Bijlage 1. Vast te stellen bestemmingsplan IJsselstein, Ruimtevaartbaan
Tekst van het document
graafwerkzaamheden tot 360 cm -mv (-312 cm NAP) te vermijden. Daarnaast wordt aanbevolen om het eventuele funderingspalenplan archeologie vriendelijk te ontwerpen. Als wel tot in de archeologisch relevante niveaus wordt gegraven, dan wordt aanbevolen te bepalen of archeologische resten aanwezig zijn door het uitvoeren van een booronderzoek in de karterende fase. Nadelig effect is elk geval uitgesloten. De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig
4.2
Bodem Algemeen In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Binnen het plangebied is een verkennend bodemonderzoek en een verkennend asbest in grondonderzoek uitgevoerd. De rapportage 7 is bijgevoegd in de bijlage. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen herontwikkeling en bouwactiviteiten op de locatie. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat: − de bodem overwegend uit (zandige) kleilagen bestaat. Plaatselijk is in de (diepe) ondergrond een zandlaag aangetroffen; − ter plaatse van de verharding is een cunet met matig grof zand aanwezig; − op het maaiveld en in de bodem is op zintuiglijke wijze geen bijmenging met asbestverdacht materiaal aangetroffen; − een deel van het perceel, rondom de vaste mestopslag, is verhard met een puinverharding. Aanvullend heeft een asbest in puinonderzoek plaatsgevonden; − in de bovengrond is ter plaatse van de schuur een bijmenging met sporen baksteen en/of matig tot sterk ondefinieerbaar puin aangetroffen.
Ondefinieerbaar puin
7
De Klinker. Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbest onderzoek. K2320111, 18 juli 2023. 30
is asbestverdacht. Aanvullend heeft een asbest in grondonderzoek plaatsgevonden. Druppelzone schuur Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: − ter plaatse van de schuur heeft het asbesthoudende dak aan de noordzijde geen deugdelijk dakgoot en/of is het terrein onder de druppelzone niet verhard; − in de bodem is op zintuiglijke wijze geen asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen; − analytisch in de bodem van de druppelzone een berekend asbestgehalte van 2189 mg/kg ds. aangetroffen. Het gehalte aan asbest overschrijdt daarmee de restconcentratienorm van 100 mg/kg ds. uit het Besluit bodemkwaliteit; − de toplaag bevat een verhoogd gehalte aan PCB. De grond wordt geclassificeerd als bodemklasse Industrie; − de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ dient aangenomen te worden; − de aangetroffen concentratie overschrijdt de interventiewaarde voor asbest, derhalve is een sanering noodzakelijk. Boomgaard (voormalige fruitteelt) Uit de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat: − in de toplaag (tot 0,3 m-mv) geen gehalten aan chloorbestrijdingsmiddelen (OCB) boven de achtergrondwaarden zijn aangetoond. De grond wordt op basis van de analyseresultaten geclassificeerd als bodemklasse Landbouw/natuur;; − de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen’ kan daarmee verworpen worden.
(Gedempte) watergangen Uit de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat: − uit historische kaarten blijkt dat binnen het plangebied (voormalige) watergangen aanwezig zijn geweest welke mogelijk zijn gedempt. De kwaliteit van het dempingsmateriaal is niet bekend. Ter plaatse is middels raaien mogelijke dempingen onderzocht; − in de meest verdachte bodemlagen (per raai) is plaatselijk een verhoogd gehalte aan nikkel aangetroffen. De grond wordt geclassificeerd als bodemklasse Landbouw/natuur. Opgemerkt wordt dat in de ondergrond zintuiglijk geen afwijkingen zijn aangetoond welke duiden op een demping; − in de bovengrond van de raai uitgevoerd ter plaatse van de paardenrijbak is zintuiglijk een bijmenging met sterk baksteenhoudend aangetroffen. De bijmenging is vermoedelijk aangebracht als terreinverharding en betreft waarschijnlijk geen dempingsmateriaal. De desbetreffende bodemlaag (0,30-0,80 m-mv) bevat verhoogde gehalten aan zware metalen (koper, lood, nikkel en zink) en PCB. De grond wordt op basis van de analyseresultaten geclassificeerd als bodemklasse Industrie; − de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van dempingsmateriaal’ dient daarmee formeel aangenomen te worden. De aangetroffen gehalten in de grond zijn echter van dien aard dat de onderzoeksinspanning niet hoeft te worden herzien. Gehele terrein
31
Uit de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat: − de bovengrond bevat plaatselijk een verhoogde gehalte aan het zware metaal nikkel; − de ondergrond bevat plaatselijk een verhoogd gehalte aan arseen, nikkel cadmium en lood; − de boven- en ondergrond wordt op basis van de analyseresultaten geclassificeerd als bodemklasse Landbouw/natuur; − plaatselijk is in de bodem ondefinieerbaar puin aangetroffen. Zowel visueel als analytisch is geen asbest in de puinhoudende grond aangetroffen; − plaatselijk is het terrein verhard met een puingranulaat. Zowel visueel als analytisch is in het puingranulaat geen asbest aangetoond; − in het grondwater een verhoogd gehalte aan barium en naftaleen is gemeten; − bij een herbemonstering en -analyse van het grondwater uit peilbuis Pb18 is eveneens een verhoogd gehalte aan barium gemeten. Er zijn geen aanwijzingen voor een mogelijke bron. De verhoogde concentratie barium heeft mogelijk een natuurlijke oorzaak; − de hypothese ‘de locatie is onverdacht op de aanwezigheid van verontreinigingen’ dientverworpen te worden, echter hoeft de onderzoeksinspanning niet aangepast te worden. Algemeen Op het zuidwestelijk terreindeel is een fietspad, bestaande uit een asfaltverharding, gelegen. Vooralsnog zal het fietspad worden behouden.
