CROW voor een ETW30 voor verkeer in twee richtingen. De totale benodigde breedte komt daarmee op 9,40 meter.
Dwarsprofiel van de oostelijke ontsluiting
In de huidige situatie is de totale breedte van het fietspad en trottoir circa 6,0 meter. De totaal benodigde breedte kan net als de andere ontsluiting beperkt worden tot 6,90 meter. De beoogde breedte van het trottoir kan hierbij ruim gehalveerd worden zonder dat dit kwaliteit inboet voor de voetgangers. Hierdoor kan er meer groen behouden worden. Op dit moment is de kruising tussen het fietspad en de Ruimtevaartbaan gelijkwaardig. Op het kruispunt ligt een plateau, waarop ook het Satellietpad en de Arianehof zijn aangesloten. Omdat de toekomstige ontsluiting ook hier een volwaardige weg
61
richting het plangebied betreft, is een gelijkwaardige kruising met plateau de meest geschikte oplossing. De Arianehof en het Satellietpad kunnen dan op dezelfde manier aangesloten blijven op het plateau.
Huidige situatie van de mogelijke toekomstige ontsluiting Het behouden van een fietspad op een ETW30 is niet wenselijk en dit is gezien de beperkte ruimte lastig haalbaar. Fietsers krijgen dus een plek op de rijbaan. Om de huidige fietsroute in stand te houden en de aandacht op het fietsverkeer te vestigen, zijn er twee opties voor de inrichting van de rijbaan: − een rijbaan in gebakken klinkers in een roodachtige kleur; − een fietsstraat in rood asfalt, die voldoet aan de inrichtingskenmerken voor een fietsstraat. De keuze voor een van deze opties is afhankelijk van de te verwachten intensiteiten van het fietsverkeer en de verhouding met de intensiteiten voor gemotoriseerd verkeer. Een fietsstraat is pas aan te bevelen als er minstens zoveel fietsers als auto’s rijden. Bij inrichting als fietsstraat is het daarbij ook aan te bevelen om éénrichtingsverkeer te overwegen, zodat er meer ruimte is voor de fietser en de kans op conflicten minder groot is. Daarnaast kan er nog extra aandacht worden gevestigd op de fietser die de Ruimtevaartbaan oversteekt, door het rode asfalt van het fietspad iets te verlengen richting de Ruimtevaartbaan en dit dus ook met de taludblokken te doen. Hierdoor zien automobilisten eerder dat hier een fietspad ligt. Vanzelfsprekend blijven de waarschuwingsborden J24 met onderbord OB02 + OB503 aan beide kanten van het kruispunt gehandhaafd.
Om overlast van koplampen te voorkomen kan hogere begroeiing op de juiste plekken in het groen een oplossing bieden, mits dit niet het zicht belemmerd.
62
Voorkeursvariant ontsluiting Om tot een voorkeursvariant te komen zijn beide varianten naast elkaar gezet en zijn de voor- en nadelen op een rij gezet. Voor de complete uiteenzetting wordt verwezen naar de memo ‘voorkeursvariant ontsluiting woningbouwinitiatief Ruimtevaartbaan (’t Veld)’17. Uit het verkeersonderzoek komt naar voren dat de keuze van de opties afhankelijk is van de te verwachten intensiteiten van het fietsverkeer en de verhouding met de intensiteiten voor gemotoriseerd verkeer. In 2019 hebben er metingen plaatsgevonden op het fietspad nabij het Arianehof, hier waren 862 fietsers geteld per etmaal, op een werkdag. Dit betreft 7,5% van de totaal aantal regionale fiets in IJsselstein. Met de nieuwe en verbeterde fietsverbinding is de verwachting dat dit aantal zal gaan groeien. De verwachtte verkeersgeneratie van gemotoriseerd verkeer vanuit de nieuwe ontwikkeling is gemiddeld 591 verkeersbewegingen per etmaal (bron Rapportage verkeersonderzoek Studio Verbinding 2023). Het aantal fietsers is dus meer dan het aantal auto’s en zal naar verwachting nog verder gaan groeien. Op basis van de uiteenzetting en het voorgenoemde wordt de voorkeur gegeven voor: Variant A: ontsluiting autoverkeer nabij Aquamarijnpad.
