Bijlage 1. Vast te stellen bestemmingsplan IJsselstein, Ruimtevaartbaan
Tekst van het document
7.3.2
Voorwaarden Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits: a de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad; c parkeerplaatsen op eigen terrein, dan wel het gebruik hiervan, hiermee niet komen te vervallen.
15
7.4 7.4.1
Specifieke gebruiksregels Niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit Binnen deze bestemming is gebruik van een deel van de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning, met inbegrip van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, mag worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat dit nooit meer mag bedragen dan 50 m2; b degene die de activiteit in de woning of het daarbij behorende bijgebouw zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; c aan huis verbonden activiteiten die vallen onder categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' zijn toegestaan, voor zover ze voldoen aan de hiervoor genoemde criteria.
7.5 7.5.1
Afwijken van de gebruiksregels Afwijken publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.1 teneinde binnen een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen de uitoefening van een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis toe te staan. Hiervoor dient aan de volgende criteria de worden voldaan: a maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, mag worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat dit nooit meer mag bedragen dan 50 m2; b degene die de activiteit in de woning of het daarbij behorende bijgebouw zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; c het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en de parkeersituatie ter plaatse; d de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de woonomgeving; e er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit, met een maximum van 15% van de omzet; f aan huis verbonden activiteiten die vallen onder categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' zijn toegestaan, voor zover ze voldoen aan de hiervoor genoemde criteria.
16
Artikel 8
Leiding - Gas
8.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a de aanleg, het onderhoud en instandhouding van ondergrondse leidingen voor gastransport en voorzieningen horend bij de gasinfrastructuur inclusief belemmeringenstrook. De hartlijn van de leiding voor gastransport is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - gas'.
8.2
Bouwregels a op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming, zoals in artikel 8.1 bedoeld, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 3 m; b ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
8.3
Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8.2 ten behoeve van bouwwerken die zijn toegestaan ingevolge de ter plaatse aangewezen bestemming, mits: a de veiligheid van de gasleiding niet wordt geschaad; b er geen kwetsbare objecten worden toegelaten.
8.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning Het is verboden op de in artikel 8.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: a het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; c het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; e het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
8.4.1
17
8.4.2
Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 8.4.1 is niet van toepassing indien de werkzaamheden of werken: a noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in artikel 8.3 bedoeld; b normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; c reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; d reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.
8.4.3
Toelaatbaarheid a een omgevingsvergunning wordt verleend, voor zover het leidingbelang door de werken of werkzaamheden niet wordt geschaad; b een omgevingsvergunning wordt pas verleend, nadat schriftelijk advies is gevraagd bij de leidingbeheerder.
18
Artikel 9
Waarde - Archeologie 3
9.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor de bescherming en instandhouding van archeologische waarden, alsmede secundair voor de andere op deze gronden liggende bestemmingen.
9.2
Bouwregels Op de gronden, die bestemd zijn als 'Waarde - Archeologie 3' mogen slechts worden gebouwd bouwwerken overeenkomstig de in artikel 9.1 genoemde bestemmingen, mits de archeologische belangen zich daartegen niet verzetten.
9.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a Het is verboden om of in de gronden, die op de plankaart zijn aangewezen voor Waarde - Archeologie 3 en gelegen zijn buiten de aangegeven bouwvlakken, zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: 1 verlagen van het maaiveld door afgraven, saneren, afplaggen, zodenextractie, egaliseren, ontgronden. Het vergraven/baggeren van de waterbodem; 2 ophogen en aanleg baggerdepots, met een hoogte van meer dan 1 m; 3 ondergrondse sloopwerkzaamheden, woelen, mengen, ploegen, ontginnen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 80 cm; 4 heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven, inwoelen, inspuiten of boren van voorwerpen of verticale drainage (bronnering, vertidrain); 5 verlagen of verhogen van het waterpeil; 6 aanleggen van bos of boomgaard of het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; 7 aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verbandhoudende constructies, installaties of apparatuur; 8 het aanbrengen of verwijderen van diepgewortelde beplantingen; 9 baggerwerkzaamheden.