Indien het fietspad zal worden opgebroken wordt geadviseerd om voorafgaand het asfalt te onderzoeken op teerhoudendheid (PAK (10 VROM)). Eveneens kan vastgesteld worden of er een fundatie onder de verharding aanwezig is alsmede de kwaliteit van het fundatiemateriaal. Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond op een locatie buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk). De conclusies hebben uitsluitend betrekking op de geselecteerde deellocaties en de geanalyseerde componenten. Gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Conclusie De aangetroffen concentratie ter plaatse van de druppelzones overschrijdt de interventiewaarde voor asbest, derhalve is een sanering noodzakelijk.
4.3
Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere gevoelige functies mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting
32
akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn formeel uitgesloten van akoestisch onderzoek. Toetsing In het kader van de te doorlopen juridisch-planologische procedure is onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai 8. Onderstaande afbeelding laat de vertaling zien naar het akoestisch rekenmodel.
Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van de bouwvlakken kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Autosnelweg A2 Ten gevolge van de autosnelweg A2 treden er overschrijdingen op van de voorkeursgrenswaarde. De hoogste geluidbelasting bedraagt 50 dB op de oostgevels van bouwvlak 2, 3 en 21. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van financiële, verkeerskundige en stedenbouwkundige aard. Hogere grenswaarden zijn daarom benodigd ten gevolge van de autosnelweg A2. De hoogste aan te vragen grenswaarden per bouwvlak zijn weergegeven in onderstaande tabel.
8
SAB. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. IJsselstein, Ruimtevaartbaan. 210231.01, 30 september 2024. 33
Bouwvlak 2 21
Aan te vragen hogere grenswaarde in dB ten gevolge van de autosnelweg A2 50 50
Hoogste aan te vragen hogere grenswaarden per gebouw
De bouwvlakken waar overschrijdingen optreden hebben allen één of meerdere geluidluwe gevels, dat wil zeggen een gevel waar de geluidbelasting 48 dB of lager is. Daarmee wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid. De Baan Ten gevolge van De Baan treden geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde op. De hoogste geluidbelasting bedraagt 23 dB. Er wordt voldaan aan de Wgh. Edelstenenbaan Ten gevolge van de Edelstenenbaan treden geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde op. De hoogste geluidbelasting bedraagt 22 dB. Er wordt voldaan aan de Wgh. Omliggende 30 km/uur wegen Als gevolg van de 30 km/uur wegen Ruimtevaartbaan, Ametishof, Arianehof, Basishof en Smaragdhof wordt de gehanteerde voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De hoogste geluidbelasting bedraagt 39 dB. Er is vanwege deze wegen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Cumulatie en nadere maatregelen bij de ontvanger Voor onderhavig plan is een hoogste gecumuleerde geluidbelasting waarneembaar van 52 dB, exclusief aftrek artikel 110g Wgh. Bij de aanvraag van een ‘Omgevingsvergunning bouwen’ dient in ieder geval door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde uit het Bouwbesluit 2012 wordt gehaald voor de nieuwe woningen. De karakteristieke gevelwering van circa 20 dB zal waarschijnlijk voldoende zijn om aan de binnenwaarde te voldoen.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.4
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau
34
voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit.
Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO 2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.