De belangrijkste redenen hiervoor zijn: − het ontstaan van een ‘klein’ gelijkwaardig kruispunt(plateau) met vier concrete takken; − het fietspad met veel fietsers blijft vrijgehouden van autoverkeer (veiligheid). Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
17
Gemeente IJsselstein. Memo: voorkeursvariant ontsluiting woningbouwinitiatief Ruimtevaartbaan (’t Veld). 63
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen;
64
2
5.1.3
via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2); 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels; 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
65
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groen, water, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden, wegen, uit/inritten, verhardingen en parkeervoorzieningen en bij deze bestemming behorende nutsvoorzieningen. Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor, tuinen, boomgaarden, water en voorzieningen voor de waterhuishouding. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten, wandel- en fietspaden met een functie gericht op zowel verblijf als op de afwikkeling van het verkeer. Tevens zijn de gronden bestemd voor bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, reclame-uitingen en water. Water De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor water ten behoeve van de waterhuishouding, ter plaatse van de aanduiding ‘steiger’ zijn tevens aanlegsteigers en vlonders toegestaan en ondergeschikt groen, bruggen, dammen en duikers.
Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, met dien verstande dat daar waar de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is weergegeven het maximaal aantal weergegeven wooneenheden is toegestaan, niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, parkeren op eigen erf, water en voorzieningen voor de waterhuishouding met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven. Hoofdgebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak, ter plaatse van de aanduiding; 'vrijstaand', 'twee-aaneen', 'aaneengebouwd', ‘specifieke bouwaanduiding - aaneengebouwd 1’, specifieke bouwaanduiding - aaneengebouwd 2’ en 'gestapeld' mag uitsluitend het aangeduide type worden gebouwd, met dien verstande dat daar waar twee aanduidingen zijn weergegeven ook beide aangeduide type mogen worden gebouwd. Leiding - Gas De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, het onderhoud en instandhouding van ondergrondse leidingen voor gastransport. De hartlijn van de leiding voor gastransport is gelegen ter plaatse van de aanduiding ‘hartlijn leiding – gas’.
66
Waarde - Archeologie 3 De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor de bescherming en instandhouding van archeologische waarden, alsmede secundair voor de andere op deze gronden liggende bestemmingen. Op de gronden, die bestemd zijn als 'Waarde - Archeologie 3' mogen slechts worden bebouwd, mits de archeologische belangen zich daartegen niet verzetten. Waarde - Archeologie 4 De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor de bescherming en instandhouding van archeologische waarden, alsmede secundair voor de andere op deze gronden liggende bestemmingen. Op de gronden, die bestemd zijn als 'Waarde - Archeologie 4' mogen slechts worden bebouwd, mits de archeologische belangen zich daartegen niet verzetten.
67
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld wordt van een toelichting waarin inzicht wordt gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk gemaakt worden door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, anders is sprake van een oneigenlijke bestemming. Hierna wordt inzicht gegeven in de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Het plan zelf wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling van de locatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening en de anterieure exploitatieovereenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend. De kosten voor de sanering van de druppelzones van de bestaande agrarische bebouwing wordt gedekt door de eigenaar van de agrarische bebouwing.
6.2
Maatschappelijk uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties.