b Het verbod als bedoeld in artikel 9.3 onder a: 3 t/m 9 is niet van toepassing, indien de werkzaamheden of werken: 1 een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m2; 2 reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; 3 mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning aanleg werken of een ontgrondingvergunning, of; 4 ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. c De aanvrager van een omgevingsvergunning aanleg werken als bedoeld in lid a, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, is vastgesteld. d Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning aanleg werken indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 9.3 onder c genoegzaam blijkt dat: 1 er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
19
2 schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van een omgevingsvergunning aanleg werken verbonden regels. e Het bevoegd gezag kan de volgende regels aan de omgevingsvergunning aanleg werken verbinden: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen; of 3 de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. f Indien het bepaalde in artikel 9.3 lid e onder 3 van toepassing is, wordt in de regels geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken. 9.4
Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' te wijzigen of geheel of gedeeltelijk van de plankaart te verwijderen, indien: a uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn op zich op een andere plaats bevinden; b het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarde voorziet.
20
Artikel 10
Waarde - Archeologie 4
10.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor de bescherming en instandhouding van archeologische waarden, alsmede secundair voor de andere op deze gronden liggende bestemmingen.
10.2
Bouwregels Op de gronden, die bestemd zijn als 'Waarde - Archeologie 4' mogen slechts worden gebouwd bouwwerken overeenkomstig de in artikel 10.1 genoemde bestemmingen, mits de archeologische belangen zich daartegen niet verzetten.
10.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a Het is verboden om of in de gronden, die op de plankaart zijn aangewezen voor ‘Waarde - Archeologie 4’ en gelegen zijn buiten de aangegeven bouwvlakken, zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: 1 verlagen van het maaiveld door afgraven, saneren, afplaggen, zodenextractie, egaliseren, ontgronden. Het vergraven/baggeren van de waterbodem; 2 ophogen en aanleg baggerdepots, met een hoogte van meer dan 1 m; 3 ondergrondse sloopwerkzaamheden, woelen, mengen, ploegen, ontginnen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 390 cm; 4 heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven, inwoelen, inspuiten of boren van voorwerpen of verticale drainage (bronnering, vertidrain); 5 verlagen of verhogen van het waterpeil; 6 aanleggen van bos of boomgaard of het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; 7 aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verbandhoudende constructies, installaties of apparatuur; 8 het aanbrengen of verwijderen van diepgewortelde beplantingen; 9 baggerwerkzaamheden.
b Het verbod als bedoeld in artikel 10.3 onder a: 3 t/m 9 is niet van toepassing, indien de werkzaamheden of werken: 1 een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.500 m2; 2 reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; 3 mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning aanleg werken of een ontgrondingvergunning, of; 4 ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. c De aanvrager van een omgevingsvergunning aanleg werken als bedoeld in lid a, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, is vastgesteld. d Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning aanleg werken indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 10.3 onder c genoegzaam blijkt dat: 1 er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
21
2 schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van een omgevingsvergunning aanleg werken verbonden regels. e Het bevoegd gezag kan de volgende regels aan de omgevingsvergunning aanleg werken verbinden: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen; of 3 de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. f Indien het bepaalde in artikel 10.3 lid e onder 3 van toepassing is, wordt in de regels geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken. 10.4
Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Waarde - Archeologie 4' te wijzigen of geheel of gedeeltelijk van de plankaart te verwijderen, indien: a uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn op zich op een andere plaats bevinden; b het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarde voorziet.
22
3
Algemene regels
Artikel 11
Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 12
Algemene bouwregels
12.1
Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door: a tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; b tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; c andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.
12.2
Bestaande maten Met betrekking tot bestaande maten geldt het volgende: a voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhoudsen oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1 bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden; 2 bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden; b ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; c op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het overgangsrecht bouwwerken, als opgenomen in dit plan, niet van toepassing.
Artikel 13 13.1
Algemene gebruiksregels Verboden gebruik Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan: a een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
23
b een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; c het gebruik van gronden en wateren als permanente ligplaats voor woonboten of (woon-)schepen; d een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie. 13.2
Artikel 14 14.1
Artikel 15 15.1
Artikel 16 16.1
Voorwaardelijke verplichting natuur De (bouw)activiteiten zoals genoemd onder Artikel 3, Artikel 4, Artikel 5, Artikel 6 en Artikel 7 zijn slechts toegestaan indien voorafgaand aan de (bouw)activiteiten een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten is verleend voor de aanwezige beschermde soorten.
Algemene afwijkingsregels Maten en bouwgrenzen Tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van de regels voor: a afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
Algemene wijzigingsregels Overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
Overige regels Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
24