Toetsing De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de
35
jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen NO2 concentratie PM10 concentratie PM2,5 concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
2022 20 – 25 µg/m3 16 – 18 µg/m3 8 – 10 µg/m3
2030 15 – 20 µg/m3 14 – 16 µg/m3 6 – 8 µg/m3
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van IJsselstein. De directe omgeving bestaat voornamelijk uit woongebied. Ten zuiden van het plangebied bevinden zich enkele bedrijven, zoals het bedrijf De Tussenvoorziening BOKA, welke wordt gebruikt voor de tijdelijke opvang van dak- en thuislozen. De gronden hebben de bestemmingen ‘Maatschappelijk’. Noordelijk van het plangebied bevindt zich slechts een recreatiegebied. Aangezien het slechts een beperkt aantal bedrijven betreft en de omgeving
36
voornamelijk woongebied betreft, kan het gebied worden aangeduid als ‘rustige woonwijk’. De aanwezige bedrijvigheid met de bijhorende richtafstand is in de navolgende tabel opgenomen, ook is de werkelijke afstand van de bedrijvigheid tot de nieuwbouwwoningen weergegeven. Bedrijfssoort
Adres
Omschrijving VNG
Grootste richtafstand (m)
Woonzorgcentrum
Hitteschild 6
Verpleeghuis
30 (geluid)
Gemeten afstand (m) ± 100
Daarnaast worden er in de omgeving van het plangebied enkele aan huis verbonden beroepen uitgeoefend, welke hoogstens onder milieucategorie 1 vallen. Hiervan wordt een richtafstand van 10 meter gehanteerd. Geen van de nieuwbouwwoningen valt binnen deze richtafstand. De zorginstelling en de overige bedrijven worden niet beperkt door de voorgenomen ontwikkeling, nader onderzoek is niet noodzakelijk. Met de onderhavige ontwikkeling wordt geen hinder veroorzakende activiteit mogelijk gemaakt. Zodoende is er geen sprake van belemmering van omliggende gevoelige functies. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
37
Toetsing In het kader van de waarborging van de externe veiligheid is het van belang om de risicobronnen rondom het plangebied in kaart te brengen. Onderstaande figuur voorziet hierin en toont alle in de nabije omgeving van het plangebied gelegen risicobronnen. Deze zijn slechts een indicatie van alle potentiële gevaren in het kader van externe veiligheid in de nabijheid.
Uitsnede digitale risicokaart met aanduiding plangebied (blauwe cirkel) bron: www.atlasleef-
omgeving.nl [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8]
Buisleiding, W-518-01; Risicovolle inrichting, Zwembad De Hooghe Waerd; Buisleiding, DPO-208; Transportroute weg, A2 (U15); Risicovolle inrichting, BP De IJssel; Risicovolle inrichting, Skibaan Nieuwegein; Risicovolle inrichting, Coöperatie De Nedereindse Berg; Transportroute weg, autosnelweg A2 (U84).
In het onderzoek externe veiligheid9 is gekeken naar de volgende aspecten, die van invloed kunnen zijn op het plangebied, op maximaal 1,5 kilometer afstand: 9
SAB. Externe veiligheid, IJsselstein Ruimtevaartbaan. 210231.01, 3 oktober 2024. 38
− risicovolle inrichtingen; − transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; − transport van gevaarlijke stoffen over spoor, water en weg. Uit de inventarisatie van nabije risicobronnen blijkt het volgende: − de ontwikkellocatie bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, watertrajecten en/of spoortrajecten; − de ontwikkellocatie bevindt zich binnen het invloedsgebied van één gasleiding. Een nader onderzoek is derhalve vereist; − de ontwikkellocatie bevindt zich binnen het invloedsgebied van wegtraject autosnelweg A2 (U15 en U84), maar valt buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone), derhalve kan hierbij worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Beperkte verantwoording groepsrisico Voor de nabij gelegen gasleiding W-518-01 was uitvoering van een groepsrisicoberekening vereist. Hieruit blijkt dat zowel in de huidige situatie evenals in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet wordt overschreden. Ondanks dat het plangebied grotendeels binnen de 100%-letaliteitszone ligt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, gezien het gegeven dat het groepsrisico minder dan 10% toeneemt ten opzichte van de huidige situatie.
Tevens ligt de locatie in het invloedsgebied van de autosnelweg A2 (wegtraject U15 en U84), maar valt buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone), derhalve kan hierbij worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de vigerende veiligheidsplannen van de gemeente IJsselstein en de Veiligheidsregio en de daarin gemaakte keuzes. Fakkelbrand Een mogelijke spontane breuk van een aardgasleiding is niet te verwachten. Een breuk wordt meestal door externe factoren, zoals graafwerkzaamheden, veroorzaakt. Het ontsnappende gas zal ontsteken en hierdoor ontstaat een fakkelbrand, met als effecten warmtestraling en rook.
39
Scenario fakkelbrand (Bron: scenarioboeken.nipv.nl)
Giftige wolk Een giftige plas ontstaat doordat de tank van de tankwagen openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor stroomt een groot deel van de giftige vloeistof in korte tijd uit. De giftige vloeistof verspreidt zich over de grond, dampt uit en vormt een giftige wolk. De wolk verspreidt zich snel met de wind mee.