6.2.1.1
Omgevingstafel 5 juli 2023 Provincie Utrecht De Provincie Utrecht was aangesloten bij de omgevingstafel en daaruit is de navolgende reactie gekomen: − De locatie is grotendeels buitenstedelijk. Dan geldt artikel 9.13 van onze interim omgevingsverordening (groen evenwichtig mee laten groeien). Om hier nadere duiding aan te geven, hebben we een handreiking nieuwe woongebieden opgesteld. Deze is inmiddels (4 juli) door GS vastgesteld. Ik zou de initiatiefnemer en gemeente aanraden om in een vroeg stadium het gesprek met de provincie (Groen Groeit Mee) aan te gaan. Het is een locatie die in de Interim Omgevingsverordening (IOV) als recreatiezone staat aangegeven. Het is van belang om de versterking van de recreatieve waarden in de plannen mee te nemen. − Uitbreiding locatie groen groeit mee. − Wat gaat deze wijk betekenen om het buitengebied mooier te maken. − Recreatieve structuur versterken − Parkeernorm liefst autoloos
68
In hoofdstuk 2 is ‘Groen Groeit Mee’ opgenomen waarbij is aangegeven hoe hier mee om gegaan wordt en welke aspecten terugkomen in onderhavig plan. Daarnaast is in hoofdstuk 2 ingegaan op het versterken van de recreatieve structuur. Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden Evenals de provincie was ook Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden aangesloten bij de omgevingstafel. Daarbij zijn de volgende opmerkingen gemaakt: Waterbeheerplan stroomopwaarts, handboek water in ruimtelijke plannen Voor dit plan geven wij een ja mits advies. − Er is voldoende ruimte om een goed watersysteem aan te leggen. − Er wordt voldoende water aangelegd dus waarschijnlijk een kleine kans op wateroverlast. − Wel zorgt de huidige inrichting nog niet voor goede waterkwaliteit en zijn er aandachtspunten voor het toekomstig beheer en onderhoud. − Woningen/steigers die in het water staan zijn water vergunningplichtig en mogen het onderhoud niet bemoeilijken. Hoe wel: − Zorgen voor een goede doorstroming van het water zonder inhammen maar het water als geheel breder maken. Flauwe natuurvriendelijke oevers toepassen − Graag praat het waterschap in detail door over het watersysteem (waterpeilen duikers bruggen) en hoe het onderhouden gaat worden. − Ook moet er een rioleringsplan worden gemaakt dat wordt afgestemd met gemeente en waterschap.
De waterparagraaf is uitgebreid met een waterplan waarin ook een waterbalans is opgenomen. Tevens is benadrukt dat de steigers die in het water staan vergunningsplichtig zijn. 6.2.1.2
Losse reacties Provincie Utrecht De provincie Utrecht heeft op 17 november 2023 per mail haar reactie 18 gedeeld op het voorontwerpbestemmingsplan Ruimtevaartbaan. Van uit het provinciale beleid vinden zij de toevoeging van 79 woningen in verschillende typologieën en segmenten een goede zaak en passend in het provinciaal beleid. Desalniettemin hebben zij een aantal opmerkingen en aandachtspunten ten aanzien van het plan. Dit betreft de volgende aspecten van ons beleid: 1. Groen groeit mee en landschappelijke inpassing; 2. Externe veiligheid; 3. Bodem en water; 4. Natuurbescherming; 5. Mobiliteit; 6. Archeologie; De diverse opmerkingen zijn daar waar aanpassing benodigd en mogelijk was verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.
18
Reactie Provincie Utrecht 17-11-2023. 69
GGD Utrecht De GGD Utrecht heeft in een losse reactie de volgende punten geadviseerd: − Zoals opgemerkt in het plan, zijn maatregelen nodig om de geluidhinder door het wegverkeer vanaf de A2 te mitigeren. Dit kan gedaan worden door de woningen zo te plaatsen dat er geluidsluwe plekken worden gecreëerd en in te richten met geluidluwe gevels. Het is dan van belang met name de slaapkamers afzijdig van de weg te plaatsen in de woning. Het is belangrijk dat de binnenwaarde uit het Bouwbesluit 2012 wordt gehaald voor de nieuwe woningen. Ook kan er gekeken worden naar bronmaatregelen zoals stil asfalt. − Bovenstaand advies geldt ook voor de luchtkwaliteit. Gedurende de spits kan de luchtkwaliteit onvoldoende blijken volgens de WHO-advieswaarde door de nabijgelegen A2 en kruispunt met de N210. Het is van belang de nieuw te bouwen woningen zo te bouwen dat rookkanalen niet nodig zijn. − Rekening te houden met de afstand van de nieuwe woningen en de herontwikkeling van het agrarische erf. Als het gaat om een herontwikkeling met veehouderij, dan rekening te houden met mogelijke geurhinder en het risico op verspreiding van infectieziekten. De woningen voldoen aan het bouwbesluit. De mogelijke maatregelen zijn aan bod gekomen in het akoestisch onderzoek. De woningen worden zodanig gebouwd dat rookkanalen niet nodig zijn.