Scenario giftige wolk (bron: scenarioboeken.nipv.nl)
Beheersbaarheid / bestrijdbaarheid Allereerst is het voor de bestrijdbaarheid van een ramp of zwaar ongeval van belang om de aanrijdtijden van de brandweer voor het plangebied te inventariseren. Vanuit de brandweerkazerne IJsselstein is de locatie binnen 5 minuten te bereiken, vanuit de
40
brandweerkazerne Nieuwegein-Noord binnen 7 minuten. Het plangebied is vanaf te Ruimtevaartbaan te bereiken en via de weg ten noorden van het plangebied langs de Nedereindse Plas. Indien aan beide zijdes een opstelplaats gerealiseerd wordt is de bereikbaarheid beter. Geconcludeerd wordt dat het plangebied en diens directe omgeving goed bereikbaar is voor de brandweer. Tevens zijn zowel de gasleiding evenals het wegvak vanuit de brandweerkazernes binnen circa eenzelfde tijd bereikbaar, echter kenmerken zich deze risicobronnen deels als moeilijk benaderbaar voor hulpdiensten. Een verantwoordelijkheid die primair bij de eigenaar van de gasleiding c.q. de wegbeheerder en de Veiligheidsregio ligt. De Veiligheidsregio adviseert ook om de aardgasleiding af te dekken met kunststofplaten om de kans op een fakkelbrand te verkleinen. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid bij het toxische scenario worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Ten aanzien van het brandbare scenario, zet de brandweer eveneens in op het beperken of voorkomen van effecten.
Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich ook dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied.
Verloop bij grootschalig brandweer optreden (Bron: scenarioboeken.nipv.nl)
Wel is het van belang dat zich in het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen bevinden. De Veiligheidsregio Utrecht adviseert dan ook om contact op te nemen om de bereikbaarheid en blusvoorzieningen te optimaliseren. Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied is hierbij van essentieel belang. Voor het redden en het verlenen van eerste hulp aan slachtoffers is het van belang dat een opstelplaats toegankelijk is in de directe omgeving van het incident voor het optreden van de hulpdiensten. Het huidige planvoornemen kent een eenzijdige aanrijdroute. Bij een fakkelbrand is deze aanrijdroute mogelijk niet beschikbaar en kan dit een knelpunt vormen voor de aanrijdroute van de hulpdiensten. Zodoende is een calamiteiteninrit voor de hulpdiensten wenselijk, zodat tweezijdig aangereden kan worden naar de incidentlocatie. Voor hulpdiensten is het goed kunnen bereiken en verlaten van het incident met eigen materiaal en eigen personeel van cruciaal belang. Om de
41
bereikbaarheid nader te kunnen beoordelen, krijgt de VRU graag inzicht in een stedenbouwkundigplan. Met deze informatie kunnen wij maatwerk toepassen in het plangebied om de bereikbaarheid van de hulpdiensten te optimaliseren en borgen. Denk hierbij aan verkeersaders, bieden van onbelemmerde doorgang, erftoegangswegen en doodlopende wegen. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen.
Handelingsperspectief scenario fakkelbrand (Bron: scenarioboeken.nipv.nl)
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen en/of er een explosie plaatsvindt, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Immers, schuilen binnen de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit te overleven. Om schuilen binnen de nieuwbouw tijdens een toxisch scenario mogelijk te maken dient het ventilatiesysteem mechanisch en handmatig uitgeschakeld en afgesloten te kunnen worden. Schuilen binnen de locatie is mogelijk binnen de nieuwbouw, zeker gezien het feit dat de bebouwing als gevolg van de hedendaagse energieprestatie-eisen goed geïsoleerd is en derhalve voldoet aan de nodige veiligheidseisen. Echter, ook vluchtwegen van de bron af, in dit geval in westelijke richting naar de westzijde van IJsselstein, behoren tot de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Ten behoeve van het brandbare scenario is vluchten het meest realistische handelsperspectief. Aangezien de hogedruk aardgastransportleiding door het plangebied
42
loopt is schuilen binnen het plangebied niet aan te raden. Echter om schuilen binnen de gebouwen in het plangebied beter mogelijk te maken kunnen maatregelen worden overwogen. Brandwerende maatregelen die beschermen tegen een brand buiten het gebouw voorkomen of vertragen dat een gebouw in brand raakt. Daardoor worden personen in een gebouw beschermd en hebben deze personen meer tijd een goed moment te kiezen om uit het gebouw te vluchten. De veiligheidsregio Utrecht adviseert om gebouwen buiten de 100%-letaliteitzone, dus op meer dan 50 meter, te voorzien van bouwkundige maatregelen. Voorbeelden hiervan zijn brand- en hittewerende beglazing en dakpannen. Binnen 50 meter van de buisleiding zullen deze maatregelen niet afdoende zijn om de effecten van een calamiteit te verminderen. Des te meer adviseert de Veiligheidsregio Utrecht om ruime, duidelijke vluchtwegen zowel aan de noord- als de zuidzijde van het plangebied te realiseren en extra aandacht te geven aan communicatie met de bewoners over handsperspectieven. Conclusie Op basis van de risicoanalyse is gebleken dat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van hogedruk aardgastransportleiding W-518-01 en de autosnelweg A2.