Het (voormalig) agrarisch erf krijgt een woonbestemming en er zal geen sprake zijn van een herontwikkeling van een veehouderij. Gasunie In het plangebied ligt een gastransportleiding die eigendom is van de Gasunie. Op 31 oktober heeft de Gasunie een aantal opmerkingen gemaakt op het voorontwerp. Verbeelding Uit de toegestuurde verbeelding blijkt dat er diverse ontwikkelingen geprojecteerd worden over het plangebied. Onze gasinfrastructuur is in beginsel goed ingepast in het plan. Er zijn echter enkele ontwikkelingen die aanleiding geven tot opmerkzaamheid en nader onderzoek. Het gaat om de volgende ontwikkelingen. − De verbrede watergang met een vermoedelijke brug over dan wel naast onze gasinfrastructuur; − Ligging van onze gasinfrastructuur in de weg/berm met uitritten; − Riolering en nutstracé; − Aan te planten groen in de belemmeringenstrook; − Maaiveld wijzigingen ter hoogte van het leidingtracé; De bovenstaande aandachtspunten zijn door de tracébeheerder reeds naar voren gebracht in overleg met de ontwikkelaar van het plangebied. Planregels In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (of Bevb) is bepaald dat een bestemmingsplan de ligging van de leidingen en de daarbij behorende belemmeringenstrook weergeeft. Een adequaat artikel ‘Leiding-Gas’ maakt hier onderdeel van uit. Wij verzoeken u het artikel ‘Leiding – Gas’ op de volgende punten aan te passen:
70
1. Aanvullen bestemmingsomschrijving Wij verzoeken u om aan de bestemmingsomschrijving van artikel 8.1 sub a toe te voegen dat de aangewezen gronden mede bestemd zijn voor de voorzieningen horend bij de gasinfrastructuur inclusief belemmeringenstrook. 2. Opnemen adequate regeling afwijken van bouwregels Wij verzoeken u om artikel 8.3 sub a op de volgende punten aan te passen: − het woord ‘onevenredig’ te schrappen (dit geldt ook voor het woord ‘onevenredig’ in artikel 8.4.3 sub a); − met het volgende toetsingskader: − dat de veiligheid van de gasleiding mag niet worden geschaad; − dat er geen kwetsbare objecten worden toegelaten. De aandachtspunten voor de plankaart zijn meegenomen in de verdere planontwikkeling. De aanpassingen in de planregels zijn verwerkt. Veiligheidsregio Utrecht De veiligheidsregio Utrecht heeft op 28 november 2023 advies 19 gegeven op het voorontwerpbestemmingsplan. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied Rijksweg A2 wegtraject U15 en U84, buisleiding met kenmerk W-518-01 waarover/-door transport gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Na bestudering van de toegezonden stukken concludeert de veiligheidsregio dat als gevolg van de geplande ontwikkeling het realiseren van 79 woningen het hoogste groepsrisico per kilometer van de hogedruk aardgastransportleiding de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.
In het advies wordt ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de Rijksweg A2, buisleiding met kenmerk W-518-01 alsmede de mogelijkheden tot zelfredzaamheid in het plangebied in het kader van de verantwoording van het groepsrisico. In de bijlagen van het advies vindt u een toelichting per adviespunt. De aangebrachte wijzigingen in het ontwerp hebben geen verandering in de bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen van de wijk aangetoond. Daarentegen is een aantal zaken uit de vorige adviesbrief opgenomen in de paragraaf 4.6 externe veiligheid van de toelichting van het bestemmingsplan. Echter blijft onduidelijk hoe vaststaand deze zaken zijn en worden deze enkel ter overweging aangehaald. De punten uit het eerdere advies blijven onverminderd van kracht. De diverse genoemde bouwkundige maatregelen zoals het toepassen van brand- en hittewerende beglazing, afschakelbare ventilatie, het bedekken van de aardgasleiding en het gebruik maken van dakpannen worden meegenomen in de plannen. 6.2.2
Zienswijzen Op de bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan heeft het ontwerpbestemmingsplan voor een periode
19
Veiligheidsregio Utrecht. Advies voorontwerpbestemmingsplan Ruimtevaartbaan IJsselstein. 2023-018056, 28 november 2023. 71
van zes weken van 28 december 2023 tot en met 7 februari 2024 voor een ieder ter inzage worden gelegd. In deze periode zijn vier zienswijzen binnengekomen welke beantwoord zijn in de nota van beantwoording zienswijzen en wijzigingen.