Voor de gasleiding is een berekening van het groepsrisico uitgevoerd en is gebleken dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden of toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Binnen de belemmeringenstrook (4 meter aan weerszijde van het hart van de buisleiding mogen geen bouwwerken worden bestemd). Buiten de 100%-letaliteitszone raadt de Veiligheidsregio aan om bouwkundige maatregelen te treffen tegen het verspreiden van secundaire branden. Binnen de 100%-letaliteitszone zal dit niet afdoende zijn. Ten opzichte van de autosnelweg A2 ligt het plangebied buiten de meest relevante zone voor het groepsrisico. Derhalve is het groepsrisico beperkt verantwoordt ten aanzien van beide risicobronnen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De Veiligheidsregio Utrecht is in de gelegenheid gesteld een advies over dit plan te kunnen uit te brengen. Het advies is verwerkt in de rapportage externe veiligheid. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.7
Water Beleid Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
43
In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen; 2. een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie.
Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart; 3. een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. klimaatadaptatie; 2. waterveiligheid; 3. zoetwater; 4. grondwater; 5. scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak.
Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied,
44
de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Regionaal Bodem- en waterprogramma Utrecht 2022-2027 Het Regionaal Bodem- en waterprogramma (RWBP) 2022 – 2027 Provincie Utrecht is op 14 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Bodem- en waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Utrecht.
Ten eerste zijn er een aantal overkoepelende thema’s voor bodem en water uitgelegd: − een duurzaam ondergrondgebruik: Het is belangrijk voor mens en dier in een geschikte leefomgeving te kunnen leven. De ondergrond wordt steeds meer gebruikt (drinkwater, bodemenergie…). Daarom vraagt deze ontwikkeling om samen met betrokkenen te gaan werken. Elk project is maatwerk; − een circulaire economie maakt deel uit van de beleidskeuzes. De ambitie is onder andere om te gaan innoveren met verkenning naar een circulair watersysteem in de provincie, met zo weinig mogelijk afval. Verder is het plan onderverdeeld in zes deelprogramma’s: 1. schoon oppervlaktewater: Dit programma draait om de bescherming van biodiversiteit. De principe wijst ‘waterparels’ aan om wateren met specifieke soorten te beschermen. Daarnaast is een goede kwaliteit van oppervlaktewater van belang voor vele gebruiksfuncties; 2. schone bodem en grondwater: Het programma draait om het beperken van verontreinigende stoffen en het voorkomen van achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen. Schoon water is ook belangrijk voor mensenconsumptie; 3. bodem: kwaliteit, vruchtbaarheid, aardkundige waarden en ontgrondingen: Dit programma vooral een administratief punt over taken en rollen in de transitie naar (en na) de Omgevingswet. Kennisontwikkeling en kennisdeling zijn onder andere belangrijke opgaven.
Verder focust het beleid zich op het faciliteren van kringlooplandbouw en de borging van de aardkundige waarden in de ruimtelijke ontwikkelingen. Tot slot wordt er randvoorwaarden opgesteld aan delfstoffenwinning; 4. voldoende water en voorkomen wateroverlast: Het programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let de provincie op de hoeveelheid :goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte;
45
5. waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem; 6. energie uit bodem en water: De provincie wil zich inzetten op ondergrondenenergie (aquathermie en ondiepe bodemenergie…) mits de netwerken optimaal benut zullen worden en mits het verantwoord is voor mens, bodem, water en milieu. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. De provincie is ook onderverdeeld in deelgebieden. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden Op 22 december 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden vastgesteld.
In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: − zuiver afvalwater: Bij dit programma speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol met oog voor circulaire economie en energieneutraliteit; − robuust en gezond watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op het tegengaan van de bodemdaling, het bevorderen van biodiversiteit en een gezond (grond)water; − waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. Het programma is, naast deze thema’s; in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De aanpak en de visie per deelgebied zijn toegelicht om de opgaven op te kunnen pakken. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Toetsing Met onderhavig plan wordt aan de rand van stedelijk gebied 79 woningen gerealiseerd. Het plangebied wordt omsloten door watergangen.
Voor het plan is de digitale watertoets10 doorlopen. Daaruit volgt dat het plan waterschapsbelangen raakt doordat de plangrens in de beschermingszone ligt en dat er een ontsluiting moet worden
10
Digitale Watertoets, doorlopen op 1 september 2023. 46
gerealiseerd over een primaire watergang. Dit zal in overleg met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden moeten.
Legger Oppervlakte water Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
In voorgaande afbeelding is de legger weergegeven met daarin rood omkaderd het plangebied. In de afbeelding is te zien dat het plangebied aan de noord- oost en westzijde wordt begrenst door tertiair oppervlaktewater met een tertiaire natte profiel (groen). Aan de zuidzijde is er sprake van primair oppervlakte water met primaire natte profiel (blauw) en een beschermingszone A (roze). Binnen de beschermingszone wordt niet gebouwd. Er zal wel een extra duiker geplaatst worden in het primaire oppervlakte water om de ontsluiting mogelijk te maken. Toename verhard oppervlak Met onderhavige ontwikkeling wordt diverse verhard oppervlak aangelegd in de vorm van bebouwing, erfverharding, ontsluitingswegen en parkeergelegenheid. Daarnaast wordt er ook bestaande bebouwing gesloopt. Totaal zal er ongeveer 18.000 m 2 aan verhard oppervlak toegevoegd worden. Er is een waterbalans opgemaakt in werkdocument ‘Water’11. De waterbalans is navolgend weergegeven. Na het opstellen van de waterbalans is het stedenbouwkundig plan nog gewijzigd, zodoende is hier nog gerekend met 8 rug-aan-rug-woningen in de zuidelijke punt terwijl dit er uiteindelijk maar 6 zijn geworden.
11
IMOSS. Water, Ruimtevaarbaan IJsselstein. 22186-T, 08 november 2023. 47
Zoals uit de waterbalans naar voren komt wordt er voldoende water gecompenseerd. Steigers Aan de waterzijde zijn steigers gesitueerd. De steigers zijn vergunningsplichtig en mogen het onderhoud niet bemoeilijken. Waterkwaliteit Om de waterkwaliteit van het oppervlakte water te bevorderen worden waar mogelijk natuurvriendelijke oevers aangelegd. Riolering Bij de nieuwbouw wordt hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd. Het afvalwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin is uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per persoon. Op basis van maximaal 79 woningen en een gemiddelde huishoudensgrootte van 2,12 personen/woning, wordt uitgegaan van 168 bewoners. Dit betekent dat er dus 168 x 120 liter = 20.098 liter per dag wordt geloosd. Dit komt overeen met een toename van circa 20,1 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van gemiddelden en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Klimaatadaptatie/Verdroging Een van de effecten van klimaatverandering is dat er vaker langere periodes zijn van droog en warm weer, alsmede nattere periodes met hevige regenval.
Hierom is het wenselijk om tijdens droge dan wel natte periodes water vast te kunnen houden in de openbare ruimte. In dat geval moet er wel een mogelijkheid zijn tot infiltratie.
48
Wel blijft er een kleine kans op overstromingen in het gebied. Hierom wordt aanbevolen om zo klimaatadaptief mogelijk te bouwen, en zo mogelijke toekomstige schade te mitigeren. Een verhoogd vloerpeil t.o.v. de weg, kruipruimteloos bouwen, en een zo groen mogelijk (onverhard) perceel zijn voorbeelden om wateroverlast te voorkomen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing quick scan natuur Vanwege onderhavige ontwikkeling waarbij een agrarisch erf met bijbehorende graslanden wordt herontwikkeld, is het noodzakelijk om vanuit de ecologie te onderzoeken of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In een quick scan12 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aanof afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebied Uiterwaarden lek op circa 6 kilometer afstand van het plangebied ligt.
Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen echter op voorhand uitgesloten. De bescherming van Natura 2000 staat de ontwikkeling niet in de weg en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Wel dient in het kader van stikstof een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Het aspect stikstof wordt behandeld in paragraaf 4.9. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze 12
SAB. Quick scan natuur, IJsselstein Ruimtevaartbaan. 210231.01, 19 juli 2024. 49
soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen en/of essentieel leefgebied aanwezig van huismus, gierzwaluw, buizerd, roek, havik, sperwer, boomvalk, ransuil en steenuil. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied van deze soorten aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk Verder zijn mogelijk beschermde elementen zoals verblijfplaatsen en/of essentieel leefgebied van vleermuizen, bunzing, hermelijn, wezel, boommarter, steenmarter, das, ringslang, alpenwatersalamander, rugstreeppad en eekhoorn aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden.