72
Bestemmingsplan | Regels
IJsselstein, Ruimtevaartbaan
Gemeente IJsselstein
Datum: 29 november 2024 Projectnummer: 210231.01 ID: NL.IMRO.0353.Ruimtevaartbn-Va01
INHOUD REGELS
1
Inleidende regels
3
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
3 7
2
Bestemmingsregels
8
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Groen Tuin Verkeer Water Wonen Leiding - Gas Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4
8 9 11 12 13 17 19 21
3
Algemene regels
23
Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
23 23 23 24 24 24
4
Overgangs- en slotregels
26
Artikel 17 Artikel 18
Overgangsrecht Slotregel
26 26
Bijlage Bijlage 1 – Staat van Bedrijfsactiviteiten – functiemenging
De verbeelding Verbeelding met legenda
1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen
1.1
plan het bestemmingsplan ‘IJsselstein, Ruimtevaartbaan’ met identificatienummer NL.IMRO.0353.Ruimtevaartbn-On01 van de gemeente IJsselstein.
1.2
bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlage.
1.3
aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.4
aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.5
aan- en uitbouw een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.
1.6
aan huis verbonden beroep een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, uitgezonderd prostitutie, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.7
aan huis verbonden bedrijf een bedrijf, uitgezonderd prostitutie, dat in een (gedeelte van) een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de gebruik(st)er van de woning, en dat niet krachtens een milieuwet omgevingsvergunningplichtig of meldingsplichtig is.
1.8
achtererf de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.
1.9
afhankelijke woonruimte een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.
1.10
archeologisch onderzoek onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.
3
1.11
archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.
1.12
bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
1.13
bedrijf een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.
1.14
bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen de afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.15
bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak.
1.16
bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.17
bevoegd gezag het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.18
bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
1.19
bouwgrens de grens van een bouwvlak.
1.20
bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.21
bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel.
1.22
bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
1.23
bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
4
1.24
bijbehorend bouwwerk de uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
1.25
bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
1.26
dakkapel een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.
1.27
dakopbouw een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst.
1.28
detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
1.29
dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen.
1.30
gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.31
hoofdgebouw een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
1.32
kap een constructie van één of meer dakvlakken met een helling van meer dan 30° en minder dan 65°.
1.33
mantelzorg het bieden van zorg aan eenieder die aantoonbaar hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.
1.34
NEN de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.
5
1.35
niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publieksgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse.
1.36
nutsvoorzieningen de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
1.37
overig bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
1.38
overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak.
1.39
peil a voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
1.40
publieksgerichte aan huis verbonden beroeps of bedrijfsactiviteiten een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksgericht zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan.
1.41
slopen het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.
1.42
Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' die als bijlage 1 van deze regels deel uitmaakt.
1.43
voorerf gedeelte van het erf dat voor de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan is gelegen.
1.44
voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt, of zodanig wordt aangegeven op de verbeelding met het figuur ‘gevellijn’.
6
1.45
woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
1.46
zijerf de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.
Artikel 2
Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1
afstand de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.
2.2
bouwhoogte van een antenne-installatie a ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; b ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie.
2.3
bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.4
breedte, lengte en diepte van een gebouw tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren.
2.5
goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.6
inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.7
oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2.8
vloeroppervlakte de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.
7
2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels Groen Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a groen, water, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden; b wegen, uit/inritten, verhardingen en parkeervoorzieningen; c bij deze bestemming behorende nutsvoorzieningen.
3.2 3.2.1
Bouwregels Nutsvoorzieningen Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de volgende regels: a de oppervlakte mag maximaal 15 m2 bedragen; b de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen.