Indien verblijfplaatsen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Beschermde houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Vervolgstappen − houd rekening met de zorgplicht; − houd rekening met broedende vogels; − laat nader onderzoek uitvoeren naar buizerd, roek, havik, sperwer, boomvalk, ransuil, steenuil, bunzing, hermelijn, wezel, boommarter, steenmarter, eekhoorn, das, ringslang, alpenwatersalamander, rugstreeppad en vleermuizen; Toetsing nader onderzoek In het plangebied is nader onderzoek13 verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van: − Boomvalk − Buizerd − Havik − Sperwer − Roek − Ransuil − Steenuil 13
SAB. Nader onderzoek beschermde diersoorten IJsselstein, Ruimtevaartbaan 7a, 11. 210231.01, 4 november 2024 50
− Bunzing − Hermelijn − Wezel − Boommarter − Steenmarter − Das − Haas − Eekhoorn − Vleermuizen − Ringslang − Alpenwatersalamander − Rugstreeppad Voor de volgende soort(groep)en geldt dat essentiële elementen hiervan niet in het plangebied (of de omgeving) aanwezig zijn: − Boomvalk − Buizerd − Havik − Sperwer − Roek − Ransuil − Steenuil − Boommarter − Steenmarter − Das − Eekhoorn − Ringslang − Alpenwatersalamander − Rugstreeppad De geplande ruimtelijke ontwikkeling leidt voor deze soorten niet tot een schadelijke handeling. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit hoeft voor deze soorten derhalve niet aangevraagd te worden. Voor de volgende soort(groep)en geldt dat essentiële elementen hiervan wel in het plangebied (of de omgeving) aanwezig zijn: − Bunzing − Hermelijn − Wezel − Haas − Gewone grootoorvleermuis Voor de bunzing, hermelijn en wezel geldt dat vanwege aanwezigheid van geschikt leefgebied uitgegaan moet worden van aanwezigheid van deze soorten. Met de voorziene ruimtelijke ontwikkeling is in de aanlegfase het vernielen van verblijfplaatsen en het verwonden van deze soorten mogelijk. Dit is met preventieve maatregelen niet op voorhand te voorkomen. Ook is waarschijnlijk niet te voorkomen dat in de toekomstige situatie het plangebied minder geschikt is als leefgebied dan in de huidige situatie. 51
Derhalve moet ervan uitgegaan worden dat schadelijke handelingen onder de Omgevingswet plaatsvinden. Hiervoor moet daarom een vergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden. Met de voorziene ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van vernieling van verblijfplaatsen en verwonden van individuen. Dit is niet zomaar volledig te voorkomen met preventieve maatregelen. De zomer/paarverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis bevindt zich buiten het plangebied in de paardenstal. Deze verblijfplaats gaat derhalve niet verloren ten gevolge van deze ontwikkeling. Wel gaat met de geplande ruimtelijke ontwikkeling het aanwezige foerageergebied van deze soort in het plangebied verloren. Dit is niet zomaar met preventieve maatregelen te voorkomen. Wel zijn er voldoende alternatieve foerageergebieden voor de gewone grootoorvleermuis aanwezig in de omgeving. Echter, deze moeten wel middels een robuuste groene vliegroute, zonder verstoring door kunstmatige verlichting bereikbaar zijn. Hier lijkt met de huidige plannen voor de toekomstige situatie onvoldoende sprake van te zijn. Met aanpassingen van de plannen en het treffen van preventieve maatregelen (zie paragraaf 6.4 nader onderzoek) is het echter wel kansrijk om een dergelijke vliegroute aan te leggen.
Indien dit voorafgaand aan de werkzaamheden en in de ruimtelijke ontwikkeling wordt gerealiseerd, is geen sprake van een schadelijke handeling en is voor deze soort een vergunning flora- en fauna-activiteit niet nodig. Indien dergelijke maatregelen niet worden getroffen is voor deze soort wel een vergunning flora- en fauna-activiteit nodig. Derhalve adviseren wij om deze maatregelen te treffen. De boomsoort es is geen beschermde plantensoort, maar vanwege het waarnemen van zwammen aan de voet van meerdere essen in bomenrij 1, adviseren wij om deze deskundig te laten vellen vanuit veiligheidsoogpunt en om de overige bomen en struiken te behouden. Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aanvragen Het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten (in dit geval kleine marters, haas en gewone grootoorvleermuis) worden verstoord is wettelijk gezien mogelijk als men in het bezit is van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Een dergelijke omgevingsvergunning dient voor dit project aangevraagd te worden bij de provincie Utrecht. Bij het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit dient een projectplan te worden opgesteld. In dit plan wordt onder andere de verspreiding van de betreffende beschermde soort in het plangebied verwoord alsmede het (wettelijk) belang van de ingreep onderbouwd.
Daarnaast dient een uitgebreide alternatievenafweging plaats te vinden over waarom de verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen niet is te voorkomen. Een omgevingsvergunning wordt enkel verleend als voldoende mitigerende maatregelen worden getroffen om zoveel mogelijk schade aan de betreffende beschermde soorten te voorkomen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met alle broedende vogels en de specifieke zorgplicht.
52
Mitigerende maatregelen De precieze uitwerking van de mitigerende maatregelen moet plaatsvinden in het mitigatieplan van de vergunningsaanvraag. Over het algemeen houden mitigerende maatregelen voor kleine marters en haas in dat voorafgaand aan de start van de ruimtelijke ontwikkeling in de directe omgeving nieuw leefgebied moet zijn aangelegd. Dit moet voldoende functioneel zijn bij de start van de ruimtelijke ingrepen, waarbij het leefgebied van deze soorten wordt aangetast. In sommige gevallen kan het nieuwe leefgebied ook binnen het plangebied zelf gerealiseerd worden. De mitigerende maatregelen voor de gewone grootoorvleermuis moeten ervoor zorgen dat robuuste vliegroutes blijven bestaan vanaf de paardenstal naar de Nedereindse Plas. Hiervoor moeten bijvoorbeeld extra struiken worden aangeplant en moet de verlichting rond de Omloop Oost worden aangepast. De precieze uitwerking van deze maatregelen moet gebeuren in een activiteitenplan en verder uitgewerkt in ondermeer een ecologisch werkprotocol en beplantingsplan. Broedperiode en specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht van de Omgevingswet is altijd van toepassing. Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving.
Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterrustseizoen) en door gefaseerd te werken om dieren de kans te geven om te vluchten. Broedende vogels, vanaf het bouwen van het nest tot het uitvliegen van de jongen, zijn strikt beschermd. De broedende vogels en hun jongen mogen niet verstoord, verwond en gedood worden. Daarnaast mogen in gebruik zijnde nesten ook niet beschadigd en vernield worden. Zonder maatregelen kan dit bij ruimtelijke ingrepen wel gebeuren. Er is echter voor ruimtelijke ontwikkelingen geen vrijstelling hiervoor te verkrijgen in het kader van de Omgevingswet. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten, zodat er vanwege de dan aanwezige verstoring geen vogels in de buurt gaan broeden. De werkzaamheden kunnen vervolgens wel in de broedperiode doorlopen.
Vervolgstappen − Zorg voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de soorten bunzing, hermelijn, wezel, haas en gewone grootoorvleermuis; − Laat tijdig voldoende mitigerende maatregelen treffen voor de soorten bunzing, hermelijn, wezel, haas en gewone grootoorvleermuis; − Veranker de vliegroute voor de grootoorvleermuis en voorzieningen voor bunzing, hermelijn, wezel, haas in het beplantingsplan en lichtplan (op basis van de uitkomsten van de omgevingsvergunning); − Houd rekening met broedende vogels; − Houd rekening met de specifieke zorgplicht. − Verwijder de door zwam aangetaste essen in bomenrij 1. Planologische- en juridische borging
53
Om te voorkomen dat beschermde soorten verstoord worden voordat hier een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor verleend is, is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 13.2 van de planregels. Conclusie De vervolgstappen welke weergegeven zijn bij het nader onderzoek moeten worden nageleefd. Indien deze stappen positief doorlopen zijn vormt het aspect natuur geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.9
Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten.
Toetsing De aanleg- en gebruiksfase is doorgerekend met het rekenprogramma Aerius, de berekeningen zijn verwerkt in het stikstofonderzoek 14. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Als invoer gegevens is uitgegaan van maximaal 79 nieuwbouwwoningen (gasloos) met bijbehorende verkeersbewegingen. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de
14
SAB. Onderzoek stikstofdepositie IJsselstein, Ruimtevaartbaan. 210231.01, 2 december 2024. 54
omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Eindadvies Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Binnen het plangebied is een dubbelbestemming archeologie en een gebiedsaanduiding archeologie opgenomen. De met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie – 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor de bescherming en instandhouding van archeologische waarden, alsmede secundair voor de andere op deze gronden liggende bestemmingen. Op de gronden, gelegen buiten de aangegeven bouwvlakken, mogen slechts worden gebouwd mits de archeologische belangen zich daartegen niet verzetten. Het is verboden om bodem verstorende werkzaamheden uit te voeren die een oppervlakte van meer dan 100 m2 beslaan op een grotere diepte dan 30 cm.
Om af te wijken van het bovenstaande dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, is vastgesteld. Buiten de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 3’ bevat het plangebied de gebiedsaanduiding ‘archeologisch waardevol gebied – 2’. Binnen deze aanduiding is het verboden om bodem verstorende werkzaamheden uit te voeren die een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 beslaan op een grotere diepte dan 200 cm. Om af te wijken van het bovenstaande dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, is vastgesteld.