3.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a de bouwhoogte van lichtmasten mag maximaal 6 m bedragen; b de bouwhoogte van vlaggenmasten mag maximaal 5 m bedragen; c de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3 m bedragen.
8
Artikel 4
Tuin
4.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a tuinen; b boomgaarden; c water en voorzieningen voor de waterhuishouding.
4.2
Bouwregels Op deze gronden mogen, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd en gelden de volgende regels: a de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m; b de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2 m; c de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 5 m; d de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 2 m.
4.3 4.3.1
Afwijken van de bouwregels Erkers Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 4.2 voor het bouwen van erkers bij de hoofdgebouwen van de op de aangrenzende gronden gelegen woningen, mits: a de horizontale diepte maximaal 1,5 m bedraagt; b de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 m bedraagt; c voor zover de erker wordt gebouwd tegen de voorgevel van het hoofdgebouw de breedte maximaal 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt; d de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m.
4.3.2
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 4.2 voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen behorend bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, mits: a het bepaalde in artikel 7.2.2 met betrekking tot de oppervlakte van toepassing is; b de goothoogte maximaal 3 m dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, indien meer dan 3 m, + 0,25 m; c de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de bouwhoogte van het hoofdgebouw - 2 m, met een maximale bouwhoogte van ten hoogste 4,5 m; d de afstand tot de voorgevelrooilijn bedraagt ten minste 2 m.
9
4.3.3
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.1 en artikel 4.2 wordt pas verleend indien: a de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad; c parkeerplaatsen op eigen terrein, dan wel het gebruik hiervan, hiermee niet komen te vervallen.
10
Artikel 5
Verkeer
5.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a wegen, straten, wandel- en fietspaden met een functie gericht op zowel verblijf als op de afwikkeling van het verkeer; b bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, reclame-uitingen en water.
5.2
Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de wegaanduiding of de verlichting, bedraagt ten hoogste 2 m; c de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 6 m; d de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 5 m; e de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 5 m.
11
Artikel 6
Water
6.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a water ten behoeve van de waterhuishouding; b ter plaatse van de aanduiding ‘steiger’ zijn tevens aanlegsteigers en vlonders toegestaan; c ondergeschikt groen; bruggen, dammen en duikers.
6.2
Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b de bouwhoogte van bruggen en viaducten bedraagt ten hoogste 8 m; c de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijden bedraagt ten hoogste 4 m.
12
Artikel 7
Wonen
7.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a woningen, met dien verstande dat daar waar de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is weergegeven het maximaal aantal weergegeven wooneenheden is toegestaan; b niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; c parkeren op eigen erf; d water en voorzieningen voor de waterhuishouding; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven.
7.2 7.2.1
Bouwregels Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a hoofdgebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak; b ter plaatse van de aanduiding: 1 'vrijstaand'; 2 'twee-aaneen'; 3 'aaneengebouwd'; 4 ‘specifieke bouwaanduiding - aaneengebouwd 1’; 5 ‘specifieke bouwaanduiding - aaneengebouwd 2’; 6 'gestapeld', mag uitsluitend het aangeduide type worden gebouwd, met dien verstande dat daar waar twee aanduidingen zijn weergegeven ook beide aangeduide type mogen worden gebouwd; c de goothoogte bedraagt maximaal 7 m, dan wel de aangegeven maximum goothoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)'; d de bouwhoogte bedraagt maximaal 12 m, dan wel de aangegeven maximum bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'.
7.2.2
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat: 1 de bijgebouwen ten behoeve van de woningen met de ‘specifieke bouwaanduiding - aaneengebouwd 2’ ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ worden gerealiseerd; b bij gestapelde woningen mogen geen aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd; c aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen moeten worden gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 2 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is; d in afwijking van het bepaalde in artikel 7.2.2 lid c zijn bijgebouwen, overkappingen en carports ook op het voorerf toegestaan ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan’;
13
e de breedte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen of aangebouwde overkappingen aan de achtergevel van het hoofdgebouw mag maximaal de breedte van de achtergevel van het hoofdgebouw bedragen; f de breedte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen of aangebouwde overkappingen aan de zijgevel van het hoofdgebouw mag maximaal 60% van de oorspronkelijke breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw bedragen; g de afstand van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt bij woningen in de onderstaande categorieën ter plaatse van de aanduiding: 1 'vrijstaand' aan twee zijden minimaal 0,5 m; 2 'twee-aaneen' aan één zijde minimaal 0,5 m; 3 'specifieke bouwaanduiding - aaneengebouwd 1' aan de niet-aangebouwde zijde van de eindwoningen minimaal 0,5 m; dan wel de bestaande afstand indien deze minder is. h de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, (vrijstaande) bijgebouwen en overkappingen mag bij woningen ter plaatse van de aanduiding: 1 'vrijstaand' maximaal 60 m2 bedragen; 2 'twee-aaneen' maximaal 50 m2 bedragen; 3 'aaneengebouwd' maximaal 42 m2 bedragen; dan wel het bestaande oppervlak indien deze meer is.
i in afwijking van het bepaalde onder h mag de gezamenlijke oppervlakte van aanen uitbouwen, (vrijstaande) bijgebouwen en overkappingen op het zij- en achtererf maximaal 100 m2 bedragen, indien de oppervlakte van het bouwperceel meer bedraagt dan 1.000 m2; j het voor-, zij- en achtererf mag niet voor meer dan 50% worden bebouwd; k de goothoogte van aan- en uitbouwen mag maximaal 3 m bedragen dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, indien meer dan 3 m, + 0,25 m, dan wel de bestaande goothoogte indien deze meer is; l de bouwhoogte van aan- en uitbouwen mag maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw - 2 m bedragen, waarbij geldt dat de bouwhoogte in ieder geval 3 m mag bedragen en maximaal 4,5 m, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is; m de maximale goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt 3 m/4,5 m dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is. 7.2.3
Erkers aan de voorgevel Voor het bouwen van erkers aan de voorgevel van de woning buiten het bouwvlak gelden de volgende regels: a de horizontale diepte mag maximaal 1,5 m bedragen; b de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden bedraagt minimaal 2,5 m; c de breedte mag maximaal 2/3 van de breedte van de gevel waar aan gebouwd wordt bedragen; d de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m.
14
7.2.4
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw mag maximaal 1 m bedragen; b de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw mag maximaal 2 m bedragen. Indien de bestaande bouwhoogte meer bedraagt dan de toegestane bouwhoogte, dan geldt deze bestaande bouwhoogte als de maximaal toegestane bouwhoogte; c de bouwhoogte van pergola's achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw mag maximaal 2,5 m bedragen; d de bouwhoogte van vlaggenmasten mag maximaal 5 m bedragen; e de bouwhoogte van hekwerken op een balkon of dakterras mag niet meer bedragen dan 1,2 m gemeten vanaf de bovenkant van de vloer van het balkon of dakterras; f de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2 m bedragen; g voor het bouwen van zwembaden gelden de volgende regels: 1 de oppervlakte van een zwembad mag maximaal 25 m2 bedragen; 2 in afwijking van het bepaalde onder 1 mag de oppervlakte van een zwembad maximaal 50 m2 bedragen, indien de oppervlakte van het bouwperceel meer bedraagt dan 250 m2; 3 het zij- en achtererf mag voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd; 4 de afstand van een zwembad tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt minimaal
1 m.
7.3 7.3.1
Afwijken van de bouwregels Afwijken Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a artikel 7.2.2 onder g voor bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot op de zijdelingse perceelsgrens; b artikel 7.2.2 onder h voor het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van aanen uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen met maximaal 20 m2, uitsluitend in verband met het gebruik van voornoemde bouwwerken als afhankelijke woonruimte, mits een dergelijk gebruik noodzakelijk is uit het oogpunt van mantelzorg; c artikel 7.2.2 onder l voor het realiseren van een dakopbouw op een bestaande, aangebouwde garage met dien verstande dat: 1 de bouwhoogte maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw - 1,20 m bedraagt; 2 de kaprichting gelijk is aan de kaprichting van het hoofdgebouw; 3 de hellingshoek van de dakopbouw gelijk is aan de hellingshoek van het hoofdgebouw ± 5%.